RV2021-043 Bijlage 4 NIRP20200139 Ecologisch onderzoek marterachtigen Boutensteinseweg te Enspijk.pdf
Tekst van het document
Ecologisch onderzoek marterachtigen Boutensteinseweg Enspijk
Ecologisch onderzoek marterachtigen Boutensteinseweg Enspijk
In opdracht van
BRO
Contactpersoon Telefoon E-mail
Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel Dhr. W. de Ruiter +31 (0)411 850 400 wim.de.ruiter@bro.nl
Datum Rapportagenummer Hoofdkantoor
Opsteller Telefoon E-mail Paraaf Kwaliteitscontrole Paraaf
13 juli 2020 NIRP20200139 NatuurInclusief Korenbree 23A 7271 LH Borculo 0545-723032 info@natuurinclusief.nl www.natuurinclusief.nl David Brouwer 0545-723032 davidbrouwer@natuurinclusief.nl
Josine de Jongh
NatuurInclusief is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van NatuurInclusief; opdrachtgever vrijwaart NatuurInclusief voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar worden gemaakt d.m.v. fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en NatuurInclusief, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoud Samenvatting .................................................................................................................... 4 Inleiding ..................................................................................................................... 5 1.1
Leeswijzer .............................................................................................................. 5
Onderzoekslocatie ......................................................................................................... 6 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie...................................................................................... 6
2.2
Geplande ingreep ..................................................................................................... 7
Onderzoeksmethode....................................................................................................... 9 3.1
Onderzoek marterachtigen........................................................................................... 9
3.1.1
Boommarter ..................................................................................................... 9
3.1.2
Kleine marterachtigen ......................................................................................... 9
Resultaten ................................................................................................................. 12 4.1
Marterachtigen ....................................................................................................... 12
4.1.1
Cameravallen ................................................................................................... 12
4.1.2
Mostela’s ........................................................................................................ 13
4.1.3
Sporenbuizen ................................................................................................... 13
4.1.4
Aanvullende informatie ....................................................................................... 13
Conclusie + aanbeveling ................................................................................................. 14 Literatuur .................................................................................................................. 15
7.1.1
Verbodsbepalingen ............................................................................................ 16
7.1.2
Bescherming van soorten ..................................................................................... 16
7.1.3
Zorgplicht ....................................................................................................... 17
7.1.4
Natuurnetwerk Nederland .................................................................................... 17
7.1.5
Natura 2000-gebieden ......................................................................................... 18
7.1.6
Bosopstanden ................................................................................................... 18
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
Bijlage 1 Wetgeving ...................................................................................................... 16
3
Samenvatting Men is voornemens om het terrein van de voormalige slipschool aan de Boutensteinseweg te Enspijk her in te richten. Het bestemmingsplan creëert de mogelijkheid voor het bedrijf Kemp Schalkwijk BV. om hier het bedrijf naartoe te verplaatsen. Enkele bomen worden gekapt en er worden twee loodsen gerealiseerd. In het kader van de Wet natuurbescherming heeft BRO NatuurInclusief ingeschakeld om ecologisch onderzoek uit te voeren naar marterachtigen. In de periode april-juni 2020 is het plangebied onderzocht op aanwezigheid van beschermde marterachtigen. Gedurende 7 weken is in het plangebied onderzoek uitgevoerd naar boommarter, bunzing, hermelijn en wezel met behulp van cameravallen, Mostela’s en sporenbuizen. Gedurende het onderzoek is bunzing aangetroffen. Boommarter, wezel en hermelijn zijn niet aangetroffen en kunnen worden uitgesloten. De geplande werkzaamheden resulteren mogelijk in het vernietigen van vaste rust- en verblijfplaatsen van bunzing, wat een overtreding is van de Wet natuurbescherming. Het aanvragen van een ontheffing bij de Provincie Gelderland is dus noodzakelijk. Daarnaast wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
een ecologisch werkprotocol te laten opstellen waarin onder andere de zorgplicht nader is uitgewerkt.
NatuurInclusief
4
Inleiding Men is voornemens om het terrein van de voormalige slipschool aan de Boutensteinseweg te Enspijk her in te richten. Het bestemmingsplan creëert de mogelijkheid voor het bedrijf Kemp Schalkwijk BV. om hier het bedrijf naartoe te verplaatsen. Enkele bomen worden gekapt en er worden twee loodsen gerealiseerd. De Wet natuurbescherming (Wnb) verplicht vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen aanwezige beschermde plant- of diersoorten en groei- of verblijfplaats aantasten. BRO heeft in mei 2019 een quickscan uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat aanvullende onderzoeken naar boommarter, wezel, hermelijn en bunzing noodzakelijk zijn. Deze marterachtigen zijn in Nederland nationaal beschermd door de Wet natuurbescherming (art. 3.10 Wnb). Hieruit volgend heeft NatuurInclusief opdracht gekregen om onderzoek uit te voeren naar deze marterachtigen. In de periode april-juni 2020 is aanvullend ecologisch onderzoek naar marterachtigen uitgevoerd. Voorliggende rapportage betreft een overzicht met de resultaten van het ecologische onderzoek en een aanbeveling voor vervolgstappen.
1.1
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt omschreven hoe de onderzoekslocatie eruitziet, hoe deze momenteel gebruikt wordt en wat de eigenaar van plan is in het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bespreekt de onderzoeksmethodiek. Hoofdstuk
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
4 geeft de resultaten weer en in hoofdstuk 5 wordt afgesloten met de conclusie en aanbevelingen.
NatuurInclusief
5
Onderzoekslocatie 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie
Het plangebied is gelegen aan de Boutensteinseweg te Enspijk, gemeente West Betuwe in de provincie Gelderland. Het plangebied bestaat momenteel uit een voormalige slipschool. Het terrein bestaat voor een groot gedeelte uit asfalt dat wordt omringd door een strook bos. Ook staan er nog enkele gebouwen waaronder een romneyloods en een blokhut (antikraakwoning). Ten oosten van het plangebied ligt een strook weiland en het plangebied wordt grotendeels omringd door een sloot. Het terrein is circa 7,5 hectare groot. Het middelpunt van het plangebied bevat de coördinaten N 51.871335 E 5.198423. In Figuur 1 is de onderzoekslocatie op een
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
topografische kaart weergegeven. Figuur 2 geeft een sfeerimpressie van het plangebied weer.
Figuur 1 Begrenzing onderzoekslocatie
NatuurInclusief
6
2.2
Geplande ingreep
Enkele bomen worden gekapt en er worden twee loodsen gerealiseerd. De gebouwen op het terrein worden gesloopt. Daarnaast wordt bos gerealiseerd in het oosten van het plangebied. De sloot ten oosten van het plangebied blijft behouden. Zie Figuur 3 voor de toekomstige situatie van het plangebied.
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
Figuur 2 Impressie plangebied
7
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
Figuur 3: Toekomstige situatie plangebied en geplande ingrepen (Bron: BRO)
NatuurInclusief
8
Onderzoeksmethode 3.1
Onderzoek marterachtigen
Het onderzoek naar marterachtigen heeft plaatsgevonden in de periode april-juni 2020 en heeft 7 weken geduurd omdat het onderzoek in de optimale periode voor marterachtigen valt. Alle onderzoeksmaterialen zijn op 29 april 2020 geplaatst en op 17 juni 2020 weer verwijderd. 3.1.1
Boommarter
Onderzoek naar boommarter heeft plaatsgevonden door op strategische locaties binnen het plangebied wildcamera’s te plaatsen (zie volgende paragraaf). Uit onderzoek is gebleken dat boommarter effectief en efficiënt kan worden aangetoond met cameravallen (La Haye et al., 2015). Door gebruik te maken van jigglers met daarin een lokstof wordt de kans vergroot dat als de soort aanwezig is deze ook daadwerkelijk wordt aangetoond. 3.1.2
Kleine marterachtigen
Het leefgebied van kleine marterachtigen hangt zeer sterk samen met de aanwezigheid van voldoende prooidieren en dekking. Over het algemeen hebben ze voorkeur voor kleinschalige, structuurrijke, extensief beheerde, agrarische cultuurlandschappen met voldoende verbindende lijnvormige landschapselementen, dekking en de aanwezigheid van verblijfplaatsen en prooidieren. Het aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen richt zich op de aanwezigheid van kleine marterachtigen zoals wezel, hermelijn en bunzing inen rondom het onderzoeksgebied. Wanneer deze soorten aanwezig zijn moet er van uit gegaan worden dat het leefgebied de volgende functies vervult:
Foerageergebied met voldoende dekking;
Verbindingen met leefgebieden;
Rust- en voortplantingsplaatsen.
Uit de quickscan is naar voren gekomen dat meerdere soorten marters niet uit te sluiten zijn, dus is gebruikt gemaakt van een combinatie van onderzoeksmethoden. De methodiek van het inventariseren is uitgevoerd methodes gebruikt; wildcamera’s (met een jiggler met kattenvoer en lokstof), Mostela’s en sporenbuizen, zie Figuur 4. De volgende materialen zijn ingezet:
5 cameravallen, 4 Mostela, 28 sporenbuizen.
Figuur 4 Onderzoeksmaterialen v.l.n.r.: sporenbuis, Mostela en cameraval
Tussentijds, om de twee weken, zijn driemaal de camera’s uitgelezen en de sporenbuizen gecontroleerd op sporen. Zie Tabel 1 en Figuur 5 voor de specificaties en locaties van de onderzoeksmaterialen.
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
conform de ‘Handreiking Kleine Marterachtigen Noord-Brabant’ van de Provincie Noord-Brabant. Er zijn 3
9
Coördinaten
Cameraval
CV06
51.870359, 5.197880
Cameraval Cameraval
CV05 CV03
51.872677, 5.197486 51.872637, 5.198387
Cameraval
CV08
51.872286, 5.198838
Cameraval Mostela
CV07 MO12
51.870213, 5.199589 51.870189, 5.197861
Mostela
MO5
51.872503, 5.197672
Mostela Mostela
MO10 MO3
51.872255, 5.198442 51.871985, 5.198834
Sporenbuis
38
51.870011, 5.197979
Sporenbuis Sporenbuis
13 34
51.870182, 5.197756 51.870271, 5.198067
Sporenbuis Sporenbuis
44 11
51.870304, 5.197930 51.870456, 5.197554
Sporenbuis
9
51.870673, 5.197457
Sporenbuis Sporenbuis
14 8
51.870975, 5.197365 51.871314, 5.197328
Sporenbuis
10
51.871528, 5.197337
Sporenbuis Sporenbuis
01 3
51.871973, 5.197379 51.872228, 5.197410
Sporenbuis Sporenbuis
2 02
51.872451, 5.197522 51.872517, 5.197706
Sporenbuis
4
51.872538, 5.197902
Sporenbuis Sporenbuis
5 12
51.872502, 5.198072 51.872465, 5.198232
Sporenbuis
22
51.872261, 5.198469
Sporenbuis Sporenbuis
05 33
51.872093, 5.198581 51.871932, 5.198850
Sporenbuis
15
51.871830, 5.198887
Sporenbuis Sporenbuis
36 18
51.871530, 5.198898 51.871299, 5.198924
Sporenbuis Sporenbuis
20 47
51.871048, 5.199001 51.870776, 5.199095
Sporenbuis
51
51.870445, 5.199223
Sporenbuis Sporenbuis
31 45
51.869893, 5.199281 51.869856, 5.199119
Sporenbuis
42
51.869772, 5.198901
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
Tabel 1 Specificaties onderzoeksmaterialen in het onderzoeksgebied Type Code/Nummer
NatuurInclusief
10
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
Figuur 5 Locaties van de geplaatste onderzoeksmaterialen: 5 cameravallen, 4 Mostela’s en 28 sporenbuizen
NatuurInclusief
11
Resultaten 4.1
Marterachtigen
Alle onderzoekseenheden zijn driemaal gecontroleerd: op 20 mei 2020, 3 juni 2020 en 17 juni 2020. Gedurende de onderzoeksperiode is bunzing aangetroffen. Boommarter, hermelijn en wezel zijn niet aangetroffen en kunnen worden uitgesloten. Bij enkele cameravallen en Mostela’s dienden de batterijen van de wildcamera’s gedurende het onderzoek vervangen te worden. Bij het vervangen van de batterijen van de wildcamera wordt de datum gereset. Deze zijn niet opnieuw ingesteld, sommige datums weergegeven in Figuur 6, 7 en 8 zijn dus niet correct. 4.1.1
Cameravallen
Op de cameravallen is tijdens de eerste controle op 20 mei bunzing aangetroffen op CV05 (N 51.872677 E 5.197486) en CV08 (N 51.872286 E 5.198838), zie Figuur 6. Het marteronderzoek betreft een steekproef en is bedoeld om aan- en afwezigheid van marterachtigen aan te tonen. Het plangebied bevat zeer veel mogelijkheden voor verblijfplaatsen van bunzing (bijvoorbeeld takkenhopen, zie Figuur 7). Om deze redenen kunnen vaste rusten verblijfplaatsen van deze soort niet worden uitgesloten en dient te worden aangenomen dat deze aanwezig zijn binnen het plangebied. Tevens kan het plangebied dienen als foerageergebied voor bunzing. Er wordt verwacht dat vooral de randen van het plangebied, aan weerszijden van de strook bos, het meest aantrekkelijk zijn. Overige soorten die zijn waargenomen op de wildcamera’s zijn: zanglijster, merel, buizerd, fazant, gaai, kip,
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
roodborst, koolmees, houtduif, vink, huiskat, hond, egel, bruine rat, haas en bosmuis, zie Figuur 7.
Figuur 6 Bunzing bij de jiggler met kattenvoer voor wildcamera CV05 en CV08
Figuur 7 Bruine rat (links) en gaai (rechts) voor wildcamera CV05 en CV07
NatuurInclusief
12
4.1.2
Mostela’s
In de Mostela’s zijn geen kleine marterachtigen aangetroffen. Volgens recent onderzoek is gebruik van Mostela’s een zeer betrouwbare methode voor het aantonen van aanwezigheid van kleine marterachtigen (Mos & Hofmeester, 2020). Omdat wezel en hermelijn gedurende het onderzoek niet zijn aangetroffen kunnen deze soorten worden uitgesloten. De overige soort die is waargenomen in de Mostela’s is een ongedetermineerde woelmuissoort (zie Figuur 8).
Figuur 8 In Mostela 10 is een woelmuis waargenomen
4.1.3
Sporenbuizen
In de sporenbuizen zijn geen sporen van kleine marterachtigen aangetroffen. Alleen prenten en
Figuur 9 Voetprenten en vraatsporen van een bosmuis in sporenbuis 09
4.1.4
Aanvullende informatie
Tijdens de controle op 3 juni en 17 juni is geconstateerd dat sporenbuizen 02, 36, 18 en 20 waren verdwenen. Buis 36, 18 en 20 zijn zeer waarschijnlijk verdwenen onder een stort van brandhout. Buis 02 lag noordelijk en is om onbekende redenen niet meer teruggevonden. Deze sporenbuizen zijn niet vervangen. Omdat er gedurende het onderzoek op zowel andere sporenbuizen als in de Mostela’s geen enkele sporen van kleine marters zijn aangetroffen, kan worden aangenomen dat de onderzoeksinspanning nog steeds ruim voldoende is.
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
uitwerpselen van bosmuis, woelmuizen en bruine rat werden aangetroffen (zie figuur 9).
13
Conclusie + aanbeveling Gedurende het aanvullend onderzoek naar marterachtigen is bunzing in het onderzoeksgebied aangetroffen. Er zijn aanwijzingen die duiden op aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van bunzing binnen het plangebied. Tevens kan het plangebied dienen als foerageergebied voor bunzing. Boommarter, wezel en hermelijn zijn niet aangetroffen en kunnen worden uitgesloten. Door de geplande werkzaamheden worden mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van bunzing beschadigd. Dit betekent een overtreding van artikel 3.10 lid 1.b van de Wet natuurbescherming. Het aanvragen van een ontheffing bij de Provincie Gelderland voor bunzing is dus noodzakelijk. Daarnaast wordt geadviseerd om voorafgaand aan de werkzaamheden een ecologisch werkprotocol te laten opstellen waarin onder andere de
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
zorgplicht nader is uitgewerkt.
NatuurInclusief
14
Literatuur
Bouwens, S. (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant, ’s-Hertogenbosch. BRO. (2019). Quickscan flora en fauna ‘Slipterrein Boutensteinseweg’ te Enspijk Broekhuizen, S., Spoelstra, K et.al. 2016. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Naturalis Biodiversity Center, Leiden. EIS Kenniscentrum. Insecten en andere ongewervelden, Leiden. La Haye, M., V. Dijkstra & H. Hollander, 2015. Meetnetontwerp bunzing, boommarter en eikelmuis. Ten behoeve van NEM-Zoogdieren. Rapport 2015.28. Bureau van de Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken, 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3. Mos, J., Hofmeester, T.R. (2020). The Mostela: an adjusted camera trapping device as a promising noninvasive tool to study and monitor small mustelids. Mamm Res. Netwerk Groene Bureaus (2017). Soorteninventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. [pdf-document]. Versie juli 2017 Westra, S.A & Kuiters, R.S.M. (2018). Beheerwijzer landschappelijke maatregelen voor kleine marterachtigen. Versie 1 maart 2018.
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
NatuurInclusief
15
Bijlage 1 Wetgeving Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De bevoegdheid ligt bij de provincies. Zij zijn verantwoordelijk voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten bij bijvoorbeeld Natura 2000-gebieden
(de
gebiedsbeschermingsbepalingen)
en
dier-
en
plantensoorten
(de
soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid blijft het Rijk bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming is onder te verdelen in 3 onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van bosopstanden. 7.1.1
Verbodsbepalingen
Er zijn verschillende verbodsbepalingen van toepassing op dit soortenmanagementplan. In de Wet natuurbescherming zijn deze onderverdeeld in Verbodsbepalingen voor soorten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en overige soorten. De verbodsbepalingen zijn als volgt omschreven: 7.1.2
Bescherming van soorten
Er zijn 3 categorieën met betrekking tot de soortbescherming; Soorten beschermd volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en overige soorten. De beschermde status van de overige soorten verschilt per provincie. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Vogelrichtlijn Hieronder vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Handelingen die de volgens de wet verboden zijn: ▪
Artikel 3.1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen;
▪
Artikel 3.1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen,
▪
Artikel 3.1 lid 4 en lid 5: het is verboden vogels opzettelijk te verstoren, tenzij de verstoring niet wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Uitgezonderd zijn de soorten die door de AMvB zijn aangewezen. Hieronder vallen onder andere de Canadese gans en de Houtduif. Onder bepaalde voorwaarden mogen deze handelingen wel uitgevoerd worden. Er is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen opgesteld via de provinciale verordening of ministeriële regeling. Een ontheffing kan bij de provincie worden aangevraagd. Een ontheffing kan verkregen worden als er geen andere bevredigende oplossing is en er een geldig belang is, zoals: •
Volksgezondheid, openbare veiligheid,
•
Luchtverkeer,
•
Schade aan gewassen,
•
Bescherming van flora en fauna,
•
Onderzoek of onderwijs,
•
Herinvoering van soorten.
Daarnaast mogen de handelingen niet leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort.
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
beschadigen of nesten van vogels weg te nemen;
16
Habitatrichtlijn Soorten die staan in het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. De soorten staan in bijlage 1. Handelingen die de volgens de wet verboden zijn: ▪
Artikel 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren;
▪
Artikel 3.5 lid 3: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen;
▪
Artikel 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;
▪
Artikel 3.5 lid 5: Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Er zijn vrijstellingen opgesteld via de provinciale verordening of ministeriële regeling. Een ontheffing kan bij de provincie worden aangevraagd. Ook hier is een geldig belang nodig en mag de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komen. De volgende belangen kunnen een grond zijn voor het verlenen van een ontheffing: •
Bescherming van flora- en fauna,
•
Voorkoming “ernstige schade” aan gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendommen,
•
In belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid,
•
Andere dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van wezenlijk gunstige effecten voor het milieu.
Overige soorten Dit zijn de soorten die genoemd worden in de bijlage van Wet natuurbescherming. Voor de lijst van de overige beschermde soorten zie bijlage 1. Onder dit beschermingsregime is het verboden om: ▪
Artikel 3.10 lid 1b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen;
Voor deze soorten gelden dezelfde vrijstellingsgronden als bij de soorten van de Habitatrichtlijn en zijn er een groot aantal overige uitzonderingsgronden. Voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en het
7.1.3
Zorgplicht
Voor alle soorten geldt de zorgplicht. De bescherming van soorten gaat uit van de intrinsieke waarde van alle dieren en planten. Daar moet zorgvuldig mee omgaan worden. Daarom is de zorgplicht in artikel 1.11 van de wet opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving en voor Natura 2000-gebieden. Voorkomen, beperken en ongedaan maken zijn hierbij sleutelwoorden. 7.1.4
Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen ook wel Ecologische hoofdstructuur (EHS) genoemd, is onderdeel van een netwerk van deels bestaande en deels nieuwe natuurgebieden die met elkaar verbonden zijn. Het gaat hierbij om zowel kleine en grote natuurgebieden en agrarische gebieden. Al deze gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland worden met elkaar verbonden via ecologische verbindingszones. De ecologische verbindingszones zorgen ervoor dat er verbindingen aanwezig zijn tussen de verschillende natuurgebieden zodat dieren zich makkelijker van het ene naar het andere leefgebied kunnen verplaatsen. Uiteindelijk moet het Natuurnetwerk Nederland samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten panEuropees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken of (natuur)waarden van deze natuurgebieden en verbindingen dienen vermeden of gecompenseerd te worden.
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
algemeen belang geldt er een vrijstelling.
17
Wanneer er ontwikkelingen plaatsvinden in NNN-gebieden is conform de Nota Ruimte en daarvoor Structuurschema Groene Ruimte het ‘nee, tenzij’ – regime van toepassing. In principe zijn ruimtelijke ontwikkelingen met significante negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken of (natuur)waarden van het gebied niet toegestaan. Het kan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven mogelijk zijn en/of er sprake is van groot openbaar belang. Voor ingrepen waarvoor geen reële alternatieven mogelijk zijn of die van groot openbaar belang zijn geldt de vereiste schade zoveel mogelijk wordt beperkt door mitigerende maatregelen. Tevens dient er gecompenseerd te worden. Om vast te stellen of de ontwikkelingen door kunnen gaan, dient er getoetst te worden volgens het ‘nee, tenzij’ – regime. De toetsing hiervoor staat beschreven in ‘de Spelregels EHS’, opgesteld in 2007 door de ministeries van LNV en VROM en Provincies. 7.1.5
Natura 2000-gebieden
Natura 2000-gebieden in Nederland zijn onderdeel van een Europees netwerk aan natuurgebieden waar belangrijke flora en fauna duurzaam beschermd worden. Al deze gebieden zijn belangrijk om de Europese biodiversiteit te waarborgen. De in Nederland aangewezen natura 2000-gebieden worden beschermd onder de Wet Natuurbescherming, voorheen de Natuurbeschermingswet 1998. In Nederland zijn er ruim 160 natuurgebieden aangewezen als Natura 2000-gebieden. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn er een instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor specifieke fauna en florasoorten. De instandhoudingsdoelstellingen zijn allen beschreven in beheerplannen. Deze beheerplannen worden opgesteld voor ieder Natura 2000-gebied en geven duidelijkheid of geplande maatregelen en activiteiten al dan niet kunnen plaatsvinden. Wanneer er maatregelen of activiteiten uitgevoerd dienen te worden welke schadelijk en/of negatieve effecten op de beschermde natuur kunnen hebben dient een vergunning bij de provincie of soms bij het ministerie van Economische Zaken aangevraagd te worden. 7.1.6
Bosopstanden
De bescherming van bosopstanden kent twee belangrijke aspecten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom (in het kader van de voormalige Boswet) indien kap plaatsvindt in een houtopstand van 10 are of meer, of een bomenrij van 20 bomen. Er geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Dit kan dus per provincie verschillen. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-
Ecologisch onderzoek marterachtigen, Boutensteinseweg te Enspijk
doel is er geen herplantplicht.
NatuurInclusief
18