CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2021-090 Bijlage 4_antwoorden_op_vragen_enquete.pdf

Gemeenteraad 28 september 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 16: Vaststellen beleidsnota erfgoedbeleid West Betuwe6.951 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Reactiedocument n.a.v. enquete Nico Willemse, Luuk Keunen (RAAP), CeesJan Frank (MAB), Huib Jan van Oort (ODR) Inleiding Naar aanleiding van de beeldvormende raadsvergadering d.d. 9 maart 2021 en de enquete onder raadsleden en andere belanghebbende & geïnteresseerden is een groot aantal vragen en opmerkingen binnengekomen. In dit document zijn op deze vragen en opmerkingen reacties geformuleerd, om de materie verder te verduidelijken.1 De aandachtspunten zijn voor de overzichtelijkheid gegroepeerd. Algemeen 1. Welke risico’s, voordelen en nadelen, waaronder financieel, zijn er voor de burger bij het beleid in vergelijking met de situatie vóór de harmonisatie? Archeologie RISICO’S (ARCHEOLOGIE) Risico’s voor een inwoner van West Betuwe aangaande archeologie zijn er niet. Het ondergronds erfgoed ligt doorgaans veilig opgeslagen in de bodem. Pas bij activiteiten waarbij de bodem omgewerkt wordt, kan er sprake zijn van een archeologisch belang. Doorgaans geldt hoe kleiner de ingreep of het plan des te minder impact er is op de archeologie....De meeste inwoners van West Betuwe krijgen nooit direct te maken met een ontwikkeling waarbij archeologie speelt. Ze kunnen wel kennis nemen van het onderzoek dat de afgelopen jaren is uitgevoerd in bijvoorbeeld De Plantage en Hondsgemet.

De informatie over de prehistorische en Romeinse bewoning die daar is verzameld geeft een completer beeld van de lokale historie van het gebied. Die informatie komt terug in toeristische routes, op websites, wordt gebruikt voor educatieve doeleinden en vormt de inspiratie voor inrichting van de openbare ruimte. Een goed voorbeeld is het archeologiepark in de Plantage. Ontwikkelaars lopen een groter risico dan burgers omdat ze vaker dan gemiddeld activiteiten uitvoeren waarbij de ondergrond wordt omgewerkt. Kosten voor archeologie liggen doorgaans volledig bij de verstoorder. Dit is zo vastgelegd in wet- en regelgeving. Is de kans op het aantreffen van archeologische resten groot of 100% zeker dan zullen de kosten om hier op een of andere manier rekening mee te houden hoger zijn dan wanneer er weinig wordt verwacht of van een vindplaats niets meer over is. De stelregel is dat de kosten voor archeologie bij grotere (woningbouw)projecten relatief lager zijn (procentueel) dan bij een postzegelplan. Archeologisch (voor)onderzoek ten behoeve van een onderkelderde woning in het centrum van Geldermalsen kost naar verhouding over het algemeen meer per vierkante meter dan een vergelijkbare woning in het buitengebied. Doorgaans kunnen kosten voor archeologie bij grootschalige projecten oplopen tot ca 5% van de bouwsom.

Bij kleinere ontwikkelingen is dat in uitzonderlijke gevallen tot wel 15%. Dit komt overigens niet jaarlijks voor.

1

Eén technische vraag betrof de complicatie om een pdf-kaart met Apple-hardware te openen. De oorzaak van dat probleem is ons niet duidelijk geworden.

1

KOSTEN (ARCHEOLOGIE) Voor burgers zijn er nauwelijks kosten, die bedragen ca 1 euro per inwoner. Gemeenten krijgen via het gemeentefonds een bestuurslastenvergoeding van het rijk voor archeologie. Dat bestaat uit een regulier deel en een deel excessieve kosten. De berekening is gelieerd aan het aantal wooneenheden per gemeente per meetdatum. Op dit moment bedraagt het aantal wooneenheden (woningen) ca 21.000 in de gemeente . De bestuurslastenvergoeding is daarmee ca €21.000,-/jaar. Voor ontwikkelaars worden de kosten voor een ruimtelijke ontwikkeling opgenomen in een (anterieure) overeenkomst, of in de grondexploitatie meegenomen. Ambtelijke toetsing van documenten is opgenomen in de legesverordening. Bij behandeling van een aanvraag in het kader van een Omgevingsvergunning worden de verschuldigde kosten in rekening gebracht. Voor kleinschalige ontwikkelingen waarbij de archeologiekosten onevenredig hoog zijn, bestaat jammer genoeg geen vangnetconstructie in West Betuwe. Cultuurlandschap De bescherming van het historisch cultuurlandschap valt in de oude én in de voorgestelde nieuwe situatie in twee aspecten uiteen (zie figuren 1 en 2): 1) Planologische bescherming op basis van bovengemeentelijke afspraken: de borging van de Nieuwe Hollandse Waterlinie is een gemeentelijke uitwerking van afspraken op een hoger bestuurlijk niveau. 2) Planologische bescherming (m.n.

enkel- of dubbelbestemming) op basis van gemeentelijke keuzes: in de bestaande planologische regels zijn de waarden veelal als ‘landschapswaarden’ op verschillende manieren geborgd. Meestal gaat het om enkelbestemmingen als ‘agrarisch met waarden’, soms (vm. Geldermalsen) ook alleen ‘agrarisch’. Samen dekt deze bescherming van het agrarisch cultuurlandschap en van de buitenplaatsen/landgoederen nu al een groot deel van het buitengebied. In het nieuwe voorstel stellen we voor om niet te tornen aan de aard en het gebied met borging van de waarden op basis van bovengemeentelijke afspraken. De aanpassingen hebben vooral betrekking op het overige, maar nu al voor een belangrijk deel beschermde landschap.2 In dat gebied is in veel gevallen al sprake van een expliciete bescherming van ‘landschappelijke waarden’, maar daarbij worden de cultuurhistorische waarden niet altijd expliciet benoemd. In de praktijk gaan cultuurhistorie en landschap als ruimtelijk belang echter naadloos in elkaar over. In het nieuwe voorstel hebben we een gebiedscontour geschetst waar we van mening zijn dat cultuurhistorie explicieter een toetsingsgrond dient te zijn dan nu het geval is – en dat op basis van (nu nog) wetgeving in het Besluit ruimtelijke ordening, die bepaalt dat (vrij vertaald) cultuurhistorische waarden een rol moeten spelen in het bestemmingsplan.

Welke planologische regeling daar in het kader van de nieuwe (Omgevings)wetgeving uit volgt om e.e.a. te vertalen, ligt bij RO-juristen. Een dergelijke regeling betekent voor de burger en het beleid dat een onderbouwing bij de aanvraag van een omgevingsvergunning explicieter een focus moet leggen op de erfgoedwaarden in het landschap. In de praktijk betekent dat, dat een initiatiefnemer in zijn argumentatie waarom zijn ingreep geen onevenredige schade aan de landschapswaarden toebrengt (hetgeen dus nu in deze gebieden in veel gevallen ook al noodzakelijk is!), ook aandacht aan het erfgoedaspect van de landschapswaarden moet besteden. Dat kan bij doorgaans grotere ingrepen (woningbouw, natuurontwikkeling) betekenen, dat hiervoor een 2

Alleen in Neerijnen is het agrarisch cultuurlandschap relatief beperkt beschermd. Overigens zijn ook in deze gebieden wel regels om het landschap te beschermen, maar dat wordt vaak indirect aangevlogen, zoals via een regeling voor bouwen op oeverwallen-stroomruggen en een gewenste behouden openheid van het landschap.

2

extern onderzoek uitgevoerd moet worden (ordegrootte van dergelijke onderzoeken € 1.500-2.500,- excl. BTW, bij complexe of grotere ingrepen hoger). In de praktijk zal het betekenen dat voor de voormalige gemeente Geldermalsen er het minst verandert, en er voor Lingewaal met name in de kom op meer dan alleen de Nieuwe Hollandse Waterlinie getoetst moet gaan worden. Voor de voormalige gemeente Neerijnen, die maar beperkt ‘Bro-proof’ was en waar niet alle waarden in het huidige bestemmingsplan voldoende beschermd zijn, geldt dat er voor een relatief groter gebied voor het eerst op landschaps- c.q. cultuurhistorische waarden getoetst zou moeten gaan worden. Toetsing betekent uiteraard niet dat een ontwikkeling niet mogelijk is. Soms zal er geen enkel bezwaar tegen het initiatief zijn, soms is een ruimtelijke inpassing of aanpassing wenselijk. De aard van de cultuurhistorische waarden én de kwetsbaarheid/weerbaarheid van het landschap spelen een rol bij wat er wel of niet wenselijk is uit cultuurhistorisch perspectief. Hoe gedetailleerder de planologische regeling (gebieden of ook elementen), hoe meer duidelijkheid er op voorhand voor de initiatiefnemer en de gemeente is (alleen op gebiedsniveau beschermen wil uiteraard niet zeggen dat die waardevolle elementen er niet meer zijn).

Een belangrijk voordeel is dat er expliciet getoetst kan worden op erfgoedaspecten, waardoor erfgoedwaarden die nu onder druk staan en waarover de gemeente meldingen bereiken, beter beschermd kunnen worden dan nu het geval is. Behoud van erfgoedwaarden komt zowel inwoners als uiteindelijk ook ondernemers, zoals in de toeristische sector, ten goede.

3

Fig.1 - Gebieden waar cultuurhistorische waarden en/of landschapswaarden expliciet beschermd zijn volgens de huidige bestemmingsplannen. Indirecte beschermingen zoals ‘open landschap’ en ‘oeverwal-stroomrug’ waarbij geen expliciete melding bestaat van de bescherming van (cultuurhistorische) landschapswaarden als doel zijn in dit kaartbeeld niet meegenomen.

4

Fig.2 - Gebieden waar cultuurhistorische waarden en/of landschapswaarden in de nieuwe systematiek expliciet geborgd worden. Dubbelbestemmingen die op basis van bovengemeentelijke afspraken nu al opgenomen zijn, zoals de Nieuwe Hollandse Waterlinie, zijn in dit kaartbeeld nog niet opgenomen.

Bouwkunst en stedenbouw Zowel de herijking van de gemeentelijke monumentenlijst als de planologische bescherming van objecten en gebieden trekken één lijn in de gemeentelijke beschermingspraktijk van waardevol gebouwd erfgoed. In de huidige situatie zijn er verschillende uitgangspunten voor beide beschermingsvormen in de voormalige gemeenten, hetgeen feitelijk tot rechtsongelijkheid leidt tussen pandeigenaren in Lingewaal, Geldermalsen en Neerijnen. Het aanpassen van de wettelijke en planologische bescherming kan deze scheve situatie wegnemen en bovendien gemeentebreed nog on(der)beschermde waarden, zoals wederopbouwerfgoed, een bescherming toekennen. Door een zorgvuldige bescherming kan onduidelijkheid en commotie over bedreigde erfgoedwaarden, zoals recent in Asperen, voorkomen worden. Een goede bescherming biedt duidelijkheid voor initiatiefnemers en overheid en zekerheid voor het erfgoed en degenen die daarvan in welke vorm dan ook profiteren.

5

2. Kunt u de kernpunten van het nieuwe beleid samenvatten? Algemeen De harmonisatie van het gemeentelijk erfgoedbeleid rust op een aantal pijlers: • Inhoudelijk: het creëren van één uniforme inhoudelijke onderlegger in aanloop naar de invoering van de Omgevingswet op 1 juli 2022, zodat het erfgoedbeleid van de gemeente West-Betuwe voor alle delen van de gemeente zoveel mogelijk op vergelijkbare informatie is gestoeld. • Beschermingskeuzes: het zorgen dat op basis van die uniforme informatie voor de hele gemeente dezelfde keuzes gemaakt worden en dat erfgoed in Lingewaal op basis van dezelfde argumenten al dan niet beschermd wordt als in Geldermalsen of Neerijnen. De nieuwe keuzes zijn een combinatie van de implementatie van nieuwe wet- en regelgeving, ‘het beste van de drie vroegere werelden’ (strenger waar het moet, soepeler waar het kan) en een geactualiseerde inhoudelijke basis. • Aandacht en benutting: het tweede deel van de nota zal bestaan uit een aantal voorstellen voor specifieke aandachtsgebieden in het erfgoedveld (zoals herbestemming van leegstaand erfgoed) of mogelijkheden voor toeristischrecreatieve benutting. Over de wettelijke bescherming van archeologische en gebouwde objecten c.q. gebieden (‘monumenten’) kan de raad nu een principe-uitspraak doen.

De hoeveelheid nader te beschermen objecten of gebieden kan in het kader van een begrotingsbehandeling nader besproken worden, omdat aan de aanwijzing vooral voor de gemeente incidentele en structurele kosten verbonden zijn. Uiteraard kan de raad op basis van de voorliggende kengetallen m.b.t. de kosten wel al een wens hierover uitspreken. Voor de planologische bescherming van archeologische gebieden (met vrijstellingsregimes), cultuurlandschappelijke zones en gebouwd erfgoed kan nu een keuze gemaakt worden om welke gebieden het gaat c.q. welke vrijstellingsgrenzen (archeologie) daar aan de orde zijn (zie de voorstellen). Deze vorm van planologische bescherming gaat voor de gemeentelijke organisatie met aanzienlijk minder kosten gepaard dan de aanwijzing als monument. Archeologie-specifiek In relatie tot het gehele pakket aan harmonisatiestukken zullen we in een visiestuk in 10 kernpunten het nieuwe beleid voor het voetlicht brengen. De kern zal zijn: met het nieuwe beleid en gezien de landelijke wet- en regelgeving, is de archeologische monumentenzorg in West Betuwe in goede handen en toekomstproof. De erfgoedzorg is gebaseerd op actuele gegevens en neergelegd in omvattende rapportages, datasets en kaarten. Op basis daarvan is gekozen voor realistische en genuanceerde onderzoeksaccenten.

Dat betekent in de praktijk streng waar het moet, zoals in de historische kernen en binnen archeologische vindplaatsen (zoals oude woongronden) en soepeler waar het kan, dus in de kommen en overgangszones. 3. Wordt de mening van maatschappelijke organisaties, zoals historische verenigingen en LTO, ook meegewogen? Algemeen Historische verenigingen en andere maatschappelijke organisaties zoals LTO zijn in het verleden bij het opstellen van de basisdocumenten die aan de grondslag van deze harmonisatie liggen, betrokken geweest. Ook zijn zij steeds actief uitgenodigd voor de beeldvormende bijeenkomsten van de raad over dit onderwerp. Daarnaast hebben de 6

verenigingen de gelegenheid gehad op de vragenlijst in het voorjaar van 2021 te reageren (hetgeen ook veelvuldig gebeurd is) en zijn de verenigingen tijdens een digitale bijeenkomst op 10 juni 2021 nog afzonderlijk bevraagd. Archeologie-specifiek De input van de archeologische kaart is voor een groot deel aangedragen door de historische verenigingen van Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen en BATO. Bodemverstoringsgegevens zijn overgenomen van de beschikbare veldopnames (detailbodemkaarten) en het archeologisch bestand (zie par 2.9 deel 2 rapportage). Bij de harmonisatie en actualisatie van de stand van kennis is echter geen gebruik gemaakt van bodemverstoringsgegevens zoals die zijn geïnventariseerd door de RCE voor het project verstoringen in kaart). Deze informatie is te weinig specifiek om op grootschalige wijze zoals hier voor het gehele gemeentelijke grondgebied toe te passen. Om op perceelsniveau (plantoetsingsniveau) uitspraken te doen over reeds bestaande bodemverstoringen is (historisch) onderzoek specifiek naar grondgebruik, gewassoort, teelt- en bewerkingswijze noodzakelijk. Pas bij een voorgenomen bodemingreep of ontwikkeling zal tijdens het vooronderzoek hier nader op worden ingezoomd om feitelijke gegevens in te winnen.

Uitspraken als ‘die gronden zijn allang verstoord’ worden vaak gedaan in het rivierengebied maar worden veelal niet onderbouwd door feiten of een feitenrelaas. Landbouwgronden die decennia en eeuwenlang in gebruik zijn geweest als akkerland, weiland of boomgaard kunnen nog prima archeologisch intacte lagen opleveren. Dit bewijst recent onderzoek, zoals bijvoorbeeld in Ophemert (Molenstraat, Goossen Janssenstraat), Est (Karnheuvelsestraat,) Geldermalsen (De Plantage, Hondsgemet), Asperen (Voorstraat), en op talloze andere locaties.

4. Algemeen: Het is gemakkelijk om alles te willen zonder de gevolgen (financieel maar ook voor inwoners en ontwikkelaars) te kunnen overzien. In de eerste plaats is de gekozen uitwerking gestoeld op wettelijke verplichtingen en op harmonisatie van nu al in de voormalige gemeenten geldende regelgeving. Daarnaast geldt andersom ook dat de gevolgen van het niet-adequaat inrichten van erfgoedbeleid of het achterwege laten daarvan niet goed zijn te overzien. Denk aan gevolgen als verschraling of verdwijnen van cultuurhistorisch erfgoed en daarmee de eigenheid en karakteristieken van de kernen en het buitengebied, onvrede onder de inwoners over verdwijnen van erfgoed, ongunstige invloed op het vestigingsklimaat voor inwoners en bedrijven, en mislopen van provinciale, landelijke en andere subsidiemogelijkheden. 5. Algemeen: Wil de gemeente dat de Historische Kring West-Betuwe bijdraagt aan de verspreiding van de historische kennis onder de bewoners, leerlingen en bezoekers van de West Betuwe? We zijn zeker van mening dat de historische kring(en) een belangrijke rol hierin heeft/hebben. Via het opgerichte platform kan dit nader worden uitgewerkt. Archeologie 6. Vrijstellingsgrenzen archeologie. Ik mis in de afweging het belang van de grondeigenaar en initiatiefnemer. Natuurlijk ben ik voor een goede bescherming van ons erfgoed.

Maar wat nu gebeurd is dat een grondeigenaar/initiatiefnemer de kosten moet dragen voor dat wat het 7

algemeen belang dient en dat dat als last wordt opgelegd op onze inwoners en bedrijven. Ik mis de aandacht die er zou moeten zijn voor die kant voor de medaille. Bescherm liever minder en goed of kom tegemoet in de kosten die een grondeigenaar en/of initiatiefnemer moet maken om archeologisch onderzoek te doen of ingeval dat onderzoek ook archeologische resten aantoont ook zijn plan moet bijstellen of uitvoeren onder strikte en sterk kostenverhogende restricties. In enquete: Vrijstellingsbeleid is te streng. Het antwoord daarop heeft meerdere aspecten. Een belangrijke hoofdlijn: in 1992 is het Europees Verdrag van Malta over omgang met archeologisch erfgoed in Europa getekend. Dat verdrag had als primair uitgangspunt ‘De verstoorder betaalt’: degene die door een initiatief het bodemarchief zou aantasten, moest daarvoor de kosten dragen. Dat uitgangspunt is in 2007 overgenomen in Nederlandse wetgeving (‘Wet op de archeologische monumentenzorg’, in 2016 vervangen door de nieuwe Erfgoedwet). Dat initiatiefnemers dus de lasten dragen is dus een uitgangspunt van de landelijke wetgeving. De wetgever heeft daarnaast vastgesteld dat in principe overal vanaf een vrijstellingsgrens van 100 m2 onderzoek gedaan moet worden.

In de praktijk betekent dit, dat zelfs als er een lage kans op erfgoed in de bodem is, dit al onderzocht zou moeten worden als de verstoring groter is dan 10 bij 10 meter. Dat is natuurlijk een heel strikt regime. Daarom heeft de wetgever tevens bepaald, dat gemeentelijke overheden als bevoegd gezag beredeneerd mogen afwijken van deze 100 m2. Die onderbouwingsplicht wordt onder de Omgevingswet nog iets zwaarder (‘aantoonbare verwachting’). Die onderbouwing is in de drie oude verwachtings- en beleidskaarten al de basis geweest, en doen wij in de nieuwe geharmoniseerde kaart voor West Betuwe opnieuw. Gebieden met een lagere trefkans kennen zowel om archeologisch-inhoudelijke redenen als juist om de heel legitieme redenen die u noemt, een vrijstelling tot wel 5000 m2. Daar zullen particulieren niet of vrijwel nooit iets van merken; onderzoek zal alleen moeten gebeuren bij grotere gebiedsontwikkelingen. Gebieden met bekende archeologische vindplaatsen of een hogere trefkans kennen daarentegen een wat strenger regime. In het eerste geval is de vrijstellingsgrens 50 m2, in het tweede pas vanaf 500 m2. Daardoor is het beleid ten opzichte van het oude in de drie vroegere gemeenten niet alleen geharmoniseerd (en in veel gevallen soepeler dan nu nog geldt), maar ook veel eerlijker geworden voor de burger (alleen onderzoek als dat goed onderbouwd kan worden).

Daarnaast is het maatschappelijk zinvoller, door de focus op gebieden met een (zeer) hoge trefkans. Het maatschappelijk belang én het belang voor de individuele burger is dus zeker (opnieuw) in de nieuwe vrijstellingsgrenzen meegewogen, naast het inhoudelijk belang én de bestaande wetgeving/jurisprudentie (zie ook de startnotitie). Zeker ook die laatste punten betekenen, dat de afwegingsruimte voor de raad op dit onderdeel niet heel groot is. Ik denk daarbij aan de vrijstellingsdieptegrens van 30 cm, die door jurisprudentie (uitspraak RvS) min of meer is voorgeschreven. Het beleid is bovendien door de betrokkenheid van de regio-archeoloog afgestemd op een regionaal niveau, zodat het straks voor een burger geen enorm verschil maakt of hij in Buren of Buurmalsen woont. In beide gevallen dus – bij archeologie nog iets beter gedefinieerd dan bij cultuurhistorie – is dus de last door de wetgever gedeeltelijk bij de burger neergelegd (namelijk met het bestemmingsplan als regulerend instrument), met een taak voor de gemeente om kaders te stellen binnen een bepaald raamwerk. Daar staat natuurlijk wel tegenover dat de gemeente 8

de mogelijkheid heeft om burgers te ondersteunen – hoe en wanneer is aan de gemeente zelf, maar daar zijn natuurlijk ook kosten mee gemoeid. In onderstaande twee tabellen wordt de oude situatie met de nieuwe vergeleken. In tabel 1 worden de oppervlaken (absoluut en procentueel) van de verschillende nieuwe beleidszones (Waarde-archeologie 1 t/m 9) vergeleken met de oude situatie. De laatste kolom ‘Verschil’ geeft de toe- of afname van het oppervlak weer. Met name het oppervlak aan verwachtingszones is gewijzigd, en niet zozeer het oppervlak van terreinen met reeds gekende archeologische resten. Het oppervlak van zowel de hoge verwachtingszone als de middelhoge en lage verwachtingszone is gewijzigd. Verder is het ruimtebeslag met voor onderzoek vrijgestelde terreinen afgenomen. Dit is het gevolg van het toekennen van vrijstellingsgrenzen aan de lage verwachtingsgebieden in de voormalige gemeente Geldermalsen (die waren eerder vrijgesteld van archeologisch vooronderzoek). Nieuwe kaart

Oude Kaarten

Code

Omschrijving

opp. km2

WA-1

monumenten

0,0

WA-2

terreinen met arch.resten

5,7

2%

12,8

WA-3

historische kern, woongrond

7,5

3%

nvt

WA-4

hoge verwachting

94,5

41%

WA-5

hoge verwachting, diep

18,2

WA-6

middelhoge verwachting

WA-7

opp. %

opp. km2

Verschil

opp. % meer/minder

0,2 6%

-3%

51,3

22%

19%

8%

3,9

2%

6%

10,6

5%

61,4

27%

-22%

lage verwachting

74,7

33%

50,2

22%

11%

WA-8

restgeul

6,3

3%

2,9

1%

2%

WA-9

rivierbed Waal/Linge

7,7

3%

nvt

Vrij

vrijgegeven terreinen*

3,7

2%

50,2

20%

229,1

98%

229,1

80%

* op de kaart van Geldermalsen uit 2016 waren de lage verwachtingszones vrijgegeven Tabel 1. Oppervlakteverdeling beleidszones

9

3% -18%

Geld2016

Ling2011

nieuw

Neerr2008

nieuw

nieuw

Grenswaarden diepte / oppervlakte [cm –Mv/ vierkante meter] WA-1

30/10

0/0

30/0

0/0

nvt

0/0

WA-2

30/100

30/50

30/0

30/50

50/100

30/50

WA-3

30/100

30/100

30/100

30/100

50/100

30/100

WA-4

30/500

30/500

30/100

30/500

50/250

30/500

WA-5

300/2500

150/2500

200/500

150/2500

nvt

150/2500

WA-6

30/1000

30/2500

30/500

30/2500

50/5000

30/2500

WA-7

vrij

30/5000

100/5000

30/5000

50/10.000

30/5000

WA-8

30/1000

50/2500

nvt

nvt

nvt

nvt

WA-9

vrij

30/10.000

vrij

30/10.000

vrij

30/10.000

vrij

vrij

vrij

vrij

vrij

vrij

geen

verlichting van beleid verzwaring van beleid onveranderd Tabel 2. Aanpassingen van het vrijstellingsbeleid voor archeologisch onderzoek.

In tabel 2 wordt een vergelijking gemaakt tussen de vrijstellingsregimes in de oude en nieuwe situatie. Met de kleuren groen en oranje wordt aangegeven of het nieuwe beleid een verzwaring of verlichting van het oude beleid betekent. De kleur geel staat voor voortzetting van het huidige beleid. Uit de tabel kan worden afgelezen dat voor de hoge verwachtingszones (WA-4: het gebied waarbinnen de meeste kernen voorkomen) een verlichting van het beleid wordt voorgesteld. Het oppervlak van deze verwachtingszone is weliswaar toegenomen (tabel 1) maar daartegenover staat dus een ruimhartiger vrijstellingsbeleid. Hetzelfde geldt voor zone WA-8 (restgeulzone van de Lingeloop) en voor de vrijgestelde gebieden. De verzwaring van het beleid voor de lage verwachtingsgebieden (WA-7) en het rivierbed van de huidige rivieren (WA-9) geldt alleen voor grotere projecten en komt niet ten laste van particuliere initiatiefnemers. 7. Het archeologisch vrijstellingsbeleid is te soepel voor de gebieden.3 Archeologie als conditie is even belangrijk als aspecten als een verplicht bodemonderzoek en deze kennen ook geen vrijstellingen. We gaan hier bij de beantwoording vanuit dat met een soepel vrijstellingsbeleid gedoeld wordt op vrijgave van gebieden waar grondroerende activiteiten plaatsvinden zonder dat vooraf archeologisch onderzoek is uitgevoerd.

3

Opmerking is door twee verschillende organisaties geplaatst.

10

In afwijking op de wettelijke vrijstelling van 100 m2 uit de Monumentenwet 1988, nu Erfgoed - bij de behandeling van de Wet op de archeologische monumentenzorg in de Tweede Kamer in 2003 zijn dit de zogenaamde ‘kruimelgevallen op huis- tuin- en keukenniveau’ genoemd -heeft gemeente West Betuwe een beredeneerde en door talloze archeologische, aardwetenschappelijk en cartografische bronnen onderbouwd model opgesteld om die strikte grens van 100 m2 te nuanceren. Niet iedere willekeurige locatie is dermate kansrijk en bevat zoveel oudheidkundige informatie dat zo een strikte grens gehanteerd hoeft te worden. Vandaar dat met de wet in de hand gemeenten de mogelijkheid is geboden om ruimere vrijstellingsgrenzen te gebruiken (de afwijkingsbevoegdheid), vermits dit op basis van voldoende inhoudelijke argumenten wordt onderbouwd. Er is al een flinke jurisprudentie in het bestuursrecht ontstaan wat onder ‘voldoende inhoudelijke onderbouwing’ wordt verstaan. Een voorbeeld van invulling geven aan deze afwijkingsbevoegdheid is het afwijken van de 100 m2-grens in rivierkomgebieden. Om iedere bodemingreep vanaf 100 m2 in een komkleigebied op voorhand vergunningplichtig te maken schiet zijn doel voorbij: a. dergelijke gebieden waren lange tijd ontoegankelijk en minder geschikt voor bewoning, b. de vondst- en sporendichtheid is daarom bijzonder laag waardoor: c.

de trefkans voor het systematisch opsporen van behoudenswaardige archeologische resten klein is. In komgebieden zetten we daarom de ondergrensgrens voor archeologisch vooronderzoek op een halve hectare. De onderzoeksinspanning moet proportioneel zijn waar het gaat om de baten/lasten van archeologische monumentenzorg. Evenzo zijn de vrijstellingsgrenzen voor de categorieën terreinen met archeologische resten en de hogere verwachtingsgebieden dusdanig ingericht dat zowel het archeologischhistorisch belang als het economische en maatschappelijk belang in voldoende mate zijn meegenomen. Bij strikte vrijstellingsgrenzen voor bekende vindplaatsen voert de wetenschappelijke kenniswinst de boventoon waarbij in verwachtingsgebieden ook in belangrijke mate rekening is gehouden met ruimtelijke opgaven in de woningbouw en overige grondbewerking. Wij zijn van mening dat met dit vernieuwde erfgoedbeleid een gedegen onderbouwing heeft gekregen om te kunnen zeggen dat het vrijstellingsbeleid van West Betuwe evenwichtig is en passend bij toekomstige opgaven in de fysieke leefomgeving. 8. Archeologische monumenten: In lijn met mijn vorige antwoord (zie vraag 6): ik mis de aandacht voor de last die wordt gelegd op eigenaar/initiatiefnemer. Slechts een beperkt deel van het monumentenbestand is een archeologisch monument.

De kans dat veel nieuwe terreinen als gemeentelijk archeologisch monument aangewezen zullen worden is op dit moment niet groot. De noodzaak wordt niet gevoeld (weinig bekendheid voor breed draagvlak), de kennisleemte op het gebied van zeldzaamheid, informatie per periode en complextype is voor West Betuwe nog niet uitgekristalliseerd of op papier gesteld (geen onderdeel van voorgaande archeologiebeleid noch van de huidige harmonisatie) waardoor nog geen zicht is wat de fysieke en inhoudelijke kwaliteit is van een terrein laat staan een eventuele monumentale status. De regioarcheoloog van Rivierenland heeft in dit kader regiobreed al enige stappen gezet met betrekking tot dossiervorming rond instandhouding van bestaande (gekende) terreinen. Hij zal in 2021 bezig gaan met het selecteren van ondiepe en kwetsbare vindplaatsen voor behoud en bescherming.

11

De instandhouding van bestaande archeologische monumenten is een groot goed en vormt niet voor niets een van de pijlers van de archeologische monumentenzorg namelijk behoud in situ (in de bodem). Hiermee beschermen we het meest effectief deze kennisbron over ons gemeenschappelijk verleden en geven we dus ook de toekomst een verleden. We zijn dus zuinig op onze monumenten. De eigenaren van een archeologisch monument in gemeente West Betuwe zijn bekend met de status van hun grond en doorgaans erg begaan met de unieke historische waarde die ze vertegenwoordigt. Voorbeelden zijn in Herwijnen o.a. de kastelen Engelenburg en Frissestein. Hier wordt met hernieuwde aandacht van zowel eigenaar als een enthousiaste werkgroep van leden van HV den Ouden Dijk gewerkt aan het zichtbaar en beleefbaar maken van het eerstgenoemde kasteel. Gemeente, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en Waterschap Rivierenland zijn allen betrokken. Dit is een voorbeeld van een initiatief zonder ruimtelijke ontwikkeling. Bouw- en aanlegactiviteiten op archeologische rijks- of gemeentelijk monumenten komt vanwege het kleine aantal relatief weinig voor. Een van de schaarse voorbeelden is de ontwikkeling van landgoed Nieuw Klingelenburg in Tuil. De gracht van dit kasteelterrein (gemeentelijk monument) is enige jaren terug, na tijden onttrokken te zijn geweest aan het zicht, weer voor iedereen te zien. 9.

Hoe gaan we de aangepaste regulering van metaaldetectie handhaven? Handhavers hebben nu ook al de taak om de Erfgoedwet te handhaven. De huidige wetgeving (metaaldetectie is toegestaan tot een diepte van 30 cm) is echter vrij ingewikkeld te handhaven, want een handhaver staat er niet bij als er een gat gegraven wordt. Het handhaven op het bezit van een ontheffing, vergelijkbaar met de visakte, is in de praktijk veel eenvoudiger. Degene met een ontheffing draagt deze ontheffing bij zich. De handhaver vraagt naar de ontheffing. Op vertoon en controle is het a. in orde of b. niet in orde. De handhaving wordt dus versimpeld én ongeoorloofd schatgraven wordt tegengegaan. De ODR heeft alles in huis om dat snel, vakkundig en praktisch te regelen. 10. Geen nadere regulering metaaldetectie. Dit standpunt gaat uit van wantrouwen, terwijl niet is aangetoond dat er sprake is van mensen die te kwader trouw metaaldetectie beoefenen. Het Gelders rivierengebied is één van dé hotspots is op het gebied van metaaldetectie. De autoriteit op het gebied van registratie en beheer van detectorinformatie - de vereniging Portable Antiquities of the Netherlands (PAN) - heeft uit juist het Rivierengebied verreweg de meeste vondstlocaties. West Betuwe staat op dit moment met ruim 3600 registraties op de vierde plek in Nederland na Overbetuwe, Zaltbommel en Waadhoeke (Friesland).

We krijgen regelmatig meldingen van detectoramateurs die het gebied niet kennen, die niet bekend zijn bij de lokale detectoramateurs en juist deze ‘gelukszoekers’ willen we demotiveren en het moeilijk maken. We zijn, zoals meerdere malen aangegeven, niet tegen metaaldetectie want dat mag gewoon tot 30 cm onder het aardoppervlak. Verder zijn we ons er van bewust dat de goeden niet onder de kwaden hoeven te lijden. Goedwillende liefhebbers zijn de ogen en oren van de archeologie. Enige vorm van regulering van metaaldetectie in de gemeente is echter gewenst, zo niet noodzakelijk. Het gericht zoeken naar oudheden in de bodem onder de bouwvoordiepte van 30 cm is bij wet verboden. Dit vloeit voort uit het Besluit Erfgoedwet archeologie art. 2.2 metaaldetectoren: niet dieper verstoren dan tot 30 cm onder het landoppervlak.4 We volgen bij ons voorstel voor een 4

https://www.inspectie-oe.nl/onderwerpen/vondsten-zoeken-met-metaaldetector, zie ook https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2016-155.html

12

‘verbod met ontheffing’ in grote lijnen de methode-Sluis. Deze regeling is simpel, duidelijk, levert waardevolle informatie op en smeedt een verbond tussen de professionele archeologiebeoefenaar, de echte liefhebbers (zoals leden aangesloten bij oudheidkundige verenigingen) en de overheid. Deze methode van een ‘verbod met ontheffing’ wordt toegejuicht door de projectleiders van PAN. Toezicht op deze regeling verzorgt de ODR waar de regioarcheoloog in samenwerking met de toezichthouders het korte A4 protocol borgt bij controles en de BOA’s waar nodig een boete kunnen uitdelen aan detectorpiloten die geen ontheffing kunnen tonen. 11. Geen nadere regulering metaaldetectie. De algemene regel van 30 cm bestaat al landelijk dus is niet nodig, werken met vergunningen levert vooral meer bureaucratie op en houdt 'misbruik' niet tegen. Het antwoord hierop is onder 10 grotendeels gegeven met de aanvulling dat er geen vergunning wordt afgegeven maar met een ontheffing wordt gewerkt. De bureaucratie bedraagt op jaarbasis voor de gemeente West Betuwe naar verwachting 40 uur. Een investering meer dan waard als u bedenkt dat we met selectieve informatievoorziening aan particulieren, het nalopen van meldingen uit het veld, overleg met toezichthouders etc. minstens hetzelfde aantal uren kwijt zijn, zonder ook maar enige zekerheid van informatiebehoud.

Volledig misbruik is natuurlijk nooit te garanderen. De gelukzoekers willen we demotiveren hun heil in West Betuwe te zoeken. Om die reden breiden we het verbod ook uit naar aangrenzende gemeenten zoals Buren. De aangepaste methode Sluis zal ook hier van kracht worden bij vaststelling geactualiseerd archeologiebeleid. Buren is de nummer 5 gemeente op de landelijke PAN-lijst met metaalvondstregistraties. 12. Geen nadere regulering metaaldetectie. Zo lang het om hobbymatige activiteiten gaat, geeft het in mijn ogen geen verstoring want komt het niet dieper dan ook de ploegsnede. Dat is inderdaad de bij wet toegestane graafdiepte (30 cm). De praktijk laat echter zien dat hier niet altijd naar gehandeld wordt. Zie de vragen 9, 10 en 11. 13. Ik mis de uitleg voor het bewerken van de gronden door de agrarische ondernemers. Ik kan hierover niks terug vinden in de plannen. Mogen zij hun land bewerken zonder een vergunning in de hoogverwachting gronden van het gebied. kunnen jullie mij daarover informeren en of dit ook in de harmonisatie worden besproken. met vriendelijke groeten, LTO Noord de Betuwe. P.S. Ik heb de vragen lijst niet ingevuld omdat ik geen antwoorden kon vinden op mijn vraag van hierboven. In de zone met een hoge verwachting blijft de bouwvoor (30 cm) vergunningvrij voor reguliere agrarische bewerking, ongeacht de oppervlakte waarin dit plaatsvindt.

Bij bodembewerkingen die dieper gaan dan deze 30 cm is een vergunning noodzakelijk.

13

Historisch cultuurlandschap Zie onder vraag 1 voor een vergelijking tussen de nu beschermde gebieden en de toekomstig te beschermen gebieden. 14. Ook hiervoor geldt: algemeen belang dient niet te worden gediend door de kosten af te wentelen op een burger of bedrijf die een initiatief heeft. Versterken van cultuurlandschap graag, ik vind het belangrijk dat we onze geschiedenis koesteren, maar niet over de rug van onze burgers en bedrijven. In tegenstelling tot de archeologie is de jurisprudentie en de gangbare praktijk over cultuurlandschap nog minder uitgekristalliseerd. Desondanks is er wel een wettelijke bepaling in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dat de gemeente bovengronds erfgoed moet meewegen bij het opstellen van nieuwe bestemmingsplannen – en daarmee dus randvoorwaarden mag opleggen aan initiatiefnemers. In dat kader is het onderzoek ook bedoeld zoals dat door ons is uitgevoerd. Over de resultaten moet de gemeente een afweging maken, en uiteraard moeten erfgoedbelang en private belangen daarin allebei worden meegewogen. Bepaalde dubbelbestemmingen, zoals in de Nieuwe Hollandse Waterlinie, zijn vanuit rijksbeleid volgens mij een feit. De gemeente mag buiten de voorgeschreven beschermingen vanuit rijks- en provinciaal niveau zelf bepalen voor welke gebieden zo’n planologische borging geldt. In ons voorstel is dat opgehangen aan de waarderingsklasse.

Om inhoudelijke redenen dragen wij daarvoor de zeer hoog en hoog gewaardeerde gebieden aan, maar zoals in de vragenlijst al gesteld is ook daar nog ruimte voor de raad voor een andere invulling. De afwegingsruimte binnen dat kader zit vooral ook in het soort ingrepen dat vergunningplichtig is, mede afhankelijk van de aard van het gebied (bijvoorbeeld: strenger waar het kwetsbaar is, soepeler waar het weerbaar is). Weliswaar is voor landschappelijk erfgoed een systeem met vrijstellingsgrenzen zoals voor archeologie niet of minder gangbaar, maar het zal wel duidelijk zijn dat de burger die een aanbouw aan zijn huis wil zetten normaliter geen vergunning voor landschapsverstorende activiteiten zal hoeven aan te vragen, terwijl dat wel relevanter is bij de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein. In veel gevallen is daar nu ook al een omgevingsvergunning voor nodig, en dat leidt dus vooral tot het toevoegen van een toetsingscriterium, niet een extra vergunning. Dat evenwicht zal in een volgende stap, via een uitvoeringsprogramma, verder ingevuld en vormgegeven moeten gaan worden. In tegenstelling tot het aspect archeologie is dit onderdeel dus nog nader uit te werken, en daar is met uw punt zeker nog rekening te houden.

In beide gevallen dus – bij archeologie nog iets beter gedefinieerd dan bij cultuurhistorie – is dus de last door de wetgever gedeeltelijk bij de burger neergelegd (namelijk met het bestemmingsplan als regulerend instrument), met een taak voor de gemeente om kaders te stellen binnen een bepaald raamwerk. Daar staat natuurlijk wel tegenover dat de gemeente de mogelijkheid heeft om burgers te ondersteunen – hoe en wanneer is aan de gemeente zelf, maar daar zijn natuurlijk ook kosten mee gemoeid.

14

Bouwkunst & stedenbouw

15. Moet een eigenaar toestemming geven voor aanwijzing van zijn pand tot gemeentelijk monument? Plaatsing van een pand op de gemeentelijke monumentenlijst gebeurt in de regel niet op vrijwillige basis. Wel krijgt de eigenaar de gelegenheid zijn/haar zienswijzen in te brengen. De zienswijzen worden meegenomen in de besluitvorming. Na het aanwijzingsbesluit is er de mogelijkheid bezwaar aan te tekenen tegen het plaatsingsbesluit. 16. Geen planologische bescherming panden uit orde 1 en/of 2. Ook hierbij de vraag hoe u omgaat met de kosten die met een beschermde status gemoeid zijn. Ik vraag me af of we hier zoveel geld in willen steken dat degene wiens eigendom een monumentenstatus krijgt volledig of grotendeels schadeloos kan worden gesteld voor de hogere kosten die deze status tot gevolg heeft. Denk aan het in de presentatie genoemde ‘ monumentenglas’, de beperktere mogelijkheden voor het vervangen van versleten onderdelen, moeilijker verduurzamen en daardoor hogere energiekosten, enz. In de regel is het zo dat onderhouds- en restauratiewerkzaamheden dienen te voldoen aan basis-uitvoeringsvoorschriften, die er op gericht zijn op een optimale duurzaamheid en het zoveel mogelijk beschermen (intact laten) van de monumentale waarden en karakteristieken.

Enerzijds kan dit tot wat hogere kosten leiden, anderzijds worden op de lange termijn kosten bespaard door de keus voor producten en technieken die een lange levensduur garanderen, en dus minder vaak vervangen hoeven worden. Denk aan de keuze voor bijvoorbeeld gecertificeerd riet voor dakbedekkingen. In de praktijk komt het vaak voor dat door de eigenaar of architect/aannemer gewenste kostbare ingrepen juist worden afgeraden omdat deze niet noodzakelijk zijn (volledig voegherstel, diep reinigen bakstenen muren, volledig vervangen van kozijnen en ramen, sloop van hout- en andere constructies). Ten slotte dient hier te worden opgemerkt dat onnodige sloop van historische onderdelen, ondeskundig uitgevoerde ingrepen of wijzigingen die met niet passende materialen en technieken worden uitgevoerd, technische én visuele schade kunnen berokkenen aan een historisch pand. De financiële waarde kan hierdoor worden verminderd. 17. Aanpassing monumentenlijst / inventarisatie karakteristieke panden Neerijnen en Lingewaal / planologische bescherming ensembles / monumentenstatus waardevolste ensembles: Genuanceerd tussen ja en nee. Ik weet het niet. Ik wil in ieder geval geen aanpassingen als deze onevenredig negatieve gevolgen hebben voor inwoner en bedrijf zonder dat deze worden gecompenseerd. Zie ook vraag 16.

Een aspect dat ook in de keuze dient te worden meegewogen is de wens/noodzaak tot harmonisatie van het erfgoedbeleid. Op dit moment is het monumentenbestand door verschillende oorzaken niet evenredig en op basis van de aanwezige waarden over de gehele gemeente verdeeld. Dit betekent dat belangrijk erfgoed niet is beschermd. De huidige gemeentelijke monumentenlijst geeft geen eenduidig en goed afgewogen beeld van het beschermenswaardige gebouwde erfgoed in de gemeente WestBetuwe. Dat betekent ook dat eigenaars van belangrijk historisch erfgoed geen gelijke rechten en plichten hebben in de gemeente.

15

18. Algemeen: In vml Lingewaal zou de gemeentelijke monumentenlijst wel wat uitgebreid mogen worden (locaties in Herwijnen, Heukelum en Asperen). De vraag is in hoeverre je eigenaren kan belasten met regelgeving. Punt van zorg vind ik de handhaving en dan noem ik een specifieke locatie: de molenstomp in Asperen is een rijksmonument. Er is al jaren niets aan gedaan door eigenaar en object verkeert inmiddels in slechte staat. Wat is dan de waarde van de status rijksmonument? De Erfgoedwet bevat een expliciete instandhoudingsplicht voor monumenten. Het doel hiervan is te zorgen dat een eigenaar zijn of haar rijksmonument zodanig onderhoudt dat instandhouding en de monumentale waarde ervan gewaarborgd zijn. De plicht is voor gemeenten ook een middel om met eigenaren het gesprek over het onderhoud van hun monument aan te kunnen gaan. Een en ander is uitgebreid omschreven in de brochure Instandhoudingsplicht rijksmonumenten. Een handreiking voor gemeenten (2016), door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook kan er een instandhoudingsplicht voor eigenaars van gemeentelijke monumenten in de Gemeentelijke erfgoedverordening worden opgenomen. Vaak is de verordening vastgesteld op basis van de modelverordening van de VNG. In die model-erfgoedverordening is een bepaling opgenomen waarmee verwaarlozing van gemeentelijk monumenten kan worden tegengegaan.

In artikel 13 staat een verbod om ‘een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding noodzakelijk is’.

Overig

19. Andere onderwerpen: Visie, plannen en onderzoek is leuk maar feitelijke bescherming ontbreekt. Onder de noemer van voortgang blijven er uitzonderingen gemaakt worden op grond waarvan erfgoed verloren gaat. Dit moet stoppen en het verval van erfgoed (stadmuren etc.) in het publieke domein moet stoppen. Hiervoor is een adequaat beschermings- en toetsingsinstrumentarium noodzakelijk. Ook wordt aangeraden om erfgoedeigenaars met advies te ondersteunen bij hun vragen over onderhoud en het maken van herstelplannen. 20. Andere onderwerpen: Aan de hand van infrastructuele maatregelen kan het wegenpatroon veranderen, te grote asbreedte tractoren/vrachtwagens weinig afgegrensde fietspaden waardoor fruitteelt stoort aan toerisme, waardoor een keuze aan fruitverwerkconcentratie moet optreden aan de randen van de te beschermen historische woongebieden. Met een planologische regeling voor cultuurhistorische waarden is er een moment waarop de wenselijkheid van dit soort ingrepen getoetst wordt. Tegelijk wordt er met zo’n regeling ook een mogelijkheid om hierop te toetsen gecreëerd. Uiteindelijk is het een integrale belangenafweging. 21. Andere onderwerpen: Vloedschuren in west Betuwe . Al in kaart gebracht door stichting kunst en cultuur west Betuwe maar veel zijn er in erbarmelijke toestand.

16

In het toekomstige beleid kan eventueel worden gekozen voor bijvoorbeeld jaarlijkse, bijzondere instandhoudingsthema’s, waarbij specifieke erfgoedcategorieën of gebouwtypen extra onder de aandacht worden gebracht. Doel is bewustwording. Tevens kan de gemeente vanuit het principe van de in ieder geval voor rijksmonumenten geldende instandhoudingverplichting het gesprek aangaan met eigenaars om tot een betere instandhouding te komen. Zie ook vraag 18. De Stichting Kunst en Cultuur West-Betuwe kan het probleem rond de vloedschuren bij gemeente en erfgoedcommissie aankaarten. En wellicht kan zij een rol spelen bij het vinden van oplossingen en communicatie met eigenaars (zie vraag 25). 22. Andere zinvolle onderwerpen: Meer aandacht voor het verzamelen van lokale geschiedenis in de vorm van oral history en ook het geschreven verhaal dan wel beeldmateriaal. Daarnaast mis ik het betrekken van jeugd op allerlei manier bij de lokale historie. Dank voor de suggesties, die nemen we mee. 23. Budget voor uitvoering verbredingswerkzaamheden: Dat hangt er wel vanaf hoeveel en waarvoor precies. Op dit moment gaat het vooral om het vastleggen van inhoudelijke wensen. De uitvoering ervan is afhankelijk van budgetten en kan in het kader van toekomstige begrotingen worden vastgelegd.

Een deel ervan is bovendien mogelijk op basis van externe financieringsbronnen, zoals de kerkenvisie (100% subsidiëring door het rijk, reeds aangevraagd). 24. Budget voor uitvoering verbredingswerkzaamheden: Extra budget moet wel beperkt zijn, gelet op de totale financiële positie gemeente. Zie vraag 23. Budgetten kunnen op een nader moment voor specifieke onderdelen van het lijstje worden vrijgemaakt/gereserveerd. 25. Algemeen: In plaats van opgelegde visie en plannen eens met de gemeenschap zelf in gesprek gaan of vigerende organisaties als historische of culturele verenigingen een rol geven. Deze hebben een achterban en weten wat van belang geacht wordt in een specifieke gemeenschap. De historische kringen zijn geraadpleegd bij het samenstellen van de cultuurhistorische waardenkaart(en) en op die manier betrokken geweest bij het inventariseren van het cultuurhistorisch erfgoed. Zij kunnen opnieuw een rol spelen bij het vergroten van draagvlak voor behoud van cultuurhistorisch erfgoed en het vergroten en verspreiden van inhoudelijke kennis hierover en jeugdeducatie. Tevens bestaat de mogelijkheid ze een rol te geven in praktische instandhouding en beheer. Denk aan de kringen en organisaties die zich bezig houden met beheer van historische begraafplaatsen en kerkhoven, historisch groen en landschapselementen, instandhouding en herstel van (oorlogs)monumenten, etc. 26.

Algemeen: Vergroten van woongebieden aanpassen aan de heersende historische bouwstijl zodat het verleden van de streek blijft terugkomen in de woningbouw (vraaggestuurd bouwen). 17

In ruimere zin gaat het om het inpassen en mogelijk maken van nieuwe ontwikkelingen met respect en aandacht voor of waar mogelijk zelfs versterking van de aanwezige historische waarden. In gebieden met veel cultuurhistorische waarden zal dat maatwerk zijn. In plaats van “aanpassen aan de heersende historische bouwstijl” (dat niet automatisch tot kwaliteit leidt) uitgaan van “respect voor de lokale (historische) bebouwingskarakteristiek”. 27. Punten die terug moeten komen op de uitvoeringsagenda en niet eerder genoemd zijn: a. Vaste overlegstructuur met erfgoedverenigingen gericht op specifieke kern. b. Monumentale bomen(lijst). Dank voor de tips, we nemen deze mee in het proces.

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/329/documents/8049