RV2021-086 Bijlage 3 20210506 BP Regelstation Neerijnen_ontwerp_Toelichting.pdf
Tekst van het document
De Gemeente West Betuwe heeft echter aangegeven om uit voorzorg ook na te gaan of er bij nabijgelegen woningen geen jaargemiddelde veldsterkte optreedt hoger dan 0,4 µT (micro tesla). 4.10.2 Beoordeling en conclusie Liander zorgt dat alle installaties die ze in beheer heeft voldoen aan de richtwaarden en dat burgers niet worden blootgesteld aan magnetische velden van meer dan 100 µT. De 100 µT contour ligt gemiddeld genomen direct rond de transformatoren. In een worstcase situatie, uitgaande van continu volle belasting, ligt de jaargemiddelde 0,4 µT contour bij een gemiddeld station ongeveer net buiten de perceelsgrens. In de praktijk is dat zelden het geval. De afstand vanaf het nieuwe regelstation tot de dichtstbijzijnde (bedrijfs)woningen (ruim 75 m) is dusdanig groot dat er geen belemmering is voor de realisatie van het plan.
4.11
Luchtkwaliteit
4.11.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijn stof. Voor de andere in de Wm genoemde stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten.
Bestemmingsplan Regelstation Neerijnen, Ontwerp
24/32
Omgevingsaspecten
In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekenende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. 4.11.2 Betekenis voor het plan Het bestemmingsplan leidt niet tot een toename aan verkeersbewegingen. Het project draagt zodoende niet-in-betekenende-mate bij en er is geen onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.
4.12
Externe veiligheid
4.12.1 Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria, zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij de besluitvorming rondom ruimtelijke plannen de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt. Binnen deze plaatsgebonden risicocontour mogen geen kwetsbare objecten mogelijk worden gemaakt.
Kantoorgebouwen groter dan 1.500 m2 bvo zijn op grond van artikel 1, eerste lid, sub l Bevi een kwetsbaar object. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico, mede bepaald door het aantal personen (dichtheid) binnen het te beschouwen gebied. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. 4.12.2 Betekenis voor het plan Voor het bestemmingsplan is de risicokaart geraadpleegd (www.risicokaart.nl). Een uitsnede is in afbeelding 12 getoond. Er zijn geen risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied. Het bestemmingsplan maakt een regelstation mogelijk. Dit is geen kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Er verblijven geen mensen voor langere duur. Er is geen sprake van een wijziging in het groepsrisico door het bestemmingsplan. Ook is een regelstation geen inrichting met een risicocontour voor de omgeving. Geconcludeerd kan worden dat vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Regelstation Neerijnen, Ontwerp
25/32
Omgevingsaspecten
plangebied
afbeelding 12: uitsnede risicokaart, het plangebied is met een blauwe cirkel aangeduid (bron: www.risicokaart.nl)
4.13
Conventionele explosieven
4.13.1 Kader Als gevolg van gevechtshandelingen in het verleden kunnen conventionele explosieven in het de ondergrond zijn achtergebleven. Wanneer conventionele explosieven (niet gesprongen explosieven (NGE)) uit de Tweede Wereldoorlog bij aanlegwerkzaamheden worden aangetroffen, dan ontstaat mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties (zware explosies) bij de uitvoering van werkzaamheden kunnen in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane vondsten van conventionele explosieven kunnen daarnaast tot extra uitvoeringskosten leiden, hetgeen gevolgen kan hebben voor de financiële uitvoerbaarheid van het plan. 4.13.2 Betekenis voor het plan Voor het plan is een vooronderzoek conventionele explosieven uitgevoerd (Vooronderzoek Conventionele Explosieven, T&A Survey, 24 juli 2020, zie bijlage 8 van de toelichting). Op basis van de beoordeelde feiten van het vooronderzoek is geconcludeerd dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat er conventionele explosieven in het plangebied zijn of kunnen worden aangetroffen. Het plangebied is onverdacht. Voor het bestemmingsplan is geen nader onderzoek noodzakelijk.
4.14
Besluit milieueffectrapportage
Sinds de wijziging van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 zijn er twee vormen van m.e.r.-beoordelingen: 1.) projecten die vallen onder bijlage D van het Besluit m.e.r. en 2.) de vormvrije m.e.r.-beoordeling ook wel vergewisplicht genoemd. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling gelden twee voorwaarden: • het gaat over één of meer activiteiten die voorkomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. • de omvang van al die activiteit(en) ligt onder de drempelwaarde (kolom 2 van de D-lijst). Aanpassen van een regelstation is geen activiteit die is genoemd in de C of D-lijsten van het Besluit m.e.r.. Er is geen (vormvrije) m.e.r. beoordeling voor het plan nodig.
Bestemmingsplan Regelstation Neerijnen, Ontwerp
26/32
Toelichting op de regels
5
Toelichting op de regels
5.1
Algemeen
De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels.
5.2
Nadere toelichting op de regels
De bij dit plan behorende planregels zijn, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012), onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 1 worden in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. In hoofdstuk 2 is de op de verbeelding aangegeven bestemming omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden. Daarbij worden de bebouwingsmogelijkheden vermeld. In hoofdstuk 3 is een aantal algemene regels opgenomen. In hoofdstuk 4 is omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht en bevat tot slot de citeertitel van het plan. 5.2.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan wordt uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Voor zover er geen begrippen zijn gedefinieerd wordt aangesloten bij het normaal spraakgebruik.
Bestemmingsplan Regelstation Neerijnen, Ontwerp
27/32
Toelichting op de regels
Wijze van meten (artikel 2) Dit artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden en gemeten moeten worden. 5.2.2 Bestemmingsregels Bedrijf-Nutsvoorziening (artikel 3) Het bestemmingsplan is op maat gemaakt voor het regelstation en bevat maar één bestemming, de enkelbestemming Bedrijf-Nutsvoorziening. In de bestemming is geregeld dat een transformatorstation mogelijk is van maximaal milieucategorie 3.1. Hiermee is een opgesteld vermogen van maximaal 100 MVA mogelijk gemaakt. De nieuwe bebouwing dient in het bouwvlak gebouwd te worden. Het bouwvlak mag voor 60% worden bebouwd en gebouwen mogen maximaal 6 m hoog zijn. Doordat het bouwvlak iets ruimer is ingetekend, is planologisch ruimte geboden voor eventuele ontwerpwijzigingen van de nieuwbouw wanneer dit in de uitwerking nodig blijkt. Ook is in het plan ruimte geboden aan de toekomstige uitbreiding aan de zuidzijde van de nieuwbouw. Met een functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf -transformatoren' is vastgelegd dat de transformatoren alleen binnen het bouwvlak mogelijk zijn en niet daar buiten. Bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegestaan in het hele plangebied. Er geldt een onderscheid tussen de bouwhoogte voor erf- en terreinafscheidingen (max. 2,5 m), voor bliksemafleiding (max. 8 m) en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde (max. 6 m).
In het artikel is vastgelegd dat binnen twee jaar na afronding van de bouwwerkzaamheden ook de landschapsmaatregelen moeten zijn aangelegd en in stand worden gehouden. Waarde – Archeologie (artikel 4) In het archeologisch onderzoek wordt vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van proefsleuven voordat bodemingrepen kunnen plaatsvinden. Zodoende is een beschermingsregime opgenomen. Er is geen vrijstelling voor een minimumoppervlakte. Bodemingrepen die niet dieper reiken dan 50 cm onder maaiveld zijn wel vrijgesteld. 5.2.3 Algemene regels In dit onderdeel van de regels komen onder andere de flexibiliteitbepalingen en algemene bepalingen aan de orde. Het gaat hierbij onder meer om: Anti-dubbeltelregel (artikel 5) In dit artikel is opgenomen dat grond, welke eenmaal in aanmerking is of moest worden genomen bij het verlenen van een bouwvergunning, waaraan uitvoering is of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van een andere aanvraag buiten beschouwing dient te blijven. Algemene bouwregels (artikel 6) In dit artikel zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van het ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels (artikel 7) Om onduidelijkheden weg te nemen is in dit artikel aangegeven wat valt in ieder geval wordt gezien als strijdig gebruik. Algemene aanduidingsregels (artikel 8) Het plangebied ligt binnen de ‘overige zone – oeverwal-stroomrug’.
Deze gebiedsaanduiding met bijbehorende regeling is uit het geldende plan overgenomen. Algemene afwijkingsregels (artikel 9) De gemeentelijke algemene afwijkingsregels zijn hierin opgenomen. Het gaat om minimale afwijkingen van maatvoering, bouwvlakken, e.d. wanneer dit in de uitvoering nodig blijkt vanwege bijvoorbeeld een meetverschil.
Bestemmingsplan Regelstation Neerijnen, Ontwerp
28/32
Toelichting op de regels
Algemene wijzigingsregels (artikel 10) Mocht uit nader archeologisch onderzoek blijken dat er geen archeologische waarden zijn en het gebied kan worden vrijgegeven, is middels deze wijzigingsbevoegdheid de dubbelbestemming van de gronden weg te halen. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht (artikel 11) Met betrekking tot bouwwerken en het gebruik van grond en bouwwerken wordt in dit artikel ingegaan op het daarop toepasselijke overgangsrecht. Slotregel (artikel 12) Het laatste artikel van de regels betreft de citeertitel van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Regelstation Neerijnen, Ontwerp
29/32
Economische uitvoerbaarheid
6
Economische uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Bij een bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro) in de plantoelichting inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wro de verplichting ontstaan dat bepaalde plankosten op de initiatiefnemer kunnen worden verhaald. Het gaat hierbij om de plankosten en de kosten van ontwikkelingen die gemeente redelijkerwijs moet maken, zoals de aanleg van voorzieningen van openbaar nut. De Wet ruimtelijke ordening stelt verplicht dat de gemeenteraad tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan vaststelt voor kostenverhaal in het geval het bestemmingsplan nieuwe, bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplannen mogelijk maakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om de bouw van één of meer woningen, de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen of de uitbreiding of verbouwing van gebouwen. In de wet is aangegeven welke kosten verhaald kunnen worden. Het vaststellen van een exploitatieplan is niet nodig indien het kostenverhaal anderszins verzekerd is, bijvoorbeeld door gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. Dit bestemmingsplan maakt geen bij algemene maatregel van bestuur (artikel 6.2.1. Bro) aangewezen bouwplannen mogelijk. Het opstellen van een exploitatieplan is dan ook niet noodzakelijk.
De uitvoering van het plan komt voor rekening en risico van Liander. Het garanderen van leveringszekerheid is een wettelijke taak van Liander op grond van de Elektriciteitswet. Nut en noodzaak van het plan is aangetoond met dit bestemmingsplan. Hierdoor kan Liander de investeringskosten doorberekenen in de tarieven voor transport van elektriciteit.
6.2
Planschade
Planschade wordt in beginsel toegekend door het besluitvormend orgaan aan degenen die waardevermindering van onroerend goed ondervinden ten gevolge van het besluit tot afwijken van het bestemmingsplan. De grondslag voor deze planschaderegeling wordt gegeven in artikel 6.1 Wro. In artikel 6.4 onder a Wro is bepaald dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met de initiatiefnemer een overeenkomst te sluiten ten aanzien van planschade. In de tussen de gemeente West Betuwe en Liander te sluiten overeenkomst wordt opgenomen dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Daarmee is het risico op planschade afgedekt voor de gemeente.
6.3
Conclusie
Gezien de overeenkomst tussen de gemeente West Betuwe en de initiatiefnemer ten aanzien van planschade en het ontbreken van verhaalbare kosten voor de gemeente, wordt het plan financieel uitvoerbaar geacht.
Bestemmingsplan Regelstation Neerijnen, Ontwerp
30/32
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Vooroverleg artikel 3.1.1. Bro
Ten behoeve van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is het bestemmingsplan toegezonden aan verschillende overleginstanties (provincie Gelderland, omliggende gemeenten, Waterschap Rivierenland, GGD). De reacties zijn hier onder beschreven en van antwoord voorzien. Op enkele punten is het bestemmingsplan aangevuld. Partij Provincie Gelderland Waterschap Rivierenland
GGD
Vooroverlegreactie Het plan raakt geen provinciale belangen. Graag in de toelichting benoemen dat de nieuwe Omgevingsvisie is vastgesteld. Het waterschap ziet graag aan artikel 3.1.g. nog ‘water’ worden toegevoegd in aanvulling op waterhuishoudkundige voorzieningen.
Beantwoording De tekst in par. 3.2.2 van de toelichting is aangepast.
Ook vraagt het waterschap om duidelijkheid over het gebruik gemaakt wordt van uitlogende materialen en of er sprake is van een aansluiting op de riolering terug.
Er worden geen uitlogende materialen toegepast in het dakoppervlak en de buitengevels. Ook komt er een aansluiting op het riool. Dit is in de toelichting toegevoegd ter verduidelijking.
De benodigde waterberging is gepland in een C-watergang langs de Kaalakkerstraat. Het waterschap ziet compensatie bij voorkeur in B-water, maar omdat deze mogelijkheid hier niet is, is ingestemd met de compensatie in C-water.
Ter kennisgeving aangenomen.
Verder zal in het kader van de vergunningaanvraag de precieze locatie van de watercompensatie moeten worden bepaald. Verzocht wordt om hier mee rekening te houden. Vanuit voorzorg raadt de GGD aan om het wonen en langdurig verblijven binnen een magneetveld sterker dan 0,4 microtesla jaargemiddeld te voorkomen. Omdat de belasting van omliggende woningen lager wordt ingeschat dan 0,4 microtesla jaargemiddeld, ziet de GGD geen bezwaar tegen de realisatie van de voorgestelde ontwikkeling.
De watercompensatie zal in het kader van de vergunningsaanvraag nader worden uitgewerkt.
De GGD adviseert de gemeente om het bestemmingsplan aan te vullen met twee bepalingen met betrekking tot toekomstige ontwikkelingen, namelijk dat bij eventuele toekomstige uitbreiding of wijziging van het regelstation dit niet mag leiden tot een belasting van 0,4 μT en hoger en dat nieuwbouw van gevoelige bestemmingen binnen in een magneetveld sterker dan 0,4 microtesla niet wordt toegestaan.
Dit valt buiten de orde van dit bestemmingsplan. Bij het nu voorliggende plan is geen sprake van gevoelige functies binnen de 0,4 microteslacontour (meer dan 75m afstand). Mocht in de toekomst een ontwikkeling plaatsvinden die niet past in het bestemmingsplan zal
Bestemmingsplan Regelstation Neerijnen, Ontwerp
Artikel 3.1.g. is aangevuld met ‘water’.
Ter kennisgeving aangenomen.
31/32
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
een ruimtelijke procedure nodig zijn. In het kader van die procedure wordt het plan getoetst aan de dan geldende regels op het gebied van de fysieke leefomgeving.
7.2
Zienswijzen
Het ontwerp bestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegen voor een ieder om te reageren. Eventuele zienswijzen worden hier te zijner tijd behandeld.
Bestemmingsplan Regelstation Neerijnen, Ontwerp
32/32
DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl