RV2021-125 Bijlage 1 verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp West Betuwe.pdf
Tekst van het document
21 december 2021 Kenmerk GZDGWB/ Pagina 1 van 42
Raadsbesluit Intitulé De raad van de gemeente West Betuwe; gelezen het voorstel van het college van 12 oktober 2021, gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4a, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.4b, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo); en artikelen 3.8, tweede lid en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; overwegende dat: burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te
dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving; én gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12, 8.1.1, derde, vierde lid, van de Jeugdwet; overwegende dat: de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor het organiseren van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt; en dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen over: • de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; • de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen; • de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld, voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet, en • regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;
Pagina 2 van 42
overwegende dat: het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning kan betrekken van een persoon die behoort tot diens informele netwerk; besluit: de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe 2022 vast te stellen.
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.1.1 Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo2015) en artikel 1.1 Jeugdwet wordt in deze verordening en de daarop berustende bepalingen verstaan onder: a. algemeen gebruikelijk: een voorziening die: a. niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; en b. daadwerkelijke beschikbaar is; en c. een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie; en d. financieel kan worden gedragen met een inkomen op bijstandsniveau b. arbeidsrelatie: als iemand op persoonlijke titel werkzaamheden uitvoert kan er sprake zijn van een arbeidsrelatie. De arbeidsrelatie wordt bepaald aan de hand van een drietal factoren: loon: wordt er ‘salaris’ betaald in plaats van een factuur of vergoeding; arbeid: worden de werkzaamheden door dezelfde persoon uitgevoerd; gezagsverhouding: kan de budgethouder opdrachten geven en bepalen wat er wordt gedaan. c. budgetplan: plan dat de client, die een maatwerkvoorziening aanvraagt, indient ter motivering van de wens om de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt te krijgen. d. centrumgemeente: de gemeente die voor de gemeente West Betuwe de maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang financiert en uitvoert. Voor West Betuwe is dit de gemeente Nijmegen. e.
eigen bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4a Wmo2015. f. formele ondersteuning: ondersteuning en zorg, uitgevoerd door een gekwalificeerd persoon die beroepsmatig of bedrijfsmatig werkzaam is in deze ondersteuning en zorg, wat blijkt uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) van hemzelf of de organisatie waarvoor hij werkzaam is.
Pagina 3 van 42
g. gebiedsteam: het samenwerkingsverband dat in opdracht van de gemeente de toegang vormt naar jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning. h. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van inwonende ouders, kinderen, echtgenoten en andere huisgenoten (Wmo2015) of ouders met het gezag ten opzichte van hun minderjarige kinderen (Jeugdwet), rekening houdend met hun eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. i. hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de client zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft of zal hebben en op welk adres hij in de Basisregistratie Personen (BRP) ingeschreven staat of zal staan. Indien de client met een briefadres in de Basisregistratie Personen ingeschreven staat, gaat het om het feitelijk woonadres. j. informele ondersteuning: ondersteuning en zorg die volgens de definitie van formele ondersteuning niet aan de voorwaarden van formele ondersteuning en zorg voldoet. k. ingezetene: client die hoofdverblijf heeft in de gemeente West Betuwe. l. lokaal verplaatsen per vervoermiddel: men kan zich in ieder geval binnen een straal van 30 kilometer rondom de woning makkelijk verplaatsen. m. maatwerkvoorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo2015 of een individuele voorziening als benoemd in de Jeugdwet. n.
ondersteuningsplan: het document dat de medewerker van de gemeente maakt als weergave van het onderzoek. Daarin zijn opgenomen: de ondersteuningsbehoefte, de ondersteuningsdoelen, het plan van aanpak en evaluatieafspraken. o. ondersteuningsvraag: behoefte van een client aan ondersteuning als er sprake is van: stoornissen als bedoeld in artikel 2.3 lid 1 Jeugdwet; maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 Wmo2015. p. persoonlijk plan: een niet verplicht plan waarin de cliënt beschrijft welke hulp nodig is en hoe de cliënt dit wil regelen. q. regio: de gemeenten in regio Rivierenland die met elkaar samenwerken op het gebied van de inkoop van Wmo- en jeugdvoorzieningen. r. tarief of kostprijs: het bedrag dat de gemeente aan een aanbieder moet betalen voor de verstrekking van een voorziening in natura. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura (Wmo) is gelijk aan het tarief. s. voorliggende voorziening: een voorziening die op grond van andere wet- of regelgeving aan de Wmo of Jeugdwet vooraf gaat.
Pagina 4 van 42
t. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt. u. zzp: zelfstandige zonder personeel. Een ondernemer die geen personeel in dienst heeft, waarbij voor de vaststelling of er sprake is van een ondernemer, de volgende criteria gelden: zelfstandigheid bij de inrichting van de eigen werkzaamheden en het uitvoeren daarvan en; het voor eigen rekening en risico verrichten van werkzaamheden en; het gericht zijn op en het perspectief hebben van het maken van winst en; bekendmaking van de onderneming en; het streven naar meerdere opdrachtgevers. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet (Wmo en Jeugdwet), het Uitvoeringsbesluit Wmo2015, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 2 Vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Het college maakt onderscheid tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen: een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling; voor een maatwerkvoorziening stelt het college criteria voor de toegang (zie hoofdstukken 3 en 4, artikelen 11 tot en met 15). 2. De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn o.a. beschikbaar: a. Wat betreft maatschappelijke ondersteuning: ondersteuning; voorzieningen (hulpmiddelen). b.
Wat betreft jeugdhulp: opvoedkundig; begeleiding; behandeling; crisiszorg; jeugdbescherming. 3. Het college draagt zorg voor een begrijpelijke communicatie naar inwoners welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen beschikbaar zijn en hoe de toegang tot deze voorzieningen geregeld is. 4. Het aanbod genoemd onder lid 2 sub a en b van dit artikel, is niet uitputtend en is aan verandering onderhevig. Verschuivingen van maatwerkvoorzieningen naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen is mogelijk. 5. In gevallen van een maatwerkvoorziening waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.
Pagina 5 van 42
Hoofdstuk 2
Toegang maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp
Artikel 3 Melding ondersteuningsvraag 1. Een ondersteuningsvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Een melding voor een Wmo-maatwerkvoorziening voor een inwoner jonger dan 18 jaar kan worden gedaan door een wettelijk vertegenwoordiger (ouder met gezag of voogd). 3. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. De schriftelijke bevestiging van de melding kan achterwege blijven als door- of namens de cliënt wordt aangegeven op basis van de verstrekte informatie naar aanleiding van de melding geen behoeft meer te hebben aan een verdere behandeling van zijn melding. 4. In spoedeisende gevallen treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. 5. Een cliënt kan zich rechtstreeks wenden tot een algemene voorziening. 6. Na de melding zal een het college de ondersteuningsvraag van de inwoner binnen twee weken in behandeling nemen. 7. Als een jeugdhulpverzoek voldoet aan de eisen van artikel 4:1 en 4:2 Awb is er sprake van een jeugdhulpaanvraag. Deze aanvraag wordt dan afgewikkeld op basis van artikel 8 van deze Verordening. Artikel 4 Cliëntondersteuner – vertrouwenspersoon 1.
Het college informeert de cliënt voor het onderzoek op de mogelijkheid een beroep te kunnen doen op kosteloze, onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 5 Onderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek naar de ondersteuningsvraag van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 3. De cliënt toont in ieder geval een identificatiebewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 4. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een onderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel. 5. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel 6 Gesprek 1.
Het college organiseert binnen de onderzoekstermijn van zes weken na de melding (alleen bij Wmo van toepassing) een gesprek als onderdeel van het onderzoek.
Pagina 6 van 42
2. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger(s) (Wmo) en desgewenst het informele netwerk, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren van de cliënt dan wel de veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie, probleem of ondersteuningsvraag betreffende de jeugdige en ouder; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om aan de ondersteuningsvraag tegemoet te komen: met ondersteuning van de naaste omgeving (mantelzorg (Wmo) of met hulp uit het sociale / informele netwerk) of; met gebruikelijke hulp of; met een algemene voorziening of; door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger (Wmo) van de cliënt; e.
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders (Zorgverzekeringswet), partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, welzijn, wonen en/of werk & inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op: de behoefte aan verbetering van zelfredzaamheid of participatie, beschermd wonen of maatschappelijke opvang (Wmo); dan wel gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en/of voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren (Jeugdwet); f. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; g. hoe rekening wordt gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt; h. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo verschuldigd is, en i. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 3. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 5 lid 5 van deze Verordening aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid van dit artikel. 4.
Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. 5. Als de ondersteuningsvraag genoegzaam bekend is, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek. Artikel 7
Ondersteuningsplan
1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van deze Verordening, in de vorm van een ondersteuningsplan. 2. Als de cliënt als uitkomst van het onderzoek van mening dat voor passende ondersteuning een maatwerkvoorziening niet nodig is, dan wordt dat opgenomen in het ondersteuningsplan. 3. Cliënt kan zes weken na het doen van een Wmo-melding of nadat het Wmo-onderzoek is afgerond een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen, zoals bedoeld in artikel 8 van deze
Pagina 7 van 42
Verordening. Een jeugdige en/of ouder(s) kunnen ten alle tijden een jeugdhulpaanvraag, zoals bedoeld in artikel 8 van deze Verordening indienen. Het ondersteuningsplan wordt betrokken bij de besluitvorming over de aanvraag. 4. Het college verstrekt het ondersteuningsplan na afronding van het onderzoek. 5. Als de cliënt opmerkingen of aanvullingen heeft ten aanzien van het ondersteuningsplan of het niet eens is met de inhoud, en die binnen een redelijke termijn kenbaar maakt aan het college, dan voegt het college die opmerkingen of aanvullingen aan het ondersteuningsplan toe. Artikel 8
Aanvraag
1. Een cliënt vanaf 18 jaar kan pas een aanvraag voor een Wmo-maatwerkvoorziening doen nadat het Wmo-onderzoek na melding (artikel 3 van deze Verordening) is uitgevoerd. Zijn er zes weken na de melding verstreken en is het onderzoek nog niet afgerond, dan kan de cliënt ook na het verstrijken van die zes weken een aanvraag doen. De aanvraag wordt schriftelijk of elektronisch ingediend. Een jeugdhulpaanvraag kan ten alle tijden worden gedaan. Een voorgaande melding (en een daarop gebaseerd onderzoek) zijn niet verplicht.
2. Een aanvraag kan op de volgende manieren schriftelijk of elektronisch worden gedaan: a. een door de cliënt of belanghebbende ingevuld en ondertekend Wmo-aanvraagformulier; of b. een door cliënt of belanghebbende ondertekend (Wmo) ondersteuningsplan waarop de cliënt heeft aangegeven een aanvraag voor een maatwerkvoorziening in te dienen; of c. in het geval van een jeugdige voor een aanvraag van jeugdhulp door middel van een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier.
3. De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college indien dit bij het onderzoek niet heeft plaatsgevonden, desgevraagd terstond ter inzage een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Artikel 9 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Als de jeugdige of zijn ouders hierom verzoeken, legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking als bedoeld in artikel 14 van deze Verordening. 3. Als het college na verwijzing jeugdhulp door huisarts, medisch specialist of jeugdarts de ondersteuning in de vorm van een pgb toekent legt het college dit vast in een beschikking als bedoeld in artikel 14 van deze Verordening.
Artikel 10 Toegang jeugdhulp via gecertificeerde instelling Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingenarts of de directeur van de justitiële Inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van
Pagina 8 van 42
jeugdreclassering. Hiervoor verstrekt het college geen beschikking als bedoeld in artikel 14 van deze Verordening.
Hoofdstuk 3
Besluitvorming maatwerk
Artikel 11 Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het ondersteuningsplan als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag voor een Wmo-maatwerkvoorziening. Gaat het om een aanvraag tot jeugdhulp dan zal een ondersteuningsplan, voor zover dat is opgesteld, als uitgangspunt voor het jeugdhulponderzoek worden genomen. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: 1. op eigen kracht; 2. met gebruikelijke hulp; 3. met mantelzorg Wmo; 4. met hulp van andere personen uit zijn sociale en/of informele netwerk; 5. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke Wmo voorzieningen; of 6. met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De Wmo maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 van deze Verordening bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven; b.
een cliënt komt in aanmerking voor een Wmo-maatwerkvoorziening voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt van 18 jaar en ouder met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen: 1. op eigen kracht; 2. met gebruikelijke hulp; 3. met mantelzorg; 4. met hulp van andere personen uit zijn sociale en/of informele netwerk; 5. met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke Wmo voorzieningen; of 6. met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikelen 5 en 6 bedoelde onderzoek en gesprek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Voor de
Pagina 9 van 42
beoordeling of al dan niet aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en opvang, gelden de criteria zoals opgenomen in de verordening Wmo en jeugdhulp van de gemeente Nijmegen en de hierop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels van de gemeente Nijmegen. Deze bepalingen zijn van toepassing op de uitvoering van beschermd wonen en maatschappelijke opvang in de gemeente West Betuwe. c.
ter bevordering van: 1. gezond en veilig opgroeien van de jeugdige(n) naar zelfstandigheid; 2. het voorkomen van, de ondersteuning bij, hulp en zorg bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen bij jeugdigen; 3. de ondersteuning, hulp en zorg bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen bij jeugdigen; waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt. 3. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning: a. voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en b. niet voorzienbaar was, in die zin dat alleen rekening mag worden gehouden met de op het moment van aanschaf of verhuizing al aanwezige beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan. 4. Als een Wmo-maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven; a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; of b.
tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. Artikel 12 Afwijzingscriteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college kan de toegang tot een maatwerkvoorziening weigeren op basis van de volgende gronden: a. Als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. b. Er is een voorliggende voorziening beschikbaar die in voldoende mate bijdraagt aan de oplossing van het probleem zoals gebleken is na het onderzoek, bedoeld in artikel 5 van deze Verordening. c. Er is een andere voorziening beschikbaar die in voldoende mate bijdraagt aan de oplossing van het probleem zoals gebleken is na onderzoek, bedoeld in artikel 5 van deze Verordening.
Pagina 10 van 42
d. Er is in redelijkheid en op basis van onafhankelijk advies (zie artikel 13 van deze Verordening) aan te nemen dat een ondersteuningsvraag niet opgelost of verminderd kan worden met maatwerkvoorzieningen. e. Cliënt is geen ingezetene van de gemeente West Betuwe, voorzover het gaat om een Wmo maatwerkvoorziening, die is gericht op het ondervangen van een beperking op het gebied van de zelfredzaamheid of participatie (artikel 1.1.1 Wmo 2015). f. Als de cliënt voor het verkrijgen van passende ondersteuning aanspraak kan maken op een door of ten behoeve van hem/haar afgesloten aanvullende verzekering. g. Als cliënt de gevraagde voorziening na de melding maar voor de datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kunnen worden beoordeeld. h. Als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen. i. Als deze niet langdurig noodzakelijk is (met een uitzondering voor huishoudelijke ondersteuning, begeleiding en aanvullend regiovervoer daar waar sprake is van respijtzorg). j.
Indien de jeugdhulp-aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige of ouder voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, verstrekt het college hiervoor geen voorziening tenzij: a. op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen. k. Als de cliënt niet beschikt over de Nederlandse nationaliteit of niet rechtmatig in Nederland verblijft. 2. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. Als de noodzaak van een woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. b. Als de cliënt niet verhuisd is naar de op dat moment meest geschikte beschikbare woning. c. Als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. d. Als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waarvoor de voorziening wordt gevraagd. e. Ten behoeve van woonruimte die niet geschikt is voor permanente bewoning. f.
Als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden. g. Als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte.
Pagina 11 van 42
3. Het college verstrekt geen pgb voor het collectief vraagafhankelijk vervoer (Versis). Artikel 13 Advisering Het college kan een door hem daartoe aangewezen onafhankelijke adviesinstantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening. Artikel 14 Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven: a. welke de te verstrekken voorziening is; b. of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt; c. wat het beoogde resultaat daarvan is daarvan is en welke activiteiten, met welke tijdsduur (uren/minuten) en met welke frequentie nodig zijn om deze resultaten te bereiken. Dit voorzover dit niet is opgenomen in het ondersteuningsplan dat onderdeel uitmaakt van de beschikking; d. wat de ingangsdatum en duur van de beschikking is; e. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing; f. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn; g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening; h. hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking (tevens) in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb wordt aangewend; b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
Hoofdstuk 4
Besluitvorming persoonsgebonden budget (pgb)
Artikel 15 Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb) 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo2015 en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet. 2. De cliënt die een pgb wenst, motiveert dit schriftelijk in een budgetplan, waarin is opgenomen: a. welke redenen er zijn om te kiezen voor een pgb in plaats van zorg in natura; b. welke ondersteuning cliënt wil inkopen met het budget en bij welke uitvoerder; c. op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid of aan gezond en veilig opgroeien van de jeugdige(n) naar zelfstandigheid; d. hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; e. hoe eventuele meerkosten van de ondersteuning worden bekostigd; f. hoe de cliënt zelf of met iemand uit het sociale netwerk dan wel informele netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren.
Pagina 12 van 42
g. Ten aanzien van een jeugdhulp pgb dat de op basis van het pgb te verlenen jeugdhulp een passende oplossing biedt voor de door het college vastgestelde hulpvraag van de jeugdige en/of diens ouders. 3. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van het door de cliënt opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden (zie artikel 15 lid 2 van deze Verordening); b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en; c. bedraagt niet meer dan de totale kostprijs van in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura, mits toereikend; d. voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris (minimaal wettelijk minimumloon + vakantiegeld), vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten; e. wordt voor dienstverlening jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de contractueel overeengekomen index voor de betreffende maatwerkvoorziening in natura; f.
wordt voor een zaak bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt. Als de verstrekking in natura een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd gelijk aan de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven, rekening houdend met onderhoud en verzekering. Als de verstrekking in natura een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met een eventueel door de gemeente te ontvangen korting en rekening houdend met onderhoud en verzekering. g. wordt voor dienstverlening bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd en bedraagt voor de inzet van dienstverlening, uitgevoerd door: 1. personen die formele hulp en ondersteuning bieden, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graad van de cliënt: I. werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden is ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of II.
werken als Zelfstandige zonder personeel en ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of III. ingeschreven staan staat in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, niet vallend onder sub i. of ii. en waarmee de cliënt een arbeidsovereenkomst heeft afgesloten.
Pagina 13 van 42
De aanbieders die vallen onder I ontvangen maximaal 100% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. De aanbieders die vallen onder II en III ontvangen maximaal 90% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. 2. Indien de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1ste of 2de graad van de budgethouder, is er altijd sprake van informele hulp. 3. Indien de hulp of ondersteuning wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 3 sub g onder 1 is sprake van informele hulp. 4.
Personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria zoals genoemd in sub g onderdeel 1, dan wel personen die voldoen aan de criteria zoals genoemd in sub g onderdeel 1, maar bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graad zijn van de cliënt ontvangen: • 50% van het van toepassing zijnde resultaattarief voor huishoudelijke ondersteuning; • 50% van het laagste tarief van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt tot maximaal € 20,-- per uur overeenkomstig artikel 5.22 van de Regeling langdurige zorg voor de overige vormen van dienstverlening; • € 30,-- per etmaal voor kortdurend verblijf tot maximaal € 141,-- per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 dan wel artikel 8ab Regeling Jeugdwet, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lagere tegemoetkoming. 5. De persoon aan wie een pgb wordt verstrekt kan de jeugdhulp betrekken van een persoon die behoort tot het sociale dan wel informele netwerk voor zover het niet gaat om ggzbehandeling. 6.
De hoogte van het pgb voor personen uit het sociaal dan wel informele netwerk is bij een dienstverband dan wel een overeenkomst van opdracht, minimaal gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek. 4. In het pgb is een vrij besteedbaar bedrag opgenomen van 2% van het totale pgb op jaarbasis tot een maximum van € 500,--. 5. Het pgb is niet bedoeld voor de betaling van: administratiekosten; reiskosten; bemiddelingskosten (van tussenpersoon of belangenbehartigers); eenmalige uitkering; feestdagenuitkering. 6. Indien het op basis van lid 3 sub a tot en met g van dit artikel het vastgestelde pgb in een individueel geval ontoereikend is om de aangewezen ondersteuning te kunnen inkopen, wordt
Pagina 14 van 42
het tarief zodanig aangepast dat de ondersteuning hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht. 7. In plaats van de inzet van het collectief vraagafhankelijk vervoer is de hoogte van het pgb per kilometer gelijk aan de onbelaste kilometervergoeding zoals de Belastingdienst hanteert voor woon- werkverkeer. 8. Er wordt geen pgb verstrekt als de cliënt niet voldoende in staat is om (met hulp) een pgb te beheren. Artikel 16 Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graad van de cliënt: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel.
Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. 3. Informele hulp is: a. hulp die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2 van dit artikel; b. hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graad zijn van cliënt.
Hoofdstuk 5
Overige voorzieningen
Artikel 17 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente West Betuwe kunnen door middel van een aanvraag bij de Stichting Welzijn West Betuwe voor het ontvangen van een jaarlijkse waardering in aanmerking worden gebracht. De Stichting Welzijn West Betuwe is de uitvoerder van het compliment. 2. In West Betuwe wordt het mantelzorgcompliment vastgesteld op één jaarlijkse bijdrage van of ter waarde van 100 euro per persoon. 3. Jaarlijks wordt in de prestatieafspraken met de uitvoerder bepaald op welke wijze het compliment wordt toegewezen. 4. In ieder geval wordt het compliment uitgereikt op minimaal twee gelegenheden per jaar. Artikel 18 Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming van een
Pagina 15 van 42
vast bedrag van € 350,-- per jaar verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Voorwaarden voor deze verstrekking zijn: a. aanvrager is 18 jaar of ouder; en b. aanvrager is inwoner van de gemeente West Betuwe; en c. aanvrager heeft de Nederlandse nationaliteit of verblijft rechtmatig in Nederland; en d. er moet bij de aanvrager sprake zijn van chronische ziekte of beperking; en e. de aanvrager heeft een inkomen lager dan 120% van de op 1 januari van desbetreffend jaar van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals opgenomen in de Participatiewet; en f. de aanvrager heeft een vermogen dat niet hoger is dan het voor hem van toepassing zijnde heffingsvrije vermogen, zoals opgenomen in de Wet inkomstenbelasting 2001. De waarde van de eigen woning wordt bij deze vermogensvaststelling buiten beschouwing gelaten; en g. de aanvraag wordt gedurende het lopende kalenderjaar gedaan waarbij de uiterste datum van indiening 31 december is. 3. Kinderen jonger dan 18 jaar kunnen onder de volgende voorwaarden ook in aanmerking komen voor een tegemoetkoming: a. het kind is inwoner van de gemeente West Betuwe; en b. er is een voorziening in het kader van de Wmo 2015 verstrekt; of c. het kind heeft langdurige thuiszorg nodig als gevolg van een handicap of ziekte. 4. Het college bekijkt elk jaar of de hoogte van de tegemoetkoming moet worden aangepast.
Die aanpassing gaat dan in per 1 januari van het jaar erna. Artikel 19 Aanvullend regiovervoer (Versis) 1. Een cliënt, van 18 jaar of ouder, die op grond van beperkingen voor het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel gebruik wil maken van aanvullend vervoer kan een Wmo-pas aanvragen bij de gemeente. 2. Na onderzoek besluit de gemeente over de vervoersondersteuning door middel van een Wmo-pas waarmee de client op jaarbasis maximaal 3000 kilometer, tegen het gereduceerde vervoerstarief gebruik kan maken van het aanvullend regiovervoer. 3. Als aan cliënt in de loop van het kalenderjaar ondersteuning in de vorm van een Wmo-pas wordt toegekend dan wordt de omvang van het jaarbudget (het aantal kilometers) evenredig bepaald. 4. Jaarlijks stelt het college de tarieven van het aanvullend regiovervoer voor cliënten met een Wmopas vast: a. de hoogte van de jaarlijkse paskosten; b. de hoogte van het gereduceerde tarief; c. het opstaptarief; 5. De maximale gesubsidieerde reisafstand bedraagt 30 kilometer per rit. Hierboven is het commerciële tarief verschuldigd. 6. Reizigers met een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm kunnen voor de vergoeding van de jaarlijkse paskosten een beroep doen op het minimabeleid van de gemeente. 7.
Het college kan bestemmingen aanwijzen, gelegen op een afstand van meer dan 30 kilometer van het huisadres, waarvoor het gereduceerde tarief geldt.
Pagina 16 van 42
Artikel 20 Regels voor een financiële tegemoetkoming 1. De financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening moet een adequate bijdrage leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van cliënt zoals vermeld in artikel 2.3.5 derde lid Wet maatschappelijke ondersteuning. 2. De financiële tegemoetkoming is een forfaitair bedrag en hoeft niet volledig kostendekkend te zijn. 3. De financiële tegemoetkoming is van toepassing op verhuiskosten, (rolstoel)taxivervoer, een sportrolstoelvoorziening en overige sportvoorzieningen. 4. De financiële tegemoetkoming bevat geen vrij besteedbaar deel. 5. Het abonnementstarief is niet van toepassing op de financiële tegemoetkoming. Artikel 21 Hoogte financiële tegemoetkoming 1. Een maatwerkvoorziening voor verhuizing en herinrichting wordt toegekend in de vorm van een financiële tegemoetkoming. 2. Een vervoerskostenvergoeding voor vervoer per eigen auto wordt toegekend in de vorm van een financiële tegemoetkoming. 3. Het college verstrekt een tegemoetkoming voor een sportvoorziening indien de voorziening noodzakelijk is om deel te nemen aan sportieve activiteiten. 4. De hoogte van de financiële tegemoetkoming genoemd onder lid 1 t/m 3 van dit artikel wordt vastgesteld door het college. 5. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de voorwaarden voor toekenning van een financiële tegemoetkoming.
Hoofdstuk 6
Eigen bijdrage in de kosten van Wmo-voorzieningen
Artikel 22 Regels voor de eigen bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en pgb’s (alleen Wmo) 1. Dit artikel is alleen van toepassing op cliënten die een voorziening op grond van de Wmo 2015 ontvangen. 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 3. De hoogte van de eigen bijdrage is gelijk aan het abonnementstarief per maand. De hoogte van de totale bijdrage voor een hulpmiddel een woningaanpassing en de maatwerkvoorzieningen voor vervoer, overstijgen de kostprijs van de voorziening niet. 4. In afwijking van het tweede lid van dit artikel is geen bijdrage verschuldigd door: a. de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die een bijdrage plichtig inkomen heeft van minder dan 120% van de landelijk geldende bijstandsnorm; b. de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een bijdrage plichtig inkomen heeft van minder dan 120% van de landelijk geldende bijstandsnorm; c. de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een gezamenlijk bijdrage plichtig inkomen heeft van minder dan 120% van de landelijk geldende bijstandsnorm. 5.
In afwijking van het tweede lid van dit artikel is geen bijdrage verschuldigd voor: a. een algemene voorziening;
Pagina 17 van 42
b. een rolstoel voorziening. 6. In afwijking van het derde lid van dit artikel is de hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor vervoer per rit gelijk aan het geldende openbaar vervoer tarief. 7. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder en is in natura gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt; b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 8. De kostprijs van een maatwerkvoorziening bestaat uit: a. de prijs waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier; b. onderhoudskosten; c. de onderhoudsbijdrage; d. verzekering. 9. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd, door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 10. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (opvang), worden de bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of via een pgb vastgesteld en geïnd door de aanbieder die de opvang biedt. 11.
Het college kan de aanvrager vrijstellen van het betalen van een eigen bijdrage. Gronden hiervoor zijn: a. onvoldoende betaalcapaciteit; b. in het kader van een integrale persoonsgerichte aanpak bij mensen die met politie en justitie in aanraking zijn gekomen of zorg mijden ten gevolge van een psychische beperking.
Hoofdstuk 7
Kwaliteit
Artikel 23 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. Het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt. b. Het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg. c. Erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard. d. Voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. e. Te voldoen aan de kwaliteitseisen zoals die zijn opgenomen in de inkoop- / aanbestedingsdocumenten op basis waarvan de gemeente met de aanbieder een overeenkomst is aangegaan.
Pagina 18 van 42
2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 24 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorzieningen door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor door derden te leveren diensten, zoals maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en artikel 2.11 van de Jeugdwet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: ✓ een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ✓ de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo, en artikel 4.1.1 van de Jeugdwet; b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid van de Wmo en artikel 2.13 van de Jeugdwet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b van dit artikel, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid van dit artikel. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. 5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid van dit artikel hij een overeenkomst aangaat.
Hoofdstuk 8
Klachten, medezeggenschap en beleidsparticipatie
Artikel 25 Klachtenregeling bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders van voorzieningen op grond van de Wmo 2015 stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.
Pagina 19 van 42
2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 26 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders van voorzieningen op grond van de Wmo 2015 stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 27 Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.
Hoofdstuk 9
Toezicht en calamiteiten
Artikel 28 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, verrekening, intrekking en terugvordering 1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Een cliënt doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of pgb als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015 of artikel 2.3 of 8.1.1 Jeugdwet. 3. Het college kan een beslissing als bedoeld in de Wmo of Jeugdwet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. b. De cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen. c. De maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten. d. De cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden. e. De cliënt gebruikt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel.
Pagina 20 van 42
4. Als het college een besluit tot verlening van jeugdhulp op grond van het derde lid onderdeel a van dit artikel heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb. 5. Als het college een besluit tot verlening van maatschappelijke ondersteuning op grond van het derde lid, onderdeel a van dit artikel, heeft herzien of ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 6. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 7. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. 8. Voor het toezicht op rechtmatigheid van de uitvoering van de Wmo en de Jeugdwet heeft het college de sociale recherche Regio Rivierenland aangewezen. 9.
Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden. Artikel 29 Opschorting betaling uit pgb Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting, voor ten hoogste dertien weken, van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo 2015 of artikel 8.1.4, eerste lid, onder a, d of e van de Jeugdwet. Artikel 30 Meldingsregeling calamiteiten en geweld Wmo 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een Wmo-voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Wmo-aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015, zorgt ervoor dat onderzoek wordt gedaan naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Hoofdstuk 10
Slotbepalingen
Artikel 31 Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de client afwijken van de bepalingen in deze verordening als door toepassing ervan de client duidelijk onrecht wordt aangedaan.
Pagina 21 van 42
Artikel 32 Overgangsrecht 1. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuningen jeugdhulp West Betuwe totdat het college een nieuw besluit heeft genomen of er door het college een nieuw onderzoek is uitgevoerd. 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuningen jeugdhulp West Betuwe, waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze Verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuningen West Betuwe. 3. Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuningen jeugdhulp West Betuwe, geschiedt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuningen jeugdhulp West Betuwe die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. 4. Van het in lid 2 en lid 3 van dit artikel gestelde kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken. Artikel 33 Inwerkingtreding en intrekking oude verordening 1. Deze verordening treedt, na bekendmaking, in werking per 1 januari 2022. 2. Tegelijkertijd met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de “Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe” ingetrokken. Artikel 34 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe 2022”.
Aldus besloten in de openbare vergadering van 21 december 2021, nummer 2021/125,
de griffier, Koen Steenbergen
de voorzitter, Servaas Stoop
Pagina 22 van 42
Toelichting op de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp West Betuwe 2022 Algemene inleiding Doel van deze toelichting op de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp West Betuwe 2022 is de regels die de gemeenteraad heeft vastgesteld zo begrijpelijk en inzichtelijk mogelijk maken voor inwoners, professionals en beleidsmakers. De toelichting volgt daarbij de opbouw van de verordening. De verordening bevat gemeentelijke regels over twee hoofdonderwerpen die voor de inwoners van West Betuwe heel belangrijk zijn: het opgroeien van de kinderen en het wonen en participeren in de gemeente. In West Betuwe vinden we het belangrijk dat: alle kinderen gezond, evenwichtig en veilig kunnen opgroeien; alle inwoners voor zichzelf kunnen zorgen en een eigen huishouding kunnen voeren (zelfredzaam zijn in een schoon en veilig huis) en dat zij actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven (participeren). Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te ondersteunen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. De verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe 2022 is een uitwerking van deze twee wetten op lokaal niveau. Het gaat om de: Jeugdwet; en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Deze wetten staan niet op zichzelf.
Het is van belang dat bij de uitvoering van deze wetten ook oog is voor de samenhang met de ontwikkelingen binnen de gezondheidszorg, veilig thuis, het onderwijs, justitie, werk en inkomen, etc. en hiermee afstemming te zoeken. De Jeugdwet en de Wmo2015 schrijven voor dat de gemeenteraad de verordeningen opstelt en daarin ingaat op een aantal belangrijke zaken, zoals: de stappen van hulpvrager en college bij toegang; aanvraag voor een maatwerkvoorziening; criteria voor maatwerkvoorzieningen (zorg in natura en een persoonsgebonden budget); criteria voor mantelzorgwaardering en bijdrage meerkosten chronisch zieken; eigen bijdragen van inwoners bij de verstrekking van voorzieningen op grond van de Wmo2015; kwaliteit; herziening en terugvordering; beleidsparticipatie en toezicht & calamiteiten. In de verordening is in sommige artikelen opgenomen dat het college de regels verder uitwerkt. Dit doet zij in beleidsregels. Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente West Betuwe rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen. Daarnaast hanteren we de volgende uitgangspunten:
Pagina 23 van 42
1. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het realiseren van de genoemde doelen. 2. Inwoners zetten zich ervoor in om deze doelen te bereiken. 3. De gemeente helpt waar dat nodig is en stimuleert inwoners om zelf oplossingen te vinden voor problemen, bijvoorbeeld met hulp van familie, vrienden en bekenden (het sociale en informele netwerk). 4. Kwetsbare groepen, zoals kinderen en inwoners met een beperking, hebben extra ondersteuning nodig om volwaardig mee te doen aan de samenleving.
Hoofdstuk 1
Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepalingen Hieronder gaan we in op de begrippen die een nadere toelichting vragen. 1 f. Algemeen gebruikelijke voorziening: het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de inwoner, aannemelijk is te achten dat deze daarover kan (zou kunnen) beschikken ook als hij geen beperkingen heeft. De in deze bepaling opgenomen criteria volgen uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Het is de vraag wat precies verstaan moet worden onder “een inkomen op bijstandsniveau”. Het is hierbij niet van belang dat de inwoner een inkomen op bijstandsniveau heeft. Het draait om de vraag of de kosten van de voorziening kunnen worden betaald door iemand met een inkomen op bijstandsniveau. In West Betuwe sluiten we bij te term “inkomen op bijstandsniveau” aan bij de inkomensgrenzen zoals we die hanteren bij het gemeentelijk minimabeleid en de regeling chronisch zieken (artikel 18 van deze Verordening). g. Formele ondersteuning: wordt geboden door professionals die daarvoor opgeleid zijn en betaald worden. j. Informele ondersteuning: wordt geboden door mantelzorgers en vrijwilligers. o. Persoonlijk plan: in het plan beschrijft cliënt, al dan niet samen met zijn sociale netwerk, zijn ondersteuningsvraag. Hierbij geeft hij aan welke mogelijkheden en/of oplossingen hij zelf voor ogen heeft.