CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2021-105 Bijlage r_NL.IMRO.1960.BpSpkSpkweldk66-ONT1.pdf

Gemeenteraad 26 oktober 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 8: Voorstel tot gewijzigd vaststellen bestemmingsplan Spijkse Kweldijk 66 te Spijk11.528 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Regels bestemmingsplan ‘Spijk, Spijkse Kweldijk 66’

Planstatus: ontwerp Datum: 2021-06-04 Plan identificatie: NL.IMRO.1960.BpSpkSpkweldk66-ONT1 Auteur: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.

1 Inleidende regels .............................................................................................................. 3 Artikel 1 Begrippen ............................................................................................................ 3 Artikel 2 Wijze van meten................................................................................................... 7 2 Bestemmingsregels ......................................................................................................... 8 Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden ....................................

8 Artikel 4 Wonen - 1 ...........................................................................................................10 Artikel 5 Wonen - 2 ...........................................................................................................14 Artikel 6 Waarde - Archeologische verwachting 1 .............................................................17 Artikel 7 Waarde - Archeologische verwachting 3 .............................................................21 Artikel 8 Waarde - Archeologische waardevolle gebieden 1 ..............................................25 Artikel 9 Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie ...............................................................29 Artikel 10 Waterstaat - Waterkering ..................................................................................31 3 Algemene regels ..............................................................................................................33 Artikel 11 Anti-dubbeltelregel ............................................................................................33 Artikel 12 Algemene bouwregels .......................................................................................33 Artikel 13 Algemene afwijkingsregels ................................................................................34 Artikel 14 Algemene procedureregels

...............................................................................35 Artikel 15 Overige regels ...................................................................................................35 4 Overgangs- en slotregels................................................................................................38 Artikel 16 Overgangsrecht.................................................................................................38 Artikel 17 Slotregel ............................................................................................................38

2

1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1 plan Het bestemmingsplan 'Spijk, Spijkse Kweldijk 66' met identificatienummer NL.IMRO.1960.BpSpkSpkweldk66-ONT1 van de Gemeente West Betuwe; 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GMLbestand NL.IMRO.1960.BpSpkSpkweldk66-ONT1 met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen; 1.3 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 agrarisch medegebruik Een gebruik voor kleinschalige niet-bedrijfsmatige agrarische activiteiten, al dan niet met een hobbymatig karakter; 1.6 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.7 bebouwingspercentage Een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.8 bed & breakfast Een bed & breakfast is een kleinschalige, aan de woonfunctie ondergeschikte, verblijfsvoorzieningen gericht op het aanbieden van logies en ontbijt.

Onder een bed & breakfast voorziening wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur; 1.9 begane grond De bouwlaag van het gebouw die ter hoogte van de kruin van de dijk is gelegen. 1.10 bedrijf aan huis Het door de bewoner van de woning bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid, geheel of overwegend door handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijgebouwen met behoud van de 3

woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten; 1.11 beroep aan huis Het door de bewoner van de woning beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch, recreatief (waaronder de verhuur van twee boten) of hiermee gelijk stellen gebieden, waaronder kappers, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, niet zijnde detailhandel, behoudens de beperkte verkoop van artikelen verband houdende met de activiteiten; 1.12 bestaand a. Bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mits op een legale wijze tot stand gebracht, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; b.

Bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen; 1.13 bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak; 1.14 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15 bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.16 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.17 bouwgrens De grens van een bouwvlak; 1.18 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19 bouwperceelsgrens De grens van een bouwperceel; 1.20 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

4

1.21 bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal, of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.22 dijk De oorspronkelijke dijk en het profiel van vrije ruimte. Onder het profiel van vrij ruimte wordt het volgende verstaan: het gebied dat nodig is om toekomstige verbeteringen aan de waterkering te kunnen realiseren; 1.23 erf Op de verbeelding als zodanig aangegeven gronden, niet zijnde het bouwvlak, waarbinnen volgens dit plan bij de bestemming behorende bebouwing is toegestaan; 1.24 gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.25 hoofdgebouw Een gebouw dat op een bouwperceel door zijn architectonische verschijningsvorm en functie als het belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.26 nevenactiviteit Een activiteit van beperkte bedrijfsmatige en/of ruimtelijke omvang zodat de functie waaraan zij wordt toegevoegd, qua aard, omvang en verschijningsvorm, als hoofdfunctie duidelijk herkenbaar blijft; 1.27 peil a. Voor gebouwen waarvan de toegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang; b. Voor gebouwen die worden gebouwd in de dijk tot 2m onder de kruin van de dijk: de kruin van het aanliggende dijklichaam; c.

Voor gebouwen in de dijk op meer dan 2m onder de kruin van de dijk: het gemiddelde bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld ter plaatse van de hoofdtoegang; d. Voor gebouwen aan de dijk en in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld; 1.28 seksinrichting De voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of op een kennelijk bedrijfsmatige wijze seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.29 voorgevel De naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de 5

ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt; 1.30 voorgevelbouwgrens Het naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde deel van de bouwgrens of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of openbare ruimte gekeerde deel van de bouwgrens, het deel van de bouwgrens dat door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevelbouwgrens moet worden aangemerkt; 1.31 voorgevellijn De denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen; 1.32 waterhuishoudkundige voorzieningen Voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit; 1.33 woongebouw Een gebouw waarin meerdere wooneenheden zijn gevestigd; 1.34 woning Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van maximaal twee afzonderlijke huishoudens.

6

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van de regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5 de oppervlakte van een bouwwerk Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6 de ondergrondse bouwdiepte van een bouwwerk Vanaf het peil tot het diepste punt van het bouwwerk, de fundering niet meegerekend;

7

2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Behoud van landschappelijke- en natuurwaarden; b. Agrarisch medegebruik; met daaraan ondergeschikt: c. d. e. f. g. h.

Voorzieningen van openbaar nut; Extensieve dagrecreatie; Infrastructurele voorzieningen; Waterhuishoudkundige voorzieningen; Waterlopen en waterpartijen; Natuurvriendelijke oevers.

3.2 Bouwregels 3.2.1 Bouwwerken, geen gebouw zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 meter bedragen, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de naar de weg gekeerde gevel maximaal 1 meter mag bedragen; b. De bouwhoogte en oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan respectievelijk 2,5 meter en 10 m2 bedragen. 3.3 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. Seksinrichtingen; b. Het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; c. Het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. d. Het gebruik van meer dan één bouwlaag van een bouwwerk voor het houden van dieren; e. Het opslaan van goederen en het stallen van caravans; f. Boomgaarden.

8

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden Natuur- en landschapswaarden', en zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. Het verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem; 2. Het diepploegen, diepwoelen of het uitvoeren van andere ingrepen in de bodem, waaronder ook begrepen de aanleg van leidingen, allen dieper dan 0,60m onder maaiveld, waarbij de kruidlaag volledig wordt omgeploegd, alsmede de aanleg van drainage ongeacht de diepte tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; 3. Het graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, watergangen, greppels, kolken en overige natuurlijke oppervlaktewateren, alsmede het anderszins verlagen van de waterstand; 4. Het vellen of rooien van bos, alsmede het verwijderen van landschapselementen; 5. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden, alsmede het aanbrengen van oppervlakteverhardingen groter dan 100m2; 6. Het verwijderen van onverharde wegen of paden; 7.

Het aanbrengen van onder- en bovengrondse leidingen, constructies, installaties en apparatuur. b. Het verbod als bedoeld in sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1. Betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; 2. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; 3. Mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. c. Een omgevingsvergunning als bedoeld in sub a mag alleen worden verleend indien: 1. Door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen; 2. De watersystemen en de waterkwaliteit alsmede de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden niet worden aangetast.

9

Artikel 4 Wonen - 1 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Wonen in vrijstaande woningen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis of bedrijf aan huis (max. milieucategorie 1 conform de bij deze regels gevoegde 'Staat van bedrijfsactiviteiten'; bijlage 1), met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis en/of bedrijf aan huis, met een maximum van 50 m2; b. Het hobbymatig houden van vee en telen van gewassen; c. Sportveld, met dien verstande dat: 1. Per woning maximaal 1 sportveld is toegestaan; 2. De afstand tot het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 40 m; 3. De afstand tot het bouwvlak van derden niet minder mag bedragen dan 30 m; 4. Het sportveld uitsluitend is toegestaan ten behoeve van hobbymatig gebruik; 5. De oppervlakte niet meer mag bedragen dan 800 m2; 6. Lichtmasten niet zijn toegestaan; d. Bed & breakfast in de woning, met dien verstande dat: 1. De omvang van de bed & breakfast niet meer mag bedragen dan 2 kamers en 6 slaapplaatsen; 2. Maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning mag worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast, tot een maximum van 50 m2; 3. Een zelfstandige wooneenheid niet is toegestaan; 4. Een verblijfsregister aanwezig dient te zijn; e.

Parkeervoorzieningen, met dien verstande dat voldoende parkeervoorzieningen op eigen erf aanwezig zijn; met de daarbijhorende: f. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen; g. Tuinen en erven. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Hoofdgebouwen Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd, behoudens het bepaalde in artikel 4 lid 2.3 sub a; b. Per bouwperceel is maximaal 1 woning toegestaan; c. De voorgevel van een hoofdgebouw dient te worden gebouwd in dan wel maximaal 3 m achter de voorgevelbouwgrens; d. De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 meter; e. De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9,5 meter; f. De dakhelling bedraagt minimaal 30° en maximaal 60°; g. De inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3.

10

4.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. Bijbehorende bouwwerken mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. Bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend achter de voorgevelbouwgrens, of het verlengde daarvan, worden gebouwd; c. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak bij een hoofdgebouw bedraagt maximaal 50m2, met dien verstande dat bij bouwpercelen met een oppervlakte van meer dan 500m2 de maximum gezamenlijke oppervlakte van 50m2 mag worden vermeerderd met 10% van het oppervlakte van het bouwperceel boven de 500m2 tot een maximum van 100m2, met inachtneming van de volgende bepaling: 1. Minimaal 50% van de gronden achter de voorgevelbouwgrens en het verlengde daarvan, met uitzondering van het bouwvlak, dient onbebouwd en onoverdekt te blijven; d. De goothoogte bedraagt maximaal 3 meter; e. De bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter. 4.2.3 Erkers In afwijking van het bepaalde in artikel 4 lid 2.1 sub a gelden voor het bouwen van gebouwen op de gronden buiten het bouwvlak en voor de voorgevelbouwgrens de volgende regels: a. Op de gronden buiten het bouwvlak en voor de voorgevelbouwgrens zijn uitsluitend erkers toegestaan; b.

De breedte van een erker bedraagt aan de voorzijde maximaal 60% van de breedte van de voorgevel van het hoofdgebouw en aan de zijgevel maximaal 40% van de breedte van de zijgevel van het hoofdgebouw; c. De maximale hoogte van een erker bedraagt het vloerpeil van de eerste verdieping van het hoofdgebouw; d. De maximale diepte van de erker bedraagt 25% van de diepte van de gronden voor de voorgevelbouwgrens tot de bestemmingsgrens, met een maximum van 1,5 meter; e. Op een erker is een transparante afscheiding toegestaan, dat wil zeggen dat de afscheiding voor minimaal 80% open dient te zijn, met een hoogte van 1 meter gemeten vanaf bovenkant erker. 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. De bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 meter bedragen, met dien verstande dat de hoogte voor erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn maximaal 1 meter mag bedragen; c. Voor de bouw van een paardenbak gelden de volgende regels: 1. Per woning is maximaal 1 paardenbak toegestaan; 2. De afstand tot het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 40 m; 3. De afstand tot het bouwvlak van derden mg niet minder bedragen dan 30 m; 4.

De paardenbak is uitsluiten toegestaan ten behoeve van hobbymatig gebruik; 5. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 800m2; 6. Lichtmasten zijn niet toegestaan; 11

d. De bouwhoogte en oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan respectievelijk 2,5 meter en 10 m2 bedragen. 4.3 Nadere eisen 4.3.1 Beeldkwaliteitsvereisten Naast de gestelde bouwregels in artikel 4 lid 2 dient voor de nieuwbouw van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken te worden voldaan aan de beeldkwaliteitsvereisten zoals beschreven in paragraaf 3.3 'Beeldkwaliteit' van de toelichting van dit bestemmingsplan. 4.4 Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in: a. artikel 4 lid 2.2 sub c ten behoeve van het tijdelijk vergroten van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken ten behoeve van het uitoefenen van mantelzorg, met dien verstande dat: 1. Er aantoonbaar behoefte bestaat aan mantelzorg in verband met medische, psychische en/of sociale omstandigheden, in welk kader een indicatie voor mantelzorg aanwezig is; 2. De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg niet meer dan 80m2 mag bedragen; 3. De inhoud van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg niet meer dan 200m3 mag bedragen; 4. De vrijstaande of aangebouwde bijbehorende bouwwerken constructief en functioneel ondergeschikt zijn aan de bedrijfswoning; 5. Het vrijstaande bijbehorende bouwwerk achter de achtergevel en het verlengde daarvan van de woning moet worden gesitueerd; 6.

De afstand van de achtergevel van de woning tot de voorgevel van het vrijstaande bijbehorende bouwwerk niet meer dan 1m mag bedragen, tenzij de inrichting van het perceel het niet mogelijk maakt om het vrijstaande bijbehorende bouwwerk binnen deze afstand te plaatsen; 7. Parkeren op eigen terrein plaatsvindt en er geen tweede inrit aangelegd wordt; 8. Er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 9. Indien er sprake is van een tijdelijke woonunit dient deze te worden verwijderd indien de noodzaak voor mantelzorg is vervallen. b. artikel 4 lid 2.4 sub c onder 3 ten behoeve van het verkleinen van de afstand van paardenbakken tot de bouwpercelen van derden, mits de belangen van derden niet onevenredig worden aangetast. 4.5 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. Het wonen in vrijstaande bijbehorende bouwwerken (niet zijnde mantelzorg); b. Kamerbewoning; c. Seksinrichtingen;

12

4.6 Afwijken van de gebruiksregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in: a. artikel 4 lid 1 ten behoeve van de uitoefening van een bedrijf aan huis in de woning, mits de woonfunctie in overwegende mate wordt behouden en onder de voorwaarden dat: 1. Het medegebruik van ondergeschikte betekenis moet zijn en maximaal 40% mag beslaan van de totale nettovloeroppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken tot een maximum van 50 m2; 2. Slechts bedrijven toelaatbaar zijn, die behoren tot de categorie 1 en 2 van de bij deze regels gevoegde 'Staat van bedrijfsactiviteiten' (bijlage 1) opgenomen bedrijfsactviteiten, of bedrijven die gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn; 3. Het bedrijf aan huis wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner(s) van de woning; 4. Geen detailhandel mag plaatsvinden, behoudens een beperkte verkoop -als ondergeschikte nevenactiviteit- van producten die ter plaatse zijn vervaardigd, dan wel direct verband houden met het bedrijf aan huis; 5. Het gebruik geen nadelige invloed mag hebben op de verkeersafwikkeling, casu quo niet onevenredig veel extra verkeer wordt aangetrokken; 6. Het gebruik niet mag leiden tot een onevenredige aantasting van de leefomgeving; 7. Op eigen terrein moet worden geparkeerd door eigenaar/huurder en bezoekers.

13

Artikel 5 Wonen - 2 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen – 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. Wonen in een woongebouw, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep aan huis, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de begane grond van het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van het beroep aan huis, met een maximum van 50 m2; b. Bed & breakfast in de woning, met dien verstande dat: 1. De omvang van de bed & breakfast niet meer mag bedragen dan 2 kamers en 6 slaapplaatsen; 2. Maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning mag worden gebruikt ten behoeve van bed & breakfast, tot een maximum van 50 m2; 3. Een zelfstandige wooneenheid niet is toegestaan; 4. Een verblijfsregister aanwezig dient te zijn; met de daarbijbehorende: c. Water en waterhuishoudkundige voorzieningen; d. Tuinen en erven. 5.2 Bouwregels 5.2.1 Woongebouw Voor het bouwen van woongebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d. e.

f.

Woongebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; De goothoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 meter; De bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 meter; De dakhelling bedraagt minimaal 30° en maximaal 60°; De inhoud van het woongebouw mag niet meer bedragen dan 1320 m3, met dien verstande dat de inhoud van een in het woongebouw opgenomen wooneenheid niet minder mag bedragen dan 300 m3; Het woongebouw dient ten minste 3 wooneenheden te bevatten.

5.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende regels: a. Bijbehorende bouwwerken morgen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. Bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend achter de voorgevelbouwgrens, of het verlengde daarvan, worden gebouwd; c. De goothoogte bedraagt maximaal 3 meter; d. De bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter; e. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een woongebouw bedraagt: 1. Indien sprake is van een woongebouw met 3 wooneenheden: 120 m2 (in 1 bijbehorend bouwwerk) of 110 m2 (verdeeld over 2 bijbehorende bouwwerken);

14

2. Indien sprake is van een woongebouw met 4 wooneenheden: 150 m2 (in 1 bijbehorend bouwwerk) of 140 m2 (verdeeld over 2 bijbehorende bouwwerken). 5.2.3 Erkers In afwijking van het bepaalde in artikel 5 lid 2.1 sub a gelden voor het bouwen van gebouwen in op de gronden buiten het bouwvlak en voor de voorgevelbouwgrens de volgende regels: a. Op de gronden buiten het bouwvlak en voor de voorgevelbouwgrens zijn uitsluitend erkers toegestaan; b. De breedte van een erker bedraagt aan de voorzijde maximaal 60% van de breedte van de voorgevel van het woongebouw en aan de zijgevel maximaal 40% van de breedte van de zijgevel van het woongebouw; c. De maximale hoogte van een erker bedraagt het vloerpeil van de eerste verdieping van het woongebouw; d. De maximale diepte van de erker bedraagt 25% van de diepte van de gronden voor de voorgevelbouwgrens tot de bestemmingsgrens, met een maximum van 1,5 meter; e. Op een erker is een transparante afscheiding toegestaan, dat wil zeggen dat de afscheiding voor minimaal 80% open dient te zijn, met een hoogte van 1 meter gemeten vanaf bovenkant erker. 5.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b.

Bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 meter bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevelbouwgrens maximaal 1 meter mag bedragen; c. Voor de bouw van een paardenbak gelden de volgende regels: 1. Per woning/wooneenheid is maximaal 1 paardenbak toegestaan; 2. De afstand tot het woongebouw mag niet meer bedragen dan 40 meter; 3. De afstand tot het bouwvlak van derden mag niet minder bedragen dan 30 meter; 4. De paardenbak is uitsluitend toegestaan ten behoeve van hobbymatig gebruik; 5. De oppervlakte mag niet meer bedragen dan 800 m2; 6. Lichtmasten zijn niet toegestaan; d. De bouwhoogte en oppervlakte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan respectievelijk 2,5 meter en 10 m2 bedragen. 5.3 Nadere eisen 5.3.1 Beeldkwaliteitsvereisten Naast de gestelde bouwregels in artikel 5 lid 2 dient voor de nieuwbouw van een woongebouw en bijbehorende bouwwerken te worden voldaan aan de beeldkwaliteitsvereisten zoals beschreven in paragraaf 3.3 'Beeldkwaliteit' van de toelichting van dit bestemmingsplan.

15

5.4 Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

a. artikel 5 lid 2.2 sub e ten behoeve van het tijdelijk vergroten van de oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken ten behoeve van het uitoefenen van mantelzorg, met dien verstande dat: 1. Er aantoonbaar behoefte bestaat aan mantelzorg in verband met medische, psychische en/of sociale omstandigheden, in welk kader een indicatie voor mantelzorg aanwezig is; 2. De oppervlakte van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg niet meer dan 80 m2 mag bedragen; 3. De inhoud van bijbehorende bouwwerken ten behoeve van mantelzorg niet meer dan 200 m3 mag bedragen; 4. De vrijstaande of aangebouwde bijbehorende bouwwerken constructief en functioneel ondergeschikt zijn aan de bedrijfswoning; 5. Het vrijstaande bijbehorende bouwwerk achter de achtergevel en het verlengde daarvan van de woning moet worden gesitueerd; 6. De afstand van de achtergevel van de woning tot de voorgevel van het vrijstaande bijbehorende bouwwerk niet meer dan 15 meter mag bedragen, tenzij de inrichting van het perceel het niet mogelijk maakt om het vrijstaande bijbehorende bouwwerk binnen deze afstand te plaatsen; 7. Parkeren op eigen terrein plaatsvindt en er geen tweede inrit aangelegd wordt; 8. Er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 9.

Indien er sprake is van een tijdelijke woonunit dient deze te worden verwijderd indien de noodzaak voor mantelzorg is vervallen; b. artikel 5 lid 2.4 sub c onder 3 ten behoeve van het verkleinen van de afstand van paardenbakken tot de bouwpercelen van derden, mits de belangen van derden niet onevenredig worden aangetast. 5.5 Specifieke gebruiksregels Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. Het wonen in vrijstaande bijbehorende bouwwerken (niet zijnde mantelzorg); b. Kamerbewoning; c. Seksinrichtingen. 5.5.1 Voorwaardelijke sloopverplichting De gronden als bedoeld in artikel 5 lid 1 mogen slechts bebouwd worden en zijn indien: a. De voormalige agrarische bedrijfsbebouwing, zoals aangegeven op de bij deze regels gevoegde situatietekening (bijlage 2), is gesloopt (en juridisch gezien niet kan worden teruggebouwd); b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen de gronden overeenkomstig de in artikel 5 lid 1 opgenomen bestemmingsomschrijving worden bebouwd onder de voorwaarde dat binnen 1 jaar na de oplevering uitvoering wordt gegeven aan de sloop van de betreffende voormalige agrarische bedrijfsbebouwing.

16

Artikel 6 Waarde - Archeologische verwachting 1 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Regels vanwege samenvallende bestemmingen Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het verenigbaar is met het belang van de bescherming van archeologische waarden. 6.2.2 Verbod bouwen ten behoeve van andere bestemming In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming. 6.2.3 Bouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, tenzij: a. Het werkzaamheden in de bodem betreft, als gevolg van het oprichten van bouwwerken, tot een diepte van 30cm onder het bestaande maaiveld; b. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; c.

Het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; d. Gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden opgericht; e. Het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 100 m2. 6.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden. 6.4 Afwijken van de bouwregels 6.4.1 Afwijken bouwen ten behoeve van andere bestemming Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 2.2 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, indien de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan een omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende regels worden verbonden:

17

a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. De verplichting tot het doen van opgravingen; c. De verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 6.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6 lid 4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. b. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6 lid 4.1 wint het schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

6.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.5.1 Verboden werken en werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. Het ophogen van de bodem met meer dan 2 meter; b. Grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; c. Bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; d. Het verlagen van het waterpeil; e. Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. Het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. Het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. Het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; i. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

18

6.5.2 Verbod niet van toepassing Het verbod als bedoeld in artikel 6 lid 5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld; b. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; c. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft over een maximale oppervlakte van 100 m2; d. Indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; e. Indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; f. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; g. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 6 lid 4.

6.5.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 6 lid 5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. De verplichting tot het doen van opgravingen, of; c. De verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 6.5.4 Voorwaarden omgevingsvergunning a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6 lid 5.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. b.

Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

19

6.6 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

20

Artikel 7 Waarde - Archeologische verwachting 3 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Regels vanwege samenvallende bestemmingen Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het verenigbaar is met het belang van de bescherming van archeologische waarden. 7.2.2 Verbod bouwen ten behoeve van andere bestemming In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming. 7.2.3 Bouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, tenzij: a. Het werkzaamheden in de bodem betreft, als gevolg van het oprichten van bouwwerken, tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld; b. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; c.

Het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; d. Gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden opgericht; e. Het nieuw te bebouwen oppervlak niet groter is dan 500 m2. 7.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden. 7.4 Afwijken van de bouwregels 7.4.1 Afwijken bouwen ten behoeve van andere bestemming Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 2.2 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, indien de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan een omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende regels worden verbonden:

21

a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. De verplichting tot het doen van opgravingen; c. De verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 7.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 4.1 wint het schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.5.1 Verbod werken en werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. Het ophogen van de bodem met meer dan 2 meter; b. Grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; c. Bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; d. Het verlagen van het waterpeil; e. Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. Het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. Het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. Het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; i. Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

22

7.5.2 Verbod niet van toepassing Het verbod als bedoeld in artikel 7 lid 5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld; b. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; c. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft over een maximale oppervlakte van 500 m2; d. Indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; e. Indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; f. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; g. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 4.

7.5.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 7 lid 5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast. Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. De verplichting tot het doen van opgravingen, of; c. De verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 7.5.4 Voorwaarden omgevingsvergunning a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7 lid 5.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b.

Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

23

7.6 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 3' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

24

Artikel 8 Waarde - Archeologische waardevolle gebieden 1 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologische waardevolle gebieden 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden. 8.2 Bouwregels 8.2.1 Regels vanwege samenvallende bestemmingen Al hetgeen in deze regels omtrent de ondergeschikte bestemmingen binnen het gebied met de bestemming 'Waarde - Archeologische waardevolle gebieden 1' is toegestaan, is uitsluitend toelaatbaar indien het verenigbaar is met het belang van de bescherming van archeologische waarden. 8.2.2 Verbod bouwen ten behoeve van andere bestemming In afwijking van het bepaalde bij de andere bestemmingen mag niet worden gebouwd, anders dan ten behoeve van deze bestemming. 8.2.3 Bouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, tenzij: a. Het werkzaamheden in de bodem betreft, als gevolg van het oprichten van bouwwerken, tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld; b. Op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; c.

Het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; d. Gebouwen maximaal 2,5 meter uit de bestaande fundering worden opgericht. 8.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bouwwerken, de inrichting en het gebruik van gronden, indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse behoudens- en beschermenswaardige archeologische monumenten of resten aanwezig zijn. De nadere eisen zijn erop gericht dat de archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond (in situ) worden behouden. 8.4 Afwijken van de bouwregels 8.4.1 Afwijken bouwen ten behoeve van andere bestemming Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 8 lid 2.2 en toestaan dat in de andere bestemming gebouwen worden gebouwd, indien de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan een omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende regels worden verbonden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden 25

behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. De verplichting tot het doen van opgravingen; c. De verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 8.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8 lid 4.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b. Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8 lid 4.1 wint het schriftelijk advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.5.1 Verboden werken en werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologische waardevolle gebieden 1' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. Het ophogen van de bodem met meer dan 2 meter; b. Grondwerkzaamheden, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; c. Bodem verlagen of afgraven (ook ten behoeve van het verwijderen van bestaande funderingen) van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist; d. Het verlagen van het waterpeil; e. Het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten; f. Het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem; g. Het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; h. Het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; i.

Het aanleggen van ondergrondse transport-, energie-, of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

26

8.5.2 Verbod niet van toepassing Het verbod als bedoeld in artikel 8 lid 5.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld; b. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft binnen een afstand van maximaal 2,5 meter uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk; c. Indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn of de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; d. Indien de werken en/of werkzaamheden het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; e. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft waarvoor ten tijde van het van kracht worden van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning in dit kader is verleend; f. Voor zover het werkzaamheden in de bodem betreft die direct samenhangen met een verleende omgevingsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 8 lid 4. 8.5.3 Toelaatbaarheid De werken of werkzaamheden als bedoeld in artikel 8 lid 5.1 zijn slechts toelaatbaar, indien door de uitvoering de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden aangetast.

Teneinde dit te bereiken kunnen aan een omgevingsvergunning in ieder geval de volgende regels worden verbonden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden zoals alternatieven voor heiwerk, het al of niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; b. De verplichting tot het doen van opgravingen, of; c. De verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan een door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties. 8.5.4 Voorwaarden omgevingsvergunning a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel artikel 8 lid 5.1 wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; b.

Alvorens een besluit te nemen omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning wint het bevoegd gezag advies in van een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

27

8.6 Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen teneinde de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische waardevolle gebieden 1' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

28

Artikel 9 Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie 9.1 Bestemmingsomschrijving a. De voor "Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie" aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Deze universele waarden zijn benoemd in de bij deze regels gevoegde 'Kernkwaliteiten Nationaal Landschap en Inundatiekom Tielerwaard' (bijlage 3) en bestaan in ieder geval uit de volgende waarden: i. Het unieke, in samenhang met het landschap ontworpen negentiende en twintigste-eeuwse hydrologische en militair verdedigingssysteem, bestaande uit: ii. Inundatiegebieden; iii. Zone met verdedigingswerken als forten, batterijen, lunetten, betonnen mitrailleurkazematten en groeps- schuilplaatsen in hun samenhang met de omgeving; iv. Voormalige schootsvelden (visueel open) en Verboden Kringen (merendeels onbebouwd gebied) rondom de forten; v. Waterwerken als waterlichamen, sluizen, inlaten, duikers en dijken functionerend in samenhang met verdedigingswerken en inundatiegebieden; vi. Overige elementen als beschutte wegen, (resten van) loopgraven en tankgrachten; vii. De landschappelijke inpassing en camouflage van de voormalige militaire objecten; viii. De historische vestingstructuur van de vestingsteden Gorinchem en Woudrichem; 2.

Grote openheid; 3. Groen en overwegend rustig karakter met inbegrip van de fruitteelt op de stroomruggen. b. Ten aanzien van de onderlinge relatie tussen de dubbelbestemmingen geldt dat dubbelbestemmingen gericht op de (externe) veiligheid prevaleren boven de dubbelbestemming Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie. 9.2 Bouwregels Op de in artikel 9 lid 1 bedoelde gronden mag worden gebouwd ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen. 9.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 9.3.1 Vergunningplicht Het is verboden op of in de gronden met de bestemming Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie' en ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - verdichtingsvelden' zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. Het ophogen van gronden; b. Het verlagen van gronden; 29

c. Het afgraven, verleggen of ophogen van historische polderkades en/of natuurlijke reliëfranden; d. Het vellen of rooien van hoogopgaande beplanting, waaronder mede begrepen boomteelt en/of fruitteelt, met een (gezamenlijke) oppervlakte van meer dan 50 m2; e. Het verleggen of dempen van watergangen en/of waterpartijen. 9.3.2 Uitzonderingen Het verbod als bedoeld in artikel 9 lid 3.1 is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: a. Betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer, waaronder mede wordt verstaan het vervangen of herbeplanten van bestaande fruitteelt of bestaande boomteelt in het kader van de agrarische bedrijfsvoering, alsmede het egaliseren van gronden; b. Binnen een agrarisch bouwvlak of binnen een niet-agrarisch bestemmingsvlak waarin gebouwd mag worden plaatsvinden; c. Reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; d. Mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende vergunning. 9.3.3 Toetsingscriteria a.

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9 lid 3.1 mag alleen worden verleend indien door de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waarden en/of functies die het plan beoogt te beschermen, tenzij hieraan door het stellen van voorwaarden voldoende tegemoet kan worden gekomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/335/documents/8242