CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2021-043 Bijlage 1 Toelichting en Regels.pdf

Gemeenteraad 25 mei 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 16: Vaststellen Bestemmingsplan Boutensteinseweg te Enspijk17.226 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In de directe omgeving van het plangebied zijn verder geen bedrijven gelegen, waarvan de hindercontouren mogelijk een belemmering voeren voor realisering van het initiatief. In de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG (editie 2009) zijn geen ambulanceposten opgenomen, maar wel brandweerkazernes die vallen in milieucategorie 3.1, met een hinderafstand van 50 m voor geluid. Een ambulancepost is vergelijkbaar met een brandweerkazerne. Binnen de afstand van 50 m zijn geen geluidgevoelige objecten aanwezig. Op circa 50 meter begint wel de bedrijfslocatie van Kemp B.V. De nieuwe bedrijfswoning ligt op een grotere afstand. Het nieuwe bedrijf kan getypeerd worden als een bosbouwbedrijf (SBI code 021,022 en 024) behorende tot milieucategorie 3.1 (Bedrijven en milieuzonering) en kent een richtafstand van 50 meter tot geluidsgevoelige bebouwing (in rustig buitengebied). Aan deze richtafstand wordt voldaan. Woningen en andere geluidsgevoelige functies bevinden zich op een afstand van meer dan 50 meter van de grens van het plangebied. Dat er geen hinder zal optreden blijkt ook uit een onderzoek dat gedaan is naar de geluids- en geuremissie van het nieuwe bedrijf. M-Tech-Nederland heeft deze onderzoeken uitgevoerd. Het onderzoek naar geluidsemissie vanwege de inrichting is als bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd.

Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelastingen vanwege het nieuwe bedrijf voldoet aan de gehanteerde normstelling uit de Handreiking industrielawaai. De geluidsemissie van dit bedrijf vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige bestemmingswijziging. Het geuronderzoek is als bijlage 9 bij deze toelichting gevoegd. Aan de hand van de aangevraagde bedrijfssituatie is een rekenmodel opgesteld. Middels dit rekenmodel zijn de effecten van de aangevraagde activiteiten – met betrekking tot geur – inzichtelijk gemaakt. De emissies vanwege de in-

Hoofdstuk 4

28

richting zijn berekend aan de hand van kentallen verkregen uit geurmetingen aan vergelijkbare processen, emissiefactoren uit de literatuur en specifieke bedrijfsgegevens. De geurimmissies voldoen aan de streefwaarden uit het provinciale geurbeleid zoals die gelden voor nieuwe inrichtingen. Het geuraspect vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige bestemmingsplanherziening. Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.6 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. In dit bestemmingsplan wordt de vervanging van een bestaande bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is daarom noodzakelijk. Doorwerking plangebied M-Tech-Nederland heeft dit onderzoek uitgevoerd, dat als bijlage 10 bij deze toelichting is gevoegd. De berekende geluidbelasting vanwege de Boutensteinseweg (incl. 110-g correctie) bedraagt ten hoogste 40 dB. De berekende geluidbelasting bedraagt minder dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het aanvragen van hogere grenswaarden, zoals bedoeld in artikel 83 van de Wet geluidhinder, is derhalve niet nodig. Er wordt voldaan aan de Wet geluidhinder. Conclusie Het aspect ‘wegverkeerslawaai’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige bestemmingsplan.

4.7 Luchtkwaliteit Hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Bij de start van een project moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk gemaakt worden, dat luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. ‘Niet in betekenende mate’ De nieuwe regels maken onderscheid in projecten die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een project NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden.

Hoofdstuk 4

29

Doorwerking plangebied M-Tech-Nederland heeft onderzoek gedaan naar de gevolgen van het nieuwe bedrijf voor de luchtkwaliteit. Dit onderzoek is als bijlage 11 bij deze toelichting gevoegd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat voor alle immissiepunten voor zowel PM10, PM2,5 als NO2 wordt voldaan aan de grenswaarden zoals gesteld in de Wet milieubeheer. Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige bestemmingsplan.

4.8 Externe veiligheid Het algemene Rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege:  het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen);  het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen);  het gebruik van luchthavens. Dat gebeurt o.a. door te voorkomen dat te dicht bij kwetsbare bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden, door de zelfredzaamheid te bevorderen en door de calamiteitenbestrijding te optimaliseren. Voor ruimtelijke ontwikkelingen moet getoetst worden aan het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsge-

Hoofdstuk 4

30

bied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants3. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of erin of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. In het kader van het Bevb dient beoordeeld te worden of het plangebied binnen het invloedsgebied van relevante buisleidingen ligt. Doorwerking plangebied Er wordt geen nieuw kwetsbaar object opgericht, tevens wordt ook geen risicovolle inrichting opgericht met deze bestemmingsplanherziening.

Daarnaast vindt een afname van personen binnen het verblijfsgebied plaats door de realisatie van het agrarisch technisch verwant bedrijf van Kemp B.V. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het namelijk mogelijk om opleidingsdoeleinden voor rijks- en gemeentepolitie, zomede verblijfs-, ontspannings- en sportdoeleinden verband houdende met de opleidingsdoeleinden mogelijk te maken. Verder laat het nu nog geldende bestemmingsplan 3 dienstwoningen toe. Door de herbestemming van Boutensteinseweg 1 vindt een forse afname van gebruiksmogelijkheden en daarmee de personendichtheid op de locatie plaats. Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige bestemmingsplan.

4.9 Verkeer en parkeren Relevant zijn de effecten van het nieuwe bedrijf voor het verkeer en parkeren.

3

Zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

Hoofdstuk 4

31

Doorwerking plangebied Verkeer Er is voor gekozen om een tweede ontsluiting mogelijk te maken van het bedrijventerrein. Deze is op voldoende afstand geprojecteerd van de ontsluiting van de ambulancepost, die gelegen is aan de andere zijde van de Boutensteinseweg. In het akoestisch onderzoek vanwege de inrichting (bijlage 8) staat in tabel 2-a aangegeven wat de toekomstige hoeveelheid aan- en afrijdende voertuigen zal zijn. Deze tabel is hieronder overgenomen.

Het aantal verkeersbewegingen zal het dubbele hiervan zijn. Geconcludeerd kan worden dat de verkeer aantrekkende werking van het nieuwe bedrijf zodanig is dat er geen problemen te verwachten zijn op de Boutensteinseweg. Deze weg kan de beperkte groei aan verkeer prima aan Overigens kan nog de kanttekening geplaatst worden, dat de aantallen voertuigen in de avond- en nachtperiode niet dagelijks plaatsvinden, maar in voorkomende gevallen, mede afhankelijk van verkeersdrukte/files, afstanden tot een externe werklocatie, afspraken met afnemers/klanten e.d. Dus de werkelijke verkeer aantrekkende werking zal minder dan in de tabel is aangegeven. Qua verkeersveiligheid is het van belang dat het nabijgelegen sportpark in de oksel van de Boutensteinseweg en de provinciale weg via een vrijliggend fietspad is ontsloten. Er is hier dus een veilige scheiding tussen langzaam en snelverkeer. Parkeren Er is meer dan voldoende ruimte op het bedrijfsperceel voor het parkeren van de vrachtwagens, materieel en de personenauto’s op eigen terrein. Conclusie Het aspect ‘verkeer en parkeren’ vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige bestemmingsplan.

4.10

M.e.r.-plicht

Met dit bestemmingsplan wordt de functiewijziging van een slipschool naar een agrarisch technisch verwant bedrijf mogelijk gemaakt. Dit kan leiden tot een m.e.r.(beoordelings)-plicht, wanneer de voorgenomen ontwikkeling als activiteit is opgenomen in lijst C en D van het Besluit m.e.r. is er sprake van een m.e.r.(beoordelings)-plicht.

Hoofdstuk 4

32

Doorwerking plangebied In voorgaande paragrafen is de voorgenomen ontwikkeling beschreven. De voorgenomen ontwikkeling komt als activiteit D voor in het Besluit m.e.r.. Vanaf 16 mei 2017 is de Herziening van de m.e.rwetgeving in werking getreden. Als een project (activiteit die voorkomt in Bijlage D van het Besluit m.e.r.) nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag via een zogenaamde aanmeldingsnotitie. Het bevoegd gezag moet dan binnen 6 weken beslissen of een m.e.r.-plicht geldt. Voor de beoogde ontwikkeling is door BRO een aanmeldingsnotitie en vormvrije m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is opgenomen als bijlage 12 bij deze toelichting. De conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is dat het plan geen belangrijke negatieve gevolgen zal hebben voor de kenmerken van het gebied en voor het woon- en leefmilieu in de omgeving. Er worden geen negatieve effecten verwacht vanwege de ligging van het plangebied ten opzichte van gevoelige gebieden. Geconcludeerd wordt dat geen belangrijke nadelige milieugevolgen worden verwacht en dat het opstellen van een MER niet noodzakelijk wordt geacht. In de notitie wordt het college van burgemeester en wethouders geadviseerd te besluiten dat er geen m.e.r.-plicht geldt.

Hoofdstuk 4

33

5.

JURIDISCHE ASPECTEN

5.1 Inleiding Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid en kan bovendien dienstdoen bij de interpretatie van de keuzes voor dit bestemmingsplan. Om inzicht te geven in de juridische opzet, zijn hierna de systematiek en de opbouw van het bestemmingsplan toegelicht.

5.2 Algemeen De regels zijn standaard als volgt opgebouwd:  Hoofdstuk 1 bevat de begripsbepalingen en een bepaling over de wijze van meten; deze worden opsommingsgewijs in alfabetische volgorde weergegeven en dienen als referentiekader voor de overige regels.  Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingen.  Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels, zoals de antidubbeltelbepaling en algemene regels ten aanzien van gebruik, aanduidingen, afwijkingen en wijzigingen.  Hoofdstuk 4 bevat tenslotte het overgangsrecht en de slotregels met daarin de naam van het bestemmingsplan. De bestemmingen vangen steeds aan met de bestemmingsbenaming. Daarna wordt in de bestemmingsomschrijving weergegeven voor welke doeleinden de betreffende gronden zijn bestemd. In het bestemmingsplan wordt zoveel mogelijk eenduidig omgegaan met de bebouwingsmogelijkheden en toegestane functies bij bestemmingen voor de overige functies in het plangebied. In de bouwregels wordt aangegeven welke bouwwerken bij recht mogen worden opgericht en welke situerings- en maatvoeringseisen hiervoor gelden. Om bepaalde ontwikkelingen te sturen, respectievelijk in de hand te houden, is bij sommige bestemmingen tevens gekozen voor het opnemen van afwijkings- en wijzigingsbepalingen. Na het doorlopen van een procedure, kan aan deze ‘flexibliteitsbepalingen’ medewerking worden verleend.

Om te voorkomen dat bestemmingen worden gefrustreerd, zijn diverse bestemmingen voorzien van een stelsel van omgevingsvergunningen voor werken en werkzaamheden. Hierin is geregeld dat een

Hoofdstuk 5

34

aantal werken en werkzaamheden verboden is, tenzij het bevoegd gezag hiervoor een omgevingsvergunning heeft afgegeven. 5.2.1 Inleidende regels Het bestemmingsplan voorziet in enkele inleidende regels. In deze paragraaf volgt een korte toelichting op deze regels. 5.2.2 Begrippen Het opnemen van begripsomschrijvingen is beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijk) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of de technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. 5.2.3 Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven lengte, breedte, diepte, oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. 5.2.4 Bestemmingsregels In voorliggend bestemmingsplan is een aantal l bestemmingen opgenomen: de bestemmingen 'Bedrijf' ‘Groen' en ‘Verkeer’’. Ook kent het plan dubbelbestemmingen ter bescherming van archeologische waarden. Voor het opstellen van deze bestemmingen is getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’, zoals dat is terug te vinden op ruimtelijkeplannen.nl. Bedrijf De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden is bestemd voor een boomrooi- en bosbouwbedrijf, op-/ overslag van (houtachtige) materialen, be- en/of verwerking van houtachtige materialen o.a. tot biomassa.

Tevens is het mogelijk om binnen de functieaanduiding ‘alleen bedrijfswoning’ 1 bedrijfswoning te realiseren. Gebouwen mogen uitsluitend ten dienste van de bestemming worden gebouwd en binnen de verbeelding opgenomen bouwvlak. Overkappingen voor opslag zijn ook buiten het bouwvlak toegestaan. Dit geldt ook voor een ‘weeghuisje’ nabij een nieuw aan te leggen weegbrug (maximaal 100 m2). Voor de bedrijfswoning zijn aparte bouwregels opgesteld. Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde geldt dat deze een maximale bouwhoogte mogen hebben van 6 meter.

Hoofdstuk 5

35

Groen De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen. Tevens zijn bijbehorende voorzieningen, zoals waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd. De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 1,5 meter. Voor erf- en terreinafscheidingen geldt een maximale bouwhoogte van 2,5 meter. Verkeer De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen. De bestemming 'Verkeer' is voorzien van een flexibele regeling. Concreet betekent het voorgaande dat ook fiets- en voetpaden, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting, straatmeubilair, waterlopen en waterpartijen, oeververbindingen (bruggen), kunstwerken, voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en geluidwerende voorzieningen en andere voorzieningen onderdeel zijn van de bestemming. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van de bestemming worden gebouwd. De maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt 5 meter. Voor kunstwerken geldt een maximale bouwhoogte van 10 meter en voor voorzieningen ten behoeve van het verkeer, lichtmasten en geluidwerende voorzieningen een maximale bouwhoogte van 12 meter.

Dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 2, 3 en 4 Omdat echter het precieze bouwplan met bijbehorende dieptes en locaties nog niet bekend is zijn ter bescherming van archeologische waarden verschillende dubbelbestemmingen ‘Waarde –Archeologie’ opgenomen. Afhankelijk van de verwachtingswaarde is gekozen voor ‘Waarde – Archeologie 2’ , ‘Waarde – Archeologie 3 en ’ ‘Waarde – Archeologie 4’ conform het gemeentelijke beleid op het gebied van archeologie. 5.2.5 Algemene regels In het hoofdstuk 'Algemene regels' zijn regels opgenomen die betrekking hebben op het gehele bestemmingsplan. Dit zijn onder andere de regels die verplicht zijn gesteld in het Besluit ruimtelijke ordening zoals de anti-dubbeltelbepaling. In het navolgende zijn de algemene regels beschreven die specifiek van toepassing zijn op het onderhavige bestemmingsplan. 5.2.6 Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels zijn gebruiksregels opgenomen.

Hoofdstuk 5

36

5.2.7 Algemene afwijkingsregels Dit artikel omvat een afwijking bij een omgevingsvergunning voor onder andere het onder voorwaarden overschrijden van de maatvoeringsbepalingen en het toestaan van nutsvoorzieningen. Deze regels worden opgenomen om meer flexibiliteit in het plan te genereren en kleine afwijkingen van de planregels toch mogelijk te maken. 5.2.8 Overgangs- en slotregels Het plan kent tot slot een hoofdstuk met overgangs- en slotregels. De overgangsregels regelen het overgangsrecht voor de bebouwing en het gebruik van de bebouwing in het plangebied. Deze worden opgenomen conform het Besluit ruimtelijke ordening. De slotbepaling geeft aan onder welke benaming de regels kunnen worden aangehaald. Overigens wordt voor beide regelingen verwezen naar de betreffende regels.

Hoofdstuk 5

37

6.

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid Kostenverhaal Met onderhavig bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. De gronden binnen het plangebied zijn op het moment van vaststelling van het wijzigingsplan in eigendom van de ontwikkelaar. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden is een anterieure overeenkomst gesloten, zoals is bepaald in artikel 6.24 Wro. Er zijn geen redenen om nadere eisen te stellen dan wel het plan te faseren. Daardoor geldt er geen verplichting tot het vaststellen van een exploitatieplan. In de anterieure overeenkomst is het verhaal van kosten op afdoende wijze vastgelegd. Financiële haalbaarheid De ontwikkelaar beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkeling te kunnen realiseren. De planologische ontwikkeling leidt tot een waardevermeerdering van de grond. De kosten die initiatiefnemer maakt zijn een investering ten einde de waardevermeerdering te kunnen realiseren. Wanneer de kosten en opbrengsten naast elkaar worden gelegd is er sprake van een positief saldo. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Wettelijk (voor)overleg Het Besluit ruimtelijke ordening geeft aan dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Dit overleg heeft plaatsgevonden. Er zijn twee reacties binnengekomen van de provincie Gelderland en het Waterschap Rivierenland. De reacties van deze instanties zijn samengevat en van commentaar voorzien in het verslag inspraak en vooroverleg, dat als bijlage 13 bij dit bestemmingsplan is gevoegd.

Hoofdstuk 6

38

Het vooroverleg heeft geleid tot enkele aanpassingen in de toelichting. Ook is artikel 3 sub a van de regels aangepast. Op verzoek van de provincie is het niet meer mogelijk dat andere vormen van aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid binnen het plangebied zich kunnen vestigen. Er wordt nu alleen nog een boomrooi- en bosbedrijf toegestaan. Planprocedure: inspraak en zienswijzen De Wro bevat geen procedurevoorschriften met betrekking tot de inspraak, en is in Wro zelf niet verplicht gesteld. Dat neemt niet weg dat het de gemeente vrij staat toch inspraak te verlenen bijvoorbeeld op grond van de gemeentelijke inspraakverordening. In relatie daarmee bepaalt artikel 150 van de Gemeentewet onder meer dat in een gemeentelijke inspraakverordening moet worden geregeld op welke wijze bovenbedoelde personen en rechtspersonen hun mening kenbaar kunnen maken. Gezien de aard en omvang van het plan, kiest de gemeente ervoor een inspraakprocedure te doorlopen. Een voorontwerp van dit bestemmingsplan heeft in dit kader zes weken, van 4 juli 2019 tot en met 14 augustus 2019, voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn kon eenieder schriftelijk of mondeling inspreken. Binnen deze termijn zijn er geen inspraakreacties binnengekomen.

Vaststellingsprocedure Nadat de gemeente een standpunt heeft ingenomen over de reacties vooroverleg en inspraak wordt een ontwerpbestemmingsplan opgesteld. Ook dit plan ligt ter visie. Eenieder kan zijn zienswijzen naar voren brengen. Ook over deze zienswijzen neemt de gemeente een standpunt in. Vervolgens wordt het bestemmingsplan (al of niet aangepast naar aanleiding van de zienswijzen en ambtshalve aanpassingen) ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad.

Hoofdstuk 6

39

SEPARATE BIJLAGEN

Bijlage 1: Landschappelijke inpassing Bijlage 2: Beeldkwaliteitsplan Bijlage 3: Quickscan flora en fauna Bijlage 4: Stikstofdepositie onderzoek Bijlage 5: Archeologisch onderzoek Bijlage 6: Waterparagraaf Bijlage 7: Bodemonderzoek Bijlage 8: Akoestisch onderzoek nieuwe inrichting Bijlage 9: Geuronderzoek Bijlage 10: Akoestisch onderzoek verkeerslawaai Bijlage 11: Onderzoek luchtkwaliteit Bijlage 12: Aanmeldingsnotitie m.e.r beoordeling Bijlage 13: Verslag inspraak en vooroverleg

Boutensteinseweg 1 te Enspijk

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

4

Artikel 1 Artikel 2

Begrippen Wijze van meten

4 7

Hoofdstuk 2

Bestemmingsregels

8

Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Bedrijf Groen Verkeer Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 3 Waarde - Archeologie 4

8 11 12 13 15 17

Hoofdstuk 3

Algemene regels

19

Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels

19 20 21

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

22

Artikel 12 Artikel 13

Overgangsrecht Slotregel

22 23

2

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

Regels

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder: 1.1

Plan

Het bestemmingsplan Boutensteinseweg 1 te Enspijk met identificatienummer NL.IMRO.1960.BUIBoutensteinsewg-OW01 van de gemeente West Betuwe. 1.2

Bestemmingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten met de daarbij behorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3

Aan het buitengebied gebonden niet-agrarische bedrijven

Bedrijven die -vanwege hun ruimtebeslag, de hinder van hun activiteiten voor omliggende bewoners en bedrijven of door de aard van hun activiteiten- aan het buitengebied zijn gebonden. Voorbeelden van aan het buitengebied gebonden bedrijven zijn een hoveniersbedrijf, paardenpension/-stalling, kennel/dierenasiel en hondensportaccommodatie. 1.4

Afhankelijke woonruimte

De huisvesting van een gedeelte van een huishouden uit een oogpunt van mantelzorg. 1.5

Agrarisch verwante bedrijven

Bedrijven die gericht zijn op het leveren van diensten en goederen aan agrarische bedrijven zoals het bewerken, vervoeren en/of verhandelen van agrarische producten en bedrijven die zich richten op een combinatie van agrarische- en zorgfuncties. Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn agrarische loonwerkbedrijven, veehandelsbedrijven, dierenklinieken voor grootvee, groothandels in agrarische gewassen en zorgboerderijen. 1.6

Ambachtelijke bedrijven

Kleinschalige bedrijven die gericht zijn op het overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen die verband houden met het ambacht. Voorbeelden van ambachtelijke bedrijven zijn kleinschalige bierbrouwerijen, klokkenmakerijen, pottenbakkerijen, ateliers en kaasboerderijen. 1.7

Bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.8

Bedrijfswoning

Een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts bedoeld is voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein, noodzakelijk moet worden geacht.

4

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

1.9

Bestemmingsgrens

De grens van een bestemmingsvlak. 1.10

Bestemmingsvlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.11

Bijgebouw

Een al dan niet vrijstaand gebouw, behorende bij en qua maatvoering en in functioneel opzicht ondergeschikt aan een op hetzelfde perceel gelegen hoofdgebouw. 1.12

Biomassa

Producten die bestaan uit plantaardig bosbouwmateriaal, dat gebruikt kan worden als brandstof om de energetische inhoud ervan te benutten. 1.13

Bouwen

Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats. 1.14

Bouwwerk

Een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.15

Extensieve dagrecreatie

Die vormen van recreatie gericht op verblijf buiten de eigen woning, waarbij ten minste één overnachting plaats vindt in een recreatief nachtverblijf en waarbij in het algemeen het beleven van rust voorop staat en het aantal recreanten per oppervlakte-eenheid beperkt is. Voorbeelden zijn kampeerboerderijen en pensions. 1.16

Gebouw

Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.17

Hoofdgebouw

Een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.18 Kleinschalige horeca, die gerelateerd is aan de recreatieve functie van het buitengebied Kleinschalige horecabedrijven die gericht zijn op het verstrekken van maaltijden en dranken voor gebruik ter plaatse en die gerelateerd zijn aan de recreatieve functie van het buitengebied. Voorbeelden zijn (pannenkoeken)restaurants, eethuizen en ijssalons.

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

5

1.19

Opslagbedrijven

Bedrijven die gericht zijn op het bewaren van goederen, waaronder agrarische producten, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, be- of verwerking, handel of soortgelijke activiteiten. Voorbeelden van opslagbedrijven zijn caravanstallingen en meubelopslagbedrijven. 1.20

Peil

a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of aan een bestaande dijk grenst: de hoogte van die weg of de bestaande dijk ter plaatse van de hoofdtoegang; b. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld. 1.21

Seksinrichting

Een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, als dan niet in combinatie met elkaar. 1.22

Waardevol landschapselement

Ecologische, cultuurhistorische en/of landschappelijke waardevolle elementen zoals sloten, bosjes, houtwallen, poelen en verkaveling, zoals onder andere is opgenomen in de cultuurhistorische inventarisatiekaart van de erfgoednota RAAP-rapport 2887, Cultuurhistorie in de gemeente Geldermalsen (https://geo.raap.nl/geldermalsen/#7/51.888/5.215) of diens rechtsopvolger. 1.23

Windturbine

Een bouwwerk ter opwekking van elektriciteit door benutting van windkracht. 1.24

Woning

Een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

6

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

Artikel 2

Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1

De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot het hoogste punt van het bouwwerk; voor wat betreft gebouwen worden antennes, schoorstenen en andere ondergeschikte dakopbouwen hierbij niet meegerekend. 2.2

De goothoogte van een gebouw

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.3

De inhoud van een gebouw

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken (en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren) en de dakvlakken, zulks met inbegrip van erkers en dakkapellen, en boven peil. 2.4

Lengte, breedte en diepte van een gebouw

Tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren). 2.5

De oppervlakte van een gebouw

Tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren).

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

7

Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1

Bestemmingsregels

Bedrijf

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een boomrooi- en bosbouwbedrijf; b. op-/overslag van (houtachtige) materialen, die vrijkomen bij de bedrijfsmatige activiteiten als bedoeld onder a; c. ondergeschikt aan de activiteiten als bedoeld onder a en b de be- en/of verwerking van (houtachtige) materialen, die vrijkomen bij de bedrijfsmatige activiteiten als bedoeld onder a, onder andere tot biomassa; met dien verstande dat de activiteiten, genoemd onder a t/m c niet zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; d. maximaal 1 bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; met de daarbijbehorende: e. f. g. h. i. j. k.

nutsvoorzieningen; toegangswegen, paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied; parkeervoorzieningen; een weegbrug; groenvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; erven en tuinen.

3.2

Bouwregels

3.2.1

Algemeen

a. Op de voor 'Bedrijf' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd. b. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. c. Overkappingen ten behoeve van opslag van (houtachtige) materialen zijn ook toegestaan buiten het bouwvlak. 3.2.2

Bedrijfsgebouwen en overk appingen

Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding; b. de bouwhoogte van overkappingen mag niet meer bedragen dan 8 meter; c. de maximale oppervlakte van een overkapping bedraagt 300 m2; d. in afwijking van het bepaalde in lid 3.2.1 onder b is het toegestaan buiten het bouwvlak kleine ondergeschikte bebouwing op te richten, waaronder een weeghuisje, met een maximale oppervlakte van 100 m2 en een maximale hoogte van 6 meter.

8

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

3.2.3

Bedrijfswoning

Voor het bouwen van een bedrijfswoning en de daarbij behorende bijgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d.

de bedrijfswoning is alleen toegestaan ter plaatse van het bouwvlak; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 10 m; de inhoud van de bedrijfswoning bedraagt niet meer dan 750 m3, voor het bouwen van bijgebouwen bij de bedrijfswoning geldt dat: 1. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m; 2. de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3 m; 3. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 75 m2.

3.2.4

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 6 m. 3.3

Specifieke gebruiksregels

3.3.1

Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruiken van bijgebouwen bij een bedrijfswoning als zelfstandige woning en als afhankelijke woonruimte; b. het innemen van integraal groenafval, zijnde afvalstoffen, van meer dan 15.000 ton/jaar; c. energiewinning uit schone biomassa met stookinstallaties met een maximaal thermisch vermogen van meer dan 0,5 mega watt (MW); d. energiewinning uit andere energiebronnen dan schone biomassa. 3.3.2

Voorwaardelijke verplichting

a. Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken zonder de aanleg en duurzame instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in bijlage 1 van de toelichting opgenomen "Landschappelijk inpassingsplan" binnen één jaar na afronden van de bouwwerkzaamheden en de inrichting van het bedrijfsterrein teneinde te komen tot een goede blijvende en duurzame landschappelijke inpassing. b. De onder a genoemde bijlage 1 maakt onderdeel uit van deze regels. c. Burgemeester en wethouders kunnen door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a ten behoeve van een andere wijze van landschappelijke inpassing, indien deze naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is aan de landschappelijke inpassing conform het onder a genoemde "Landschappelijk inpassingsplan". 3.4

Afwijken van de gebruiksregels

3.4.1

Mantelzorgvoorzieningen

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.3.1 ten behoeve van de realisering van een mantelzorgvoorziening in een bijgebouw, mits: a. de behoefte aan mantelzorg is aangetoond, dan wel de mantelzorg een ouder-kind relatie betreft waarbij de ouder 65 jaar of ouder is; b. de mantelzorgvoorziening is bedoeld voor de huisvesting van één huishouden; c. de waarden en belangen van derden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad; d. de afhankelijke woonruimte binnen de vigerende regeling inzake bijgebouwen wordt ingepast met een maximale oppervlakte van 80 m²; e. er geen zelfstandige woning ontstaat;

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

9

f. na beëindiging van de mantelzorgsituatie dient de tijdelijke woonunit weer verwijderd te worden; g. bij de mantelzorgvoorziening geen afzonderlijke bijgebouwen worden opgericht; h. de mantelzorgvoorziening wordt gerealiseerd binnen de aanduiding 'bedrijfswoning'.

10

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

Artikel 4 4.1

Groen

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen;met de daarbij behorende: b. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; c. waterberging. 4.2

Bouwregels

4.2.1

Algemeen

Op de voor 'Groen' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd. 4.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 1,5 m. 4.3

Specifieke gebruiksregels

4.3.1

Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van gronden ten behoeve van het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en stacaravans voor dag en/of verblijfsrecreatieve doeleinden; b. het gebruik van gronden voor het kweken en telen van gewassen.

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

11

Artikel 5 5.1

Verkeer

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g.

wegen; fiets- en voetpaden; parkeervoorzieningen; bermen en beplanting; waterlopen en waterpartijen; oeververbindingen (bruggen); voorzieningen, zoals kunstwerken en andere waterstaatwerken ten behoeve van de waterafvoer, waterberging en geluidwerende voorzieningen; h. andere voorzieningen, zoals voor elektrotechnische systemen en ecologische doeleinden. 5.2

Bouwregels

5.2.1

Algemeen

Op de voor 'Verkeer' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming worden gebouwd.

5.2.2

Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van kunstwerken mag niet meer dan 10 m bedragen; b. de bouwhoogte van voorzieningen ten behoeve van de geleiding van het verkeer, lichtmasten en geluidwerende voorzieningen mag niet meer dan 12 m bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen

12

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

Artikel 6 6.1

Waarde - Archeologie 2

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden. 6.2

Bouwregels

Op de in lid 6.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, tenzij: a. het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; c. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; d. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; e. het nieuw te bouwen oppervlak, in aanvulling op het bepaalde onder c, niet groter is dan 100 m2. 6.3

Afwijken van de bouwregels

a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 6.1 indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan de omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of: 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door Burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. b. Alvorens het bevoegd gezag beslist over het verlenen van de omgevingsvergunning wint zij schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen en andere oppervlakteverhardingen; 2. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 3. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek; 4. het bewerken van en graven, boren of roeren in de bodem; 5. het aanleggen van nieuwe boomgaarden. b. De onder a bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft, die: 1. bodemingrepen van niet meer dan 30 cm diep betreffen; 2. betrekking hebben op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden;

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

13

3. bodemingrepen betreffen met een oppervlakte van niet meer dan 100 m2; 4. het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van: onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen; de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; ploegen; vervanging van bestaande boomgaarden door nieuwe boomgaarden ter plaatse; 5. gelet op de elders in deze regels genoemde doeleinden, voor deze gronden van ondergeschikte betekenis zijn; 6. reeds uitgevoerd of in uitvoering zijn op het tijdstip van het van inwerkingtreden van dit plan. c. Bij de beoordeling van de omgevingsvergunning zal vooraf, op basis van een door aanvrager in te dienen archeologisch onderzoek, advies worden ingewonnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en welke voorwaarden dienen te worden gesteld. d. De onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen.

14

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

Artikel 7 7.1

Waarde - Archeologie 3

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden. 7.2

Bouwregels

Op de in lid 7.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, tenzij: a. het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; c. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; d. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; e. het nieuw te bouwen oppervlak, in aanvulling op het bepaalde onder c, niet groter is dan 500 m2. 7.3

Afwijken van de bouwregels

a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.1 indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan de omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of: 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door Burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. b. Alvorens het bevoegd gezag beslist over het verlenen van de omgevingsvergunning wint zij schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen en andere oppervlakteverhardingen; 2. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 3. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek; 4. het bewerken van en graven, boren of roeren in de bodem; 5. het aanleggen van nieuwe boomgaarden. b. De onder a bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft, die: 1. bodemingrepen van niet meer dan 30 cm diep betreffen; 2. betrekking hebben op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden;

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

15

3. bodemingrepen betreffen met een oppervlakte van niet meer dan 500 m2; 4. het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van: onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen; de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; ploegen; vervanging van bestaande boomgaarden door nieuwe boomgaarden ter plaatse; 5. gelet op de elders in deze regels genoemde doeleinden, voor deze gronden van ondergeschikte betekenis zijn; 6. reeds uitgevoerd of in uitvoering zijn op het tijdstip van het van inwerkingtreden van dit plan. c. Bij de beoordeling van de omgevingsvergunning zal vooraf, op basis van een door aanvrager in te dienen archeologisch onderzoek, advies worden ingewonnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en welke voorwaarden dienen te worden gesteld. d. De onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen.

16

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

Artikel 8 8.1

Waarde - Archeologie 4

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van de archeologische waarden. 8.2

Bouwregels

Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, tenzij: a. het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 cm onder het bestaande maaiveld; b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; c. het bouwplan betrekking heeft op vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en de bestaande fundering wordt benut, met uitzondering van nieuwe kelders; d. gebouwen maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden opgericht; e. het nieuw te bouwen oppervlak, in aanvulling op het bepaalde onder c, niet groter is dan 1.000 m2. 8.3

Afwijken van de bouwregels

a. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 8.1 indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Aan de omgevingsvergunning kunnen in ieder geval de volgende voorwaarden worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor (ondanks de uitvoering van een bouw- of aanlegplan) monumenten in de bodem worden behouden, zoals alternatieven voor heiwerk, het al dan niet bouwen van kelders, het aanbrengen van een beschermende bodemlaag of andere voorzieningen die op dit doel zijn gericht; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of: 3. de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door Burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties. b. Alvorens het bevoegd gezag beslist over het verlenen van de omgevingsvergunning wint zij schriftelijk advies in bij een archeologische deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en of en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1. het aanleggen, verbreden en verharden van wegen en andere oppervlakteverhardingen; 2. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 3. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek; 4. het bewerken van en graven, boren of roeren in de bodem; 5. het aanleggen van nieuwe boomgaarden. b. De onder a bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft, die: 1. bodemingrepen van niet meer dan 30 cm diep betreffen; 2. betrekking hebben op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden;

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

17

3. bodemingrepen betreffen met een oppervlakte van niet meer dan 1.000 m2; 4. het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van: onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen; de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; ploegen; vervanging van bestaande boomgaarden door nieuwe boomgaarden ter plaatse; 5. gelet op de elders in deze regels genoemde doeleinden, voor deze gronden van ondergeschikte betekenis zijn; 6. reeds uitgevoerd of in uitvoering zijn op het tijdstip van het van inwerkingtreden van dit plan. c. Bij de beoordeling van de omgevingsvergunning zal vooraf, op basis van een door aanvrager in te dienen archeologisch onderzoek, advies worden ingewonnen bij een archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden en welke voorwaarden dienen te worden gesteld. d. De onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen.

18

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

Hoofdstuk 3 Artikel 9

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

19

Artikel 10 10.1

Algemene gebruiksregels

Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval verstaan: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.

20

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

Artikel 11 11.1

Algemene afwijkingsregels

Kleine nutsgebouwen en bouwwerken

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels van dit plan ten behoeve van het realiseren van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde van openbaar nut zoals gemalen, transformatorstations, telefooncellen, wachthuisjes, afvalcontainers en dergelijke, met dien verstande dat: a. de inhoud van het gebouw niet meer bedraagt dan 75 m³ b. de bouwhoogte van het gebouw en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van openbaar nut niet meer dan 3 m bedraagt. 11.2

Overschrijding goothoogte

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels van dit plan ten behoeve van het overschrijden van de maximale toegestane goothoogte, mits: a. de overschrijding niet meer bedraagt dan 10%; b. een grotere goothoogte stedenbouwkundig aanvaardbaar is; c. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van: 1. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; 2. het bebouwings- en landschapsbeeld; 3. de verkeersveiligheid. 11.3

Antennes

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels van dit plan ten behoeve van het bouwen van antennes, mits: a. de bouwhoogte niet meer dan 15 m bedraagt; b. er geen sprake is van een onevenredige aantasting van: 1. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; 2. het bebouwings- en landschapsbeeld; 3. de verkeersveiligheid. 11.4

Mini-windturbines

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels van dit plan ten behoeve van het toestaan van mini-windturbines op een gebouw, met dien verstande dat: a. het hoogste punt van een wiek van een mini-windturbine welke is geplaatst op een gebouw niet meer mag bedragen dan 5 m; b. de belangen van de betreffende bestemming(en) worden niet onevenredige aangetast; c. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de belangen van derden mogen niet onevenredig worden geschaad; d. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de in de omgeving aanwezige architectonische, cultuurhistorische, landschappelijke of natuurwaarden.

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

21

Hoofdstuk 4 Artikel 12 12.1

Overgangs- en slotregels

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in sub a met maximaal 10%. c. Sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2

Overgangsrecht gebruik

a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde in sub a te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Sub a is niet van toepassing op het gebruik, dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

22

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

Artikel 13

Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Boutensteinseweg 1 te Enspijk'.

Bestemmingsplan "Boutensteinseweg 1 te Enspijk" (ontwerp)

23

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Tegelen www.bro.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/314/documents/6894