IN081-Bijlage-Heuff-terrein-Toelichting.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Heuff-terrein Toelichting
Documenttitel: Bestemmingsplan Heuff-terrein Toelichting Status: Ontwerp Datum: augustus 2023 Projectnaam: Heuff-terrein Projectnummer: BH8152 Opdrachtgever: Klop Beheer BV en Waterschap Rivierenland Referentie: Auteur(s): JT/FB Collegiale toets: KE Datum/paraaf toets: Vrijgegeven door: FB Datum/paraaf vrijgave:
Heuff-terrein
Heuff-terrein
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding
7
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
7 7 8 8 10
Algemeen Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Huidige bestemmingsplannen Leeswijzer
Hoofdstuk 2 Beleidskader
11
2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.2 2.2.1 2.3 2.3.1 2.3.2 2.4 2.5 2.5.1 2.5.2
11 11 11 13 17 18 20 21 21 24 24 25 26 26 26 27
Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Beleidslijn grote rivieren Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro 2017) NOVI Deltaprogramma 2022 Provinciaal beleid Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en omgevingsverordening Regionaal beleid Woonagenda Rivierenland 2020-2030 Regionaal Woningbouwprogramma Rivierenland Waterschapsbeleid Gemeentelijk beleid Bidboek West Betuwe Woonvisie West Betuwe 2020-2030
Hoofdstuk 3 Ruimtelijk kader en planbeschrijving
29
3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6 3.1.7 3.1.8 3.1.9 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
29 29 30 31 32 33 34 34 35 36 37 38 39 41 41
Ruimtelijk kader Vuren aan de Waal Droom versus werkelijkheid Pas op de plaats Kansen voor een integraal plan Dijkversterking biedt basis voor realisatie 'Vuren aan de Waal' Dijkpark, verbindende schakel tussen polderdorp en rivier Ruimte voor natuur, beleving en de rivier Dijkwoningen als verwijzing naar oorspronkelijk dorp Woningen 'te gast' rond de steenfabriek Achtergrond en aanleiding Natuurcompensatie op basis van de dijkversterkingen Woningbouw binnen plangebied Natuurbeleving en natuurbehoud Volkstuinencomplex
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten
43
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.6.1 4.6.2
43 44 45 47 48 48 48 49
Heuff-terrein
Milieueffectrapportage Verkeer en parkeren Luchtkwaliteit Geluidhinder Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Wettelijk kader Toetsingskader
2
4.6.3 4.6.4 4.6.5 4.6.6 4.6.7 4.7 4.8 4.9 4.9.1 4.9.2 4.9.3 4.10 4.10.1 4.10.2 4.10.3 4.11 4.12 4.13
Planspecifiek Preadvies Veiligheidsregio Gelderland-Zuid Advies Veiligheidsregio Beleidsnotitie externe veiligheid West Betuwe 2019 - 2023 Conclusie Externe Veiligheid Bodem Water Ecologie Wettelijk kader Planspecifiek Stikstof Archeologie en cultuurhistorie Wettelijk kader Planspecifiek archeologie Planspecifiek Cultuurhistorie Nieuwe Hollandse Waterlinie Conventionele Explosieven Klimaatadaptief en duurzaamheid Kabels en leidingen
49 50 54 55 55 55 57 61 61 62 65 66 66 66 68 70 72 73
Hoofdstuk 5 Juridische planopzet
75
5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3
75 75 75 75 79
Standaard en plansystematiek Toelichting op de regels Algemeen Plangebied gemeente West Betuwe Welstand
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid
81
6.1 6.2 6.2.1 6.2.2
81 81 81 81
Heuff-terrein
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Participatie Vooroverleg met betrokken instanties
3
Heuff-terrein
4
Toelichting
Heuff-terrein
5
Heuff-terrein
6
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Algemeen
Voor u ligt het ontwerpbestemmingsplan voor het Heuff-terrein, een voormalig steenfabrieksterrein gelegen aan de Waal te Vuren. Artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) schrijft voor dat een gemeente voor haar grondgebied één of meerdere bestemmingsplannen vaststelt om de bestemming van gronden weer te geven. Als bestemmingen veranderd moeten worden, is er de noodzaak bestemmingsplannen op dit punt te herzien. De wijzigingen op dit terrein vloeien deels voort uit de verplichte natuurcompensatie op grond van de vastgestelde Projectplannen Waterwet voor de dijkversterkingstrajecten Gorinchem – Waardenburg (GoWa), Tiel – Waardenburg (TiWa) en Stad Tiel (Tiel). Ook bestaat er al jaren de wens om te komen tot een kwaliteitsslag voor het plangebied om zo de verbinding tussen het dorp Vuren en de Waal te versterken, waarbij beperkte woningbouw mogelijk wordt gemaakt.
1.2
Aanleiding en doel
De herinrichting van het Heuff-terrein kent al een langere geschiedenis. Zo is in 2008 de Nota van uitgangspunten en een motie door de gemeenteraad vastgesteld over het terrein. Hierin is aangegeven dat de haalbaarheidsstudie als uitgangspunt genomen moet worden voor de ontwikkelrichtingen, waaronder begrepen natuurontwikkeling, recreatie, waterbergingsmogelijkheden en beperkte woningbouw. Verder kan worden opgemerkt dat de Structuurvisie WaalWeeldeWest, de door de gemeenteraad vastgestelde Nota van uitgangspunten en het schetsontwerp op enig moment richtinggevend is geweest voor de herinrichting van het terrein. Aanleiding voor de bestemmingsplannen dijkversterking binnen de gemeente West Betuwe (GoWa en TiWa) vloeien voort uit de Waterwet. De betreffende waterkeringen voldoen in dat kader niet aan de gestelde veiligheidsnormen en Waterschap Rivierenland heeft diverse projecten voor dijkversterking gestart. De dijkversterking is een belangrijke aanleiding geweest om eerder gevormde plannen voor het Heuff-terrein door de terreineigenaar en de ambitie van de gemeente om Vuren naar de Waal te brengen uit te werken naar een integraal ontwerp voor het Heuff-terrein en het Buko-terrein. Het voorliggende bestemmingsplan is hier een uitvloeisel van.
Verder wordt in het plan meegenomen de verplaatsing van het huidige volkstuinencomplex naar een nieuw volkstuinencomplex en waneer financieel mogelijk handhaving van de schoorsteen van de voormalige steenfabriek. Bij realisering van de dijkversterkingsmaatregelen vindt ook natuurcompensatie plaats. Op basis van de vastgestelde Projectplannen Waterwet voor de dijkversterkingstrajecten GoWa, TiWa en Tiel dient deze natuurcompensatie gerealiseerd te worden ter plaatse van het voormalige Buko-terrein en het Heuff-terrein. Deze terreinen dienen een natuurbestemming te krijgen en hiermee kan de GNN contour (Gelders Natuurnetwerk) na realisatie worden verruimd. Daarmee vindt er een kwaliteitsverbetering plaats van de natuur binnen het gehele gebied . De aankoop van het Buko-terrein (ten behoeve van de dijkversterkingsopgave) vormde de belangrijkste basis en mogelijkheid om Vuren meer en weer te verbinden met de Waal en de recreatieve mogelijkheden van het gebied meer te benutten, zodat de genoemde integrale aanpak van een groter gebied mogelijk werd. In hoofdstuk 3 wordt hierop dieper ingegaan. In het Projectplan Waterwet zijn in het kader van de dijkversterkingsopgave naast de natuurcompensatie tevens rivierwaterstandverlagende maatregelen opgenomen.
Samen met de vaststelling hiervan en het bijbehorende bestemmingsplan Dijkversterking GoWa is duidelijk geworden op welke wijze het gebied een kwaliteitsslag moest ondergaan. Dit geheel bood eveneens de gelegenheid om beperkte woningbouw binnen het plangebied mogelijk te maken, zonder dat daardoor aanvullende maatregelen voor nodig zijn. De dijkversterking heeft een belangrijke basis gevormd voor een integrale aanpak van het Heuff-terrein en
Heuff-terrein
7
het Buko-terrein, het voorliggende bestemmingsplan is hier een direct uitvloeisel van.
1.3
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is buitendijks gelegen in Vuren aan de rivier de Waal en wordt aan het zuidelijke deel globaal begrensd door diezelfde Waal. De noordzijde van het plangebied wordt gevormd door de buitenzijde van de kruin van het nieuwe dijklichaam. Aan deze buitenzijde zijn de dijkwoningen gedacht, waarbij de bestemming 'Verkeer', binnen het bestemmingsplan Dijkversterking GoWa aan de zuidkant ervan de uiterste begrenzing vormt. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de oude toegangsweg naar de steenfabriek (gelegen tussen de percelen Waaldijk 66 en 67) en een nagenoeg rechte lijn in zuidelijke richting getrokken naar de rivierzijde. De westzijde wordt gevormd door kadastrale grens die vrijwel evenwijdig aan de waterplas loopt en aan de zuidkant tot aan het Soldatenstrandje.
1.4
Huidige bestemmingsplannen
De locatie valt hoofdzakelijk binnen het geldende plangebied van het Bestemmingsplan Buitengebied 2012. Binnen dit plan geldt in hoofdzaak de bestemming 'Natuur'. Voor het voormalige bedrijfsterrein waarop het bedrijf Buko was gevestigd geldt de bestemming 'Bedrijf'. Ook gelden er dubbelbestemmingen, namelijk Waterstaat – Waterstaatkundige functie', Waterstaat – Waterkering' en 'Waarde – Archeologische verwachting 4'. Op het plangebied is eveneens het Reparatieplan Buitengebied 2014 en het paraplubestemmingsplan Parkeren van toepassing uit 2019. Voor een deel waar de dijkwoningen zijn voorzien geldt op dit moment het bestemmingsplan Dijkversterking GoWa. Hier geldt ter plaatse de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering'. Over vrijwel het gehele plangebied liggen ook de beschermingszones, die zijn gebaseerd op de nieuwe Waaldijk en de zomerkade aan de zuidzijde van het plangebied. De dubbelbestemmingen, zoals die waren opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied zijn vrijwel 1 op 1 overgenomen in het bestemmingsplan Dijkversterking GoWa. Voor de geldende enkelbestemmingen moet teruggevallen worden op de enkelbestemmingen in het bestemmingsplan Buitengebied 2012. Voor een belangrijk deel valt het plangebied ook binnen het paraplubestemmingsplan 'Buitengebied Parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie'.
Er is een dubbelbestemming op een deel van het plangebied gelegd 'Waarde - Nieuwe Hollandse Waterlinie'. Deze dubbelbestemming is vooral gericht op de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
Heuff-terrein
8
Afbeelding 1.1, Overzichtskaart begrenzing plangebied Heuff-terrein (bron: RoyalHaskoningDHV).
Afbeelding 1.2, Uitsnede uit het Bestemmingsplan Buitengebied 2012 (bron: Ruimtelijke Plannen)
Heuff-terrein
9
1.5
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van deze toelichting wordt ingegaan op het beleidskader van het rijk, de provincie Gelderland, het waterschap Rivierenlanden de gemeente West Betuwe. In hoofdstuk 3 wordt het plan verder inhoudelijk beschreven. De omgevingsaspecten om te beoordelen of sprake is van een goede ruimtelijke ordening komen aan de orde in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet, waarbij de verbeelding en de planregels worden besproken. Tot slot komt in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan aan de orde.
Heuff-terrein
10
Hoofdstuk 2
Beleidskader
2.1
Rijksbeleid
2.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Algemeen De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en dient als de 'kapstok' voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. "Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig", dat is de ondertitel van deze visie. De visie van het Rijk geldt voor de middellange termijn (2028). Om de ambities te verwezenlijken formuleert het Rijk drie hoofddoelen: 1. vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; 2. verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; 3. waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. De leidende gedachte in de SVIR is ruimte maken voor groei en beweging. In de SVIR richt het Rijk zich vooral op decentralisatie, waarbij de verantwoordelijkheid wordt verplaatst van rijksniveau naar provinciaal en gemeentelijk niveau. Voor het Rijk worden dertien onderwerpen van nationaal belang benoemd.
Planspecifiek Het Rijk is verantwoordelijke voor het integrale beheer van het hoofdwatersysteem en samen met de waterschappen verantwoordelijk voor de bescherming van Nederland tegen overstromingen. Het is belangrijk, dat bij ruimtelijke plannen, waaronder ook (deels) stedelijke (her)ontwikkeling, rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Het hoofdwatersysteem van Nederland bestaat uit de Noordzee, de Waddenzee, het IJsselmeer, het Markermeer, de Randmeren, de grote rivieren, de Zuidwestelijke Delta en de Rijkskanalen. Het plangebied ligt buitendijks langs de rivier de Waal. De Waal is in de SVIR aangewezen als hoofdvaarweg en wordt begrensd door de lijn die de grens van de vaarweg aangeeft in de Legger rijkswaterstaatswerken (zie hiervoor afbeelding 2.2). Het SVIR is uitsluitend bindend voor de rijksoverheid zelf. Er is alleen sprake van doorwerking naar provincie en gemeente, wanneer de nationale belangen zijn opgenomen in het Barro. Hierop wordt nader ingegaan in paragraaf 2.1.3.
2.1.2
Beleidslijn grote rivieren
Algemeen De Beleidslijn ruimte voor de rivier is in 1996 vastgesteld en in 1997 in werking getreden. In 2006 is de Beleidslijn ruimte voor de rivier herzien. Bij de herziening is de naam veranderd in 'Beleidslijn grote rivieren'. De Beleidslijn grote rivieren bestaat enerzijds uit een beleidsbrief van de toenmalige Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat en de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer aan de Tweede Kamer en anderzijds uit beleidsregels. De Handreiking Beleidslijn grote rivieren (geactualiseerd in 2014) licht het beleid toe, maar heeft geen juridische status. De Beleidslijn grote rivieren is na de herziening in 2006 nog een aantal keer gewijzigd. Deze wijzigingen waren voornamelijk van cosmetische aard en betroffen vooral de aanpassing aan en de afstemming op het begrippenkader en de systematiek van de Waterwet. Het doel van de Beleidslijn grote rivieren is de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed van de grote rivieren te
Heuff-terrein
11
behouden en ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken. Voor meer achtergrondinformatie wordt verwezen naar het Achtergrondrapport Rivierkunde (Bijlage 2). De Beleidslijn grote rivieren verenigt twee sporen van beleid; de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening. Er is een goede afweging in het ruimtelijk spoor noodzakelijk om te voorkomen dat er bestemmingsplancapaciteit ontstaat voor activiteiten die niet, of slechts onder bepaalde voorwaarden, zijn toegestaan. Doorwerking in het spoor van de ruimtelijke ordening voorkomt het afgeven van omgevingsvergunningen voor activiteiten waarvoor de watervergunning moet worden geweigerd. Juridisch beschouwd zijn het spoor van de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening complementair en staan zij los van elkaar. Een goede doorwerking van waterregelgeving vereist evenwel een adequate procedurele coördinatie tussen het ruimtelijk- en het waterspoor, waar bij de voorbereiding van het bestemmingsplan gehoor aan is gegeven. Planspecifiek De eerder genoemde dijkversterkingsmaatregelen hebben voor een deel gevolgen voor de afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed van de Waal. De compensatie hiervoor is gevonden en is grotendeels al gerealiseerd in de Woelse Waard in het kader van de dijkversterking.
De herinrichting van de Woelse Waard levert meer dan voldoende waterstandsdaling om de waterstandsverhoging als gevolg van de dijkversterking Go-Wa te compenseren. Nu de herinrichting van de Woelse Waard meer waterstandsdaling oplevert dan nodig is om de waterstandsverhoging als gevolg van de dijkversterking te compenseren, ontstaat ter plaatse van het Heuff-terrein rivierkundige ruimte, die ten goede kan komen aan het realiseren van een integraal plan met onder andere woningbouw in het buitendijkse gebied. Voor de rivierverruiming in de Woelse Waard was geen bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Verder kan worden aangegeven dat het bij de dijkversterking GoWa in de lijn lag om het Heuff-terrein hierin mee te nemen. Ook in combinatie met de voorgestelde woningbouw in het buitengebied blijft aan de bovenstroomse zijde een surplus aan waterstandsdaling bestaan. Op het moment van planvorming dijkversterking was het plan voor het Heuff-terrein nog niet geheel uitgekristalliseerd qua woningbouw om meegenomen te worden in die procedure.
Ter plaatse van het Heuff-terrein ontstaat als gevolg van de dijkversterking, de herinrichting van de Woelse Waard en de herinrichting van het Heuffterrein zelf, per saldo een verlaging van de maatgevende waterstand van ruim 1,5 cm. Deze verlaging geeft voldoende invulling aan de eis die voortvloeit uit de Beleidsregels Grote Rivieren (art. 6.e) en het Besluit algemene regels Ruimtelijke Ordening, titel Rivieren (art. 2.4.5.) om 'per saldo ruimte voor de rivier' te realiseren indien woningbouw en andere niet-riviergebonden activiteiten en bestemmingen op het Heuff-terrein mogelijk gemaakt worden. Binnen de natuurcompensatie van het bestemmingsplan voor het Heuff-terrein wordt tevens een buitendijkse taludverflauwing gerealiseerd. Samen met de open verbinding naar de westelijk gelegen waterplas zorgt dit ervoor dat het waterpeil fluctueert gelijk aan die van de Waal en (de noodzakelijke) inundatie van de natuurontwikkeling kan plaatsvinden. Op basis van de dijkversterking GoWa dient ongeveer 8 hectare natuurcompensatie te worden gerealiseerd. Het Heuff-terrein en Buko-terrein bieden meer ruimte voor natuurontwikkeling. Zodoende is ervoor gekozen om hier tevens de natuurcompensatie vanuit de dijkversterkingsopgaven TiWa en Tiel te realiseren, samen ruim 3 hectare.
Er is binnen het plangebied meer ruimte voor natuurontwikkeling dan de voor natuurcompensatie gereserveerde oppervlakten. In aansluiting op het deel dat voor woningbouw is gereserveerd, wordt het merendeel van deze ruimte ook bestemd en ingericht als natuur. Conclusie: De geringe afname van de afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed van de Waal als gevolg van de dijkversterkingsmaatregelen wordt gecompenseerd in de Woelse Waard. De herinrichting van de Woelse Waard heeft meer waterstandsdaling tot gevolg dan benodigd voor de waterstandsverhoging van de dijkversterking. Het surplus ontstaan door de dijkversterking gaf de ruimte tot realisering van de woningen in het buitendijkse gebied. Voorliggend bestemmingsplan biedt op beperkte schaal de
Heuff-terrein
12
mogelijkheid tot realisering van maximaal zestien woningen. De verantwoording van deze woningen komt eveneens aan de orde in paragraaf 2.1.3. Verder kan worden vastgesteld dat er binnen het plan geen ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken. De woningen op het terrein van de voormalige steenfabriek liggen op het hoogste gedeelte van het terrein, dat bij hogere waterstanden niet onder water komt te staan. De dijkwoningen zullen als een lint op ongeveer kruinhoogte van de nieuw aan te leggen dijk worden gerealiseerd.
2.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Algemeen Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 in werking getreden. In het Barro worden een aantal projecten van Rijksbelang met name genoemd en exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de SVIR. Er worden vijftien onderwerpen In het Barro geregeld, waaronder grote rivieren en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. De eerste aanvulling op het Barro is op 1 oktober 2012 in werking getreden. Nationale belangen Barro De volgende nationale belangen uit het Barro zijn relevant voor het plangebied: 1. Rijksvaarwegen (Titel 2.1 artikel 2.1.2 t/m 2.1.3) De rivier de Waal is aangewezen als rijksvaarweg in de CEMT klasse VIc. Voor deze klasse geldt een vrijwaringszone van 25 meter aan weerszijde, gemeten vanaf de begrenzingslijn. In artikel 2.1.3 Barro is geregeld dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen de begrenzing van een rijksvaarweg of op een vrijwaringszone en dat een wijziging inhoudt ten opzichte van het ten tijde van inwerkingtreding van deze titel geldende bestemmingsplan, wordt rekening gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor: a. de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; b.
de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; c. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; d. de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten, en e. het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg.
Heuff-terrein
13
Afbeelding 2.1, Waal inclusief vrijwaringszone uitsnede Barro (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)
2. Grote rivieren (Titel 2.4 artikel 2.4.3 t/m 2.4.7) Vanwege de ligging binnen de begrenzing van een rijksvaarweg in (een stroomvoerend deel van) een rivierbed zijn de voorwaarden uit artikel 2.4.3 en 2.4.7 Barro van toepassing. Voor een rivierbed geldt dat een bestemmingsplan ten opzichte van het voorgaande alleen nieuwe bestemmingen aanwijst als: a. het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewater gewaarborgd blijft; b. het plan geen feitelijke belemmering vormt voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; c. een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en d. een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Bij het aanwijzen van nieuwe bestemmingen moeten resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd en moet worden aangegeven hoe dat gebeurt.
Stroomvoerend deel Waal Voor een stroomvoerend deel geldt daarnaast dat een bestemmingsplan uitsluitend een wijziging mogelijk kan maken voor zover daarbij een of meer van de activiteiten zoals opgesomd in artikel 2.4.4 Barro mogelijk worden gemaakt, zoals de verwezenlijking en het beheer van natuurterreinen (2.4.4 onder f), de verwezenlijking van voorzieningen van groot openbaar belang die niet buiten het rivierbed kunnen worden gerealiseerd (2.4.4 onder j), een functieverandering binnen de bestaande bebouwing (2.4.4 onder l) en het behoud van bekende of te verwachten archeologische monumenten (2.4.4 onder n).
Ruimte voor de rivier In artikel 2.4.5. Barro is bepaald dat in een bestemmingsplan slechts activiteiten mogelijk worden gemaakt, die per saldo meer ruimte voor de rivier opleveren en waarbij is vastgelegd welke maatregelen dit betreft. Om voor concrete gevallen een praktische invulling te kunnen geven aan deze elementen, in hun onderlinge samenhang, is door het Rijk een rekenregel ontwikkeld. Deze rekenregel (rekenregel 6D) is opgenomen in de handreiking Beleidsregels grote rivieren en kan worden gezien als een richtlijn
Heuff-terrein
14
waarlangs ruimtevragende maatregelen kunnen worden vertaald in een aanvullende verruimingseis. Deze rekenregel wordt niet alleen door Rijkswaterstaat gehanteerd bij de beoordeling van vergunningsaanvragen, maar is eveneens bruikbaar voor de verantwoording van de bestemmingswijzigingen in relatie tot het Barro.
Planspecifiek Algemeen Belangrijkste reden voor het in procedure brengen van dit bestemmingsplan is het uitvloeisel (de verplichting) van de natuurcompensatie op grond van de eerdergenoemde dijkversterkingsmaatregelen. Het is namelijk gebleken dat de natuurcompensatie niet of niet volledig binnen de projecten voor de dijkversterkingen gerealiseerd kan worden. Bovendien biedt het Heuff-terrein de mogelijkheid om een schaars natuurdoeltype hard- en zachthout ooibos op een groter aaneengesloten oppervlak tot ontwikkeling te brengen. De natuurcompensatie wordt gerealiseerd op het voormalige Buko-terrein, een terrein met een bedrijfsbestemming. Het bedrijf is op de locatie beëindigd. Bij de natuurontwikkeling zal onder meer het maaiveld worden verlaagd ten behoeve van inundatie. Het plan maakt ook op beperkte schaal woningbouw mogelijk op basis van plannen en besluiten, onder meer de raadsbesluiten op de Nota van Uitgangspunten en Schetsontwerp in 2013 en de Structuurvisie WaalWeeldeWest in 2015. Deze plannen en besluiten dateren al van vóór de verkenningen van de dijkversterkingsmaatregelen en kunnen nu gecombineerd opgepakt worden. Het gaat hierbij om twaalf dijkwoningen, die op het talud en tegen de kruin van het nieuw aan te leggen dijklichaam gerealiseerd gaan worden. Deze woningen doen geen afbreuk aan de waterafvoerende functie en capaciteit van de Waal.
Verder zullen een viertal woningen aan de zuidoostzijde van de voormalige steenfabriek op enkele verhogingen worden gerealiseerd. De gronden waar de vier woningen worden gerealiseerd bevinden zich op een hoogte vanaf 5,30 m op NAP, die bij hoge waterstanden van de Waal naar verwachting niet meer onder water komen te staan. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de betrekkingslijnen van 2018 van Rijkswaterstaat. Barro De locatie ligt buitendijks en valt daarmee binnen de begrenzing van de rijksvaarweg. De locatie ligt eveneens binnen de vrijwaringszone, zoals aangegeven in artikel 2.1.2 van het Barro. Het bestemmingsplan dient feitelijk twee doelen, namelijk realisering van 12 ha natuurcompensatie met een kwaliteitsslag voor natuurontwikkeling binnen de bestaande natuur. Eén en ander zoals ook aangegeven in paragraaf 2.1.2. Verder wordt op beperkte schaal woningbouw mogelijk gemaakt op basis van eerdere afspraken. Het gaat hierbij om woningbouw langs het nieuwe dijklichaam (dijkwoningen) en uiterwaardwoningen op de hoger gelegen delen. Verder wordt een nieuw volkstuinencomplex mogelijk gemaakt en wordt de schoorsteen van de voormalige steenfabriek wanneer financieel mogelijk behouden. Op grond van het Barro geldt er vanaf de begrenzing van de vaarweg een 25 meter brede vrijwaringszone.
Ligt een bestemmingsplan binnen deze zone, dan moet rekening worden gehouden met het voorkomen van belemmeringen voor de scheepvaart en het vaarwegbeheer. De begrenzing van de vaarweg is bepaald in de Legger rijkswaterstaatswerken. Het betreft de blauwe lijn in onderstaande afbeelding. Vanaf daar geldt een 'vrijwaringszone' waar rekening mee gehouden moet worden met de belangen van de hoofdvaarweg. Voor de Waal (scheepvaartklasse VIc) is deze zone 25 m breed. Deze zone is rood aangegeven in onderstaande afbeelding. Zoals in 2.1.1 is aangegeven vormt de Waal onderdeel van het basisnet. Hierbij is het uitgangspunt dat Rijkswaterstaat ervoor moet zorgen dat het plaatsgebonden risico van 10-6 binnen de begrenzing van de vaarweg blijft. Normaliter zou de begrenzing van de vaarweg ook daadwerkelijk de vaarweg volgen. Fysiek zou er geen verschil moeten zijn met andere plekken waar de vaarweg in de Legger rijkswaterstaatwerken wel buiten land blijft en de daadwerkelijke vaarweg volgt. Voorgaande redenering volgend blijft Rijkswaterstaat verantwoordelijk voor de daadwerkelijke vaarweg en is de gemeente voor landzijde het bevoegd gezag. In paragraaf 4.6 wordt op dit onderdeel verder ingegaan.
Heuff-terrein
15
Afbeelding 2.2, gedeelte van de vrijwaringszone Waal op basis van de Legger rijkswaterstaatswerken Vanuit het Barro moet rekening worden gehouden met vijf onderdelen, namelijk: a. de doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; b. de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; c. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; d. de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten, en e. het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. Kijkend naar de vijf onderdelen kan het volgende worden aangegeven. Het bestemmingsplan maakt woningen mogelijk op gronden, die zelfs bij hoge waterstanden, droog blijven. Doorvaart is nu al niet mogelijk binnen het plangebied, zodat vastgesteld kan worden dat deze ook niet verder wordt ingeperkt, het betreft een bestaande situatie die na vaststelling van het bestemmingsplan en haar ontwikkelingsmogelijkheden niet veranderd. Hetzelfde kan worden opgemerkt voor wat betreft de zichtlijnen, de navigatie,het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten en het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg.
Voor wat betreft de toegankelijkheid van de rijksvaarweg voor hulpdiensten kan worden aangegeven dat door de ontwikkelingen die dit bestemmingsplan mogelijk maakt de toegankelijkheid van de Waal voor hulpdiensten niet wordt gewijzigd of wordt belemmerd. Ruimte voor de rivier De woningen zelf worden hoger gerealiseerd waarbij een peil aangehouden wordt van 5,60 m op NAP, waarbij uitgangspunt is van de kans op overstroming van eens in de 150 jaar. Bij de bepaling van de bouwhoogte is rekening gehouden met de eventuele effecten van de waterstand op zee (opstuwende effect). Op termijn zal de zeespiegelstijging ook effect hebben op de toekomstige waterstanden. De verwachting is dat de zee de komende 50 jaar met 30 tot 50 cm zal stijgen. Op dit moment wordt een peil (bovenzijde vloer) van 5.60 m op NAP als toereikend beschouwd. De woningen worden daarbij op een hoogwatervrij terrein binnen het buitendijkse gebied gerealiseerd. Binnen de Beleidslijn Grote Rivieren is al nader ingegaan op de waterstandsdaling en de rivierkundige ruimte die ontstaat als gevolg van herinrichting van de Woelse Waard. Het surplus als gevolg van de dijkversterking heeft de mogelijkheid gegeven tot woningbouw in het buitendijkse gebied.
Aanvullend hierop kan worden aangegeven dat ter plaatse van het Heuff-terrein, als gevolg van de dijkversterking, de herinrichting van de Woelse Waard en de herinrichting van het Heuffterrein zelf, per saldo een verlaging ontstaat van de maatgevende waterstand van ruim 1,5 cm. Deze verlaging geeft
Heuff-terrein
16
voldoende invulling aan de eis die voortvloeit uit de Beleidsregels Grote Rivieren (art. 6.e) en het Besluit algemene regels Ruimtelijke Ordening, titel Rivieren (art. 2.4.5.) om 'per saldo ruimte voor de rivier' te realiseren indien woningbouw en andere niet-riviergebonden activiteiten en bestemmingen op het Heuff-terrein mogelijk gemaakt worden. Externe veiligheid Vastgesteld kan worden dat de Plaatsgebonden Risico (PR) 10-6 zone binnen de begrenzing van de vaarweg ligt, zoals die is opgenomen in de Legger Rijkswaterstaatswerken. De Waal maakt onder uit van het basisnet waarin gewerkt wordt met risicoplafonds. Hiervan uitgaande blijkt dat RWS verantwoordelijk is dat de PR 10-6 binnen de begrenzing van de vaarweg blijft. De begrenzing van de vaarweg in de Legger van RWS vormt een grove lijn, die binnen het plangebied over een stuk grond loopt, waar evident niet gevaren kan worden. Verwacht zou worden dat de begrenzing de oeverlijn zou volgen ter hoogte van het Heuff-terrein. Voorgaande is reden om het onderdeel Externe Veiligheid verder inhoud te geven in paragraaf 4.6.Het is namelijk niet mogelijk wijzigingen aan te brengen in de begrenzing van de vaarweg, maar in kader van de Externe Veiligheid kan wel een nader afweging worden gemaakt.
Conclusie: Vastgesteld kan worden dat de ontwikkelingen die binnen het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt geen belemmering vormen voor de doorvaart, zichtlijnen, toegankelijkheid hulpdiensten en het uitvoeren van beheer en onderhoud van de rijksvaarweg. Verder kan worden opgemerkt dat de transformatie naar natuur ook aan de gestelde voorwaarden uit artikel 2.4.3 Barro voldoet. De waterstandverlagende maatregelen in de Woelse Waard geven voldoende surplus voor de ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt met dit bestemmingsplan. Hiermee wordt voldaan aan het bepaalde in 2.4.5 Barro. De externe veiligheid is onderdeel gemaakt van de omgevingsaspecten in hoofdstuk 4. Voldaan wordt aan de regels binnen het Barro.
2.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6 Bro 2017)
Algemeen Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De toelichting bij een bestemmingsplan zal antwoord moeten geven op de volgende vragen: 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Dat wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling in relatie tot omgeving. Voor wonen geldt dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. 2. Gaat het om een stedelijke ontwikkeling die nieuw is? Als sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, dan moet de Laddertoets worden uitgevoerd. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied en is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Wanneer sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling moet de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de behoefte aan de te realiseren woningen. Deze behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de woningbouwontwikkeling. Het gaat zowel om kwantitatieve aspecten als ook kwalitatieve aspecten die een rol spelen bij de beschrijving van de
Heuff-terrein
17
behoefte. Gedacht kan worden aan specifieke woontypen, wooncategorieën en woonmilieus. 4. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Als de woningbouwontwikkeling voorziet in een behoefte en gepland is binnen bestaand stedelijk gebied, dan wordt voldaan aan de Ladder. Is dat niet het geval dan moet volgens artikel 3.1.6 Bro lid 2 gemotiveerd worden waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Planspecifiek Bovenstaande vragen dienen aan de hand van de planlocatie te worden beantwoord. Hieronder wordt op elke vraag verder ingegaan: 1. Is sprake van een stedelijke ontwikkeling? Volgens jurisprudentie geldt dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling vanaf twaalf woningen. Eveneens volgt uit jurisprudentie dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij een toevoeging van 400 tot 500 m². In deze situatie gaat het om een project van in totaal zestien woningen, zodat sprake is van een Ladderplicht. 2. Betreft het een nieuwe stedelijke ontwikkeling? De ladder is alleen van toepassing op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Het betreft een functiewijziging naar woningbouw, zodat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een beschrijving van de behoefte (zie paragraaf 2.3.2) in het de kader van de Laddertoets is noodzakelijk. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied en is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? In paragraaf 2.3 en in paragraaf 2.5.2 wordt hierop ingegaan. 4. Ligt ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? Vastgesteld kan worden dat de ontwikkeling voor wat betreft de dijkwoningen direct aansluit op bestaand stedelijk gebied en in ruimtelijke zin een overgang vormen naar en verbinding maken met de Waal. De woningen op het terrein van de voormalige steenfabriek liggen buiten het stedelijk gebied.
Voor de motivering wordt verder verwezen naar paragraaf 2.3 en paragraaf 2.5.2.
2.1.5
NOVI
Algemeen De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte komt te zijner tijd te vervallen. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Het ontwerp van de NOVI heeft in de tweede helft van 2019 ter inzage gelegen. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Omgevingskwaliteit is daarmee het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het rijk.
Nationale belangen
Heuff-terrein
18
Met de NOVI benoemt het rijk 21 nationale belangen. De eerste drie nationale belangen zijn van een ander meer overkoepelend karakter, dan de overige. Deze nationale belangen zijn: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties. 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem. 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit. 8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving. 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten. 10. Beperken van klimaatverandering. 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO²-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur. 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen. 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie. 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit). 15.
Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater. 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit. 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie. 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter-)nationaal belang. 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij.
Prioriteiten Tevens geeft de NOVI richting met behulp van vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energiestrategie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Afwegingsprincipes Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als de ondergrond. Zo wordt 'omgevingsinclusief' beleid gevoerd. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal 3. Afwentelen wordt voorkomen
Uitgangspunten voor samenwerking De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende brede maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij worden vier uitgangspunten gehanteerd: 1. Er wordt gewerkt als één overheid, samen met de samenleving 2. De opgave staat centraal 3. Er wordt gebiedsgericht gewerkt 4. Er wordt permanent en adaptief gewerkt aan de opgaven.
Heuff-terrein
19
Brede maatschappelijke betrokkenheid is een voorwaarde voor het slagen van gezamenlijke ambities. Daarom wordt in de NOVI tevens aandacht besteed aan participatie. Participatie vraagt om maatwerk per opgave, gebied en bestuurlijke situatie.
NOVI-gebieden Ten slotte worden in de NOVI op vier thema's voorlopig acht zogenaamde NOVI-gebieden benoemd welke onderdeel worden van de Omgevingsagenda. Het Rijk zal in deze gebieden een actieve rol gaan spelen. Deze thema's en bijbehorende gebieden zijn: Transities van havengebieden in Regio Rotterdam en Amsterdam Transities landelijk gebied: De Peel en Groene Hart Energie- en klimaattransities in relatie tot verstedelijking: Groningen en regio Zwolle Transities in grensoverschrijdende context: Zuid-Limburg en de Zeeuwse havens/Zeeuws-Vlaamse kanaalzone. Uitvoeringsagenda De NOVI gaat vergezeld met een Uitvoeringsagenda, waarin staat hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. Zo helpt de NOVI om keuzes te maken waar dat moet. Want niet alles kan overal.
Conclusie: Met de realisering van natuur en deels natuurcompensatie en de realisering van de nevengeul wordt invulling gegeven aan de nationale belangen, zoals verwoord onder punt 14, 19 en 20. Voor wat betreft de woningbouw wordt invulling gegeven aan punt 5. In zekere mate wordt verder ook invulling gegeven aan de punten 1, 2 en 4. Te denken valt aan het versterken van de verbinding van het dorp Vuren met de Waal. Daarbij wordt verder een betere leefomgeving gecreëerd, die natuurbeleving mogelijk maakt. Het voorliggende bestemmingsplan is op voorhand niet in strijd met de NOVI. De NOVI wordt definitief met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
2.1.6
Deltaprogramma 2022
Het Deltaprogramma 2022 is aangeboden op Prinsjesdag 2021 aan de Tweede Kamer, samen met de begroting van het Deltafonds. In het programma staat de voortgang van de uitvoering van het werk aan de delta centraal. Het gaat daarbij om de (wettelijke) uitwerking en de uitvoering van de deltabeslissingen en voorkeursstrategieën. In het Deltaprogramma staan drie deltaplannen met onderzoeken, maatregelen en voorzieningen voor de waterveiligheid, ruimtelijke adaptatie en zoetwatervoorziening in Nederland. De programmering is voor de eerste zes jaar gedetailleerd ingevuld en voor de twaalf jaar daarna indicatief, met een doorkijk naar 2050. Nederland had in 2018 te maken met extreme weersomstandigheden: langdurige droogte, hitte en fikse hoosbuien. In de zomer van 2019 sneuvelde het nationale hitterecord uit 1944. Onderzoek liet tegelijkertijd zien dat de zeespiegel in de toekomst mogelijk sneller gaat stijgen dan waar de deltascenario’s van uitgaan. En het World Economic Forum (WEF) constateerde dat klimaatverandering de grootste dreiging is voor de wereldeconomie. Het is dan ook van groot belang dat Nederland zich goed blijft voorbereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Met een goede bescherming tegen hoogwater, voldoende zoetwater en een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting.
Met het ingezette beleid is kernopgave Nederland in 2050 klimaatbestendig en klimaat robuust is ingericht. Op dit moment vinden binnen Nederland stresstesten per gemeente plaats om knelpunten van bestaande infrastructuur in kaart te brengen. In een driedelig nationaal programma worden de kwetsbare situaties in beeld gebracht, afgewogen en geprioriteerd. Voorgaande leidt tot concrete maatregelen die
Heuff-terrein
20
getroffen moeten worden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen zal vooraf gekeken moeten worden of deze klimaatadaptief zijn en of de inrichting voldoende robuust kan worden ontwikkeld. Klimaatadaptatie en duurzaamheid zijn aandachtspunten voor deze ontwikkeling. Binnen hoofdstuk 4 komen deze verder aan de orde.
2.2
Provinciaal beleid
2.2.1
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en omgevingsverordening
2.2.1.1 Omgevingsvisie Provinciale Staten van Gelderland hebben de Omgevingsvisie op 19 december 2018 vastgesteld. De omgevingsvisie stuurt de ruimtelijke ordening op hoofdlijnen op (boven)regionaal niveau. De visie is gericht op een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Op 01 februari 2022 zijn geconsolideerde versies van de Omgevingsverordening en de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. Er heeft een nog een actualisatieslag plaatsgevonden op 5 juni 2022. In de visie worden op zeven thema's ambities gesteld: 1. Duurzaamheid In 2050 is Gelderland klimaatneutraal. Dit wordt bereikt door grootschalige besparing en opwekking uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie. Innovatie en het uitrollen van bewezen technieken wordt in dat kader gestimuleerd. 2. Klimaatadaptatie In 2050 is Gelderland klimaatbestendig. De provincie is goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. In 2020 zijn samen met partners de risico’s en kansen van het veranderend klimaat in beeld gebracht en strategieën opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. 3. Circulaire economie Gelderland wil de eerste afvalloze provincie van Nederland zijn.
Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden in onze schone industrie. Om dit te bereiken is in 2030 het gebruik van primaire grondstoffen in Gelderland met 50% teruggebracht. 4. Biodiversiteit In 2050 gaat het goed met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuur-inclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald. 5. Bereikbaarheid In 2050 is de groei van de mobiliteit op een slimme manier opgevangen en verplaatsen mensen in Gelderland zich veilig, snel, betaalbaar en klimaatneutraal. Snel en veilig internet fungeert daarbij als alternatief voor fysieke verplaatsingen. Het netwerk voor goederenvervoer in Gelderland is dan toegankelijk, duurzaam en klimaatneutraal. In 2030 is al het busvervoer zonder uitstoot en is 35% van het totaal aantal verplaatsingen met de fiets. 6. Vestigingsklimaat Gelderland wil de concurrerende positie binnen het internationale stedelijke netwerk van Amsterdam, Brussel en Keulen verder versterken. Om onderscheidend te blijven, halen we in 2050 maximaal profijt uit de unieke combinatie van stedelijke en groene kwaliteiten.
In 2050 zijn alle werklocaties in Gelderland duurzaam ingericht qua energie, klimaatbestendigheid en logistieke en productiestromen. Gelderland is koploper in Nederland. 7. Woon- en leefomgeving Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan
Heuff-terrein
21
woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. We benutten de bestaande bebouwde omgeving optimaal met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal. De Omgevingsvisie is uitsluitend bindend voor de Provincie zelf en heeft geen rechtstreekse doorwerking naar het bestemmingsplan. Een aantal beleidsuitspraken uit de Omgevingsvisie is doorvertaald naar de Omgevingsverordening. Klimaatadaptatie In 2022 is klimaatadaptatie toegevoegd aan de Omgevingsverordening. Het Nederlandse klimaat verandert snel. We krijgen te maken met hete zomers en natte winters. Het aantal weerextremen neemt rap toe. De provinice werkt aan het verminderen van de impact van hitte, droogte, wind- en wateroverlast. Aanpassingen zijn nodig om grote schade aan gebouwen, infrastructuur en gewassen tegen te gaan. Ook schade aan de biodiversiteit en onze gezondheid moet voorkomen worden. Doel van de provincie is om in 2050 een aan het veranderde klimaat aangepast Gelderland te hebben. Actualisatieplan 9 Omgevingsverordening Grote delen van de gemeente West Betuwe, waaronder het plangebied, zijn aangewezen als drinkwaterreserveringsgebied.
Doel is dat het grondwater in het gebied in de toekomst (2040) nog steeds geschikt is om drinkwater te maken, zonder vergaande zuivering. In het gebied wordt nog geen drinkwater gewonnen, maar er gelden al wel bepaalde regels voor een aantal activiteiten. Er gelden regels die een onderscheid maken in activiteiten die gemeld moeten worden en waarvoor algemene regels gelden, en activiteiten waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd en activiteiten die verboden zijn. Voorgaande wordt afhankelijk gesteld van mogelijk nadelig gevolgen voor de kwaliteit van het drinkwater. De toepassing van open en gesloten bodemenergiesystemen en geothermie zijn binnen de reserveringsgebieden niet toegestaan, uitzondering vormt bodemenergie boven de diep gelegen kleilaag. Opgemerkt kan worden dat woningbouw wel wordt toegestaan in drinkwaterreserveringsgebieden, waarbij de eerder genoemde beperkingen van bodemenergie gelden. Wel gelden er aanvullende regels voor aanleg van een individuele behandeling van afvalwater (IBA). 2.2.1.2 Omgevingsverordening Gelderland Algemeen Tegelijk met de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, is ook de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld door Provinciale Staten. De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te kunnen realiseren.
Bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem zijn in deze verordening opgenomen. Alleen de Waterverordeningen (per waterschap) en de Gelderse Vaarwegverordening 2009 (nog) niet. De Omgevingsverordening heeft daarom de status van: Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening; Milieuverordening in de zin van artikel 1.2 Wet Milieubeheer; Natuurverordening in de zin van de Wet Natuurbescherming; Waterverordening in de zin van de Waterwet; Verkeersverordening in de zin van artikel 57 van de Wegenwet en artikel 2 A van de Wegenverkeerswet. Planspecifiek De Omgevingsverordening geeft voor het plangebied en directe omgeving het volgende aan: Windenergie en landbouw In het kader van windenergie en landbouw worden instructieregels gegeven. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet hierin niet, zodat de verordening op deze punten niet relevant is voor de onderhavige ontwikkeling. Natuur
Heuff-terrein
22
De gronden ten westen (donkergroen) het plangebied behoren tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Op onderstaande afbeelding is het plangebied ten opzichte van het GNN weergegeven.
Afbeelding 2.3 Gedeelte uit Omgevingsverordening (bron: provincie Gelderland). Het beleid hiervoor richt zich op het versterken van de ecologische samenhang door de aanleg van verbindingszones. De omgevingsverordening geeft regels over hoe om te gaan met het GNN in bestemmingsplannen. Binnen het bestemmingsplan is sprake van natuurontwikkeling. Enerzijds krijgt het Buko-terrein een natuurbestemming en wordt toegevoegd aan de al bestaande natuur in de directe omgeving. Anderzijds wordt een kwaliteitsimpuls gegeven aan de bestaande natuur, zodat dit een bijdrage levert aan het behoud, herstel en/of ontwikkeling van natuurwaarden. Voor het merendeel van het plangebied geldt al een natuurbestemming en zal deels worden ingezet om meer dan voorheen de verbinding met de Waal te maken, zodat ook de recreatieve functie binnen het plangebied versterkt zal worden. Het gebied zal uiteindelijk worden opgenomen binnen het GNN. Van strijdigheid met de regels uit de Omgevingsverordening is daardoor geen sprake. In paragraaf 4.9 wordt nader ingegaan op ecologie en meer specifiek op de gebiedsomstandigheden.
Nieuwe Hollandse Waterlinie Het zuidelijke deel van het plangebied maakt onderdeel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Vastgesteld kan worden dat de kernkwaliteiten niet worden aangetast. Binnen het plangebied is sprake van een militair werk nabij de voormalige steenfabriek. Deze is niet gesitueerd binnen het plangebied dat voor woningbouw is bestemd. De locatie wordt verder ongemoeid gelaten. Binnen het plangebied bevinden zich verder geen cultuurhistorische waarden verband houdend met de Waterlinie, die bescherming behoeven op grond van de benoemde kernkwaliteiten uit de Omgevingsverordening. Zie ook paragraaf 4.10. Water en milieu Voor zover relevant komen deze onderdelen terug in hoofdstuk 4. De instructieregels uit de Omgevingsverordening voor deze onderdelen zijn niet relevant voor de onderhavige ontwikkeling. Klimaatadaptatie Het voormalige Buko-terrrein wordt volledig ingezet voor natuur, zodat meer groen wordt gerealiseerd. Verder wordt eveneens een kwaliteitsimpuls gegeven aan de bestaande natuur. De uiterwaardwoningen worden gerealiseerd in de natuur en de dijkwoningen aan de natuur. De bebouwing en de verharding worden hier, door de specifieke eisen die aan beide type woningen worden gesteld tot een minimum beperkt. Ook kan worden opgemerkt dat de woningen aan de laatste eisen qua bouw moeten voldoen, waardoor minder overlast wordt ervaren van hitte.
Extreme regenval heeft nauwelijks effect op de woningen, doordat ze verhoogd worden aangelegd in het terrein (uiterwaardwoningen) en op kruinhoogte
Heuff-terrein
23
van de dijk worden gerealiseerd. Drinkwaterreserveringsgebieden In het plangebied is sprake van natuur en in het gebied wordt de natuurfunctie nog verder uitgebreid, doordat het voormalige Buko-terrein wordt omgevormd. Verder wordt beperkte woningbouw mogelijk gemaakt. Woningbouw is mogelijk op basis van de regels die gesteld worden aan de drinkwaterreserveringsgebieden. Doel van het drinkwaterreserveringsgebied is het beschermen van de diepe kleilaag boven de potentiële drinkwaterwinning. Er gelden wel aanvullende regels voor de toepassing van bodemenergie en IBA. Voor wat betreft riolering, worden de te realiseren woningen aangesloten op het gemeentelijk systeem. Conclusie: Er bestaat geen strijdigheid met de geformuleerde aanpak vanuit de ambities uit de Omgevingsvisie. Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan de regels zoals gesteld in de Omgevingsverordening.
2.3
Regionaal beleid
2.3.1
Woonagenda Rivierenland 2020-2030
Algemeen In deze woonagenda staan gezamenlijke afspraken over de woningbouwopgave voor de komende tien jaar voor de 8 gemeenten van de Regio Rivierenland. In deze periode moeten tussen de 7.900 en 12.500 nieuwe woningen gebouwd worden, om te kunnen voorzien in de regionale vraag naar woningen. In de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland is opgenomen dat alle regio's binnen de provincie een regionale woonagenda moeten opstellen. Het doel van zo'n woonagenda is om de woningbouwopgave in de regio af te stemmen. Regionale afstemming moet ervoor zorgen dat er wordt gebouwd naar behoefte en dat gemeenten samenwerken op gemeente overstijgende onderwerpen. Rivierenland Rivierenland is een aantrekkelijke woonregio, door haar gunstige centrale ligging en goede ontsluiting met de rest van Nederland. De regio beschikt over veel groen, ruimte en een relatief betaalbare woningvoorraad ten opzichte van omliggende steden. De verwachting is dat de druk vanuit deze omliggende steden hoog blijft. Ontwikkelingen als vergrijzing en toenemende mobiliteit hebben hun weerslag op de vraag naar woningen in Rivierenland. Daarnaast zijn er de laatste jaren veel nieuwe regels rondom het onderwerp wonen gekomen. Al deze ontwikkelingen samen vormden de aanleiding voor actualisatie van de Regionale Woonagenda Rivierenland.
Regionale opgaven In de Regionale Woonagenda zijn vijf thema's uitgewerkt waarop de acht regiogemeenten de komende jaren willen samenwerken. Deze thema's zijn: 1. Continuïteit in productie; 2. Betaalbaarheid van het wonen; 3. Flexibiliteit op de woningmarkt; 4. Wonen en zorg; 5. Duurzaamheid. Opgave nieuwbouw Naast de inhoudelijke thema's, bevat de regionale woonagenda ook een woningbouwprogramma voor de komende tien jaar. Hierin staan per gemeente bandbreedtes voor het aantal toe te voegen woningen. In totaal verwacht de regio Rivierenland in de periode 2020-2030 tussen 7.900 en 12.500 nieuwe woningen te realiseren, om te voorzien in de regionale woningbehoefte. De opgave is fors. Net als in veel delen van Nederland zullen er nieuwe woningen bij moeten komen om de druk op de woningmarkt te verlichten.'
Heuff-terrein
24
2.3.2
Regionaal Woningbouwprogramma Rivierenland
Algemeen De gemeenten van de regio Rivierenland hebben afspraken gemaakt voor het opstellen en monitoren actueel houden - van een regionaal woningbouwprogramma. Om voldoende inzicht te hebben in de woningmarkt en als basis voor het regionale woningbouwprogramma heeft de regio Rivierenland in 2015 een regionaal woningbehoefteonderzoek uit laten voeren. Het regionaal woningbehoefteonderzoek geeft inzicht in de verwachte woningbehoefte voor de komende jaren op basis van de effectieve vraag. Het regionale woningbouwprogramma is een dynamische lijst en wordt jaarlijks geactualiseerd. De meest recente actualisatie van het regionale woonbeleid bestaat uit: 'Uitvoeringsplan wonen, wonenzorg en woonladder regio Rivierenland 2018 16 november 2017' Toetsing van projecten Alle projecten worden getoetst op drie punten: 1. Planstatus Van alle projecten is de planstatus geïnventariseerd. Vanuit de provincie wordt mede gestuurd op planologische hardheid. Het is van belang om te monitoren of kansrijke plannen opgenomen zijn/worden in harde bestemmingsplancapaciteit. Voorkomen moet worden dat plancapaciteit gebruikt wordt voor niet-kansrijke plannen of projecten die pas op zeer lange termijn ontwikkeld worden. Plannen met harde plancapaciteit worden 'groen' gemarkeerd. Plannen met zachte plancapaciteit zijn 'rood'.
Voorliggende ontwikkeling scoort op dit punt rood, omdat het plan nog niet is vastgesteld. Voorliggend plan ligt inde lijn met de behoefte van de gemeente en is daarmee in potentie groen. 2. Urgentie Onder deze noemer vallen in ieder geval de plannen waar sprake is van een verbetering van locatie en omgeving zoals bij herstructurering, bedrijfssanering, afronding van een gebied. Daarnaast kan een bepaald woningbouwprogramma, zoals voor senioren geschikte woningen in combinatie met zorgvoorzieningen, aanleiding zijn om prioriteit te geven aan een project. Voorliggende ontwikkeling voorziet in de verbetering van de omgeving van de steenoven en betreft naast een bedrijfsbeëindiging op het terrein in natuurcompensatie, zodat een fraaie afronding van het gebied plaatsvindt. Het plan draagt voor wat betreft de dijkwoningen bij aan doorstroming op de woningmarkt. Hiermee wordt door het planologisch mogelijk maken van een twaalftal dijkwoningen voorzien in een concrete woningbehoefte en scoort de ontwikkeling 'groen'. 3. Woonmilieu, prijs en woningtype In het WBO is aangegeven waar de belangrijkste tekorten en overschotten zijn. Het regionale woningbouwprogramma wordt hieraan getoetst. Dit kan aanleiding zijn om een aantal projecten opnieuw te bezien en mogelijk meer af te stemmen op de actuele vraag.
Projecten worden gespiegeld aan de geschetste behoefte uit het WBO waarbij maatwerk per gemeente en kern mogelijk is. Een groot deel van de projecten bedient immers een specifieke, lokale vraag. Indeling projecten Alle bekende projecten zijn getoetst en ingedeeld in drie categorieën. 1. Kansrijke plannen en/of korte termijn (realisatie binnen vijf jaar) Dit zijn plannen die goed aansluiten op de actuele marktvraag. Deels gaat het dan om projecten met woningen in de lagere huur- en koopprijscategorieën. Ook zorggerelateerde woningen scoren hoog. Daarnaast lijkt de markt voor middeldure, en soms zelfs dure, koopwoningen weer aan te trekken. Projecten in categorie 1 zijn opgenomen in harde plancapaciteit. Kansrijke plannen waar nog geen vastgesteld bestemmingsplan voor is, worden opgenomen in categorie 2.
Heuff-terrein
25
2. Plannen met aandachtspunten en/of middellange termijn (realisatie over vijf tot tien jaar) De projecten in categorie 2 zijn plannen met een (beïnvloedbaar) risico. Zo kan het een kansrijk project zijn met als enige aandachtspunt dat er nog geen vastgesteld bestemmingsplan ligt. Andere belemmeringen zijn omgevingsfactoren zoals milieubelemmeringen of een te verwachten weerstand vanuit de omgeving. Bij de toetsing wordt onderscheid gemaakt tussen plannen in categorie 2A waarvan verwacht wordt dat de oplevering gepland is voor de middellange termijn (2020-2025) en plannen in categorie 2B met aandachtspunten of belemmeringen. 3. Risicovolle plannen en/of lange termijn (realisatie tien jaar of verder) Een deel van deze plannen betreft een of meer fasen van een groter project. Ook zijn er projecten die nog niet aansluiten op de actuele marktomstandigheden of waar concrete knelpunten gesignaleerd zijn. Tot slot zijn het projecten die ooit een keer bedacht zijn, in de tijd dat er nog onbeperkt plannen gemaakt werden, maar waarvan nu ingeschat wordt dat deze niet meer tot ontwikkeling komen. Regionale woningbouwprogramma De projecten uit de categorieën 1 en 2 vormen gezamenlijk het regionale woningbouwprogramma Rivierenland. De voorliggende ontwikkeling sluit aan op de in het regionale woningbouwprogramma aangeduide categorie 2 er is namelijk nog geen vastgesteld bestemmingsplan.