CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2021-085 Bijlage 3 bp Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 28 september 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 12: Vaststellen bestemmingsplan “Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht”13.788 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.9.2 Watertoets Pouderoyen Compagnons heeft een digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets (zie bijlage 10 bij de toelichting) wordt vervolgoverleg met het waterschap Rivierenland niet noodzakelijk geacht. Veiligheid In het plangebied is geen kern en beschermingszone van een waterkering gelegen. Grondwater (algemeen) Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseren wij om hier nader onderzoek naar te doen. Bij hoge rivierwaterstanden kunnen gebieden gelegen nabij de rivieren overlast ondervinden van kwel. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen. Waterberging Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang.

Zo wordt het verlies van berging in de bodem gecompenseerd. Het waterschap hecht groot belang aan het zoveel mogelijk instandhouden van en compenseren in open water als onderdeel van het watersysteem. Voor plannen met een toename van verharding is compenserende waterberging nodig. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht. Bij oppervlaktes groter dan 500 m2 in het stedelijk gebied kan eventueel de vrijgestelde oppervlaktes in mindering worden gebracht. De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

31

aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m³ per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m³ bij bui T=100+10%, mits er geen complicerende zaken als kwel aan de orde zijn. De maximaal toelaatbare peilstijging bij bui T=10+10% bedraagt 0,30 meter in het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Bij een bui T=100+10% mag geen inundatie optreden. De maatgevende afvoer is 1,5 l/s/ha. In stedelijk gebied kan de waterberging eventueel ook worden geregeld via een waterbergingsbank (indien beschikbaar). Plannen met een toename van het verhard oppervlak in stedelijk gebied tot 1.500 m2 komen hiervoor in aanmerking. Voorkeursvolgorde aanleg watercompensatie Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergen-afvoeren. In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde: Hemelwater vasthouden door hergebruik of infiltratie Hemelwater bergen in open water (of droogvallende watergang) Hemelwater bergen in kunstmatige bergingsvoorzieningen (wadi, bassins, kratten, kelders). Watergangen Binnen het plangebied ligt geen A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen beschermingszone van een A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang.

Waterkwaliteit (algemeen) Hieronder volgen een aantal algemene aandachtpunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: Bij de herstructurering van bestaande woonwijken of herbouw van woningen is er de kans om het rioolsysteem zodanig aan te passen dat hemelwater wordt afgekoppeld. Het uitgangspunt is dat er minimaal tot aan de erfgrens een gescheiden stelsel wordt aangelegd. Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage. Riolering en zuiveringswerken Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap.

Vervolgtraject Op grond van de digitale watertoets procedure adviseert waterschap Rivierenland positief over het plan, onder de voorwaarde dat er voldoende rekening wordt gehouden met bovengenoemde aandachtspunten (indien van toepassing). Het ruimtelijk plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer toegestuurd te worden aan Waterschap Rivierenland.

32

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

4.9.3 Gevolg planvoornemen Het planvoornemen voorziet in een herontwikkeling aan de Laan van Crayestein - Rodenburgstraat waarbij 16 kwalitatief verslechterde woningen worden gesloopt en 19 nieuwe, duurzame woningen worden gebouwd. In de huidige situatie is het plangebied grotendeels verhard ten gevolge van woningen, bijgebouwen, parkeer- en verkeervoorzieningen en overige erfverhardingen. In de nieuwe situatie zal het verhard oppervlak binnen het plangebied dan ook gelijk blijven dan wel in zeer geringe mate toenemen. Gezien het feit dat de toename aan verharding ten gevolge van het planvoornemen minder dan 500 m2 bedraagt, geldt conform het beleid van Waterschap Rivierenland een vrijstelling voor compenserende waterberging. Conform het beleid zoals geformuleerd in het gemeentelijk Water- en Rioleringsplan dient de geringe toename aan verharding binnen het plangebied wel gecompenseeerd te worden. Hiertoe worden bij nadere planuitwerking de volgende uitgangspunten gehanteerd: Afvalwater en hemelwater worden afzonderlijk van elkaar ingezameld, getransporteerd en verwerkt. Dit draagt ook bij aan een efficiëntere behandeling van het “echte” afvalwater; Iedere perceeleigenaar is zich bewust van de eigen (wettelijke) verantwoordelijkheid voor het verwerken van het hemelwater dat op het eigen terrein valt.

De taakverdeling tussen particulieren, bedrijven en overheid is voor iedereen duidelijk en wordt door iedereen gedragen; Om wateroverlast zoveel als mogelijk te voorkomen, mogen de achtertuinen bij de woningen voor maximaal 50% worden verhard. Hiermee blijft voldoende ruimte beschikbaar voor hemelwater om te infiltreren in de bodem; Bij het gebruik en de inrichting van de openbare en private ruimte wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. Hoewel hinder en overlast in de toekomst wellicht vaker moeten worden geaccepteerd, is schade geminimaliseerd; In alle gevallen worden integrale oplossingen toegepast, waarbij de verschillende functies / bestemmingen geen belemmering vormen voor elkaar. Gelet op vorenstaande worden ten aanzien van het aspect 'water' geen belemmeringen voor het planvoornemen verwacht.

4.10

Natuur

Bij elk ruimtelijk plan moet, met het oog op beschermenswaardige natuurwaarden, rekening worden gehouden met de regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming. Dit wordt geregeld in de Wet natuurbescherming die op 1 januari 2017 in werking is getreden. Het natuurbeschermingsrecht is verder te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. 4.10.1 Soortbescherming De voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden hebben mogelijk negatieve effecten op de onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Om goed voorbereid te zijn op een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag van de Wet natuurbescherming is er door Viridis een onderzoek uitgevoerd (projectnr. 2020-046, d.d. 19 augustus 2020) naar het voorkomen van gebouwbewonende beschermde soorten. Het onderzoek heeft zich met name gericht op de verblijfplaatsen van vleermuizen en de jaarrond beschermde nestplaatsen van huismus en gierzwaluw.

Het onderzoek is als Bijlage 6 bij onderhavige toelichting bijgevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat er in de woningen twee zomerverblijven van gewone dwergvleermuis en één

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

33

paarverblijf van ruige dwergvleermuis aanwezig zijn. Bij uitvoering van de voorgenomen sloop- en bouwwerkzaamheden worden mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (artikel 3.5) overtreden, omdat de verblijfplaatsen van vleermuizen verloren zullen gaan. Om deze reden is het noodzakelijk om mitigerende maatregelen uit te voeren. Door het nemen van de juiste mitigerende maatregelen worden mogelijk optredende negatieve effecten op beschermde soorten voorkomen dan wel verminderd. Voor twee woningblokken geldt dat enkel algemene mitigerende maatregelen in het kader van de algemene zorgplicht uitgevoerd moeten worden. Voor twee andere woonblokken zijn aanvullende mitigerende maatregelen wel noodzakelijk. Omdat negatieve effecten, ondanks het nemen van mitigerende maatregelen, niet in alle gevallen geheel te voorkomen zijn door de aard van de werkzaamheden, is het aanvragen van een ontheffing van de voorgenoemde wet noodzakelijk. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de onderzoeksresultaten per woningblok en de noodzakelijke vervolgstappen (ontheffingsaanvraag).

Vastgestelde beschermde soorten per woonblok

Op 8 september 2020 is door Viridis, namens KleurrijkWonen, een ontheffingsaanvraag ingediend. Op 29 april 2021 is een positief (ontwerp) besluit genomen voor de aangevraagde ontheffing Wet natuurbescherming (zie Bijlage 7). Zodra het besluit definitief is en aan de voorschriften als opgenomen in het besluit wordt voldaan, leidt het planvoornemen ten aanzien van soortenbescherming niet tot overtredingen van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

4.10.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming, die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als ontwikkelingen (mogelijk) leiden tot aantasting van natuurwaarden binnen een Natura 2000-gebied, moet een vergunning worden aangevraagd. Gedeputeerde staten van de provincie zijn het bevoegd gezag voor verlening van deze vergunning. Indien eerst een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een activiteit waarvoor tevens een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is vereist, dan haakt de natuurtoets aan bij de omgevingsvergunning. Verder moet rekening worden gehouden met het beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De regels met betrekking tot het NNN zijn opgenomen in de provinciale verordening. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. De dichtsbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn op grote afstand van het plangebied gelegen, namelijk Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’, ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ en 'Kolland en Overlangbroek'. Deze gebieden zijn op respectievelijk 6,3 km, 9 km en 13,3 km van het plangebied gelegen.

Negatieve effecten voor licht, geluid en trillingen ten gevolge van de sloop, realisatie en in gebruik name van de woningen, zijn gezien de ruimte

34

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

afstand, op deze Natura 2000-gebieden uit te sluiten.

Stikstof Negatieve effecten ten aanzien van stikstof zijn op voorhand niet uit te sluiten. Om deze reden is door Pouderoyen Tonnaer een onderzoek naar stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Uit het onderzoek blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Vervolgonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Negatieve effecten ten gevolge van stikstof op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen op basis van het voorgaande worden uitgesloten, waardoor een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming niet vereist.

4.11

Externe veiligheid

Het rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichting), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens. Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid van degenen die niet bij de risicovolle activiteit zelf zijn betrokken, maar als gevolg van die activiteit wel risico's kunnen lopen, zoals omwonenden. 4.11.1 Externe veiligheidsbeleid De gemeente West Betuwe wil haar burgers een veilige leefomgeving bieden. Om die verantwoordelijkheid in te vullen is de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld (2019). In de visie is het externe veiligheidsbeleid van de gemeente opgenomen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan inrichtingen en andere risicobronnen die een risico vormen voor personen in de omgeving. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden.

Door Windmill Milieu en Management is een inventarisatie uitgevoerd van de externe veiligheidsrisico's in relatie tot de voorgenomen planontwikkeling (Zie Bijlage 11 bij de toelichting). Hieruit volgen onderstaande onderzoeksresultaten.

Transport over het water en de weg Het plangebied ligt niet binnen een invloedsgebied van een waterweg of een weg waarover structureel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen over het water en de weg vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.

Transport over het spoor Het plangebied is niet gelegen binnen een PR 10-6-risicocontour of een plasbrandaandachtsgebied van de nabijgelegen spoorweg waarover structureel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied bevindt zich binnen een afstand van 200 meter van de spoorlijn Lunetten – Geldermalsen (route 71), waardoor de hoogte van het groepsrisico middels een RBM II-berekening kwantitatief inzichtelijk gemaakt moet worden. Tevens dient een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden aangezien het plangebied binnen het invloedsgebied (toxisch en BLEVE scenario) van voornoemde spoorweg ligt.

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

35

Door Windmill Milieu en Management is een onderzoek (incl. RBM II-berekening) uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico's van het transport van gevaarlijke stoffen over het spoor Lunetten - Geldermalsen (route 71). Het onderzoek (d.d. 20 februari 2020) is als Bijlage 12 bij onderhavige toelichting toegevoegd. Op basis van het onderzoek worden de volgende conclusies getrokken: Plaatsgebonden risico: conform Bijlage II Tabel Basisnet spoor blijkt dat voor het spoortraject Lunetten – Geldermalsen geen plaatsgebonden 10-6-risicocontour aanwezig is, ter hoogte van het plangebied. Ook een PAG is niet aanwezig. Geconcludeerd kan worden dat het plaatsgebonden risico alsmede het PAG ten gevolge van het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, geen belemmering voor de planvorming. Groepsrisico: Aangetoond is dat ter hoogte van het plangebied in de huidige situatie de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden en zelfs lager is dan 0,1 maal de oriënterende waarde. Als gevolg van de planontwikkeling neemt de personendichtheid binnen het plangebied toe. De gewijzigde populatieaantallen resulteren niet in een rekenkundige toename van de hoogte van het groepsrisico.

Gelet op het feit dat de toename van de hoogte van het groepsrisico ongewijzigd is, kan ingevolge artikel 7 en 8 van het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) volstaan worden met een beperkte verantwoording van de hoogte van het groepsrisico. Buisleidingen Het plangebied ligt niet binnen de 1% letaliteitsafstand van buisleidingen. De risico's als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen belemmering voor de planontwikkeling. Een verantwoordingsplicht is niet aan de orde.

Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR10-6-risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico's als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Een verantwoordingsplicht is derhalve niet aan de orde. 4.11.2 Beperkte verantwoording groepsrisico Op basis van voornoemde quickscan is een beperkte verantwoording groepsrisico uitgewerkt. Hierin zijn elementen aangedragen die de gemeenteraad kan gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de verantwoording van het groepsrisico.

Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie zelfstandig in veiligheid kunnen brengen.

Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de

36

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Aangezien het plan de nieuwbouw van woningen omvat, wordt hier al vanuit de bouwregelgeving hoge eisen gesteld aan de luchtdichtheid. Eventueel aanwezige luchtbehandelingsinstallaties moeten met één handeling zijn uit te schakelen. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. Bestrijdbaarheid Beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard.

Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden. Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Uit bovengenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant.

Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron.

Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerder genoemde scenario). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Volgens de Wet veiligheidsregio’s draagt het bestuur van de

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

37

Veiligheidsregio er zorg voor dat de noodzakelijke informatie wordt verschaft ter voorkoming en bestrijding of beheersing van een ramp. De Veiligheidsregio adviseert de gemeenten.

Gevolg planvoornemen Op basis van de quickscan externe veiligheid en het onderzoek externe veiligheid spoor worden geen belemmeringen ten aanzien van het planvoornemen verwacht. De gemeente West-Betuwe dient in het kader van de ruimtelijke procedure advies in te winnen bij de Veiligheidsregio op basis van bovenstaande en de beperkte verantwoording van het groepsrisico. De gemeente dient hierbij een standpunt in te nemen aangaande de verantwoording van het groepsrisico. Dit zal gedurende de bestemmingsplanprocedure verder invulling krijgen en meegenomen worden bij het bestuursbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

4.12

Kabels en leidingen

Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen die vanuit planologisch opzicht van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling.

4.13

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de wet- en regelgeving en dat er met het planvoornemen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

38

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische regeling

Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door voor de gronden bestemmingen aan te wijzen. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

5.2

Uitgangspunten

5.2.1 Wettelijk kader Het wettelijk kader wordt sinds 1 juli 2008 gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan dient te voldoen aan de als bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Dit betekent dat bestemmingsplannen kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan.

5.2.2 Planonderdelen Onderhavig bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden opgenomen en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de analoge verbeelding heeft geen juridische betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. Bij eventuele verschillen tussen de digitale en analoge verbeelding is de digitale verbeelding juridisch bindend. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de gebruiks- en bouwmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan zijn opgebouwd conform de door het SVBP2012 voorgeschreven systematiek en gebaseerd op de regels uit het vigerend bestemmingsplan ('Geconsolideerde versie Kern Tricht 2013').

De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en ten slotte de overgangs- en slotregels.

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

39

5.3

Toelichting op de planregels

5.3.1 Inleidende regels In de begripsbepalingen worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze zijn opgenomen om onduidelijkheid door interpretatieverschillen te voorkomen. Er zijn alleen begripsbepalingen opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Een gedeelte van de begrippen is omschreven in het SVBP en dient letterlijk daaruit te worden overgenomen. Deze begrippen en de voorgeschreven omschrijvingen zijn overgenomen. Ook over de bepaling van afstanden, hoogtes en oppervlaktes kunnen interpretatieverschillen ontstaan. Om op een eenduidige manier afstanden, hoogtes en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de wijze van meten worden in de SVBP2012 regels gegeven, welke in het plan letterlijk zijn overgenomen.

5.3.2 Bestemmingsregels Per bestemming, die op de verbeelding wordt gebruikt, worden gebruiks- en bouwregels opgenomen. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid; Niet alle onderdelen komen bij elke bestemming voor. Van de meest gebruikte onderdelen volgt hieronder een korte toelichting.

Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies genoemd. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.

Bouwregels In de bouwregels is bepaald welke bouwwerken mogen worden opgericht, waarbij in ieder geval een onderscheid wordt gemaakt tussen de regeling van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen. Voorts bevatten de bouwregels, voor zover van toepassing, minimale en maximale maatvoeringen voor de diverse bouwwerken zoals goothoogtes,

40

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

bouwhoogtes, oppervlaktes en dakhellingen.

Afwijken van de bouwregels Door het opnemen van afwijkingsbevoegdheden wordt flexibiliteit in bestemmingsregels gecreëerd door mogelijkheden te bieden om in beperkte mate af te wijken van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze bevoegdheden zijn niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking is aangegeven waarvan een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bouwregels wordt verleend, de maximale afwijking die met de omgevingsvergunning kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder een omgevingsvergunning wordt verleend. Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 van de regels (zijnde algemene regels).

Specifieke gebruiksregels Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is artikel 7.10 Wet ruimtelijke ordening vervallen. In dit artikel was het verbod opgenomen om gronden te gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. Derhalve moeten in de specifieke gebruiksregels bepaalde functies concreet worden genoemd als zijnde verboden gebruik. Ook het laten gebruiken moet specifiek worden genoemd.

Afwijken van de gebruiksregels Door middel van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel kan worden afgeweken van de gebruiksregels ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via het afwijken geen 'nieuwe' functies kunnen worden toegestaan. Het afwijken van de gebruiksregels dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of een afzonderlijke bestemmingsplanherziening.

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen gebouwen zijnde, of werkzaamheden Met een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden kunnen specifieke inrichtingsactiviteiten aan een werk of werkzaamheid worden verbonden. Onder deze inrichtingsactiviteiten valt niet het bouwen en het gebruiken. Een vergunningenstelsel wordt opgenomen om extra bescherming aan een specifieke waarde van de bestemming te bieden, zoals landschappelijke of natuurlijke waarden, ecologische waarden of de groen- en/of waterstructuur. Een vergunningenstelsel kan in specifieke en bijzondere situaties worden opgenomen in verband met bijvoorbeeld het verwijderen van waardevolle boombeplanting.

5.4

Toelichting op bestemmingen

Hierna zijn de binnen het plangebied gelegen bestemmingen afzonderlijk opgenomen.

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

41

5.4.1 Bestemming Verkeer - Verblijfsgebied Binnen de bestemming “Verkeer – Verblijfsgebied” vallen de wegen, de openbare verblijfsruimten met het hierbij behorende groen en de overige verkeersdoeleinden waaronder de parkeervoorzieningen. Tevens zijn de gronden bestemd voor groenvoorziening en beplanting, water, openbare nutsvoorzieningen en straatmeubilair, waaronder in ieder geval afvalcontainers. Ter plaatse van de aanduiding "groen" zijn de gronden uitsluitend bestemd voor (openbare) groenvoorzieningen, water, paden en in- en uitritten, straatmeubilair en speelvoorzieningen. 5.4.2 Bestemming Wonen Ten behoeve van de woningen is de bestemming 'Wonen' opgenomen. De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, water en openbare nutsvoorzieningen, één en ander met bijbehorende voorzieningen. In het kader van de waterbergingsopgave geldt dat de achtertuinen bij de woningen voor maximaal 50% mogen worden verhard. Tevens wordt bij de woonbestemming een aan huis gebonden beroep of bedrijf onder voorwaarden toegestaan. 5.4.3 Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 1 en 2 De dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie 1” en "Waarde - Archeologie 2" gelden voor de gronden waar ingevolge het gemeentelijke erfgoedbeleid een hoge verwachting geldt voor het aantreffen van archeologische waarden.

Het is verboden bodemverstorende ingrepen uit te voeren die een gebied beslaan groter dan 100 m2 en dieper dan 0,3 cm beneden maaiveld ("Waarde - Archeologie 1") of bodemverstorende ingrepen uit te voeren die een gebied beslaan groter dan 500 m2 en dieper dan 0,3 cm beneden maaiveld ("Waarde Archeologie 2") zonder een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld.

42

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Naast het toetsen aan diverse milieu- en veiligheidsaspecten, dient het bestemmingsplan ook getoetst te worden aan de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het planvoornemen.

6.1

Financiële uitvoerbaarheid

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij de bouw van één of meerdere woningen als bouwplan wordt gedefinieerd. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. Hiervoor wordt een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente gesloten. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd in deze overeenkomst. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan wordt, conform artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening, gedurende zes weken ter inzage gelegd. Tijdens de periode van ter inzage legging kunnen bewoners, bedrijven, dorps- en stadsraden en andere geïnteresseerden of belanghebbenden reageren op het plan. In dezelfde periode is ook overleg gevoerd met andere overheden over het plan. De resultaten van de ter inzage legging kunnen leiden tot aanpassingen, verbeteringen of wijzigingen van het plan.

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

43

44

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

Hoofdstuk 7 7.1

Procedure

Overleg en inspraak

Ingevolge artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dienen burgemeester en wethouders overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die dienste van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In verband hiermee wordt het ontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan verschillende instanties. Omwonenden zijn voorafgaand aan de procedure persoonlijk over het initiatief geïnformeerd. Om die reden is er geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

7.2

Procedure

Het ontwerpbestemmingsplan ligt op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage. Gedurende deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om zijn/haar zienswijze kenbaar te maken. In totaal zijn er PM zienswijzen ingediend. Eventueel ingediende zienswijzen worden in de “Nota van zienswijzen” samengevat en voorzien van een beantwoording. Tevens is aangegeven of de zienswijzen aanleiding hebben gegeven tot aanpassingen in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is in de raadsvergadering van datum [PM DATUM] [PM ongewijzigd/gewijzigd] vastgesteld.

bestemmingsplan Bestemmingsplan Rodenburgstraat & Laan van Crayestein Tricht

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/329/documents/7962