IN095-bijlage-3-begrippenlijst.pdf
Tekst van het document
Begrippenlijst / defini es In deze paragraaf leggen we een aantal termen uit die nodig zijn om zowel het Housing First als het Wonen Eerst e ectief te kunnen toepassen. Het gaat uiteindelijk om de ‘beste match tussen klant en pand’: niet alleen de ‘stenen’, ook de mens en de omgeving doen ertoe. Daarom werken we met bewonersprofielen, woonvormen en omgevingscriteria. Ook hanteren we het begrip ‘wooncarrière’ en diversiteit van woonwijken. Woonwijken met hoge diversiteit zijn over het algemeen stabiele woonwijken. Diversiteit ontstaat door een mix van jong en oud, gemengde etniciteit, gemengde inkomens en opleidingen (praktisch en theoretisch geschoold), met daarbij een mix van woningen (huur en koop, goedkoop en duurdere segment, kamers, studio’s, appartementen, grondgebonden woningen etc.). De ETHOS telling onderscheidt de volgende groepen van dak- en thuisloosheid: 1. Mensen die verblijven in de openbare ruimte 2. Mensen in de noodopvang voor dakloze mensen 3. Mensen in een tijdelijke opvang voor dakloze mensen 4. Mensen die een instelling verlaten zonder vervolghuisvesting en mensen die langer in een instelling verblijven wegens gebrek aan passende vervolghuisvesting 5. Mensen in een niet-conventionele woonruimte, vanwege gebrek aan huisvesting, zoals auto, kraakpand of vakantiewoning 6. Mensen die tijdelijk verblijven van familie, vrienden of kennissen.
Wooncarrière Bij het begrip ‘eigen sleutel en contract’, (hfd 2, visie) gaan we uit van woonruimte passend bij de levensfase van dat moment. Een aantal keren verhuizen in het leven, is een gebruikelijk patroon. Vanuit huis eerst op kamers, bij het verkrijgen van inkomen e/o een relatie, doorverhuizen naar zelfstandige woonruimte. Als er sprake is van gezinsuitbreiding, kan verhuizen naar een groter onderkomen nodig zijn. Als de kinderen zijn uitgevlogen, kan verhuizen naar een kleinere of seniorenwoning in beeld komen. Tegelijkertijd is elk van deze momenten ook een life-event waarop mensen kunnen wankelen en tijdelijk extra ondersteuning nodig is. Vanwege het belang van wooncarrière kunnen maken, wordt in het woonbeleid gestuurd op ‘diversiteit van woonwijken’. Draagkracht van wijken Om een goede wooncarrière te kunnen bieden, is de ‘match tussen klant en pand’ van groot belang. Als je ergens woont, wil jij je thuis kunnen voelen in de woning maar je ook welkom voelen in de buurt. Elke buurt is anders en met elke verhuizing verandert de samenstelling en moet de buurt weer een nieuw evenwicht zoeken. Sterke buurten hebben een grote sociale cohesie; buren trekken veel met elkaar op en kunnen bij elkaar terecht voor praktische vragen uit het dagelijkse leven. Denk aan de post uit de brievenbus halen tijdens de vakantie, of de planten watergeven en de kat verzorgen.
Samen de goten leeg halen of elkaars aanhanger lenen voor wegbrengen van snoei afval. Meer kwetsbare inwoners hebben niet vanzelfsprekend dergelijke contacten
met hun omgeving. Investeren in dit soort informele netwerken is belangrijk om op momenten dat het moeilijk wordt, zoals op avond en in de weekenden, te weten bij wie je even kunt buurten. Daarom houden we rekening met de draagkracht van wijken bij het zoeken naar locaties voor woonvormen waar een vorm van begeleiding tijdelijk nodig is. Teveel stapeling van zorg, holt de draagkracht van buurten uit. Tegelijk is dit een uitdaging: kwetsbare inwoners zijn meestal aangewezen op woningen in het lage huursegment. Deze woningen staan nu nog vooral in wijken met minder draagkracht. Samenredzaamheid en ‘peer-group support’ Movisie hanteert onderstaande definitie van ‘samenredzaamheid’. Eigen regie gaat over het vermogen om zelf te kunnen bepalen wat je wilt doen en hoe je dat wilt organiseren. Begrippen die vaak in dit verband worden genoemd zijn zelfredzaamheid (zelfstandig mee kunnen doen), eigen kracht (zelf kunnen) en eigen verantwoordelijkheid (zelf moeten of mogen). Als mensen een taak niet zelfstandig kunnen uitvoeren – denk aan zaken als daginvulling, administratie of relaties onderhouden – dan zijn ze wel in staat om zelf te bepalen wat voor hen belangrijk is of hoe ze dat willen compenseren. Zelfredzaamheid staat niet voorop, maar het zelf bepalen. Want mensen komen er ook als ze met mensen in hun omgeving hulp en uitvoering organiseren. Dit noemen we samenredzaam.
Deze definitie van ‘samenredzaamheid’ is waar we van uitgaan. De mensen in de omgeving van dak- of thuisloze mensen die hen kunnen bijstaan, hebben de meeste toegevoegde waarde als zij ervaringsdeskundig zijn. Als voormalig dak- of thuisloze weten zij uit eigen ervaring wat het vraagt om opnieuw te settelen. Zij zijn, in tegenstelling tot professionals, vaak wel op avond en in de weekenden te bereiken. Op momenten dat het moeilijk wordt, kunnen zij een luisterend oor e/o de helpende hand bieden. Zij vormen daarmee een essentieel onderdeel van het informele netwerk dat iedere inwoner nodig heeft om duurzaam te kunnen wonen. Aanbod profielen Naast de draagkracht van wijken, werken we met aanbodprofielen om te komen tot voldoende en passend aanbod voor het toepassen van Wonen Eerst. Deze profielen lopen gelijk op met de 4 treden van de Housing-First afbeelding op pagina 4. 1. Woonplekken voor mensen met voldoende woonvaardigheden en géén begeleidingsvragen 2. Woonplekken voor mensen voldoende woonvaardigheden maar met (tijdelijke) begeleidingsvraag 3. Woonplekken voor mensen met weinig woonvaardigheden maar met perspectief op het kunnen aanleren 4. Woonplekken voor mensen met minimale woonvaardigheden en weinig perspectief op het kunnen aanleren van functioneren in reguliere woonomgevingen Voor al dit aanbod geldt dat wie dakloos is, (tijdelijk) niet zelfredzaam is.
Dat geldt ook voor mensen met voldoende woonvaardigheden. De mate waarin iemand zelfredzaam is, op welke domeinen wel of (nu even) niet, verschilt per persoon. Het kan financieel tegen zitten, of lichamelijk, of een combinatie van factoren.
‘Driehoeksrelatie’ Om de juiste ondersteuning in de juiste maat (omvang en duur) te bieden, is meer nodig dan het toetsen aan de hand van een ‘kruisjeslijst’. Dat zijn vaak te harde criteria die het leveren van maatwerk belemmeren. Om Wonen Eerst effectief toe te passen, moet er een gedeeld beeld zijn van ‘dat het goed gaat met deze persoon’. Een te optimistisch beeld van een toekomstige bewoner, opgesteld door de zorgaanbieder om uitstroom te realiseren, creëert wantrouwen in de samenwerking met corporaties en gemeenten. Een inwoner moet ook zichzelf herkennen in het profiel, om open te staan voor afspraken met de omgeving en de corporatie vertrouwen te geven in ‘goede bewoning’ zonder onrust te creëren in de buurt. Als er tijdelijke of langdurige begeleiding nodig is voor het kunnen wonen, zal de gemeente (financier van begeleiding, beschermd wonen en beschermd thuis) comfort moeten bieden in de samenwerking zorgaanbieder en de corporatie, bij het aangaan van huur/begeleidingsovereenkomsten. Deze 3 partijen (gemeenten, corporaties en zorgaanbieders) moeten een relatie aangaan. De ervaring van 10 jaar Housing First leert dat er ‘zonder relatie geen prestatie’ mogelijk is.