RV2021-087 Bijlage 5 Quickscan Wet Natuurbescherming Bommelsestraat te Varik.pdf
Tekst van het document
f
PLANNEN-MAKERS T.a.v. dhr. C. Vaartjes Abstederdijk 36 3582 BN Utrecht
Datum
25 september 2020
Kenmerk
BE/2020/580/r
Uw kenmerk
Email d.d. 23 juli 2020
Auteur(s)
ir. ing. D. de Boer
Collegiale toets
ing. C. J. Blom
Quickscan Wet natuurbescherming Bommelsestraat ong. en 2a/b te Varik Zorglandgoed Bloemfonteijn is voornemens uit te breiden aan de Bommelsestraat ong. en 2a/b te Varik. Binnen de beoogde ontwikkeling zal een perceel met twee huisnummers, Bommelsestraat 2a en Bommelsestraat 2b (hierna te noemen “woonperceel”), en een akker zonder adres (hierna te noemen “akker”) aangepast worden naar de behoeften van zorglandgoed Bloemfonteijn. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op het woonperceel te saneren ten behoeve van de realisatie van een beheerderswoning, dependance en een natuurlijke tuin. De initiatiefnemer is voornemens een ponyverblijf, ponyweide, ponypad en groenstructuren te realiseren op de akker. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop.
Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Plannen-makers begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd?
• Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Bommelsestraat ong. en 2a/b te Varik (figuur 1). Het woonperceel is momenteel in gebruik als activiteitenlocatie van zorglandgoed Bloemfonteijn. Het perceel wordt gekenmerkt door een paardenweide en meerdere gebouwen en is onderhouden met en hoog kwaliteitsbeeld. De bebouwing op het woonperceel ziet er als volgt uit (figuur 2): • Paardenstal. De paardenstal is opgetrokken uit houten potdeksels en heeft een golfplaten dak. • Kas. De kas bestaat uit een metalen geraamte waarover plastic is gespannen. • Schuur. De schuur is deels opgebouwd uit een dak en muren bestaande uit golfplaten. Het zuidwesterlijke deel van de schuur is opgebouwd uit gemetselde muren en een zadeldak bestaande uit dakpannen. Dit deel bevat ook een zolder. • Hooiopslag. De hooiopslag bestaat uit een metalen geraamte waarover plastic is gespannen. • Activiteitencentrum. Dit activiteitencentrum (bij Bloemfonteijn bekend als ‘blokhut’) is opgebouwd gestapelde houten balken en een licht hellend betumendak. • Woning. De woning is opgetrokken uit gemetselde stenen en heeft een zadeldak met dakpannen. De akker betreft een graanakker zonder bebouwing. De bodem van de akker bevat droogtescheuren. De omgeving van de planlocatie (c.q. het woonperceel en de akker) betreft een landelijke omgeving met agrarische percelen, vrijstaande woningen en bedrijfspanden.
Ten noordwesten van het woonperceel is een perenboomgaard gesitueerd en aan de noordoost zijde bevindt zich een sloot met kroos. Ten noordoosten van de akker is een zomereikenlaan gesitueerd. Aan de noordoostzijde en zuidoost zijde van de akker zijn sloten gesitueerd. Ten tijde van het veldbezoek waren deze drooggevallen. De A2 en A15 zijn gelegen op respectievelijk 7 km ten oosten en 5,2 km ten noorden van de planlocatie. De Waal is op circa 800 meter ten zuidoosten gelegen.
Figuur 1
2
Het woonperceel en de akker behorend tot de planlocatie (rood omkaderd) zijn gelegen aan de Bommelsestraat ong. en 2a/b te Heesselt (bron kaartmateriaal: maps.google.nl).
Figuur 2
Close-up van de bebouwing op het woonperceel (bron kaartmateriaal: maps.google.nl).
Figuur 3
Fotografische indruk van de planlocatie: (A) een fotografische indruk van het woonperceel. (B) een fotografische indruk van de akker.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van de bebouwing op het woonperceel en de realisatie van nieuwe bebouwing en een natuurlijke tuin (c.q. vegetatie en oppervlaktewater) op zowel het woonperceel als de akker. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling op het woonperceel zal klein groenoppervlak (c.q. tuinplanten) en enkele jonge, dunne bomen verwijderd worden. De functie van de akker dient te worden gewijzigd. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
3
saneren van de bebouwing op het woonperceel: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van enkele jonge, dunne bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 4
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Lindeloof Tuin en landschapsarchitecten B.V.).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 9 september 2020 en is uitgevoerd door ing. D.F. Knoops en ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 22 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
4
(a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid,
5
zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Het woonperceel betreft een deels verhard terrein met een naastgelegen paardenweide. Dit perceel heeft een hoog onderhoudsbeeld. De akker betreft een voormalige graanakker. De bodem op dit perceel bevat droogtescheuren waardoor de aanwezigheid van vochtminnende soorten op de akker is uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status.
Enkele waargenomen soorten op het woonperceel betreffen: brandnetel, els, klimop, paardenbloem, rolklaver, smalle weegbree en witte klaver. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de akker zijn restanten van graan waargenomen. Daarnaast bevonden zich ten tijde van het velbezoek ook soorten als gewone duivenkervel en varkensgras op dit perceel. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bruine rat, egel, haas, konijn, mol, muskusrat, ree en vos (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soort geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever (Habitatrichtlijn).
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en stuiken op de oever is een vereiste (Kennisdocument bever, 2017). De sloten rondom het plangebied voldoen niet aan de habitateisen van de bever. Derhalve zijn negatieve effecten op de soort uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.
6
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis (NDFF 2010-2020). Tijdens het veldbezoek zijn er sporen van vleermuizen aangetroffen. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn slechts enkele kleine, dunne bomen aanwezig. Deze bomen bevatten geen holten en zijn derhalve niet geschikt als rust- en/of verblijfplaats. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden.
Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Onder de kantpannen van de zuidwestzijde van de schuur zijn kieren aanwezig (figuur 5). Deze kieren kunnen gebruikt worden als invliegopeningen voor vleermuizen. Het dak van de zuidwestzijde van de schuur is voorzien van dakbeschot waardoor een ruimte gecreëerd wordt waar vleermuizen in kunnen verblijven. Soorten die hiervan gebruik kunnen maken zijn de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en eventueel de laatvlieger. De woning bevat soortgelijke kieren onder de kantpannen en het is aannemelijk dat dit dak ook voorzien is van dakbeschot. Om de aan- of afwezigheid van voortplantingsplaatsen en/of rustplaatsen van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd middels 5 veldbezoeken in de periode april-september (zie vervolgstappen).
Figuur 5
De zuidwest zijde van de schuur. (A) de kantpannen waaronder een kier aanwezig is zijn met rood omcirkeld. (B) een close-up foto van de kieren onder de kantpannen.
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De planlocatie bevat geen lange groene structuren zoals bomen- en struikenlanen, waardoor de aanwezigheid van een vliegroute uitgesloten is. Rondom de planlocatie zijn deze structuren wel aanwezig maar zullen niet aangetast worden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling.
7
In de luwte van de bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Voor deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder artikel 3.5 (c.q. Habitatrichtlijn) van de Wet natuurbescherming. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is deels verhard en wordt intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. De sloten rondom de planlocatie waren, met uitzondering van de sloot aan de noordoost zijde van het woonperceel, ten tijde van het veldbezoek drooggevallen. Het oppervlaktewater aan de noordoost zijde van het woonperceel was ten tijde van het veldbezoek volledig begroeid met kroos. De oevers van dit oppervlaktewater zijn steil en gedeeltelijk van beton voorzien. De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon, zwak zuur en voedselarm water. Binnen de planlocatie ontbreken schrale en ruige vegetatie.
Tevens bevat de sloot aan de noordoost zijde van het woonperceel kroos, wat een indicator is voor een hoge voedselrijkdom. Kamsalamanders komen relatief veel voor langs de grote rivieren. Het landschap waarin de kamsalamander aangetroffen wordt is bosrijk, bevat houtwallen of struwelen en wordt vaak gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater (ravcn.nl). Een dergelijk habitat is niet aanwezig op de planlocatie. De rugstreeppad komt voor in gebieden met een hoge natuurlijkheid en prefereert wateren zonder vegetatie (Kennisdocument rugstreeppad, 2017). De sloot aan de noordoost zijde van het woonperceel is volledig bedekt met kroos en heeft vrij steile oevers, waardoor het voorkomen van de rugstreeppad niet aannemelijk is. Tevens zijn er slechts 2 waarnemingen van de rugstreeppad binnen een straal van 2 km en deze zijn afkomstig uit 2013. Conform het kennisdocument rugstreeppad (2017) is aanvullend onderzoek bij waarnemingen van meer dan 3 jaar oud niet noodzakelijk. Gezien de ongeschiktheid van het oppervlaktewater en het jaartal van de waarnemingen kan een negatieve invloed op de rugstreeppad uitgesloten worden. Binnen de beoogde ontwikkeling zal geen oppervlaktewater gedempt worden en zal nieuw oppervlaktewater met natuurlijke oevers gecreëerd worden. De planlocatie kan slechts gebruikt worden als terrestrisch habitat.
Gezien de ongeschiktheid van het water en de mate van verstoring wordt de planlocatie niet aangewezen als terrestrisch habitat voor beschermde soorten. Derhalve kunnen negatieve effecten op beschermde soorten uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.
8
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2010-2020). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2010-2020). Ten tijde van het veldbezoek was slechts de sloot aan de noordoost zijde van het woonperceel voorzien van water. Binnen de beoogde ontwikkeling zal geen oppervlaktewater gedempt worden waardoor negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde libel: rivierrombout (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Het habitat van de rivierrombout bestaat uit rivieren en grote beken (vlinderstichting.nl). Alle warnemingen binnen een straal van 2 km zijn afkomstig rondom rivier de Waal.
De planlocatie bevat geen geschikt habitat voor de rivierrombout en derhalve zijn negatieve effecten op de soort uitgesloten. Op de planlocatie zijn tevens geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, buizerd, houtduif, kneu, koolmees en putter. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. Tegen de noordwest zijde van het activiteitencentrum is een verlaten nest van een merel waargenomen. De merel is een algemene broedvogel wat inhoudt dat broedende individuen en bezette nesten beschermd zijn. Aangezien hier geen sprake van is zal verwijderen van dit verlaten nest niet leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies.
Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Het zuidwesterlijke deel van de schuur (figuur 6A) en de woning (figuur 6B) zijn voorzien van een zadeldak bestaande uit dakpannen. Het dak van het zuidwesterlijke deel van de schuur is voorzien van dakbeschot. Hierdoor worden ruimten onder de dakpannen gecreëerd welke gebuikt kunnen worden als nestlocatie voor huismussen. Het is aannemelijk dat het dak van de woning ook voorzien is van dakbeschot. Derhalve kan het niet uitgesloten worden dat de ruimte onder de dakpannen gebruikt wordt door huismussen als nestlocatie. Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (zie vervolgstappen).
9
Figuur 6
Dakpannen waaronder potentie is voor een nestlocatie van de huismus. (A) Dakpannen van de zuidwestzijde van de schuur. (B) Dakpannen van de woning.
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Er zijn geen geschikte openingen voor gierzwaluwen aanwezig in de bebouwing. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen openingen aangetroffen die door uilensoorten als steen- en kerkuil gebruikt kunnen worden. Door het ontbreken van openingen kunnen nestlocaties en rustplaatsen van vorengenoemde soorten uitgesloten worden. In de omgeving zijn een aantal waarnemingen bekend van zowel steen- als kerkuil. Mogelijk vliegen deze sporadisch over het plangebied. Gezien de mate van verstoring en gedeeltelijke verharding zijn negatieve effecten op steen- en kerkuil uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen grote bomen aanwezig en binnen de beoogde ontwikkeling zullen geen grote bomen gekapt worden. Er zijn slechts kleine, jonge bomen aanwezig zonder waarde voor in bomen broedende soorten. Derhalve kan de aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is tevens geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen.
Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 560 meter ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 7).
10
Op een afstand van circa 330 meter ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 350 meter ligt de Groene ontwikkelingszone (figuur 8).
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 560 meter tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: gelderland.maps.arcgis.com).
Figuur 8
De planlocatie ligt op een afstand van circa 330 meter tot het Gelders Natuurnetwerk en circa 350 meter tot de Groene ontwikkelingszone (bron: gelderland.maps.arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden vrij groot is. Tevens zijn er dempende structuren, waaronder een dijk en woningen, gelegen tussen de planlocatie en het Natura 2000-gebied. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep.
11
De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van bestaande bebouwing en de realisatie van nieuwe bebouwing. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •
Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.
Gezien er een geringe afstand (560 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.
12
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Op basis van de Quickscan kan de aanwezigheid van functioneel leefgebied voor vleermuizen en huismussen niet uitgesloten worden. Tevens is de planlocatie mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
+
-
-
-
-
+/-
-
+/-
n
n
n
n
+
+
n
j1
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
560 m
mogelijk
AERIUS 2
Gelders natuurnetwerk
330 m
geen
n.v.t.
Groene ontwikkelingszone
350 m
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
ja
n.v.t. 3
Bomen
ja
ja
n.v.t. 3
j
+/-
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.
grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
1
Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen en huismussen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. 1
13
Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. 3 De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van de bescherming van houtopstanden in het kader van de Wnb. 2
Uitvoerbaarheid Mits gewerkt wordt conform de voorwaardelijke maatregelen en vervolgstappen leiden de werkzaamheden niet tot de aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden of er dient er een ontheffing te worden aangevraagd en dienen passende maatregelen te worden getroffen (aannemelijk zal deze worden verleend). Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
Conclusie De beoogde uitbreiding van landgoed Bloemfonteijn aan de Bommelsestraat ong. en 2a/b te Varik is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het Vleermuisprotocol 2017. Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar (15 mei – 15 juli) en 2 in het najaar (augustus-september) plaats te vinden. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.
Dit kan middels de AERIUS calculator.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
14
• De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.gelderland.maps.arcgis.com www.maps.google.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
15
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur
Blom Ecologie B.V., ing. C J. Blom Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
16
Bijlage 1 Fotografische impressie
17
Figuur 1
Een fotografische impressie van de paardenstal op het woonperceel.
Figuur 2
Een fotografische impressie van de kas op het woonperceel.
18
Figuur 3
Een fotografische impressie van een gedeelte van de schuur op het woonperceel.
Figuur 4
Een fotografische impressie van de hooiopslag op het woonperceel.
19
Figuur 5
Een fotografische impressie van het activiteitencentrum op het woonperceel.
Figuur 6
Een fotografische impressie van de woning op het woonperceel.
20
Figuur 7
Een fotografische impressie van de sloot aan de noordoostzijde van het woonperceel.
Figuur 8
Een fotografische van de paardenweide op het woonperceel.
21
Figuur 9
Een fotografische impressie van de akker.
Figuur 10
Een fotografische impressie van de bodem van de akker.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
22
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
23
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
24