IN023 Bijlage Educatieplan 2021.pdf
Tekst van het document
Regionaal Programma Volwassen Educatie 2021
De 9 samenwerkende gemeenten in de regio Rivierenland 1
Inhoudsopgave 1.
Inleiding ........................................................................................................................................... 3 1.1 Veel gebruikte begrippen .............................................................................................................. 3 1.2 Ontwikkelingen rijksbeleid basisvaardigheden ............................................................................. 4
2. Regio Rivierenland .............................................................................................................................. 6 2.1 Uitgangspunten ............................................................................................................................. 6 2.2 Doelstellingen ................................................................................................................................ 7 2.3 Doelgroep ...................................................................................................................................... 8 2.4 Prioritering..................................................................................................................................... 8 3. Programma 2021 ................................................................................................................................ 9 3.1 Ketensamenwerking ...................................................................................................................... 9 3.2 Aanbod .......................................................................................................................................... 9 4. Monitoring en rapportage .................................................................................................................
10 Kwalitatieve en kwantitatieve monitoring ........................................................................................ 10
2
1. Inleiding Dit regionaal educatieplan is geïnspireerd op het nieuwe rijksbeleid, de opgedane ervaringen met het regionaal educatieprogramma en het regionale plan van aanpak laaggeletterdheid 2020-2024. Covid-19 In 2020 kreeg Nederland, net als de rest van de wereld te maken, met Covid-19. Na een aantal maanden digitaal onderwijs, heeft het Roc medio juni de analfabeten en laag opgeleide cursisten met voorrang naar school laten komen, zodat de achteruitgang niet verder oploopt. Ook de avondlessen zijn vanaf juni 2020 weer gestart. Na de vakantie is het volledige rooster weer gestart, behalve de locaties die vanwege corona nog niet toegankelijk waren en behalve de ruimtes welke volle groepen, gezien de 1,5 meter niet toe stonden. Hier heeft het ROC gewerkt met een verdeling van de cursisten in 2 groepen, zodat de cursisten toch hun lessen konden volgen. Zoals de wereld er nu naar uit ziet zal er niet een wezenlijke verandering zijn van de situatie in 2021 wat betreft Covid. Voordat de vaccins voldoende zijn uitgereikt zijn we naar verwachting ver in 2021. Het ROC zal dus ook in 2021 de werkwijze volgen zoals zij die in 2020 hebben uitgevoerd.
1.1 Veel gebruikte begrippen In de wereld van volwasseneneducatie, ofwel Wet Educatie Beroepsonderwijs (verder te noemen: WEB), worden nogal eens begrippen gebruikt die niet altijd voor iedereen duidelijk zijn. Hieronder treft u een begrippenlijst aan met uitleg van veel gebruikte begrippen. Mensen die laaggeletterd zijn, kunnen wel een beetje lezen en schrijven (in hun moedertaal) en zijn dus geen analfabeet. Dat beetje is onvoldoende om zichzelf in de samenleving te kunnen redden. Er zijn mensen die wel goed kunnen lezen, schrijven en rekenen, maar niet goed overweg kunnen met digitale apparaten en programma’s. Ze missen dan digitale vaardigheden. Basisvaardigheden: taal- reken- en digitale vaardigheden voor laaggeletterde volwassenen om op voldoende niveau te functioneren in de samenleving. Met het verbeteren van de basisvaardigheden pakken we laaggeletterdheid aan. Met voldoende beheersing van de basisvaardigheden kan een volwassene zich zelfstandig redden in de samenleving. Een persoon is zelfredzaam. Volwasseneneducatie is onderwijs voor volwassenen, gericht op bevordering van de zelfredzaamheid. Dit onderwijs richt zich op persoonlijke ontplooiing ten dienste van het maatschappelijk functioneren van de volwassene. Hierbij is aandacht voor de ontwikkeling van de basisvaardigheden en niveauverhoging.
Educatietrajecten zijn programma’s op het gebied van volwasseneducatie en basisvaardigheden trajecten. In de WEB wordt formele educatie omschreven als educatie met een vooropgezet leerplan qua inhoud, tijd en leerdoelen die getoetst worden. De lessen worden gegeven door een bevoegde docent. De lessen zijn cursorisch van aard. Eventueel kan dit traject afgesloten worden met een diploma.
3
Non-formele educatie zijn educatietrajecten die kunnen worden begeleid door een (opgeleide) vrijwilliger. Ook wordt vooraf niet noodzakelijk een leerplan/ leertraject uitgezet. De educatieaanbieder en de gemeente toe op de kwaliteit van dit aanbod. De doelgroepen bestaan uit mensen met Nederlands als eerste taal (NT1) en mensen met Nederlands als tweede taal (NT2). NT1-onderwijs richt zich op mensen met Nederlands als moedertaal (eerste taal). NT2-onderwijs is voor cursisten die relatief nieuw zijn in Nederland en hun niveau willen verhogen.
1.2 Ontwikkelingen rijksbeleid basisvaardigheden Ieder jaar geeft de overheid 60 miljoen euro uit aan WEB gelden, die betrekking hebben op het verbeteren van de basisvaardigheden voor volwassenen en daarmee het verminderen van laaggeletterdheid. De overheid geeft in 2021 25 miljoen euro extra uit om de basisvaardigheden te versterken en om kinderen te helpen met een taalachterstand. Het nieuwe rijksbeleid heeft 3 doelen: 1. Meer mensen aan de slag met taal, rekenen en digitale vaardigheden. We gaan meer mensen helpen met de vaardigheden die ze moeilijk vinden. We hebben extra aandacht voor mensen die Nederlands als moedertaal hebben; 2. Weten wat werkt. Iedere gemeente gaat informatie over het aantal deelnemers aan lessen verzamelen. Ook gaan gemeenten onderzoeken welk lesaanbod het beste werkt. Met deze informatie wordt de kwaliteit van de lessen steeds beter; 3. Goede hulp in elke gemeente; iedereen die moeite heeft met basisvaardigheden kan geholpen worden, kinderen én volwassenen. Om dit te realiseren heeft de Rijksoverheid 10 maatregelen opgesteld. 1. We zoeken naar nieuwe manieren om meer mensen te bereiken. We hebben extra aandacht voor mensen met Nederlands als moedertaal. Taalambassadeurs helpen ons hiermee. Zij hadden vroeger zelf moeite met basisvaardigheden. Zij kunnen ons dus makkelijker met mensen in contact brengen.
Ook zorgen taalambassadeurs ervoor dat organisaties begrijpelijker gaan communiceren. Via nieuwe communicatiecampagnes vinden we mensen die we eerst niet konden vinden. Bijvoorbeeld via sociale media. We onderzoeken hoe we mensen die moeite hebben om een website van de overheid te gebruiken, hierbij kunnen helpen. Bijvoorbeeld door hen te verwijzen naar lessen die ze kunnen volgen in de buurt. Ook geven we extra aandacht aan kinderen en jongeren die een taalachterstand kunnen krijgen. 2. We maken afspraken met de gemeenten. We vinden het belangrijk dat elke gemeente goede ondersteuning biedt. Ook spreken we af dat elke gemeente informatie verzamelt over het aantal mensen dat zij helpen. Zo leren gemeenten van elkaar. 3. Gemeenten krijgen extra geld om de afspraken uit te voeren. We laten onderzoeken wat gemeenten met het extra geld doen. Dit doen wij samen met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). 4. Er komt een landelijk programma om gemeenten te helpen. Gemeenten krijgen bijvoorbeeld hulp om taalmaatjes te trainen. Ook helpen we gemeenten mensen te vinden die moeite hebben met basisvaardigheden. Medewerkers van gemeenten krijgen training over de manier waarop ze mensen met weinig basisvaardigheden kunnen helpen.
4
5. We geven ieder jaar 3 miljoen euro subsidie aan werkgevers. Zij besteden dit geld aan opleidingen basisvaardigheden op de werkvloer. 6. We werken aan leesbevordering bij kinderen en helpen gezinnen. Dit blijven we doen. We geven bovendien ieder jaar ruim 2 miljoen euro extra uit om ouders te bereiken die moeite hebben met taal. 7. We geven 500.000 euro per jaar uit om de kwaliteit van taalhuizen en taalpunten te verbeteren. Cursusaanbieders zorgen er zelf voor dat de kwaliteit van hun aanbod goed is. Zij worden ook onderzocht door mensen van buitenaf. 8. Er komt een expertisecentrum basisvaardigheden. Dit centrum zorgt ervoor dat de kwaliteit van lessen verbetert. Er wordt bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar nieuwe manieren om deelnemers voor lessen te werven. Ook organiseert het expertisecentrum bijeenkomsten voor gemeenten en werkgevers om kennis te delen. Tot slot komt er extra geld voor docenten die speciaal getraind zijn om les te geven aan mensen die Nederlands als moedertaal hebben. 9. We maken de resultaten van de aanpak van laaggeletterdheid openbaar. Dit doen wij via een website. Iedereen kan deze website bekijken. 10. We geven ieder jaar 700.000 euro uit aan nieuwe ideeën, kennisdeling en het laten zien van goede voorbeelden.
5
2. Regio Rivierenland 2.1 Uitgangspunten Als regio Rivierenland volgen wij al veel van deze maatregelen op, waarbij verdieping mogelijk is. Het doel van volwasseneducatie is dat inwoners zijn in staat te communiceren en deel te nemen aan het maatschappelijk leven, ook als gebruik van alledaagse digitale technologie daarbij een rol speelt. Inwoners zijn zowel sociaal, educatief als professioneel zelfredzaam en ze horen erbij (inclusie). De uitgangspunten voor regio Rivierenland zijn: 1. Meedoen begint bij de basis Ons uitgangspunt is dat het aanbod van educatietrajecten op het gebied van basisvaardigheden de zelfredzaamheid verbetert van mensen met een achterstand op dat gebied. Het gebrek aan basisvaardigheden is vaak één van de oorzaken van andere sociale problemen op het gebied van onder meer geld, gezondheid, gezin en financien. Basisvaardigheden kunnen deze problemen (deels) helpen oplossen of voorkomen. Daarom zien we de basisvaardigheden als noodzakelijke voorwaarde voor volwaardige participatie. 2. De mens staat centraal Ons aanbod sluit aan bij de mogelijkheden en motivatie van burgers. Bij de basisvaardigheden gaat het om ontwikkeling van volwassenen en die hebben levenservaring. Die ervaring is medebepalend voor wat we kunnen aanbieden. “Wat is in uw leven belangrijk om te leren?” is daarbij de vraag die we stellen.
Het antwoord op die vraag leidt vervolgens tot maatwerk. Bij dat maatwerk is de eigen inbreng van de deelnemer cruciaal. Uiteindelijk leidt het tot wat “empowerment” genoemd wordt: het vermogen om het eigen leven zelf ter hand te nemen, ook onder veranderende omstandigheden. De verscheidenheid in leeftijd, leervermogen en leerdoelen is groot en maakt het nodig het aanbod zo passend mogelijk te maken. Daarbij is het tegelijkertijd van belang beschikbare middelen doelmatig in te zetten. 3. Ontwikkeling van eenduidige kwalitatieve en kwantitatieve monitoring en rapportage Vanaf 1 december 2020 maken we gebruik van het registratie en impactmeting van prof. M. de Greef, leereffecten laaggeletterden en laagopgeleiden. Zodoende kunnen we het effect van volwasseneducatie in beeld brengen en inspelen op de ontwikkelingen en aansluiting vinden bij de landelijke initiatieven. In 2020 is het Digi-Taalhuis van West Maas en Waal als eerste Taalhuis gecertificeerd. Eind 2024 moeten alle taalhuizen gecertificeerd zijn. 4. Wij investeren in het verbeteren van de basisvaardigheden Uit diverse onderzoeken blijkt dat educatietrajecten zorgen voor een beter welzijn, een betere positie op de arbeidsmarkt en een betere mate van gezondheid onder de deelnemers.
Specifiek leert onderzoek van het PIAAC (Programme for the International Assessment of Adult Compentencies) dat deeltrajecten voor volwassenen noodzakelijk zijn. Ook is wetenschappelijk onderzocht dat de koste van laaggeletterdheid voor de samenleving aanzienlijk zijn. Volgens onderzoek (De Greef, M. Segers, M. & Nijhuis, J. (2013). Feiten en cijfers laaggeletterdheid. Den Haag: Stichting Lezen & Schrijven) bedragen die EUR 556 miljoen per jaar. Dat onderzoek leert verder dat investeringen in het verbeteren van de basisvaardigheden zorgt voor economisch rendement, waaronder een betere arbeidsmarktpositie en het beter functioneren op de werkplek. Het leidt ook nog eens tot een betere gezondheid. Zo versterken trajecten op het gebied van basisvaardigheden de positie van de deelnemers in de samenleving. Het vergroot hun zogeheten sociale inclusie.
6
5. We verbinden de aanpak met betrekking tot basisvaardigheden met andere programma’s in het sociaal domein. Een deel van de doelgroep ervaart, beseft of erkent niet dat er een probleem is. Wat die erkenning betreft: niet zelden is dat het gevolg van schaamte. Het zijn professionals die de verborgen hulpvraag zichtbaar kunnen maken. Die professionals zijn werkzaam bij verschillende organisaties en daarom is het van belang dat er gebruikt wordt gemaakt van de lokale en regionale netwerken en dat die netwerken nog meer aansluiting vinden bij (andere) gemeentelijke opgaven binnen het sociale domein. Ze leiden tot nieuwe invalshoeken op het gebied van het bereiken van deelnemers en het aanbieden van trajecten. Ook zorgen we voor een integraal aanbod van zorg en hulp op andere deelterreinen van het sociaal domein. Hierbij verkennen wij tevens de mogelijkheden die de nieuwe wet inburgering in 2022 biedt. 6. Wij stimuleren publieke samenwerking en maken daar gebruik van. Een sterk netwerk vormt het fundament voor de aanpak van het verbeteren van de basisvaardigheden. Daarom werken we samen met verschillende publieke organisaties, zoals bibliotheken, welzijnsinstellingen, regionaal opleidingscentra en vrijwilligersorganisaties. Zo leggen we het fundament voor een duurzame effectieve aanpak. 7. Wij zoeken de balans tussen formeel en non-formeel aanbod.
De WEB biedt de mogelijkheid om non-formele, laagdrempelige educatietrajecten aan te bieden. Deze non-formele educatietrajecten kunnen ook verzorgd worden door of in een buurt- of wijkhuis. Op deze manier kunnen we het educatiebudget een vaste plaats geven binnen het sociale domein. Ook de taal/leerhuizen in de regio zijn een belangrijke spil in de taalsamenwerking, juist doordat hierin alle lokale instellingen samenwerken en het nonformele en het formele onderwijs aan elkaar verbonden worden
2.2 Doelstellingen Samen met regionale en lokale partners willen we de basisvaardigheden van de bewoners van de regio Rivierenland verbeteren. Dat doel leidt tot een reeks specifiekere doelstellingen. Ze zijn het gevolg van het prioriteren van doelgroepen, de opgedane ervaringen en de wens om volwasseneneducatie integraal onderdeel uit te laten maken van het gemeentelijke sociale beleid. Dit hebben we onder meer geborgd in het plan van aanpak laaggeletterdheid 2020-2024. Op basis van deze uitgangspunten formuleren wij de volgende doelstellingen: -
-
-
Volwasseneducatie draagt bij aan het behouden en stimuleren van aansluiting met de arbeidsmarkt; Volwasseneducatie draagt bij aan het behouden van aansluiting met en volwaardige deelname aan de maatschappij door de zelfredzaamheid te vergroten, inclusieve samenleving. Volwasseneducatie draagt bij aan het verbeteren van basisvaardigheden van ouders/ opvoeders van jonge kinderen en het vergroten van ouderbetrokkenheid. Zo worden achterstanden in onderwijs en maatschappelijk functioneren van kinderen verminderd. In 2021 betrekken we het bedrijfsleven meer en meer in de verantwoordelijkheid van scholing op basisvaardigheden van de medewerkers door o.a. Taal op de werkvloer.
7
2.3 Doelgroep Volwasseneneducatie is gericht op het verbeteren van basisvaardigheden van de inwoners. Daarbij horen onder meer analfabeten, laaggeletterden, tweede taalleerders en vrijwillige inburgeraars. De potentiele doelgroep voor cursussen basisvaardigheden is heel groot. Bijna 2.500.000 volwassenen beheersen de Nederlandse taal en/of rekenvaardigheden onder niveau 2F. Niveau 2F is gelijk aan het niveau van middelbare beroepsonderwijs 1, 2, 3 en voortgezet middelbare onderwijs. Binnen deze doelgroep bestaan grote verschillen in leerbaarheid, motivatie en vindbaarheid. Een deel van de groep, heeft onvoldoende leervermogen om volledig zelfstandig deel te nemen aan de (digitale) samenleving. Een ander deel van de doelgroep is juist zeer gemotiveerd en in staat om (snel) vaardiger te worden. Ze leren bijvoorbeeld snel Nederlands spreken, lezen en schrijven en verbeteren zo hun positie op de arbeidsmarkt aanzienlijk. Of ze zijn snel in staat naar het (beroeps)onderwijs te gaan. Tussen deze twee groepen bevinden zich mensen die in meer of mindere mate een steuntje in de rug nodig hebben om hun basisvaardigheden te verbeteren. Zij worden vooral aangesproken door een aanbod dat aansluit op een concreet ervaren hulpvraag of ondersteuningsbehoefte. Deze trajecten worden ook wel “camouflagecursussen” genoemd; ze sluiten aan op de belevingswereld van de doelgroep.
2.4 Prioritering Wij willen bij voorkeur educatietrajecten organiseren voor alle mensen die dat nodig hebben. We willen het budget gericht inzetten en daarom stellen wij de volgende prioriteiten: -
-
Laaggeletterden met Nederlands als eerste taal (NT1) Uitkeringsgerechtigden Jongvolwassenen en volwassenen zonder kwalificatie/diploma Kwetsbaren, te weten o Niet-uitkeringsgerechtigden die maatschappelijk en educatief zichzelf niet kunnen redden en/of in financiële problemen verkeren, waardoor uitsluiting van de maatschappij vergroot wordt; o Ouders waarvan kinderen een grotere kans op taalachterstand hebben; o Ex-inburgeraars die Nederlands als tweede taal spreken (NT2) en die het inburgeringsprogramma hebben afgerond maar met hun A2-niveau onvoldoende in staat zijn om langdurig betaald werk te houden en/of geen aansluiting kunnen vinden bij hun oorspronkelijke beroep/ opleiding. Ter behoud van werk met focus op duurzame inzetbaarheid.
8
3. Programma 2021 Het regionaal educatieprogramma wordt uitgevoerd door de betrokken partijen: contactgemeente, regiogemeenten, opleiders, bibliotheken, vrijwilligersorganisaties en maatschappelijke partners.
3.1 Ketensamenwerking De gemeenten werken bij het verbeteren van de participatie van inwoners samen met verschillende partners. Sommige partners zijn door een gemeente gecontracteerd voor het uitvoeren van trajecten. Daarnaast zijn er partners die gesubsidieerd hun werk doen. Deze zogeheten ketensamenwerking levert een belangrijke bijdrage aan het bereiken van ieders doelstellingen. De formele en non-formele partners werken intensief samen. Een specifieke rol hebben de Taalhuizen en Taalpunten. We willen de verdere ontwikkelingen van die laagdrempelige instellingen nadrukkelijk stimuleren en door ontwikkelen. Laaggeletterdheid is nog steeds omgeven door een gevoel van schaamte. Dat maakt het lastig de doelgroep te bereiken. Juist daarom is het van belang aandacht te hebben voor allerlei organisaties en instellingen die mogelijk contact hebben met de doelgroep. We hanteren daarbij als uitgangspunt: ‘Wij stellen de mens centraal’. We richten ons op het stimuleren en faciliteren van een sterke en integrale samenhangende infrastructuur. Dat doen we samen met lokale en regionale (educatieve en maatschappelijke) partners, met als doel zo meer inwoners te bereiken. Deze infrastructuur bestaat uit non-formele en formele educatietrajecten.
3.2 Aanbod Voor de uitvoering van het programma is een breed aanbod nodig dat de hele regio bestrijkt, laagdrempelig is en basisvaardigheden realiseert die aansluiten bij de belevingswereld van de doelgroepen. Non-formele educatie is vaak een begin en wordt de springplank naar formele educatie. Het is de reden dat we kiezen voor dit laagdrempelige, lokaal verzorgde aanbod dat is gericht op de ontwikkeling van de deelnemers. Doel blijft de participatie en zelfredzaamheid van laaggeletterden te vergroten. Uit onderzoek van Maastricht University blijkt dat educatietrajecten een bovengemiddeld positief effect hebben als professionals met getrainde vrijwilligers samenwerken. Onder non-formele educatie vallen ook de zogenoemde ‘camouflagecursussen’. Ze zijn gericht op andere vaardigheden en thema’s dan alleen taal, maar waarbij ook taal geoefend wordt. Dus niet: “Wil je op taalles?”, maar: “Wil je leren appen?” Zo wordt taal instrumenteel en functioneel gemaakt. Deze cursussen sluiten aan op de belevingswereld van de cursist en hierdoor vergroten we ons bereik. Een vorm van non-formele educatie zijn ook de preventieve cursussen. We investeren in een sterk lokaal en regionaal netwerk. Daardoor zal de verbetering van de basisvaardigheden op termijn een integraal onderdeel worden van verschillende beleidsterreinen.
Ook zullen verschillende maatschappelijke partners er blijvend aandacht voor hebben. Op de lange termijn zal preventie belangrijker worden dan het wegwerken van achterstanden, zo is de verwachting.
9
4. Kwaliteit, monitoring en rapportage 4.1 Kwaliteit Om de kwaliteit van het onderwijs te borgen zet ROC in op: 1. Gevalideerde toetsten bij de intake en voortgang ROC RIVOR maakt gebruik van gevalideerde toetsen voor intake en voortgang. Toetsen zijn gebaseerd op de normen van het Raamwerk NT2 , referentiekader taal en rekenen en eindtermen Volwasseneneducatie 2. Trajectplannen Voor elke cursist wordt een trajectplan gemaakt waarin doelen, tijdspad en werkwijze wordt beschreven, 2 keer per jaar wordt dit trajectplan met de cursist geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. Dit gebeurt in de zogenaamde voortgangsgesprekken. 3. Gekwalificeerde en betrokken docenten ROC RIVOR werkt uitsluitend met gekwalificeerde docenten. Docenten met een opleiding Niveau 2 (WEB artikel 4.2.3) en/ of de bevoegdheid basiseducatie (WEB artikel 4.2.1) of de post Hbo-opleiding Nt2. In het schooljaar 2017/2018 is een scholingsplan gestart om de bijscholing van de docenten op gebied van laaggeletterdheid en Nt2 te realiseren. 4. De kwaliteit wordt verder op peil gehouden door interne studiedagen voor implementatie Startacademie, bezoeken landelijke scholingsdagen, coaching en intervisie en deelname aan het landelijk Netwerk Educatie. In 2016 en 2017 zijn vijf docenten geschoold door Stichting Lezen en Schrijven : “Train de trainer” voor het begeleiden van vrijwilligers.
In 2017/ 2018 zal nog een docent deze scholing volgen. 5. Meedoen met landelijke digitale proeftoetsen voor validering en standaardisering vanuit de overheid. ROC Rivor werkt samen met bureau ICE, stichting Lezen en Schrijven en de Universiteit van Maastricht voor het ontwikkelen van nieuwe toetsen en lesmateriaal. Modularisering en maatwerk: het ROC biedt maatwerk, er wordt gewerkt met modules die samen een traject van een cursist vormen. Functioneringsgesprekken en ontwikkelingsplannen van docenten: Naast de algemene taken van de docent specialiseren zij zich verder richting: alfabetisering, rekenen, Nt1, woordenschat ontwikkeling, digitale vaardigheden, didactische werkvormen. Vrijwilligers en stagiaires ondersteunen in het primaire onderwijsproces: Dit met name in groepen waarin gedifferentieerd moet worden vanwege niveauverschillen. De docent is hier altijd aanwezig. Een vrijwilliger of stagiaire heeft nooit de verantwoordelijkheid voor een groep. Weinig tot geen lesuitval: Bij ziekte van de docent, wordt de les vervangen door een docent met vervangingsuren. Als dit organisatorisch niet mogelijk is worden cursisten verdeeld. Het komt zelden voor dat de les niet doorgaat. Belangrijkste aandachtspunt bij de non-formele educatie is het borgen van de kwaliteit. Het ROC speelt hier een rol in door: -
het ondersteunen van samenwerkingspartners bij het inrichten van de plaatselijke infrastructuur van het speerpunt volwasseneneducatie; het instrueren en ondersteunen van vrijwilligers bij de uitvoering van hun taken; het adviseren op het gebied van deskundigheidsbevordering van docenten.
10
4.2 Rapportage kwantitatief en kwalitatief Sinds 2019 worden kwantitatieve en kwalitatieve gegevens aan de beleidsambtenaren gerapporteerd. In 2020 is dit doorontwikkeld door naar een rapportage op voortgang van de cursisten. Deze voortgang wordt binnen ROC Rivor op individueel reeds vastgelegd. Bij de intake wordt een toets afgenomen en wordt met de cursist het binnen maximaal twee jaar te behalen einddoel afgesproken. Tussentijds worden methodetoetsen afgenomen. Twee keer per jaar vindt een toetsenweek plaats. De voortgang op individueel niveau is aanwezig op de onderdelen spreken, luisteren, lezen en schrijven. In 2021 zal wederom deze rapportage, naast de bestaande kwartaalrapportage, op groepsniveau (in verband met de AVG) 2x per jaar aangeleverd worden. Op deze wijze wordt nader inzicht verkregen in de voortgang die gerealiseerd wordt.| De kwantitatieve gegevens bestaan uit (per kwartaal): -
Gerealiseerde aantallen en percentages cursisten in formele trajecten per gemeente Aantal intakes (NT1 en NT2) per gemeente, gespecificeerd naar gestart, niet komen opdagen, afgemeld en wachtlijst Opgave van aantallen hoe de cursisten aangemeld zijn, bijvoorbeeld zelfmelder, via werkgever, UWV, gemeente, Werkzaak. Uitstroom per gemeente naar werk, opleiding voltooid, MBO. Financiële verantwoording
De kwalitatieve gegevens bestaan uit (per half jaar): -
Rapportage niveaustijging bij uitstroom op lezen, luisteren, schrijven en spreken (na maximale cursustermijn van 2 jaar) Rapportage stijging op de participatieladder bij uitstroom 100% gekwalificeerde docenten 4x per jaar intervisie met docenten, scholing aan deelname aan landelijk netwerk van de MBO Raad Rapportage deelnemerstevredenheid (1x per jaar)
11