RB2024-137-verordening-maatschappelijke-ondersteuning-en-jeugdhulp-west-betuwe-2025.pdf
Tekst van het document
Raadsbesluit De raad van de gemeente West Betuwe; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 oktober 2024, gelet op Wet maatschappelijke ondersteuning de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6, artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet, en de Jeugdwet, de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet en artikel 149 van de Gemeentewet, besluit: De ‘Integrale Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp West Betuwe 2025’ vast te stellen.
17 december 2024 Pagina 2 van 76
VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING EN JEUGDHULP GEMEENTE WEST BETUWE 2025 Onderdeel I Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning HOOFDSTUK 1. Begrippen HOOFDSTUK 2. Melding en onderzoek HOOFDSTUK 3. Aanvraag maatwerkvoorziening HOOFDSTUK 4. Bijdrage in de kosten HOOFDSTUK 5. Bestrijding misbruik HOOFDSTUK 6. Kwaliteit en veiligheid HOOFDSTUK 7. Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten HOOFDSTUK 8. Klachten en medezeggenschap HOOFDSTUK 9. Overgangsrecht en slotbepalingen Toelichting op de verordening Wmo
Onderdeel II Verordening Jeugdhulp HOOFDSTUK 1. Begrippen HOOFDSTUK 2. Algemene voorzieningen HOOFDSTUK 3. Individuele voorzieningen HOOFDSTUK 4. Herziening, intrekking, terugvordering en bestrijding misbruik HOOFDSTUK 5. Afstemming andere voorzieningen HOOFDSTUK 6. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit HOOFDSTUK 7. Klachten en medezeggenschap HOOFDSTUK 8. Overgangsrecht en slotbepalingen Toelichting op de verordening Jeugdhulp
17 december 2024 Pagina 3 van 76
ONDERDEEL I VERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING De raad van de gemeente West Betuwe, Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 december 2024; Gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de artikelen 3.8 tweede lid en 5.4. van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; Overwegende dat het noodzakelijk is om: • inwoners en te ondersteunen als zij beperkingen ondervinden in hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid en zij niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hiervoor een oplossing te vinden; • inwoners met psychische of psychosociale problemen en inwoners die vanwege huiselijk geweld of om andere redenen de thuissituatie hebben verlaten, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij hier niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen toe in staat zijn; • bij verordening regels te stellen over de invulling van de plicht tot ondersteuning, Besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe 2025.
Hoofdstuk 1.: Begrippen Artikel 1. Begripsbepalingen 1. In deze verordening wordt verstaan onder: aanvraag: een verzoek van een inwoner (belanghebbende) om een besluit te nemen; algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die: • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; • daadwerkelijk beschikbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen; • een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en; • financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau; andere voorziening: een voorziening die de inwoner kan ontvangen op grond van een andere wet dan de Wmo 2015, bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg; een andere voorziening is in beginsel voorliggend op een Wmo-voorziening; beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente West Betuwe; bijdrage: bijdrage zoals bedoeld in artikel 2.1.4a Wmo 2015; budgethouder: de persoon die een Pgb ontvangt in het kader van de Wmo 2015;
17 december 2024 Pagina 4 van 76
centrumgemeente: de gemeente die voor de gemeente West Betuwe de maatwerkvoorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang financiert en uitvoert. Voor West Betuwe is dit gemeente Nijmegen; gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaardbare opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van inwonende ouders, kinderen, echtgenoten en andere huisgenoten rekening houdend met hun eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen; hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft; ingezetene: inwoner die een hoofdverblijf heeft in de gemeente West Betuwe; inwoner: een ingezetene van de gemeente West Betuwe die ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP); melding: kenbaar maken van de ondersteuningsvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo 2015; ondersteuningsplan: het document dat de medewerker van de gemeente maakt als weergave van het onderzoek.
Daarin zijn opgenomen: de ondersteuningsbehoefte, de ondersteuningsdoelen, het plan van aanpak en evaluatieafspraken; ondersteuningsvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo 2015; persoonlijk plan: een niet verplicht plan waarin de inwoner de omstandigheden, bedoeld artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen; pgb: persoonsgebonden budget; tarief en prijs: het bedrag dat de gemeente aan een aanbieder moet betalen voor de verstrekking van een voorziening in natura. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura voor Wmo 2015 is gelijk aan het tarief; sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie client een sociale relatie onderhoudt, ook wel genoemd: informeel netwerk; uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna te noemen: Wmo). 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet (Wmo), het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 2. Vormen van maatschappelijke ondersteuning 1. Het college maakt onderscheid tussen algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen: - een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder toegangsbeoordeling; - voor een maatwerkvoorziening stelt het college criteria voor de toegang (zie hoofdstuk 3); 2. De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen Wmo zijn onder andere beschikbaar: - ondersteuning; - voorzieningen (hulpmiddelen).
17 december 2024 Pagina 5 van 76
3. Het college draagt zorg voor een begrijpelijke communicatie naar inwoners welke algemene voorzieningen en maatwerkvoorzieningen beschikbaar zijn en hoe de toegang tot deze voorzieningen geregeld is. 4. Het aanbod genoemd in dit artikel, is niet uitputtend en is aan verandering onderhevig. Verschuivingen van maatwerkvoorzieningen naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen is mogelijk. 5. In gevallen van een maatwerkvoorziening waarin deze verordening niet voorziet beslist het college.
Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek Artikel 3. Melding 1. Een ondersteuningsvraag kan door of namens de inwoner vormvrij bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 3. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. 4. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 4 van deze verordening. 5. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding zo spoedig mogelijk een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek als bedoeld in artikel 4. Artikel 4. Onderzoek 1. Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt gevoerd met de inwoner of zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig andere personen. 2. De inwoner geeft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 3. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de inwoner vast aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. 4.
De volgende factoren maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek: a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de inwoner; b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner; e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van
17 december 2024 Pagina 6 van 76
zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. welke bijdragen in de kosten de inwoner met toepassing van artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn. 5. Tijdens het gesprek wordt aan de inwoner in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een Zorg in Natura dan wel pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn. 6. Het college informeert de inwoner over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 5 als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college de inwoner, zijn mantelzorger of bij gebruikelijke hulp zijn huisgenoten oproepen voor een gesprek of een onderzoek door een daartoe aangewezen deskundige. 7. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen. 8.
Het college geeft de inwoner een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek in de vorm van een ondersteuningsplan. De inwoner ondertekent het ondersteuningsplan voor gezien of akkoord en stuurt een ondertekend exemplaar naar het college. 9. Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning.
Hoofdstuk 3: Aanvraag maatwerkvoorziening Artikel 5. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens een inwoner schriftelijk ingediend bij het college. 2. De aanvragen worden behandeld volgens artikel 2.3.5 van de Wmo. 3. Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier. 4. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van cliëntondersteuning. Artikel 6. Algemene criteria 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de inwoner de beperkingen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: a. eigen kracht, en/of b. gebruikelijke hulp, en/of c. mantelzorg, en/of d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk, en/of e. algemeen gebruikelijke voorzieningen, en/of
17 december 2024 Pagina 7 van 76
f. algemene voorzieningen, en/of g. andere voorzieningen. 2. Een inwoner met psychische of psychosociale problemen en een inwoner die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de inwoner de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van: a. eigen kracht, en/of b. gebruikelijke hulp, en/of c. mantelzorg, en/of d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk, en/of e. algemeen gebruikelijke voorzieningen, en/of f. algemene voorzieningen, en/of g. andere voorzieningen. 3. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 4 bedoelde onderzoek en gesprek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de inwoner aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Het college verstrekt de voorziening beschermd wonen en maatschappelijke opvang conform het daartoe vastgestelde beleid van de centrumgemeente Nijmegen, de geldende verordening maatschappelijke ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van genoemde centrumgemeente. 4.
Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen die op grond van artikel 2 lid 1 en lid 2 beschikbaar zijn.
Artikel 7. Voorwaarden en weigeringsgronden 1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening. 2. De maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als deze gezien de beperkingen van de inwoner, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt. 3. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als: a. de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de inwoner rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan; b. voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat; c. de inwoner de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie waardoor het voor de inwoner dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen; d. de inwoner de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
17 december 2024 Pagina 8 van 76
e. de gevraagde voorziening al eerder aan de inwoner is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is, tenzij: i. eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen, of ii. inwoner geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of iii. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt aan de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning; f. deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht; g. de inwoner een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de inwoner daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover, tenzij artikel 8.6a van de wet van toepassing is; 4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als: a. deze niet langdurig noodzakelijk is; b. de inwoner geen ingezetene is van de gemeente West Betuwe. 5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 3.000 kilometer op jaarbasis. 6. Geen woonvoorziening wordt verstrekt: a.
als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen; b. als de inwoner zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen; c. ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; d. als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt; e. als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is; f. als de inwoner niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college; g. als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden; h.
in afwijking van lid 6 onderdeel b van dit artikel en artikel 2.3.5. lid 6 van de wet kan voor inwoners die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt worden. 7. Het college verstrekt de voorzieningen opvang en beschermd wonen volgens het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente, de geldende verordening maatschappelijke
17 december 2024 Pagina 9 van 76
ondersteuning en de daarop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels maatschappelijke ondersteuning van deze centrumgemeente.
Artikel 8. Toegang en besluit 1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking. 2. Het college kan met betrekking tot de inzet van een maatwerkvoorziening nadere regels vaststellen. Artikel 9. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening staat of deze voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval: a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; c. indien van toepassing de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner zich bij de aanbieder moet hebben gemeld als bedoeld in artikel 8 lid 2; d. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking in ieder geval: a. aan welk doel het pgb moet worden besteed; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald; d. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking; e. de termijn van drie maanden waarbinnen de inwoner het pgb moet besteden als bedoeld in artikel 8 lid 2; f.
hoe de besteding van het pgb verantwoord moet worden en; g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. Artikel 10. Regels voor een pgb 1. Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, toetst het college of voldaan wordt aan de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet opgenomen voorwaarden. De inwoner die een pgb wenst, motiveert dit schriftelijk in een budgetplan in. In het budgetplan is in elk geval opgenomen: a. welke redenen er zijn om te kiezen voor een pgb in plaats van zorg in natura; b. welke ondersteuning cliënt wil inkopen met het budget en bij welke uitvoerder; c. wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen; d. op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid; e. hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd is en duidelijk is dat de deze geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;
17 december 2024 Pagina 10 van 76
f. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief; g. hoe eventuele meerkosten van de ondersteuning worden bekostigd; h. hoe de cliënt zelf of met iemand uit het sociale netwerk dan wel informele netwerk de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren. 2. Het pgb mag niet worden besteed aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb; d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering. 3. Het college verstrekt geen pgb in de volgende situaties: a. als de inwoner onvoldoende in staat is om ondersteuning met een pgb te beheren; b. wanneer de beoogde pgb-vertegenwoordiger dezelfde persoon is als de beoogde hulpverlener, ten zijn het college daar schriftelijk toestemming voor heeft gegeven.
Artikel 11. Hoogte pgb 1. De hoogte van het pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. bedraagt niet meer dan de totale kostprijs van in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura, en als nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c. is het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als het college voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten. d. wordt voor dienstverlening jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de contractueel overeengekomen index voor de betreffende maatwerkvoorziening in natura. 2. De hoogte van een pgb voor dienstverlening wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd en bedraagt voor de inzet van dienstverlening, uitgevoerd door personen die formele hulp en ondersteuning bieden, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graad van de inwoner: I.
werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden is ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of II werken als Zelfstandige zonder personeel en ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. De aanbieders die vallen onder I ontvangen maximaal 100% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder voor zorg in natura die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht. De aanbieders die vallen onder II ontvangen maximaal 90% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
17 december 2024 Pagina 11 van 76
3. Als de ondersteuning wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 2 is sprake van informele hulp. 4. Bij het vaststellen van het bedrag voor een Pgb voor de inhuur van iemand uit het sociale netwerk wordt uitgegaan van de volgende tarieven: - bij huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT (Verpleegen Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren; - bij individuele begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT, ter vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. 5. In plaats van de inzet van het collectief vraagafhankelijk vervoer is de hoogte van het pgb per kilometer gelijk aan de onbelaste kilometervergoeding zoals de Belastingdienst hanteert voor woon- werkverkeer. 6. De maximaal gesubsidieerde reisafstand bedraagt 25 kilometer. Tussen de 25 en 30 kilometer is het commerciële tarief verschuldigd. 7. Het college kan bestemmingen aanwijzen, gelegen op een afstand van meer dan 30 kilometer van het huisadres, waarvoor het gereduceerde tarief geldt. 8.
Als het op basis van lid 1, lid 2 en lid 4 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de ondersteuning hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.
Artikel 12. Regels voor een financiële tegemoetkoming 1. Een inwoner komt in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming als dit een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie. 2. De financiële tegemoetkoming is van toepassing op: a. de kosten van verhuizen en herinrichting. b. de kosten voor vervoer per eigen auto, als dit vervoer niet algemeen gebruikelijk is en de inwoner geen gebruik kan maken van het collectief vervoer. c. een tegemoetkoming voor een sportrolstoel of een sportvoorziening. 3. De financiële tegemoetkoming is een forfaitair bedrag en hoeft niet volledig kostendekkend te zijn. 4. Het abonnementstarief is niet van toepassing op de financiële tegemoetkoming. Artikel 13. Onderscheid formele en informele hulp 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. 2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de inwoner: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b.
personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden
17 december 2024 Pagina 12 van 76
ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of 3. Als de ondersteuning wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 2 is er sprake van informele hulp.
Hoofdstuk 4: Bijdrage in de kosten Artikel 14. Bijdrage voor maatwerkvoorzieningen 1. Een inwoner is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. Als een maatwerkvoorziening of pgb wordt verstrekt voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is de bijdrage in de kosten verschuldigd door: a. de onderhoudsplichtige ouders en; b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner. Artikel 15. Hoogte bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. De hoogte van de eigen bijdrage is gelijk aan het abonnementstarief per maand. De hoogte van de totale bijdrage voor een hulpmiddel een woningaanpassing en de maatwerkvoorzieningen voor vervoer, overstijgen de kostprijs van de voorziening niet. 2. In afwijking van het eerste lid van dit artikel is geen bijdrage verschuldigd door: a. de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die een bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan 120% van de landelijk geldende bijstandsnorm; b. de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een bijdrage- plichtig inkomen heeft van minder dan 120% van de landelijk geldende bijstandsnorm; c.
de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen heeft van minder dan 120% van de landelijk geldende bijstandsnorm. 3. In afwijking van het eerste lid van dit artikel is geen bijdrage verschuldigd voor: a. een algemene voorziening; b. een rolstoel voorziening. 4. In afwijking van het eerste lid van dit artikel is de hoogte van de bijdrage voor de maatwerkvoorziening voor collectief vervoer per rit gelijk aan het geldende tarief voor openbaar vervoer. 5. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder en is in natura gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt; b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb. 6. De kostprijs van een maatwerkvoorziening bestaat uit:
17 december 2024 Pagina 13 van 76
a. de prijs waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier; b. onderhoudskosten; c. de onderhoudsbijdrage; d. verzekering. 7. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (maatschappelijke opvang), worden de bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of via een pgb vastgesteld en geïnd door de aanbieder die de opvang biedt. 8. Het college kan de aanvrager vrijstellen van het betalen van een eigen bijdrage. Gronden hiervoor zijn: a. onvoldoende betaalcapaciteit; b. in het kader van een integrale persoonsgerichte aanpak bij mensen die met politie en justitie in aanraking zijn gekomen of zorg mijden ten gevolge van een psychische beperking. 9. In afwijking van de bepalingen in dit artikel kan een inwoner op grond van hoofdstuk 3 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen bijdrage verschuldigd zijn.
Hoofdstuk 5: Bestrijding misbruik Artikel 16. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening 1. Het college informeert inwoners op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting, voor ten hoogste dertien weken, van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo. 3. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, of de: a. inwoner nog op de maatwerkvoorziening is aangewezen; b. maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb nog toereikend is; c. inwoner nog voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb; d. verstrekte voorzieningen worden gebruikt dan wel besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn. Artikel 17. Verrekening Het college kan een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden.
Hoofdstuk 6: Kwaliteit en veiligheid Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen door:
17 december 2024 Pagina 14 van 76
a. voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de inwoner; b. voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg; c. inzet van de juiste deskundigheid; d. ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector; e. er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard. 2. Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten. 3. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 en artikel 2.6.6 eerste lid, van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs of tarief, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs of tarief die geldt als ondergrens voor: i. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijs of het tarief, bedoeld in het eerste lid, vast: a. conform de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 lid 2 van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de prijs of het tarief die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met de navolgende kostprijselementen: a. kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c.
kosten voor niet-productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg; d. reis- en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs binnen een overeenkomst; f. overige kosten als gevolg van gemeentelijke eisen, zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
17 december 2024 Pagina 15 van 76
4. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met: a. de marktprijs van de voorziening, en b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals: aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening; instructie over het gebruik van de voorziening; onderhoud van de voorziening, en verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.
Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. 4. Voor de uitvoering van de meldingsregeling calamiteiten en geweld in het kader van beschermd wonen en opvang gelden de criteria zoals opgenomen in de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de gemeente Nijmegen en de hierop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels van de gemeente Nijmegen. Artikel 21. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, verrekening, intrekking en terugvordering 1. Het college informeert inwoners of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2.
Een inwoner doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of pgb als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo. 3. Het college kan een beslissing als bedoeld in de Wmo herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de inwoner niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de inwoner niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden; e. de inwoner gebruikt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel. 4. Als het college een besluit tot verlening van maatschappelijke ondersteuning op grond van het derde lid, onderdeel a van dit artikel, heeft herzien of ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft geheel of gedeeltelijk
17 december 2024 Pagina 16 van 76
de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele voorziening of het ten onrechte genoten pgb. 5. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 6. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. 7. Voor het toezicht op rechtmatigheid van de uitvoering van de Wmo heeft het college de sociale recherche Regio Rivierenland aangewezen. 8. Het college kan zo mogelijk een terug te vorderen bedrag verrekenen met betalingen op grond van de wet, die nog uitgekeerd moeten worden. 9. Voor het toezicht op de rechtmatigheid van de uitvoering van beschermd wonen en opvang gelden de criteria zoals opgenomen in de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp van de centrumgemeente en de hierop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels van de centrumgemeente.
Hoofdstuk 7: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten Artikel 22. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Het college draagt zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering als bedoeld in artikel 2.1.6 van de Wmo, voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente West Betuwe in de vorm van: a. een jaarlijkse activiteit voor mantelzorgers; b. een jaarlijkse blijk van waardering. 2. Het college kan nadere regels stellen over in ieder geval: a. de vorm en waarde van de blijk van waardering; b. de wijze waarop de mantelzorger in aanmerking kan komen voor een blijk van waardering; c. het totaal aantal blijken van waardering dat het college per jaar beschikbaar stelt. Artikel 23. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming van een vast bedrag van € 350,-- per jaar verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 1. Voorwaarden voor deze verstrekking zijn: a. aanvrager is 18 jaar of ouder; en b. aanvrager is inwoner van de gemeente West Betuwe; en c. aanvrager heeft de Nederlandse nationaliteit of verblijft rechtmatig in Nederland; en d.
er moet bij de aanvrager sprake zijn van chronische ziekte of beperking; en e. de aanvrager heeft een inkomen lager dan 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals opgenomen in de Participatiewet; en
17 december 2024 Pagina 17 van 76
f. de aanvrager heeft een vermogen dat niet hoger is dan het voor hem van toepassing zijnde heffingsvrije vermogen, zoals opgenomen in de Wet inkomstenbelasting 2001. De waarde van de eigen woning wordt bij deze vermogensvaststelling buiten beschouwing gelaten; en g. de aanvraag wordt gedurende het lopende kalenderjaar gedaan waarbij de uiterste datum van indiening 31 december is. 2. Kinderen jonger dan 18 jaar kunnen onder de volgende voorwaarden ook in aanmerking komen voor een tegemoetkoming: a. als de ouder van het kind jonger dan 18 jaar een inkomen en vermogen heeft zoals opgenomen in lid 2 sub e en f van dit artikel; b. het kind is inwoner van de gemeente West Betuwe; en c. het kind heeft de Nederlandse nationaliteit of verblijft rechtmatig in Nederland; en d. er is een voorziening in het kader van de Wmo verstrekt; of e. het kind heeft langdurige thuiszorg nodig als gevolg van een handicap of ziekte; en f. de aanvraag wordt gedurende het lopende kalenderjaar gedaan waarbij de uiterste datum van indiening 31 december is. 3. Het college bekijkt elk jaar of de hoogte van de tegemoetkoming moet worden aangepast. Die aanpassing gaat dan in per 1 januari van het jaar erna.
Artikel 24. Aanvullend regiovervoer (Versis) 1. Een cliënt, van 18 jaar of ouder, die op grond van beperkingen voor het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel gebruik wil maken van aanvullend vervoer kan een Wmo-pas aanvragen bij de gemeente. 2. Na onderzoek besluit de gemeente over de vervoersondersteuning door middel van een Wmo-pas waarmee de client op jaarbasis maximaal 3.000 kilometer, tegen het gereduceerde vervoerstarief gebruik kan maken van het aanvullend regiovervoer. 3. Als aan cliënt in de loop van het kalenderjaar ondersteuning in de vorm van een Wmo-pas wordt toegekend dan wordt de omvang van het jaarbudget (het aantal kilometers) evenredig bepaald. 4. Jaarlijks stelt het college de tarieven van het aanvullend regiovervoer voor cliënten met een Wmo-pas vast: a. de hoogte van de jaarlijkse paskosten; b. de hoogte van het gereduceerde tarief; c. het opstaptarief; 5. De maximale gesubsidieerde reisafstand bedraagt 25 kilometer. Tussen de 25 en 30 kilometer is het commerciële tarief verschuldigd. 6. Reizigers met een inkomen tot 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm kunnen voor de vergoeding van de jaarlijkse paskosten een beroep doen op het minimabeleid van de gemeente. 7. Het college kan bestemmingen aanwijzen, gelegen op een afstand van meer dan 30 kilometer van het huisadres, waarvoor het gereduceerde tarief geldt.
17 december 2024 Pagina 18 van 76
Hoofdstuk 8: Klachten en medezeggenschap Artikel 25. Klachtregeling 1. Aanbieders van voorzieningen op grond van de Wmo stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van de door aanbieders verstrekte voorzieningen. 2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 26. Medezeggenschap 1. Aanbieders zijn verplicht te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn. 2. Het college ziet toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 27. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval inwoners of hun vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 2.
Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.
Hoofdstuk 9: Overgangsrecht en slotbepalingen Artikel 28. Evaluatie van beleid Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 2 jaar geëvalueerd. Het college rapporteert over de bevindingen aan de gemeenteraad. Artikel 29. Geen bepalingen In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel 30. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel 31. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe 2022 en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden hiermee ingetrokken.
17 december 2024 Pagina 19 van 76
2. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente West Betuwe 2022 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de verordening zoals deze luidt na inwerkingtreding van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp West Betuwe 2025. 4. Het beslissen op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Verordening Maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe 2022, gebeurt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente West Betuwe 2022 die daarvoor zijn geldigheid behoudt. 5. Van lid 4 kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken.
Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp West Betuwe 2025.
17 december 2024 Pagina 20 van 76
ONDERDEEL II VERORDENING JEUGDHULP Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. aanvraag: een verzoek van een jeugdige en/of ouder(s) (belanghebbende) om een besluit te nemen; b. algemene voorziening: voorziening op het gebied van jeugd, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet. Een algemene voorziening is altijd voorliggend op een voorziening op grond van de jeugdwet. c. andere voorziening: voorziening op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen, niet vallend onder de Jeugdwet; een andere voorziening is in beginsel voorliggend op een voorziening op grond van de Jeugdwet; d. beleidsregels: Beleidsregels Jeugdhulp gemeente West Betuwe; e. budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de Jeugdwet; f. budgetplan: een door de jeugdige en/of ouder(s) opgesteld plan, waarin opgenomen is welke individuele voorziening met welk te bereiken resultaat de jeugdige en/of ouder(s) inkoopt met een persoonsgebonden budget, mogelijk door het college aangevuld met voorwaarden die daaraan gebonden zijn; g.
eigen kracht: eigen kracht is het gebruik maken van de eigen mogelijkheden al dan niet in combinatie met de inzet van het sociale netwerk; hulpbronnen in de sociale omgeving en de wijk waar mensen wonen; h. gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van inwonende ouders, kinderen, echtgenoten en andere huisgenoten (Wmo2015) of ouders met het gezag ten opzichte van hun minderjarige kinderen (Jeugdwet), rekening houdend met hun eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen; i. individuele voorziening: een op de jeugdige en/of zijn ouder(s) toegesneden jeugdhulpvoorziening die door het college in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget wordt verstrekt; j. inwoner: een ingezetene van de gemeente West Betuwe die ingeschreven staat in de Basisregistratie Personen (BRP); k. ondersteuningsvraag: behoefte van een jeugdige en/of ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; l. ondersteuningsplan: een document waarin de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en/of ouder(s) is vastgelegd, samen met de doelen (beoogde resultaten) en hoe deze te bereiken, evenals de bijdragen die zowel het college als de hulpvrager en zijn sociale netwerk hieraan kunnen leveren; m.
persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of ouder, dat hem in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken; n. sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie client een sociale relatie onderhoudt; o. Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;
17 december 2024 Pagina 21 van 76
p. wet: Jeugdwet. 2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2. Algemene voorzieningen Artikel 2. Toegang en beschikbare algemene voorziening 1. Een algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en/of zijn ouder(s). 2. De volgende vormen van algemene voorzieningen zijn beschikbaar: - opvoedondersteuning; - jeugdgezondheidszorg; - schoolmaatschappelijk werk. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.
Hoofdstuk 3. Individuele voorzieningen Paragraaf 1. Voorzieningen Artikel 3. Beschikbare individuele voorzieningen 1. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn beschikbaar: a. Ambulante Jeugdhulp; b. Jeugdhulp met verblijf. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn. Paragraaf 2. Toegang procedureel Artikel 4. Aanvraag 1. Een aanvraag voor een individuele voorziening wordt schriftelijk ingediend bij het college door middel van een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier. In geval van een pgbaanvraag dient de aanvraag vergezeld te zijn met een budgetplan. 2. Als een jeugdige en/of ouder(s) de jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een budgetplan in zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening. 3. Het college wijst de jeugdige en/of ouder(s) op de mogelijkheid gebruik te maken van onafhankelijke inwonerondersteuning. 4. Het college handelt de aanvraag (besluit op de aanvraag) af binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag. 5. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de procedure voor de aanvraag van een individuele voorziening.
17 december 2024 Pagina 22 van 76
Artikel 5. Toegang en besluit 1. Het college legt de beslissing over het al dan niet verlenen van een individuele voorziening vast in een beschikking, op basis van onderzoek en ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 8. 2. Het college neemt het besluit als bedoeld in het eerste lid op grond van de aanvraag, evenals het onderzoek en het daaruit volgende ondersteuningsplan als bedoeld in artikel 8. 3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende voorziening. Het college legt de beslissing over de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking. 4. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist, jeugdarts of GI. Het college legt de te verlenen individuele voorziening vast in een beschikking. 5. De jeugdige en/of zijn ouder(s) moeten zich binnen 3 maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb in te zetten voor de ondersteuning waarvoor het is verstrekt. 6. Het college kan met betrekking tot de inzet van een maatwerkvoorziening nadere regels vaststellen. Artikel 6. Inhoud en geldigheidsduur beschikking 1. In de beschikking tot toekenning of afwijzing van een individuele voorziening wordt vastgelegd: a.
het besluit: toekenning of afwijzing aanvraag, de omvang van de toegekende hulp en verplichtingen jeugdige en/of ouder(s); b. de motivering van het besluit waaronder: welke individuele voorziening verstrekt wordt, wie de jeugdhulp gaat bieden en wat het beoogde resultaat daarvan is; c. de mogelijkheid tot indienen bezwaarschrift en eisen bezwaarschrift; d. de termijn van 3 maanden waarbinnen de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich moet melden bij een jeugdhulpaanbieder dan wel de ondersteuning moet starten; e. of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt, en indien van toepassing; f. welke algemene voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 2. Het ondersteuningsplan maakt deel uit van de beschikking. 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb vermeldt de beschikking naast de in lid 1 genoemde zaken bovendien: a. de hoogte van het pgb en hoe deze is bepaald; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Het besluit tot toekenning of afwijzing van een individuele voorziening wordt afgegeven: a. als het gaat om zorg in natura en pgb met een geldigheidsduur zoals genoemd in de beschikking, met een maximale duur van 12 maanden op voorzieningen niet zijnde jeugdhulp met verblijf; 5.
Bij het besluit wordt informatie verstrekt over de rechten en de plichten van de jeugdige en/of ouder(s) op grond van de wet, de verordening en de nadere regels. 6. Het college kan periodiek onderzoeken of er aanleiding is een besluit te heroverwegen en stelt hierover nadere regels.
17 december 2024 Pagina 23 van 76
Paragraaf 3. Beoordeling Artikel 7. Onderzoek en opstellen ondersteuningsplan 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de jeugdige en/of ouder(s) zo spoedig mogelijk en voor zover nodig in het kader van de ondersteuningsvraag: a. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en het probleem of de ondersteuningsvraag; b. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp; c. het vermogen van de jeugdige en/of zijn ouder(s) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de ondersteuningsvraag te vinden (eigen kracht); d. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere en/of algemene voorziening; e. de mogelijkheden om de ondersteuningsvraag te beantwoorden door het inzetten van een algemene voorziening; f. de mogelijkheden om een individuele voorziening te verstrekken; g. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb, waarbij de jeugdige en/of ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze; h. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen; i. hoe rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en/of ouder(s). 2.
Het college vraagt, met instemming van de jeugdige en/of zijn ouder(s), informatie op bij andere instanties, zoals de huisarts, en kan met deze in gesprek gaan over de problemen en de meest aangewezen hulp. 3. Het college en de jeugdige en/of ouder(s) leggen de zaken genoemd in het eerste lid vast in het ondersteuningsplan. 4. Met toestemming van de jeugdige en/of ouder(s) worden in het ondersteuningsplan afspraken opgenomen over het moment en de wijze waarop de resultaten van het ondersteuningsplan met de jeugdige en/of ouder(s), Team Sociaal en de jeugdhulpaanbieder besproken worden. 5. Het college kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van en de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd. Artikel 8. Criteria individuele voorzieningen 1. Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de ondersteuningsvraag: a. binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: - gebruikelijke hulp van ouder(s) en/of andere verzorger(s) of opvoeder(s); - bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan;
17 december 2024 Pagina 24 van 76
- de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; - het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. b. door gebruik te maken van een algemene voorziening, of; c. door gebruik te maken van een andere voorziening. 2. Als de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of ouder(s)voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt, kan het college hier slechts een voorziening voor verstrekken: a. als op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen waarvoor de hulp is ingezet, en; b. voor zover het college de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen; c. de voorziening als bedoeld in lid 2 kan slechts betrekking hebben op gemaakte kosten over een periode van maximaal 3 maanden vóór de aanvraag; d. het college kan nadere regels stellen ter verdere uitwerking van de criteria, zoals genoemd in het eerste en tweede lid.
Artikel 9. Eigen Kracht/ gebruikelijke hulp 1. Jeugdigen en/of ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de ondersteuningsvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Eigen kracht is het gebruik maken van de eigen mogelijkheden al dan niet in combinatie net de inzet van het sociale netwerk; hulpbronnen in de sociale omgeving en de wijk waar mensen wonen. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: - gebruikelijke hulp van ouder(s) en/of andere verzorger(s) of opvoeder(s); - bovengebruikelijke hulp van ouders voor zover zij beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de bovengebruikelijke hulp geen financiële problemen in het gezin ontstaan; - de ondersteuning vanuit het sociale netwerk; - het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten. 2. Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft.
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 3. Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Het college houdt hierbij rekening met de volgende factoren: a. de leeftijd van de jeugdige; b. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding en/of stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft;