CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2021-086 Bijlage 2 20210413 BP Regelstation Neerijnen_ontwerp_Bijlagen bij de toelichting.pdf

Gemeenteraad 28 september 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 21: Vaststellen bestemmingsplan “uitbreiding elektriciteitsregelstation Neerijnen”14.165 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

www.SIKB.nl. 2018. Centraal College van Deskundigen Archeologie. Nijdam, R. 2020. Regelstation Neerijnen, Ontwerp Bestemmingsplan. DNS Planvorming bv, Amsterdam, 5 november 2020. www.ruimtelijkeplannen.nl Stiller, D.R. & H. J. van Oort. Handboek Archeologie Regio Rivierenland. Richtlijnen voor bedrijven. Omgevingsdienst Rivierenland. Tiel, 7 november 2018. www.topotijdreis.nl Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts en J. Bazelmans 2018: Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu, Amsterdam (Prometheus).

Lijst van figuren en tabellen Figuren 1 Topografische kaart 2 Plankaart 3 Foto plangebied 4 Hoogtekaart 5 Stroomgordelkaart 6 Archeologische waarden in de omgeving 7 Kadastrale kaart 1811-1832 8 Topografische kaarten 9 Boorpuntenkaart 10 Vondst 11 Advieskaart

Tabellen 1 Administratieve gegevens 2 Beschrijving stroomgordels 3 Archeologische waarden in de omgeving 4 Specificatie archeologische verwachting

Archeologische periodes

paleolithicum: paleolithicum vroeg: paleolithicum midden: paleolithicum laat: paleolithicum laat A: paleolithicum laat B:

ijzertijd: tot 300.000 BP 300.000 - 35.000 BP 35.000 BP - 8.800 vC 35.000 - 18.000 BP 18.000 BP - 8.800 vC

mesolithicum: mesolithicum vroeg: mesolithicum midden: mesolithicum laat:

8.800 - 7.100 vC 7.100 - 6.450 vC 6.450 - 4.900 vC

neolithicum: neolithicum vroeg: neolithicum vroeg A: neolithicum vroeg B: neolithicum midden: neolithicum midden A: neolithicum midden B: neolithicum laat: neolithicum laat A: neolithicum laat B:

5.300 - 4.200 vC 5.300 - 4.900 vC 4.900 - 4.200 vC 4.200 - 2.850 vC 4.200 - 3.400 vC 3.400 - 2.850 vC 2.850 - 2.000 vC 2.850 - 2.450 vC 2.450 - 2.000 vC

bronstijd: bronstijd vroeg: bronstijd midden: bronstijd midden A: bronstijd midden B: bronstijd laat:

2.000 - 1.800 vC 1.800 - 1.100 vC 1.800 - 1.500 vC 1.500 - 1.100 vC 1.100 - 800 vC

pleistoceen: elsterien saalien weichselien holoceen:

2,5 miljoen - 10.000 BP 475.000 - 410.000 BP 200.000 - 130.000 BP 116.000 - 10.000 BP 10.000 - heden

vC nC BP

= = =

voor Christus na Christus before present; present = 1950

ijzertijd vroeg: ijzertijd midden: ijzertijd laat:

800 - 500 vC 500 - 250 vC 250 - 12 vC

romeinse tijd: romeinse tijd vroeg: romeinse tijd vroeg A: romeinse tijd vroeg B: romeinse tijd midden: romeinse tijd midden A: romeinse tijd midden B: romeinse tijd laat: romeinse tijd laat A: romeinse tijd laat B:

12 vC - 70 nC 12 vC - 25 nC 25 - 70 nC 70 - 270 nC 70 - 150 nC 150 - 270 nC 270 - 450 nC 270 - 350 nC 350 - 450 nC

middeleeuwen: middeleeuwen vroeg: middeleeuwen vroeg A: middeleeuwen vroeg B: middeleeuwen vroeg C: middeleeuwen vroeg D: middeleeuwen laat: middeleeuwen laat A: middeleeuwen laat B:

450 - 1.050 nC 450 - 525 nC 525 - 725 nC 725 - 900 nC 900 - 1.050 nC 1.050 - 1.500 nC 1.050 - 1.250 nC 1.250 - 1.500 nC

nieuwe tijd: nieuwe tijd vroeg: nieuwe tijd midden: nieuwe tijd laat:

1.500 - 1.650 nC 1.650 - 1.850 nC 1.850 – heden

Algemeen Steentijd (tot 2000 vC) De steentijd is opgedeeld in het paleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Het paleolithicum (oude steentijd) wordt vooral gekenmerkt door de ijstijden. Na het laatpaleolithicum verbetert het klimaat. Vindplaatsen uit het late paleolithicum zijn vooral te herkennen aan concentraties vondstmateriaal (bewerkt en/of verbrand vuursteen, houtskool) met weinig en moeilijk te herkennen grondsporen zoals kuilen, paalgaten en houtskoolconcentraties die mogelijk wijzen op haardplaatsen. Vondsten uit het mesolithicum of midden steentijd, gekenmerkt door sporen en vondsten van rondtrekkende jagers en verzamelaars, bestaan voornamelijk uit bewerkt vuursteen, verbrande hazelnootdoppen en houtskoolfragmenten. Mesolithische grondsporen zijn vooral oppervlaktehaarden en haardkuilen. In een natte omgeving kunnen ook werktuigen van gewei of hout bewaard zijn gebleven. Voorbeelden hiervan zijn geweibijlen, bogen, visfuiken, etc. In het neolithicum (nieuwe steentijd) werden dieren gehouden en in het neolithicum werd eveneens akkerbouw bedreven. Grondsporen uit deze periode kunnen bestaan uit paalgaten van bijvoorbeeld boerderijen, resten van beschoeiingen, greppels, (afval)kuilen en haardplaatsen. Aardewerk komt in deze tijd voor, evenals bewerkt (vuur)steen en geslepen bijlen.

Metaaltijden (2000-12 vC) In de bronstijd en ijzertijd kwam bemesting en wisselbouw binnen de akkerbouw voor. Sporen uit de bronstijd en ijzertijd kunnen bestaan uit kuilen, paalgaten van boerderijplattegronden, bijgebouwen of spiekers, waterkuilen of -putten, erf- ofakkerafscheidingen en sporen van akkerbewerking zoals de kruiselings getrokken voren van een eergetouw. Houtskool kan duiden op de aanwezigheid van haarden voor voedselbereiding of het bakken van aardewerk. Ook kunnen er restanten gevonden worden die duiden op metaalbewerking, zoals stukken ovenwand, brons- of ijzerslakken, sintels, mallen, smeltkroezen, metaal bedoeld voor omsmelten, etc. Vondsten kunnen verder bestaan uit bijvoorbeeld metalen voorwerpen of voorwerpen van aardewerk zoals vaatwerk, maar ook slingerkogels, rammelaars, spinklosjes en weefgewichten. Romeinse tijd (12 vC-450 nC) In de romeinse tijd vormde de Rijn de noordelijke grens van het romeinse rijk. Langs deze grens, de limes, werden grensposten, nederzettingen en wegen gebouwd. In het noorden van Nederland zijn ook romeinse vondsten gedaan, maar dit zijn voornamelijk losse vondsten als romeinse munten, mantelspelden en scherven romeins aardewerk. Middeleeuwen en nieuwe tijd (450 nC-heden) Na een afname in de bevolkingsdichtheid aan het einde van de romeinse tijd en de periode erna, steeg deze weer in het begin van de middeleeuwen.

Vondsten uit de middeleeuwen en later bestaan voornamelijk uit scherven aardewerk, waaronder importaardewerk, munten en metalen voorwerpen (zoals mantelspelden, spijkers), resten van aardewerkproductie, metaalbewerking, wolbewerking etc. Belangrijke gebouwen (bijvoorbeeld kerken en borgen) werden van baksteen / kloostermoppen gebouwd.

Appendix Neerijnen, Van Pallandtweg 1: Boorstaten (cm)

(cm)

1

2

4

6

5

7

3

8

250

250

200

200

150

150

dikke zandlagen dikke zandlagen

100

50

100

50

0

0

dikke zandlagen

-50

geroerde bovengrond

-50

lichte klei matig zware klei -100

-100

zeer zware klei matig tot sterk humeuze en venige klei -150

-150

Appendix Neerijnen, Van Pallandtweg 1: Laagbeschrijvingen 1 X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 147325 : 427435 : 281

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 50 klei sterk siltig, vergraven, Opm.: Rommelig 50 - 90 klei sterk siltig, 10yr6/3, homogeen, Opm.: Onderin beetje rommelig,Stuk bot op 70 cm 90 - 150 klei zwak siltig, 10yr5/1, matig stevig 150 - 197 klei zwak siltig, 5y4/1, matig slap, Opm.: Gelaagd met dunne zandige niveaus 197 - 218 klei zwak siltig, sterk humeus, 10yr4/1 218 - 230 klei zwak siltig, 5y4/1 230 - 240 klei zwak siltig, sterk humeus, 2,5y3/1 240 - 330 klei zwak siltig, zwak humeus, 2,5y4/1, slap, Opm.: Gelaagd 330 - 350 klei matig siltig, 5y4/1, slap 350 - 370 klei zwak siltig, sterk humeus, 2,5y3/1, Opm.: Gelaagd 370 - 400 klei zwak siltig, 5y4/1 2

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 147310 : 427445 : 282

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 40 klei sterk siltig, zwak grindig, basis scherp, bouwvoor 40 - 70 klei matig siltig, 10yr6/3, basis geleidelijk 70 - 135 klei zwak siltig, 10yr5/2, matig stevig 135 - 170 klei zwak siltig, 5y4/1, matig slap 170 - 180 klei zwak siltig, 5y4/1, matig slap, Opm.: Gelaagd met dunne zandige niveaus 180 - 190 klei zwak siltig, matig humeus, 2,5y3/1 190 - 200 klei zwak siltig, zwak humeus, 2,5y4/1 3

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 147310 : 427465 : 266

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 107 klei sterk siltig, matig grindig, 10yr4/2, basis scherp, vergraven, Opm.: Brokken 107 - 180 klei zwak siltig, 10GY4/1, vergraven, Opm.: Enkele brokken in het pakket 180 - 190 klei zwak siltig, zwak humeus, 2,5y4/1 190 - 250 klei zwak siltig, 5y5/1, slap 250 - 300 klei sterk siltig, 5y5/1, slap, Opm.: Dikke zandlagen 4

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 147325 : 427455 : 279

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 40 klei sterk siltig, 10yr5/2, vergraven 40 - 80 klei sterk siltig, 10yr6/3, homogeen 80 - 130 klei zwak siltig, 10yr5/1, matig stevig 130 - 200 klei zwak siltig, 5y4/1, matig slap 200 - 215 klei zwak siltig, zwak humeus, 2,5y4/1, slap 215 - 235 klei zwak siltig, sterk humeus, 10yr3/1, matig slap 1/3

Appendix Neerijnen, Van Pallandtweg 1: Laagbeschrijvingen Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 235 - 245 klei zwak siltig, zwak humeus, 2,5y4/1, slap 245 - 257 klei zwak siltig, matig humeus, 10yr4/1, matig slap 257 - 370 klei zwak siltig, zwak humeus, 2,5y4/1, slap, Opm.: Gelaagd 370 - 410 klei zwak siltig, matig humeus, 10yr4/1, slap, Opm.: Gelaagd 410 - 462 klei zwak siltig, 5y5/1, slap, Opm.: Gelaagd 462 - 475 klei zwak siltig, matig humeus, 10yr4/1, slap, Opm.: Gelaagd 475 - 550 klei zwak siltig, 5y4/1, slap, Opm.: Gelaagd 550 - 600 klei matig siltig, 5y4/1, slap, Opm.: Gelaagd,Dikke lagen zand en organisch bezinksel 5

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 147340 : 427465 : 275

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 40 klei sterk siltig, 10yr5/2, bouwvoor 40 - 60 klei sterk siltig, 10yr6/3 60 - 145 klei zwak siltig, 10yr5/1, matig stevig 145 - 200 klei matig siltig, 5y5/1, matig slap, Opm.: Dikke zandlagen, strak gelaagd 6

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 147325 : 427475 : 276

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 60 klei sterk siltig, 10yr5/2, bouwvoor 60 - 190 klei zwak siltig, 2,5y5/1, Opm.: Enkele uiterst dunne zandlaagjes aan basis 190 - 203 klei zwak siltig, zwak humeus, 2,5y3/1 203 - 210 klei zwak siltig, matig humeus 210 - 220 klei zwak siltig, sterk humeus 220 - 227 klei zwak siltig, matig humeus 227 - 240 klei zwak siltig, zwak humeus 240 - 245 klei zwak siltig, sterk humeus 245 - 258 klei zwak siltig, matig humeus, matig slap 258 - 282 klei zwak siltig, zwak humeus 282 - 295 klei zwak siltig, sterk humeus, Opm.: Sterk gelaagd 295 - 305 klei zwak siltig, zwak humeus 305 - 355 klei zwak siltig 355 - 380 klei zwak siltig, matig humeus, Opm.: Houtresten 380 - 385 klei zwak siltig, zwak humeus 385 - 400 klei zwak siltig 7

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 147325 : 427495 : 267

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 35 klei sterk siltig, 10yr5/2, bouwvoor 35 - 65 klei sterk siltig, 10yr6/3, homogeen 65 - 130 klei zwak siltig, 10yr5/1, matig stevig 130 - 195 klei zwak siltig, 5y5/1, matig slap, basis geleidelijk 195 - 205 klei zwak siltig, matig humeus 205 - 212 veen sterk kleiig, 10yr2/2 212 - 218 klei zwak siltig, sterk humeus 218 - 243 klei zwak siltig, matig humeus 2/3

Appendix Neerijnen, Van Pallandtweg 1: Laagbeschrijvingen Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 243 - 253 klei zwak siltig, sterk humeus 253 - 260 klei zwak siltig, matig humeus 260 - 283 klei zwak siltig, zwak humeus 283 - 295 klei zwak siltig, matig humeus, matig slap, Opm.: Gelaagd 295 - 350 klei zwak siltig 350 - 370 klei zwak siltig, matig humeus 370 - 400 klei zwak siltig 8

X-coordinaat (m) Y-coordinaat (m) Maaiveld (cm)

: 147340 : 427485 : 275

Diepte (cm)

Omschrijving Grondsoort 0 - 50 klei sterk siltig, 10yr4/2, bouwvoor, Opm.: Rommelig 50 - 65 klei sterk siltig, 10yr6/3 65 - 125 klei zwak siltig, 10yr5/1 125 - 175 klei matig siltig, 5y5/1, slap, Opm.: Dikke zandlagen, strakke gelaagheid met bovenin iets homogener 175 - 210 klei zwak siltig, 5y4/1 210 - 255 klei zwak siltig, sterk humeus, slap 255 - 280 klei zwak siltig, 5y4/1 280 - 287 klei zwak siltig, Opm.: Venige lagen 287 - 300 klei zwak siltig, 5y4/1

3/3

86

Bijlage 3 Bodemonderzoek

"Regelstation Neerijnen" (ontwerp)

Historisch en verkennend bodemonderzoek Regelstation Neerijnen te Neerijnen Definitief

Historisch en verkennend bodemonderzoek Regelstation Neerijnen te Neerijnen Definitief

In opdracht van: Qirion B.V. Locatiecode: 2NA8120 Opgesteld door: Pim de Boer Projectnummer: M20B0167 Documentnaam: m20b0167.r01 Datum: 22 juli 2020

2001 + 2002 + 2018

Postadres Postbus 270 2600 AG DELFT T 015 7511600

Versie

Vrijgegeven door

m20b0167.r01

Rik Pijnenburg

Bezoekadres Poortweg 4 2612 PA DELFT www.stantec.com/nl

Paraaf

Datum 22 juli 2020

KVK Haaglanden 27 18 43 23 BNP Paribas 22 76 53 920 IBAN NL75BNPA0227653920 BIC BNPANL2A Stantec BV is ISO 9001:2015, 14001:2015 en VCA* gecertificeerd

Het is niet toegestaan de inhoud en/of vorm van door Stantec opgestelde rapportages aan te passen.

Inhoudsopgave 1.0 Inleiding 1.1 Doel van het onderzoek 1.2 Referentiekader 1.3 Betrouwbaarheid

1 1 1 2

2.0 Vooronderzoek 2.1 Beschrijving van de locatie 2.2 Historische gegevens 2.3 Voorgaande onderzoeken 2.4 Regionale bodemopbouw en geohydrologie 2.5 Locatie-inspectie 2.6 Hypothese en onderzoeksstrategie

3 3 5 8 10 10 11

3.0 Veldwerk en chemische analyses 3.1 Kwaliteit 3.2 Algemene onderzoeksstrategie en werkwijze 3.3 Resultaten veldwerk 3.4 Analysestrategie 3.5 Chemische analyses

12 12 13 14 15 16

4.0 Bespreking onderzoeksresultaten 4.1 Toetsing analyseresultaten 4.2 Bespreking analyseresultaten wet bodembescherming 4.3 Bespreking resultaten Besluit bodemkwaliteit 4.4 Resultaten grondwater (lozingsparameters)

17 17 18 19 19

5.0 Conclusies en aanbevelingen

21

Bronvermeldingen

24

Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3.1: Bijlage 3.2: Bijlage 3.3: Bijlage 3.4: Bijlage 4.1: Bijlage 4.2: Bijlage 5: Bijlage 6: Bijlage 7:

Overzichtskaart (1:25.000) Situatietekening (1:500) Verklarende woordenlijst Toetsing analyseresultaten grond conform Wbb (inclusief normtabel) Toetsing analyseresultaten grondwater conform Wbb (inclusief normtabel) Indicatieve toetsing analyseresultaten grond aan het Bbk (inclusief normtabel) Boorbeschrijvingen inclusief legenda Kwaliteitsborging veldwerk Analysecertificaten en gaschromatogrammen Foto’s onderzoekslocatie Inrichtingstekeningen bestaand en uitbreiding onderstation

Stantec | m20b0167.r01.docx

1.0

INLEIDING

Op 19 juni 2020 is door Qirion B.V. aan Stantec B.V. opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een historisch en verkennend bodemonderzoek ter plaatse van Regelstation Neerijnen op en nabij Van Pallandtweg 1 te Neerijnen (bijlagen 1 en 2). De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door de geplande uitbreiding van het bestaande transformatorstation en de aanleg van een nieuw kabelen leidingtracé.

1.1

DOEL VAN HET ONDERZOEK

Het doel van dit onderzoek is: • Inzicht verkrijgen in hoeverre het voormalige, dan wel het huidige gebruik van de onderhavige locatie en haar omgeving heeft geleid tot verontreiniging van de bodem en te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen ingreep. • Het komen tot een plan voor eventueel vervolgonderzoek en/of sanerende maatregelen. • Het vaststellen van de nulsituatie en daarmee het verkrijgen van een toetsingsgrondslag met het oog op mogelijke toekomstige bodemverontreiniging voortvloeiend uit bedrijfsactiviteiten (Wm of Activiteitenbesluit). • Bepalen van de kwaliteit en hergebruikmogelijkheden van de te ontgraven grond. • Het bepalen van de veiligheidsklassen conform de CROW 400.

1.2

REFERENTIEKADER

De onderzoeksstrategie is afgeleid van de NEN 5740 (bron 1). In overeenstemming met deze norm is voorafgaand aan het veldonderzoek een vooronderzoek uitgevoerd gebaseerd op de NEN 5725 (bron 2). Het verkennend onderzoek bestond uit vooronderzoek, veldonderzoek, chemische analyses, toetsing en interpretatie. In het geval van onderzoek naar asbest in bodem is gebruik gemaakt van NEN 5707 (bron 3). De analyseresultaten voor grond en grondwater zijn getoetst aan de normering zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 (bron 8) en de Regeling bodemkwaliteit (bron 9). De in het laboratorium gemeten gehalten zijn omgerekend naar standaard bodem op basis van de gemeten lutum- en organische stofpercentages. In dit rapport wordt de volgende terminologie voor grond gehanteerd: • Kleiner of gelijk aan de achtergrondwaarde (AW) of detectiegrens: geen sprake van een verhoogd gehalte; niet verontreinigd. • Groter dan AW kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (T): licht verhoogd gehalte; licht verontreinigd. Voor de tussenwaarde (T) geldt de volgende berekening: (achtergrondwaarde + interventiewaarde)/2. • Groter dan T, kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (I): matig verhoogd gehalte; matig verontreinigd. • Groter dan I: sterk verhoogd gehalte; sterk verontreinigd. Stantec | m20b0167.r01.docx 1

De terminologie voor grondwater is als volgt: • Kleiner of gelijk aan de streefwaarde (S) of detectiegrens: geen sprake van een verhoogde concentratie; niet verontreinigd. • Groter dan de streefwaarde (S), kleiner dan of gelijk aan de tussenwaarde (T): licht verhoogde concentratie; licht verontreinigd. Voor de tussenwaarde (T) geldt de volgende berekening: (streefwaarde + interventiewaarde)/2. • Groter dan T, kleiner dan of gelijk aan de interventiewaarde (I): matig verhoogde concentratie; matig verontreinigd. • Groter dan I: sterk verhoogde concentratie; sterk verontreinigd. In deze rapportage is, afhankelijk van de gemeten asbestconcentraties, gebruik gemaakt van de volgende terminologie voor grond: • geen asbest aangetoond (concentratie beneden of gelijk aan de bepalingsgrens): niet verhoogd; • concentratie boven de bepalingsgrens en beneden of gelijk aan de interventiewaarde: licht verhoogd; • concentratie boven de interventiewaarde: sterk verhoogd. De betekenis van de streef-, achtergrond-, tussen- en interventiewaarde is opgenomen in de verklarende woordenlijst (bijlage 3.1).

1.3

BETROUWBAARHEID

Dit onderzoek is op een zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de huidige richtlijnen en methoden op het gebied van bodemonderzoek. Aan de hand van de uit de bronnen verzamelde informatie is een onderzoeksstrategie afgeleid, waarvan het aannemelijk wordt geacht dat deze representatief is voor de locatie. Er wordt op gewezen dat de geraadpleegde bronnen mogelijk onvolledig zijn of dat niet alle bronnen zijn geraadpleegd, doordat ze niet voorhanden waren. Hierdoor kan informatie ontbreken. Voor elk bodemonderzoek geldt dat het is gebaseerd op een beperkt aantal monsterpunten en analyses. De hiervoor voorgeschreven onderzoeksstrategie geeft een goed beeld van de algemene bodemkwaliteit. Tevens wordt opgemerkt dat een bodemonderzoek een momentopname is. De resultaten van het onderzoek kunnen minder representatief worden naarmate de tijd verstrijkt. Indien na het onderzoek op of nabij de locatie (bodembedreigende) activiteiten of calamiteiten plaatsvinden en/of in de omgeving (mobiele) verontreinigingen aanwezig zijn, kan de bodemkwaliteit hierdoor worden beïnvloed.

Stantec | m20b0167.r01.docx 2

2.0

VOORONDERZOEK

In dit hoofdstuk worden de resultaten van het vooronderzoek besproken. Dit resulteert in een hypothese over de mogelijke verontreinigingssituatie op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (bron 2).

2.1

BESCHRIJVING VAN DE LOCATIE

De regionale ligging van de onderzoekslocatie is zichtbaar in bijlage 1. Een situatietekening is weergegeven in bijlage 2 De onderzoekslocatie bestaat uit drie deellocaties, in onderstaande tabel worden de gegevens toegelicht: Tabel 1 Gegevens onderzoekslocatie Deellocatie 1: geplande nieuwbouw transformatorstation Oppervlakte ± 0,23 ha onderzoekslocatie Huidig gebruik Agrarisch Kadastrale gegevens Gemeente Waardenburg, sectie D, nummer 1034 Gemeente Waardenburg, sectie Y, nummer 482 Deellocatie 2: uitbreiding bestaand regelstation Oppervlakte ± 0,14 ha onderzoekslocatie Huidig gebruik Nutsvoorzieningen Kadastrale gegevens Gemeente Waardenburg, sectie D, nummer 1431 Deellocatie 3: nieuw kabeltracé Lengte onderzoekslocatie ± 0,27ha Huidig gebruik Agrarisch Kadastrale gegevens Gemeente Waardenburg, sectie D, nummer 1034 Gemeente Waardenburg, sectie D, nummer 1033 Gemeente Waardenburg, sectie D, nummer 1032

Stantec | m20b0167.r01.docx 3

De onderzoekslocaties zijn weergegeven in onderstaande luchtfoto’s. Het bestaande regelstation (deellocatie 2) is met groen omrand. De geplande nieuwbouwlocatie (deellocatie 1) is met een rode rand aangegeven. Het geplande kabel- en leidingtracé (deellocatie 3) is weergegeven in oranje op de tweede luchtfoto.

Figuur 1: Onderzoeksgebieden

Stantec | m20b0167.r01.docx 4

2.2

HISTORISCHE GEGEVENS

Voor het historisch onderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • gegevens opdrachtgever; • interview terreinbeheerder; • historisch kaartmateriaal; • archieven Hinderwet en Wet milieubeheer; • bouwarchief; • bodemarchief; • bodemkwaliteitskaart; • luchtfoto’s; • tankarchief.

Gegevens opdrachtgever Door de opdrachtgever zijn inrichtingstekeningen aangeleverd van de huidige en toekomstige situatie van deellocatie 1 en 2 (voor huidige situatie zie bijlage 7). Ter plaatse van het bestaande regelstation is een schakelhuis aanwezig met aangrenzend een regeltransformator. In dit schakelhuis bevindt zich een 10kV installatie. De geplande uitbreiding (deellocatie 2) bevindt zich aan de westelijke zijde van het schakelhuis en heeft een oppervlakte van circa 20 m2. Zover bekend worden er geen bodembelastende activiteiten gerealiseerd ter plaatse van de uitbreiding. De locatie is gedeeltelijk verhard met klinkers. Ter plaatse van de uitbreiding van het onderstation (deellocatie 1) heeft vooralsnog een agrarische functie (weiland) en is onverhard. Dit geldt tevens voor het geplande kabeltracé (deellocatie 3).

Interview terreinbeheerder Uit een telefonisch interview met de huidige beheerder van het bestaande regelstation (deellocatie 1) blijkt dat de inrichting sinds de bouw in 1986 niet is gewijzigd. Naast de huidige regeltransformator zijn geen andere transformatoren aanwezig geweest in en rondom het pand. De trafo bevindt zich in een betonnen bak waarin tevens een put aanwezig is. De put wordt na visuele controle leeg gepompt en geloosd op het riool. De pomp wordt handmatig gestart. Er zijn geen boven- en/of ondergrondse brandstoftanks aanwezig (geweest). Zover bekend zijn er geen olie-gekoelde leidingen of oliedrukkabels aanwezig. Eventuele oude kabels of leidingen zijn ontkoppeld, geleegd en schoongemaakt voordat deze zijn afgesloten. Er zijn geen lekkages of calamiteiten bekend. In het verleden is er geen PCB-houdende olie gebruikt in de transformator. Er zijn geen halfverhardingen bekend ter plaatse van het onderstation, enkel de klinkerverharding.

Stantec | m20b0167.r01.docx 5

Historisch kaartmateriaal/luchtfoto’s Uit historisch kaartmateriaal (bron 14) blijkt dat de onderzoekslocatie zich in de Betuwe bevindt, ten noorden van de Waal, omringd door (voormalige) fruitgaarden. Zover bekend heeft er ter plaatse van de onderzoekslocatie geen fruitteelt plaatsgevonden. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat de onderzoekslocatie vanaf de jaren ’50 is ontwikkeld als elektrisch onderstation. Het onderstation is inmiddels deels buiten gebruik en heeft deels een horeca- en evenementenfunctie. De Zwaluwestraat, aangrenzend aan de onderzoekslocatie is medio 1965 omgelegd waarmee de huidige ligging is gerealiseerd (zie figuur 2). Het perceel van de geplande uitbreiding (deellocatie 1) en het kabeltracé (deellocatie 3) hebben in het verleden altijd een agrarische functie gehad en zijn zover bekend nooit bebouwd geweest. Het agrarisch perceel was in het verleden mogelijk gedeeltelijk verhard door de voormalige Zwaluwestraat. Uit de beschikbare informatie blijkt niet dat er sprake is van gedempte sloten. Ligging Regelstation Neerijnen 1964

Ligging Regelstation Neerijnen 1970

Figuur 2 Historisch kaartmateriaal RS Neerijnen

Er wordt rekening gehouden met het lokale bodembeleid van gemeente West-Betuwe en Omgevingsdienst Rivierenland. Zover bekend heeft er ter plaatse van de onderzoekslocatie geen fruitteelt plaatsgevonden, derhalve is het niet noodzakelijk onderzoek te doen naar de aanwezigheid van organochloorbestrijdingsmiddelen. Vooralsnog is er uitgegaan van een onverdachte locatie.

Hinderwet en Wet milieubeheer In het Hinderwet- en Wet milieubeheerarchief van het Regionaal Archief Rivierenland zijn geen documenten aanwezig over deellocatie 2 met betrekking tot het schakelhuis. Er zijn enkel relatief recente (2010-2013) stukken aanwezig met betrekking tot het stroomhuis op het aangrenzende perceel ten zuidwesten van de onderzoekslocatie.

Stantec | m20b0167.r01.docx 6

Bodemarchief Uit het bodemarchief van de gemeente blijkt dat ter plaatse van het bestaande onderstation (deellocatie 2) in het verleden bodemonderzoek is uitgevoerd. In paragraaf 2.3 zijn globaal de betreffende onderzoeksresultaten weergegeven. Ter plaatse van de andere twee deellocaties heeft niet eerder bodemonderzoek plaatsgevonden.

Bodemkwaliteitskaart Volgens de bodemkwaliteitskaart van de gemeente (bron 11) bevindt de locatie zich in zone Rivierenland Buitengebied BG en Rivierenland Buitengebied OG. Dit betekent dat in de bovengrond (0-0,5 m-mv) licht verhoogde gehalten cadmium, kobalt, kwik, zink en PCB kunnen worden verwacht en tevens een licht tot matig verhoogd gehalte nikkel. In de ondergrond kunnen licht tot matig verhoogde gehalten kobalt, nikkel en PCB worden verwacht. De te ontgraven grond valt op basis van de bodemkwaliteitskaart in de klasse “industrie”.

Bouwarchief Het bouwarchief is geraadpleegd bij het Regionaal Archief Rivierenland. Hierin stonden enkel bouwtechnische gegevens en geen inrichtingstekeningen met potentieel bodembelastende activiteiten met betrekking tot het bestaande regelstation (deellocatie 2). Mogelijk zijn er in het verleden asbesthoudende schotjes geplaatst tussen de kabels en leidingen. Uit de beschikbare stukken kan niet worden achterhaald of de desbetreffende kabel- en leidingtracés zijn verwijderd of verplaatst. Er wordt aangenomen dat de eventueel aanwezige asbestschotjes nog op dezelfde plaats aanwezig zijn.

PFAS Er zijn geen bronnen voor een PFAS verontreiniging bekend. Verwacht wordt dat maximaal licht verhoogde gehalten aanwezig zijn als gevolg van atmosferische depositie.

Asbest Op basis van de bekende gegevens uit het vooronderzoek kan verder de locatie als onverdacht voor asbest worden aangemerkt.

Calamiteiten Bij de opdrachtgever en de Omgevingsdienst zijn gegevens bekend over eventuele calamiteiten met bodembelastende stoffen ter plaatse van het voormalige bedieningsgebouw ten oosten van de huidige onderzoekslocatie (zie figuur 2). De hierbij horende stukken zijn toegelicht in paragraaf 2.3. Ter plaatse van de drie huidige deellocaties zijn geen calamiteiten bekend.

Stantec | m20b0167.r01.docx 7

2.3

VOORGAANDE ONDERZOEKEN

In het verleden is ten oosten van het bestaande transformatorstation (deellocatie 2) bodemonderzoek uitgevoerd (GE030400075, Indicatief milieukundig bodemonderzoek Onderstation Neerijnen, Fugro Geotechniek B.V., F-7444, d.d. 22 oktober 1990). De aanleiding voor het onderzoek werd gevormd door eigendomsoverdracht van het perceel en gedeeltelijke sloop van het onderstation. Het onderzoek vond niet plaats op het perceel van het onderhavige regelstation (deellocatie 2) maar op het aangrenzende perceel, ten zuiden van het bedieningsgebouw ter plaatse van de voormalige transformatoren (zie figuur 3). Uit het vooronderzoek blijkt dat bij de buiten gebruik gestelde trafo’s de oliedrukkabels zijn losgeknipt waardoor er mogelijk sprake is van een lekkage met minerale olie. In de grond zijn geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater is sprake van een matig verhoogde concentraties zink en licht verhoogde concentraties cadmium, lood en molybdeen. Er zijn tevens verhoogde concentraties tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en trichlooretheen aangetoond. Plaatselijk is in het grondwater (filterstelling 2,0-3,0 m-mv) een sterk verhoogde concentratie 1,1 Dichloor etheen en een matig verhoogde concentratie 1,1,1 Trichloor ethaan aangetoond. Er zijn tevens verhoogde concentraties minerale olie aangetoond. De daadwerkelijke analyseresultaten ontbreken.

Gezien de leeftijd van het rapport worden verhoogde gehalten getoetst aan de zogenaamde A, B en C waarden. De daadwerkelijke meetwaarden worden niet genoemd in het certificaat. Hierdoor is het niet mogelijk de gehalten te toetsen aan de huidige grenswaarden. In de grond zijn geen bodemvreemde bijmengingen waargenomen. Naar aanleiding van het indicatief onderzoek is er een aanvullend onderzoek uitgevoerd (GE030400075, Fugro Geotechniek B.V., F-7444/001, d.d. 19 februari 1991). Uit dit onderzoek blijkt dat er plaatselijk een sterk verhoogd gehalte minerale olie in de grond en sterk verhoogde concentratie in het grondwater is aangetoond nabij de meest oostelijke trafo, op circa 25 meter afstand van deellocatie 2. Plaatselijk zijn licht verhoogde concentraties vluchtige aromaten aangetoond in het grondwater. In meerdere peilbuizen zijn matig tot sterk verhoogde concentraties vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen aangetoond, deze zijn mogelijk te relateren aan het gebruik van ontvettingsmiddelen in de werkplaats. Ter plaatse van enkele boringen is bijmenging met puin en kolenresten waargenomen. Naar aanleiding van de aangetroffen verontreinigingen heeft aanvullend onderzoek plaatsgevonden voorafgaand een eventuele sanering (GE030400075, Fugro Geotechniek B.V., F-7444/002, d.d. 24 maart 1992).

Boring B27 is ter plaatse van deellocatie 2 uitgevoerd, nabij de regeltransformator, en boring HB11 ten noordwesten, op de huidige onderzoekslocatie. Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een sterke verontreiniging met vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen. In meerdere peilbuizen (waaronder HB11) zijn licht verhoogde concentraties VOCl aangetoond (getoetst aan hedendaagse normen). Tevens is in de ondergrond (1,4-1,45 m-mv) van boring B27 een licht verhoogd gehalte tetrachlooretheen aangetoond. In een diepere bodemlaag (1,7-1,75 m-mv) is geen sprake van verhoogde gehalten. In figuur 3 is het verontreinigingscontour met VOCl weergegeven ten opzichte van het huidige schakelhuis (deellocatie 2) en de (voormalige) trafo’s. De verontreiniging met VOCl hangt samen met het gebruik van ontvettingsmiddelen ter plaatse van de werkplaats in het bedieningsgebouw en de transformatoren. Ter plaatse van de meest oostelijke te slopen transformator, ten zuiden van het bedieningsgebouw is de grond sterk verontreinigd met minerale olie. Ter plaatse van boringen HB11 en B27 zijn geen verhoogde gehalten minerale olie aangetoond. De olieverontreiniging is niet van invloed op de huidige onderzoekslocatie. Stantec | m20b0167.r01.docx 8

Figuur 3: Grondwaterverontreinigingscontour met VOCl en deellocatie 2 (met rood aangegeven) (Fugro Geotechniek B.V., F7444/002, d.d. 24 maart 1992)

Vanwege de hierboven beschreven verontreinigingen heeft er een bodemsanering plaatsgevonden (GE030400075, Fugro Geotechniek B.V., F-7444/0013, d.d. 15 februari 1994). Ter plaatse van de ten oosten gelegen trafo (zie figuur 3) is de met olie verontreinigde grond afgegraven en afgevoerd. Tijdens de ontgraving is een gedempte sloot aangetroffen, het dempingsmateriaal bestaande uit koolas en sintels is afgevoerd met de verontreinigde grond. De gedempte sloot loopt in oostelijke richting en wordt niet ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie verwacht. De ontgraving heeft plaatsgevonden tot circa 1,6 m-mv. Uit controlebemonstering van de putwanden blijkt er enkel aan de noordzijde een restverontreiniging te zijn achtergebleven met licht verhoogde gehalten minerale olie en PAK. Ten behoeve van de grondwaterverontreiniging met VOCl zijn onttrekkingsdrains aangelegd, het onttrokken grondwater is voorafgaand aan lozing gezuiverd. Ter beëindiging van de grondwatersanering heeft er een eindbemonstering plaatsgevonden (GE030400075, Fugro Geotechniek B.V., D-1160-090, d.d. 21 oktober 1994). Uit de analyseresultaten van de bemonsterde peilbuizen blijkt dat er bij enkele peilbuizen nog licht verhoogde concentraties VOCl voorkomen, echter in veel lagere concentraties dan voorafgaand aan de sanering. De sanering wordt als geslaagd gezien en kon worden beëindigd.

Naast de grondwaterbemonstering is tevens het sintelhoudende dempingsmateriaal onderzocht op de aanwezigheid van zware metalen. Het monster van de oostelijke putwand is nog matig verontreinigd met koper en licht verontreinigd met kwik en lood. De westelijke putwand, nabij deellocatie 2 is schoon. De restverontreiniging heeft geen invloed op de huidige onderzoekslocatie.

Stantec | m20b0167.r01.docx 9

Naar aanleiding van de uitgevoerde sanering heeft het bevoegd in een beschikking ingestemd met de uitgevoerde werkzaamheden (GE030400075, provincie Gelderland, P&O-A&M/JAM, d.d. 2 augustus 1995). De sanering wordt als succesvol gezien en kan worden beëindigd. Het wordt als niet kosteneffectief gezien de nog aanwezige lichte grondwaterverontreiniging met VOCl verder actief te saneren. Ter plaatse van de het bestaande regelstation (deellocatie 2) is in 2019 een bodemonderzoek uitgevoerd naar aanleiding van geplande werkzaamheden aan kabels (Stantec B.V., M19B0014_219200, 19 september 2019). Hierbij is in de bovengrond (0-0,5 m-mv) een licht verhoogd gehalte PAK aangetoond. In de ondergrond (0,8-1,4 m-mv) zijn licht verhoogde gehalten nikkel, zink en minerale olie aangetoond. Het grondwater is niet aangetroffen binnen de maximale boordiepte (1,4 m-mv). Er is plaatselijk zintuiglijk bijmenging met baksteen waargenomen in de bovengrond. Zowel de grond als het grondwater is onderzocht op de aanwezigheid van VOCl’s. Er zijn geen verhoogde gehalten of concentraties aangetoond.

2.4

REGIONALE BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE

Op regionale schaal is de bodem opgebouwd uit een afwisseling van watervoerende lagen (zand, grind) en waterremmende lagen (klei, leem, veen). De deklaag bestaat uit Holocene afzettingen (formatie van Echteld) en bestaat tot ongeveer 9,5 m-mv uit klei. Het hierin aanwezige grondwater vormt het freatische grondwaterpakket. Diepere lagen betreffen Pleistocene afzettingen. Zandlagen hierbinnen vormen het 1e en diepere watervoerende pakketten. De stijghoogte in het 1e watervoerend pakket wordt medebepaald door de waterstand in de Waal. Regionaal gezien stroomt het diepere grondwater in het 1e watervoerend pakket in noordwestelijke richting. De regionale stromingsrichting van het freatisch grondwater is onbepaald en afhankelijk van lokale omstandigheden. Afhankelijk van het stijghoogte verschil in het freatisch en 1e watervoerende pakket is er sprake van een infiltratiesituatie, dan wel een kwelsituatie.

2.5

LOCATIE-INSPECTIE

Voorafgaand aan het veldwerk is er door de veldwerkers een locatie inspectie. Er zijn geen afwijkende zaken geconstateerd. Hierbij zijn geen afwijkende zaken naar voren gekomen. Daarnaast is de onderzoekslocatie in beeld gebracht door het bestuderen van beeldmateriaal op internet en actuele foto’s van de onderzoekslocatie, aangeleverd door de opdrachtgever (zie bijlage 4).

Stantec | m20b0167.r01.docx 10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/329/documents/7968