IN018 Bijlage 1 Toelichting vragen beeldvormende avond West Betuwe 14 december 2021.pdf
Tekst van het document
Beeldvormende avond 14 dec. 2021 Toelichting op vragen aan de raad m.b.t. aanpassing beleid ruimtelijke kwaliteit Inleiding Eind 2020 is het welstandsbeleid van de voormalige drie gemeenten Lingewaal, Neerijnen en Geldermalsen geharmoniseerd in de Gids Ruimtelijke Kwaliteit West Betuwe ’20 (Fase 1). Dit beleid is gepresenteerd tijdens de beeldvormende avond op 6 okt. 2020. Aangegeven is destijds dat op een later moment gewerkt zou worden aan een inhoudelijke vernieuwing van het beleid met meer aandacht voor de thema’s cultureel erfgoed en duurzaamheid, waarbij afstemming gezocht zou worden met de ambities uit de Omgevingsvisie, het Erfgoedbeleid en nieuwe wetgeving met betrekking tot de omgeving van het monument(Fase 2). Dit is de afgelopen maanden gebeurt. Gekeken is of en hoe de gemeentelijke ambities ten aanzien van het gebouwde erfgoed, zoals geïnventariseerd door RAAP en vertaald in het recent geactualiseerde Erfgoedbeleid, kunnen worden geïncorporeerd in de nieuwe Gids Ruimtelijk Kwaliteit ’22. Ook is gekeken of we met het welstandsbeleid kunnen voorsorteren op de nieuwe wetgeving met betrekking tot de omgeving van monumenten,.
De onderliggende ambitie voor het nieuwe beleid Naar een meer integraal beleid voor omgevingskwaliteit met oog voor een balans tussen regie op omgevingskwaliteit en ruimte voor initiatieven. Uitgangspunt inhoudelijke vernieuwing: ✓ Het beleid niet alleen richten op de uiterlijke kwaliteit van een bouwwerk, maar ook op de (landschappelijke) inpassing van bouwwerken in de omgeving, de afstemming op aanwezige cultuurhistorische waarden (conform Erfgoedbeleid en nieuwe wetgeving) en op de kansen die zich voordoen in het kader van duurzaamheid, daarbij afstemming zoekend met de ambities uit de Omgevingsvisie.
Beeldvormende avond 14 december 2021 Tijdens de beeldvormende avond op 14 december ’21 is een toelichting gegeven op mogelijke wijzigingen in het welstandsbeleid aan de hand van 3 onderwerpen: A. Het recent geactualiseerde Erfgoedbeleid m.b.t. het landschap en stedenbouwkundige ensembles B. Nieuwe wetgeving m.b.t. de omgeving van monumenten C. Duurzaamheid De volgende vragen zijn aan de orde geweest en worden in deze notitie nader toegelicht: 1. Gaan we de waardering voor de bebouwing in het ruilverkavelingslandschap vertalen in het beleid? 2. Gaan we de ruimtelijke kwaliteiten van de stedenbouwkundige ensembles beter borgen met het nieuwe beleid? 3. Hoe gaan we in het beleid om met de nieuwe wetgeving m.b.t de omgeving van het monument? 4. Wat gaan we doen om monumenteneigenaren tegemoet te komen bij het verduurzamen van hun beschermde pand? 5. Warmtepompen zijn niet meer weg te denken, maar willen we deze zien vanaf de straat of stellen we richtlijnen op? 6. Gaan we het beleid verruimen t.a.v. het na-isoleren van daken en gevels? 7. Wil de gemeente een kader opnemen voor panelen op eigen erf, alleen voor eigen gebruik?
Toelichting vraag 1: waardering ruilverkavelingslandschap vertalen in het beleid In september jl. is het Erfgoedbeleid vastgesteld. Dit beleid is opgesteld door RAAP onderzoeks- en adviesbureau voor archeologie, erfgoed en cultuurhistorie aan de hand van een inventarisatie van het aanwezige erfgoed (landschap en bebouwing) in de gemeente. In het Erfgoedbeleid is ten aanzien van het landschap in de komgronden de volgende gemeentelijke cultuurhistorische ambitie te lezen; “De gemeente wil toe naar een aanpassing van de bescherming van landschappen, direct gekoppeld aan de informatie zoals die op de erfgoedkaart (RAAP) verzameld is zoals specifiek de Nieuwe Hollandse Waterlinie en molenbiotopen en een algemene bescherming van het waardevolle cultuurlandschap, op basis van de ‘waarderingskaart landschap’ uit de erfgoedkaart. Daarvoor kiest de gemeente de gebieden van zeer hoge en hoge waarde.” Wat opvalt is dat RAAP vrijwel het hele buitengebied hoog waardeert. Niet alleen de dijklinten met oeverwallen, maar ook het ruilverkavelingslandschap in de komgronden. De ruilverkaveling TielerwaardWest heeft volgens de inventarisatie in het midden van de vorige eeuw een kwalitatief hoogwaardig ‘masterplan’ voor de komgebieden opgeleverd. Het ruilverkavelingslandschap is volgens RAAP bepalend voor het landschap van West Betuwe.
Cultuurhistorische waarderingskaart landschapstypen door RAAP
Het oorspronkelijke Masterplan voor de ruilverkaveling. Uit de presentatie voor de beeldvormende avond over het nieuwe LOP (okt’21) met als ondertiteling; ‘landschap ruilverkaveling is inmiddels jong erfgoed’
Voorstel 1 Ons voorstel is om de waardering voor de ruilverkavelingsperiode door te vertalen in het ruimtelijke kwaliteitsbeleid (het welstandsbeleid) van de gemeente. De Gids Ruimtelijke Kwaliteit is, gelet op het integrale karakter, een voorstelbaar en werkbaar kader om uitgangspunten op te nemen voor de landschappelijke inpassing van o.a. schaalvergroting, uitbreiding, teelt-ondersteunende voorzieningen en nieuwe woningen welke mogelijk zijn na sloop van vrijkomende agrarische bebouwing (conform het gemeentelijke VAB-beleid). Doel: meer aandacht voor behoud en herstel of versterking van de (voor het ruilverkavelingslandschap) kenmerkende boomsingels langs erven en wegen. Indien bijvoorbeeld bij uitbreiding van een erf, de kap van een boomsingel niet kan worden voorkomen kan de aanleg van een nieuwe boomsingel als voorwaarde worden meegenomen bij de afweging om (als gemeente) mee te werken aan een afwijking van het bestemmingsplan (dit is overigens in eerste instantie altijd een zaak van RO, niet van de welstandscommissie).
Karakteristiek ruilverkavelingslandschap met boomsingels langs erven en weg. De groensingels volgen altijd de ‘lijnen’ van het rationeel verkavelde landschap. Bij de rode pijl is volgens dit principe een nieuwe groensingel aangelegd. Het erf krijgt hiermee weer een groene omkadering hetgeen kenmerkend is voor het ruilverkavelingslandschap (niet bekend is of deze groensingel ook hoger opgaande bomen bevat hetgeen de voorkeur heeft).
De waardering voor de bebouwing in het ruilverkavelingslandschap vertalen in het beleid In het huidige welstandsbeleid valt het ruilverkavelingslandschap onder het deelgebied ‘Buitengebiedkomgronden’. Dit gebied heeft een lager beleids- en toetsingsniveau dan het overige buitengebied. Dat houd in dat bij de inpassing van nieuwbouw (na sloop, bij uitbreiding of bij een nieuwe woning i.h.k.v. VAB) ‘verandering van het bebouwingsbeeld’ mogelijk is. Kortom; er wordt met het bestaande beleid nog geen waarde toegekend aan de karakteristieke ruilverkavelingsboerderijen (de gestandaariseerde kophals-romptypen) als meest voorkomende type in dit gebied. Afstemming op het bebouwingsbeeld is met het huidige beleid geen vereiste in het ruilverkavelingsgebied.
voorbeeld van een kop-hals-romptype; de woning is middels een aanbouw (de hals) verbonden met de schuur.
Voorstel 2 Waar we voor pleiten is dat we in lijn met de waardering door RAAP bij nieuwbouw meer rekening houden met de bebouwings- en omgevingskarakteristiek in het ruilverkavelingsgebied wat betreft de stedenbouwkundige uitgangspunten (massaopbouw en plaatsing) en architectuur. Dit kan door conform het welstandsbeleid voor de oeverwallen, uit te gaan van een hoger beleidsniveau ‘RESPECT’. Uitgaande van een hoger beleidsniveau ‘RESPECT’ zal als uitgangspunt voor een nieuwe woning met het beleid worden aangestuurd op een verglijkbare situering van de woning ten opzichte van de schuur, een vergelijkbare eenvoudige hoofdvorm afgedekt met een zadelkap en een ingetogen architectonische uitstraling. Plannen voor rietgedekte boerderijtypen met wolfseinden (wel passend in de oeverwallen) of bijvoorbeeld villa’s met een samengestelde hoofd- en kapvorm en een rijke detaillering passen passen niet bij dit bebouwingsbeeld en welstandshalve wordt dan aangestuurd op een aanpassing van het bouwplan. Zo kan worden bereikt dat in het ruilverkavelingsgebied een zekere samenhang blijft bestaan tussen de bebouwing, hetgeen uiteindelijk zal bijdragen aan het behoud van de eigen en onderscheidende identiteit van dit gebied.
NOTA BENE: Zolang ruilverkavelingsboerderijen of de nog aanwezige karakteristiek schuren niet worden beschermd middels een monumentale status of door een aanduiding karaktersitiek in het bestemmingsplan blijft sloop mogelijk. Welstandsbeleid veranderd daar niets aan. Ook kan welstandsbeleid er niet toe leiden dat bouwmogelijkheden geboden door het bestemmingsplan niet kunnen worden benut. Met het welstandsbeleid kan feitelijk alleen worden gestreefd naar een betere afstemming van nieuwbouw / nieuwe ontwikkelingen op het bestaande bebouwingsbeeld.
Voorbeeld van een nieuwe woning in het ruilverkavelingsgebied. Situering ten opzichte van de weg en de schuur is hetzelfde gebleven. De eenduidige bouwmassa, de kapvorm en de ingetogen architectonische uitstraling is niet hetzelfde maar wel vergelijkbaar gebleven.
REACTIE PROFESSIONALS: Op 1 dec. ’21 is een participateavond gehouden met professionals op het gebied bouwaanvragen (architecten c.q. bouwkundige teken- en adviesbureaus werkzaam in de gemeente West Betuwe) waar onder andere de hogere waardering voor het ruilverkavelingslandschap is besproken. Men heeft aangegeven te snappen dat landschappen in cultuurhistorisch opzicht waardevol kunnen zijn, echter het landschap is altijd aan verandering onderhevig geweest en daarom zouden nieuwe ontwikkelingen mogelijk moeten blijven. Het wordt voorstelbaar en werkbaar gevonden om een landschappelijk inpassing te vragen bij nieuwe ontwikkelingen (passend bij het type landschap). Dit zou dan wat de professionals betreft ook mogen gelden voor nieuwe woningen welke worden toegevoegd als compensatie na sloop van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s).
Toelichting vraag 2: borgen ruimtelijke kwaliteiten van gewaardeerde stedenbouwkundige ensembles (bouwkunstenensembles) In het Erfgoedbeleid (blz. 34) is ten aanzien van stedenbouw het volgende te lezen; “Naast individuele gebouwen kent de gemeente West Betuwe ook gebieden met een waardevolle (bebouwings)structuur. Daarvan zijn er op dit moment 3 aangewezen als rijksbeschermd dorpsgezicht: Neerijnen/Waardenburg, Acquoy en Beesd. Het onderzoek (van RAAP) heeft aangetoond dat er daarnaast 15 gebieden zijn met een zeer hoge cultuurhistorische waarde (‘orde 1’). Een beschermende status (‘gemeentelijk beschermd dorpsgezicht’) voor deze gebiedjes is gerechtvaardigd. Het gaat bijvoorbeeld om de stadskernen van Asperen en Heukelum, een aantal dorpskernen langs Waal en Linge en de omgeving van Fort Asperen. Mocht die monumentenstatus niet (voor alle gebieden) haalbaar zijn, dan is tenminste een (iets lichtere) bescherming via het omgevingsplan hier voor deze 15 gebieden noodzakelijk om de geconstateerde waarden op een goede manier in het omgevingsplan te beschermen.(..) Wat betekent nu zo’n aanwijzing als beschermd gezicht of een bescherming via het omgevingsplan? Het gaat daarbij vooral om zorgvuldigheid.
Hoe ziet de openbare ruimte eruit, en wat is daarin waardevol? Hoe goed voegt nieuwe bebouwing zich tussen de bestaande / waardevolle? Is de historische structuur van een gebiedje nog goed afleesbaar? Het betekent dus niet dat álle panden in zo’n gebied beschermd worden. Het gaat er vooral om dat als er een ontwikkeling plaatsvindt, deze goed wordt afgestemd op de waardevolle omgeving. De vraag is of we met het welstandsbeleid hier op gaan voorsorteren door de ruimtelijke kwaliteiten van in ieder geval de 15 ensembles met een zeer hoge cultuurhistorische waarde beter te borgen.
Dorpskern Haaften: één van de 15 dorpskernen die zeer hoog zijn gewaardeerd
Optie 1 Welstandshalve is dat mogelijk door het beleidsniveau te verhogen van RESPECT naar BEHOUD. Behoud en herstel van bestaande of historische karakteristiek van stedenbouw, architectuur, landschap en cultuurhistorie is dan het uitgangspunt. Welstandshalve wordt dan de toetsing van bouwplannen gelijkgetrokken met het toetsen van bouwplannen in de drie beschermde dorpsgezichten. Optie 2 (of 1b) Net als bij advisering over plannen in de 3 beschermde dorpsgezichten kan advisering over bouwplannen binnen de stedenbouwkundige (orde 1) ensembles ook geschieden door de erfgoedadviseur. Deze optie kan eigenlijk niet los worden gezien van de eerste optie. Immers een erfgoedadviseur zal ook uitgaan van de aanwezige historische karakteristiek en hier bouwplannen op afstemmen. Optie 3 De gemeente kan ook voor kiezen om in het Omgevingsplan het vergunningsvrij bouwen te beperken binnen orde 1 ensembles voor o.a. het plaatsen van bijbehorende bouwwerken. Dergelijke bouwwerken zijn dan nog steeds mogelijk maar worden wel getoetst o.a. aan welstand. Er kan dan worden gekeken of met de beoogde ontwikkeling voldoende afstemming plaatsvindt op de waardevolle omgeving. Deze optie (het borgen van de ensembles in het Omgevingsplan) valt buiten de scope van het welstandsbeleid. Optie 4: De gemeente kan ook besluiten (nog) niets te doen en ervan uitgaan dat de ensembles t.z.t.
beter geborgd gaan worden in het Omgevingsplan. Bij optie 3 en 4 veranderd er wat betreft de stedenbouwkundige ensembles niets aan het bestaande welstandsbeleid en worden er welstandshalve dus geen aanvullende richtlijnen gesteld met betrekking tot een meer zorgvuldige afstemming van nieuwe ontwikkelingen op de (in cultuurhistorisch opzicht) ruimtelijke kwaliteiten van de zeer hoog gewaardeerde (orde 1) stedenbouwkundige ensembles (of bouwkunstenensembles). NOTA BENE: Ook hier geldt weer dat zolang panden of gebieden niet worden beschermd middels een monumentale status of door een aanduiding karakteristiek in het Omgevingsplan, sloop mogelijk blijft. Welstandsbeleid veranderd daar niets aan. Ook kan welstandsbeleid er niet toe leiden dat bouwmogelijkheden geboden door het bestemmingsplan/Omgevingsplan niet kunnen worden benut. Met het welstandsbeleid kan feitelijk alleen worden gestreefd naar een betere afstemming van nieuwbouw / nieuwe ontwikkelingen op het bestaande bebouwingsbeeld.
Toelichting vraag 3: Voorsorteren op wetgeving m.b.t. de omgeving van het monument. Wanneer de Omgevingswet van kracht wordt, krijgt de omgeving van beschermde monumenten een voornamere rol. In artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (één van de vier algemene maatregelen van bestuur onder de Omgevingswet) is een instructieregel voor gemeenten opgenomen die een belangrijke aanscherping betekent voor de bescherming van monumenten. Deze regel houdt in dat gemeenten rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada van het voorkomen van aantasting van de omgeving van (voor)beschermde monumenten voor zover die monumenten daardoor worden ontsierd of beschadigd. Deze regel gaat een stap verder dan de huidige regels in de Erfgoedwet of bestaande gemeentelijke of provinciale verordeningen (in samenhang met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), die alleen het monument zelf beschermen. De nieuwe wetgeving geldt voor (voorbeschermde) rijksmonumenten en voor alle via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten (zowel provinciaal als gemeentelijk, als monumenten die bijvoorbeeld als beeldbepalend of karakteristiek pand zijn beschermd). Het gaat daarbij niet zozeer om het voorkomen van de aantasting van de omgeving op zich, maar om een aantasting die het beschermde monument ontsiert of beschadigt.
Het verrichten van activiteiten of de aanwezigheid van een (bouw)werk in de omgeving van een beschermd monument kan bijvoorbeeld het aanzicht en de waardering van dat monument negatief beïnvloeden. Daarnaast kan de omgeving ook van invloed zijn op de instandhouding of het functioneren van een beschermd monument. Een bekend voorbeeld is dat bebouwing of beplanting in de omgeving van een historische windmolen van invloed is op de windvang van die molen. Een molen die niet kan functioneren omdat deze onvoldoende wind vangt, heeft een veel groter risico om te vervallen. Hetzelfde geldt voor een watermolen, die afhankelijk is van een waterloop. Naast het voorkomen van achteruitgang heeft het opwaarderen van de directe omgeving van een beschermd monument een positieve invloed op de waardering en beleving ervan. Artikel 7 van het verdrag van Granada verplicht daarom tot maatregelen om de kwaliteit van de openbare ruimte rond beschermde monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen te verbeteren. Nieuwe ontwikkelingen in de omgeving van monumenten kunnen dus niet meer plaatsvinden zonder kennis van en respect voor bestaande gewaardeerde kwaliteiten in relatie tot aanwezige monumentale waarden. Wat wordt gezien als de omgeving van een monument? Een monument staat nooit op zichzelf.
De omgeving welke van invloed is op een monument (of waarop het monument zijn invloed uitoefent) kan verder reiken dan het bijbehorende perceel. De omgeving is niet eenduidig te bepalen, maar afhankelijk van de stedenbouwkundige of landschappelijke situering en de omvang, hoogte en verschijningsvorm van het monument. De omgeving heeft betrekking op: -
De beleving of de zichtbaarheid van het monument vanaf de openbare weg De (mogelijkheid tot) instandhouding van het monument Het functioneren van het monument De (oorspronkelijke) betekenis van het monument De waardering die we toekennen aan het monument
In hoeverre een ruimtelijke ontwikkeling afbreuk kan doen aan de cultuurhistorische waarden van beschermde monumenten in een bepaald gebied is overigens niet alleen afhankelijk van die te beschermden waarden, maar ook van de aard en omvang van de betreffende ruimtelijke ontwikkeling.
Met andere woorden van een klein schuurtje in de tuin naast een perceel van een monument is de invloed op de omgeving van dat monument veel geringer dan een woningbouwplan. De gemeente zal uiteindelijk de nieuwe wetgeving met betrekking tot monumenten moeten gaan regelen in haar Omgevingsplan. De omgeving van monumenten krijgt dan een functie-aanduiding ‘omgeving beschermd monument’ in het Omgevingsplan. Het vergunningstelsel of andere (algemene) regels (bijv. over uiterlijk bouwwerken) is dan gericht op het reguleren van activiteiten die de omgeving beschermd monument aantasten, voor zover die leiden tot ontsiering of beschadiging van dat monument. Ons voorstel is om met de aanpassing van de Gids Ruimtelijke Kwaliteit te gaan voorsorteren op de uitwerking van de nieuwe wetgeving in het Omgevingsplan. Zo kan alvast ervaring worden opgedaan met het nadenken over de betekenis van de omgeving voor de waarde van een monument en ernaar worden gehandeld bij de beoordeling van bouwplannen. Zo heeft de gemeente straks meer inzicht over de wijze waarop dit in regelgeving moet worden vastgelegd. Met het nieuwe welstandsbeleid bieden we hiervoor de volgende mogelijkheden: Optie 1: De stedenbouwkundige ensembles van RAAP als extra laag over de welstandsdeelgebieden kaart leggen en daar extra richtlijnen voor opstellen m.b.t.
dat ensemble ervan uitgaande dat daarmee (vergelijkbaar met een monument gelegen binnen een beschermd stads- of dorpsgezicht) voldoende geregeld wordt om aantasting van de omgeving van aanwezige monumenten te voorkomen. Om zo van voldoende monumenten ‘de omgeving’ te kunnen vatten kan niet alleen worden uitgegaan van de 15 zeer hoog gewaardeerde (orde 1) gebieden, maar ook die van ‘orde 2’. Totaal 37 gebieden.
Stedenbouwkundige ensembles in Varik met een hoge cultuurhistorische waarde (orde 2)
Nadeel optie 1: niet elk monument ligt binnen een orde 1 of orden 2 gebied. Bijvoorbeeld langs de Zandstraat in Opijnen liggen verspreid meerdere monumenten, maar de waarde van dit bouwkunstenensemble is ‘slechts’ getypeerd als orde 4 (groen) en de kern van Opijnen als orde 3 (geel). Als allen orde 1 t/m 4 worden aangeduid gaat het om totaal 76 gebieden. En dan nog vallen er enkele monumenten buiten de bouwkunstenensembles waarvoor ‘iets anders’ moet worden geregeld.
uitsnede uit de erfgoed waarderingskaart bouwkunst en stedenbouw West Betuwe (RAAP rapport 4150) Optie 2: Van elk monument een ‘omgeving’ bepalen en aangegeven op de welstandskaart. Nadeel: De omgeving van een monument is niet éénduidig te bepalen zoals bij een molenbiotoop. Het definiëren van de omgeving van elk monument kost tijd en capaciteit en is op korte termijn niet haalbaar. Een cirkel trekken om elk monument (vergelijkbaar met een molenbiotoop) kan als generieke methode worden toegepast, maar in de praktijk zal zo’n cirkel de ene keer te ruim en de andere keer te krap zijn. Ook wordt geen rekening gehouden met logische grenzen van bebouwing en/of percelen. Het is goed evenwel voorstelbaar dat deze optie als een ‘voorlopige’ variant wordt toegepast. De gemeente kan vervolgens komende jaren de begrenzingen steeds verder verfijnen in haar Omgevingsplan waarbij bijvoorbeeld meer rekening wordt gehouden met het type monument of met de stedenbouwkundige betekenis en waarde van een monument voor een dorps- of stadskern. Bij de gemeente Oss het principe van cirkels om monumenten sinds een jaar toegepast. Op de welstandskaart is om elk monument een cirkel getekend met een doorsnede van 25 meter. Bouwinitiatieven welke (gedeeltelijk) vallen binnen zo’n cirkel worden voorgelegd aan de Erfgoedcommissie.
De Erfgoedcommissie beoordeeld vervolgens of het betreffende bouwplan het monument ontsiert of beschadigd of m.a.w. het aanzicht en de waardering van het monument negatief beïnvloed.
Uitsnede welstandskaart gemeente Oss met cirkels om elk beschermd monument. Te zien is dat in historische kernen met meerdere monumenten de cirkels samenvloeien tot een bouwkunstenensembles (vergelijkbaar met de bouwkunstenensembles zoals gedefinieerd door RAAP voor de gemeente West Betuwe).
Optie 3 Aanvullende richtlijnen opstellen met betrekking tot de omgeving van aanwezige monumenten voor de deelgebieden (zoals getypeerd in de Gids Ruimtelijke Kwaliteit) met monumenten. Deze gebieden zijn: -
Historische dorpsgebieden Oeverwallen Dijklinten
Deze aanvullende richtlijnen zijn als volgt geformuleerd: ➢ -
Het bouwplan: is ondergeschikt in relatie tot het aanzicht van monumenten en is hier zorgvuldig op afgestemd; laat het zicht op monumenten of ander erfgoed vrij. ontsiert of beschadigd geen monument; waarborgt en versterkt de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van de (omgeving van) monumenten en heeft deze waarden gebruikt als uitgangspunt bij de ontwikkeling.
Bij een vergunningsplichtige activiteit in deze deelgebieden wordt van de initiatiefnemer verwacht om na te gaan of er binnen de omgeving van het initiatief eventueel een monument aanwezig is waarmee rekening gehouden moet worden. Op het kaartmateriaal (behorend bij het welstandsbeleid) worden alle monumenten aangegeven, maar er worden geen omgevingen aangeduid. Nadeel: Een initiatiefnemer moet in eerste instantie zelf bepalen in hoeverre de voorgenomen bouwactiviteit eventueel van invloed is op (de omgeving van) een monument en of de richtlijnen van toepassing zijn. NOTA BENE: Uiteindelijk zal de gemeente de omgeving van monumenten moeten gaan aanduiden in haar Omgevingsplan. Optie 3 moet worden gezien als tijdelijk. REACTIE PROFESSIONALS: Tijdens een participatieavond op 1 dec. ’21 met professionals op het gebied bouwaanvragen (architecten c.q. bouwkundige teken- en adviesbureaus werkzaam in de gemeente West Betuwe) is een voorkeur uitgesproken voor zoveel mogelijk duidelijkheid vooraf. Cirkels om monumenten om zo de omgeving van het monument te duiden (optie 2) wordt als (voorlopige) variant wat dat betreft voorstelbaar gevonden. Men weet vooraf waar men aan toe is, ook al is een cirkel minder ‘precies’.
Toelichting vraag 4: Monumenten verduurzamen Onderstaande tekst wordt opgenomen in de Gids Ruimtelijke Kwaliteit ‘22. Met deze tekst willen we monumenteneigenaren meer inzicht geven langs welke richtlijnen/uitgangspunten erfgoedadviseurs adviseren. Deze zijn niet uniek voor West Betuwe, maar worden landelijk algemeen toegepast.
Tekst Gids Ruimtelijke Kwaliteit Op dit moment kent de gemeente West Betuwe een rijksmonumentenlijst met 345 objecten en een gemeentelijke monumentenlijst met 403 objecten. Het voortbestaan van een monument is het beste gewaarborgd door regelmatig onderhoud en gebruik. Soms is het nodig om het monument enigszins aan te passen of te verbouwen. Hierbij zal steeds gezocht moeten worden naar een goede balans tussen de mogelijkheden van het monument en de wensen voor eigentijds gebruik. Het behoud van het bijzondere karakter van het beschermde monument en de waardevolle elementen die het bevat vormen hierbij het uitgangspunt. Het monument bepaalt tot hoever je kunt gaan. Voordat een bouwplan voor wijzigingen aan een monument wordt gemaakt, is het daarom belangrijk dat er een goed beeld bestaat van de aspecten die juist dat monument waardevol maken. Onderzoek naar de bouwkundige, (bouw)historische, kunst- en architectuurhistorische, cultuurhistorische of technische aspecten van het monument is in veel gevallen nodig. Deze gegevens vormen een belangrijke onderlegger bij het opstellen van plannen en bij de beoordeling van die plannen. Bij de beoordeling zal worden getoetst of de monumentale aspecten van het monument voldoende worden gerespecteerd. Het bijzondere van monumenten wordt in hoge mate bepaald door de zichtbare ouderdom en de daadwerkelijke beleving van die ouderdom.
Deze komen niet alleen tot uitdrukking in de bouwstijl, maar ook in de manier waarop materialen zijn verwerkt en de wijze waarop ze verouderen. Behoud van historisch bouwmateriaal is daarom een belangrijk punt; behoud gaat voor vernieuwen, hetgeen overigens ook past in een circulaire benadering. Moet er toch iets worden gewijzigd of vernieuwd, dan is het huidige beschermde monument (ontwerp, hoofdvorm, materiaal, uitvoering en details) het uitgangspunt. Een ander belangrijk aspect is de wijze waarop onze monumenten zijn gebouwd: hoe de constructie in elkaar steekt en hoe details en afwerking zijn uitgevoerd. Deze aspecten vertellen namelijk over de tijd waarin het monument gebouwd is, de plek waar het staat, de functie die het had. Ook krijgen we bij de bestudering van constructies, materialen en afwerkingen een beeld van het technisch vakmanschap van onze voorouders. Constructie, materiaal, afwerking en detail bepalen de fysieke ouderdom van het monument en zijn essentieel voor de monumentale waarde. Het in standhouden van een monument is op zichzelf al een vorm van duurzaamheid. Op het gebied van energiezuinigheid, isolatie en comfort valt er soms echter het nodige te verbeteren. Het verduurzamen van monumenten is vaak nodig om het gebruik en daarmee de instandhouding van monumenten, ook bij toenemende energiekosten, in de toekomst aantrekkelijk te houden.
Daarnaast willen ook monumenteneigenaren graag hun steentje bijdragen aan het behalen van klimaatdoelstellingen. Standaardoplossingen zijn echter niet altijd toepasbaar bij monumenten. Het verduurzamen van monumenten vraagt om maatwerkoplossingen met oog voor het behoud van de cultuurhistorische waarden. Een monument is anders dan een nieuwbouwwoning en vraagt om een specifieke behandeling. Het gebouw heeft tijdenlang een eigen vocht- en temperatuurhuishouding gehad. Wanneer we opeens deze bouwfysische gesteldheid wijzigen, kan dit nare gevolgen, zoals vochtproblemen, schimmelvorming en houtrot hebben. Isoleren betekend ook ventileren. Bouwfysisch ‘veilig’ verduurzamen betekend dat we
nagaan waar het dauwpunt1 zich bevindt na het isoleren van de wanden; de condensatie van warme lucht mag niet in de houtconstructie gaan plaats vinden. Omdat elk monument uniek is, is het niet mogelijk om vooraf beoordelingscriteria vast te leggen die bijdragen aan het behoud van monumentale waarden. Bij elke voorgenomen vergunningplichtige activiteit moet apart worden beoordeeld wat de gevolgen zijn voor de monumentale waarden, en of de activiteit in overeenstemming is (te brengen) met het belang van de monumentenzorg. Combineer onderhoud en verduurzaming Combineer noodzakelijk onderhoud met verduurzaming en bespaar zo legeskosten in het vergunningstraject. Ook het subsidietraject hoeft dan maar één keer te worden doorlopen. Totaalplan Laat een totaalplan (voor onderhoud- en energieadvies) uitvoeren door een specialist met ervaring met monumenten en kies zo het beste maatregelenpakket voor onderhoud, isoleren, ventileren, verwarmen en duurzame opwekking. Het plan gaat uit van het beperken van de (energie)vraag met behoud van monumentale waarden en sluit bouwfysische risico’s uit. Beperk onomkeerbare ingrepen Zorg dat wat je toevoegt ten behoeve van verduurzaming, weer terug te draaien is met zo min mogelijk schade aan het monument.
Hergebruik materialen en kies traditionele en duurzame materialen Bij de toevoeging van nieuwe materialen aan monumenten wordt niet altijd gekeken naar de afvalstoffen die deze in de toekomst zullen opleveren. Dat is wel van belang, want niet alleen de algemene omlooptijd van gebouwen wordt steeds korter, ook wijzigingen aan monumenten volgen elkaar sneller op. Denk in het kader van duurzaamheid na over de toepassing van de juiste materialen. Over isoleren met PURschuim wordt bijvoorbeeld negatief geadviseerd. Het is geen circulair isolatiemateriaal en het product is later niet zonder schade weer te verwijderen. Bovendien zijn PUR-dampen giftig bij verwerking. Het is daarnaast slecht voor een houtconstructie, omdat deze niet meer kan ademen. Gebruik overruimte als thermische buffer Monumenten bieden door hun overmaat (denk aan de grote T-boerderijen) andere mogelijkheden dan panden van recentere datum. In ruimtelijke zin zijn er interessante alternatieve oplossingen te bedenken. Gebruik bijvoorbeeld de ‘overruimte’ onder de kap als thermische buffer en isoleer de zoldervloer in plaats van het gehele dak. Hiermee kunnen kosten worden bespaard. Beglazing Het aanbrengen van HR+- of HR++-glas in historische ramen is meestal niet mogelijk. Een goede oplossing kan soms worden gevonden in het plaatsen van een achterzetraam, een extra raam aan de binnenzijde.
Als dit ook niet mogelijk of wenselijk is, zijn er tegenwoordig ook soorten isolerende beglazing in de handel die veel dunner zijn en in sommige gevallen wél in historische ramen kunnen worden geplaats, mits de afmeting van het bestaande raamhout c.q. de diepte van de glassponning in het raam voldoende is. Bijvoorbeeld: HR-glas, monumentenglas en vacuümglas. Dun monumentenglas met gasvulling heeft een hoge isolatiewaarde. Oud glas, glas-in-loodramen of gebrandschilderd glas mogen niet worden vervangen. Plaats ook geen glasin-loodramen in de luchtspouw van dubbelglas. Dit levert namelijk een te dikke ruit op. Glas in monumenten is van oorsprong altijd geplaatst geweest met stopverf aan de buitenzijde. Pas daarom geen glaslatten toe. Voor de verschillende soorten isolatieglas is een speciale gemodificeerde kit ontwikkeld. Hiermee kan een historisch verantwoorde uitstraling worden gewaarborgd. Let er op dat bij het toepassen van dubbele beglazing de afstandsprofielen niet aluminiumkleurig zijn, maar worden 1
Het dauwpunt is het punt waar warme lucht zover afkoelt dat waterdamp in deze lucht condenseert
uitgevoerd in een zwarte kleur als de kozijnen buiten donkergroen zijn uitgevoerd of in een licht kleur als de kozijnen zowel binnen als buiten licht zijn. Vervanging van ramen is alleen mogelijk als de bestaande ramen geen monumentale waarden vertegenwoordigen of in zo’n slechte technische staat zijn dat ze vervangen moeten worden (uitgangspunt is voor meer dan 50% verrot). De materialisatie, maatvoering en detaillering van de nieuwe ramen passen bij het monumentale karakter van het pand. Bij het vervangen van een technisch versleten, maar monumentaal raam moet het aanzicht aan de buitenzijde hetzelfde blijven en wordt de historische profilering overgenomen evenals het raamsysteem (bijvoorbeeld schuifraam of stolpraam). Dakisolatie Ga uit van behoud van de historische dakbedekking (exterieur) en de kapconstructie (interieur) en voorkom dat er beschadigingen ontstaan. Bij dakisolatie aan de binnenzijde onder het dakbeschot wordt aandacht gevraagd voor een goede (damp-open) ventilatie tussen isolatie, dakbeschot en buitenlucht. Dakisolatie aan de buitenzijde is in overleg, onder voorwaarden ook mogelijk. Bedenk dat alle aansluitingen op schoorstenen en overige dakdoorvoeren wijzigen en dat er voldoende ruimte moet overblijven bij de goot voor een goede afwatering.
Gevelisolatie Gevelisolatie aan de buitenzijde is niet wenselijk omdat dit het aanzicht verandert en bouwsporen aan het zicht onttrekt. Spouwmuurisolatie is alleen mogelijk als de muur in goede staat verkeert en de spouw voldoende schoon en open is. De vulling moet ook weer makkelijk te verwijderen zijn. Als de buitenste muur is opgetrokken met geglazuurde baksteen of verblendsteen dan is spouwmuurvulling niet mogelijk vanwege te verwachten schade. Hetzelfde geldt voor geschilderde buitengevels. Gevelisolatie aan de binnenzijde is goed mogelijk mits met aandacht voor koudebruggen uitgevoerd en mits er geen monumentale interieuronderdelen aan het zicht worden onttrokken zoals lambriseringen, wandbespanningen, monumentale plafonds en plafondlijsten. In overleg kan bepaald worden of interieuronderdelen na isolatie kunnen worden teruggeplaatst. Aandacht wordt gevraagd voor de aansluiting van het isolatiepakket op de binnenkozijnen. Vloerisolatie Voor het aanbrengen van vloerisolatie mogen geen monumentale onderdelen, zoals vloeren of plafonds, verwijderd of ontmanteld worden. Het aanbrengen van verlaagde plafonds of zwevende vloeren is mogelijk mits er geen monumentale onderdelen aan het zicht verdwijnen. Zorg voor voldoende dampopenheid bij constructieve onderdelen. Van het gas af Als een monument van het gas af gaat kan dit betekenen dat men overstapt op een warmtepomp.
Een warmtepomp betekent meestal een lage-temperatuurverwarming. Daarvoor is goede thermische isolatie essentieel. Een warmtepomp is echter alleen ‘duurzaam’ wanneer deze op groene stroom draait. Zonnepanelen Uitgangspunt voor het plaatsen van zonnepanelen is dat deze slechts beperkt zichtbaar mogen zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied. Door daarnaast uit te gaan van één aaneengesloten vlak van volledig (mat) zwart uitgevoerde panelen blijft het beeld rustig, waardoor de te beschermen waarden van het monument en/of het beschermde stads- of dorpsgezicht niet onevenredig worden aangetast. Bij rode daken zullen niet zwarte, maar rode of roestbruine zonnepanelen voor een rustig beeld zorgen. Op rietgedekte daken of daken voorzien van een bijzondere dakbedekking zoals leien, worden zonnepanelen niet toegestaan. Daarnaast mogen de zonnepanelen geen blijvende fysieke schade aan het monument opleveren.
Raadpleeg informatiebronnen -
Stichting ERM (Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg) geeft uitvoeringsrichtlijnen voor verduurzamen van monumenten.
-
RCE (Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed) ontwikkeld praktisch toepasbare kennis op het gebied van duurzaamheid en de zorg voor cultureel erfgoed.
-
Het Restauratiefonds ondersteunt monumenteigenaren met de financiering van hun plannen met hun monument. Zij vergoeden een deel van de advieskosten voor een specifiek duurzaamheidsadvies van een Duurzame Monumenten (DuMo) adviseur.
Einde tekst REACTIE PROFESSIONALS: Tijdens een participatieavond op 1 dec. ’21 met professionals wordt het opnemen van uitgangspunten voor het verbouwen en verduurzamen van monumenten positief gewaardeerd. Daarnaast wil men graag meer duidelijkheid over mogelijke gemeentelijke subsidies voor het verduurzamen van monumenten. Dit valt echter buiten de scope van de Gids Ruimtelijke Kwaliteit. In het gemeentelijk Erfgoedbeleid is hierover het volgende te lezen : “In een uitvoeringsprogramma wordt uitgewerkt of de gemeente het onderhoudsbudget voor (eigenaren van) gemeentelijke monumenten wil handhaven of dat er naar andere vormen van ondersteuning gekeken gaat worden. Daarbij is ook te denken aan advisering, bijvoorbeeld over verduurzaming.” En: “De gemeente West Betuwe wil een plan uitwerken hoe haar voorraad waardevol erfgoed, vooral landschappelijk en gebouwd, kan bijdragen aan de energietransitie. Denk daarbij bijvoorbeeld aan het energiezuinig maken van monumenten”. Er gaat binnenkort een project draaien, samen met het energieloket West Betuwe, waarbij de gemeente gaat kijken hoe ze eigenaren van monumenten in West Betuwe kunnen ondersteunen in hun wens om te verduurzamen.
Aanvullende optie Verruimend beleid m.b.t zonnepanelen op monumenten en beschermde stadsen dorpsgezichten. Zonnepanelen op monumenten en in beschermde gezichten zijn niet vergunningsvrij te plaatsen. Nu is bij de beoordeling van plannen het uitgangspunt: niet (of zeer beperkt) zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft in 2020 haar adviesbeleid voor zonnepanelen op rijksmonumenten aangepast om monumenteneigenaren meer mogelijkheden te geven om gebruik te maken van zonnepanelen bij de verduurzaming van hun monument. Aanleiding hiervoor zijn de ambities uit het Klimaatakkoord, waarin is afgesproken dat ook monumenten een substantiële bijdrage zullen leveren aan de energiebesparing en schone energieopwekking. Het wel of niet zichtbaar zijn van zonnepanelen is niet langer een beslissend criterium, maar wel de mate waarin het beeld van het monument en het beschermde stadsgezicht eventueel wordt verstoord. Daardoor kan vaker positief geadviseerd worden over zonnepanelen die zichtbaar zijn vanaf publiek toegankelijk gebied. Voorwaarde voor een positief advies voor zonnepanelen in het zicht is onder meer; -
het gebrek aan mogelijkheden om zonnepanelen uit het zicht te plaatsen, uitgaande van een rendabele installatie; dat de energieopwekking ten bate is van het eigen (monumentale) pand en er wordt geen cultuurhistorisch waardevol groen wordt gekapt om de bezonning te verbeteren;
-
een zorgvuldig afgewogen ontwerp; er geen sprake is van een onevenredige aantasting van monumentale waarden in de vorm van een ernstige visuele verstoring en/of schade aan bouwhistorische waarden/materiaal.
Voor rijksmonumenten in beschermde stads- en dorpsgezichten, hanteert de RCE specifieke uitgangspunten. Voor gebouwen die een belangrijke rol spelen in het aanzicht van een beschermd gezicht, adviseert de Rijksdienst negatief over zonnepanelen in het zicht. Het gaat dan bijvoorbeeld om gebouwen in het zicht die boven de gemiddelde bouwmassa uitsteken, gebouwen die gelegen zijn in de zichtlijnen van bijvoorbeeld straten of grachten of die deel uitmaken van een historische pleinwand. De gemeente West Betuwe kan ervoor kiezen om in deze tijd van energietransitie, in lijn met het beleid van de RCE, verruimend beleid op te stellen voor zonnepanelen op al haar monumenten en beschermde dorpsgebieden waarbij (onder voorwaarden) meer mogelijk wordt. Overigens dient dit wel te gebeuren binnen de kaders van de Erfgoedwet; gelet op de aanwijzing tot een beschermd gezicht op grond van de Erfgoedwet (destijds Monumentenwet) is het beleid om te komen tot behoud en versterking van het beschermde gezicht voor de gemeente leidend.
Zonnepanelen op een antraciet pannendak in een geheel mat-zwarte uitvoering en gelegd in een rustig patroon, hoeven niet te leiden tot een onevenredige aantasting van beschermde monumentale waarden
Toelichting vraag 5 Verduurzamen bestaande bouw (geen beschermde monumenten) In de Omgevingsvisie (versie 0.5, Beeldvormende avond West Betuwe 5 oktober 2021) is het volgende te lezen: “Naast het nieuw bouwen en toevoegen van woningen liggen er in West Betuwe ook opgaven in de bestaande woningvoorraad. In navolging van het Klimaatakkoord moeten vrijwel alle woningen in 2050 CO2-neutraal zijn. Dat betekent een verduurzamingsopgave voor een groot deel van de woningen in West Betuwe. Gezien het aantal koopwoningen, betekent dit dat er vanuit particuliere woningeigenaren een grote inspanning nodig is voor het isoleren, het besparen en opwekken van energie. Ook ligt er een vernieuwings- en transformatieopgave in de sociale huursector ten aanzien van verduurzaming.”
➢ Warmtepompen In het kader van duurzaam bouwen zijn warmtepompen inmiddels niet meer weg te denken. Afhankelijk van het type kan de omvang van een buitenunit oplopen 180-190cm hoog, 60-76 breed en 60-76 diep. Het geluid zorgt er daarnaast voor dat ze niet overal zomaar te plaatsen zijn (ook denkend aan de buren). Onderstaand een voorbeeld van een aanvraag (uit een andere gemeente) voor het plaatsen van een warmtepomp tegen de voorgevel.
Ons voorstel is om de bestaande criteria voor airco-units uit te breiden met criteria voor het plaatsen van warmtepompen. ALGEMEEN: De installatie heeft een onopvallende verschijningsvorm, eventueel voorzien van een omkleding, en past in de schaal en bij de architectuur van het pand en haar omgeving. -
BIJ NIEUWBOUW integreren in de bouwmassa, de architectuur of het stedenbouwkundige ontwerp. BIJ BESTAANDE BOUW plaatsen op een onopvallende plek bij voorkeur aan de achterzijde van het pand of aan de zijkant die niet grenst aan openbaar gebied (achtererfgebied); op de grond: alleen mogelijk aan de voorzijde indien aan het zicht onttrokken, bijvoorbeeld door een haag; terugliggend op een plat dak, mits voldoende ondergeschikt in het straatbeeld; binnen het silhouet van het gebouw; uitvoeren in gedekte kleuren, afgestemd op het gebouw of neutraal, waardoor de opbouw wegvalt tegen de achterliggende gevel of tegen de lucht;
Toelichting vraag 6 Verduurzamen bestaande bouw (geen beschermde monumenten) ➢ Verruiming beleid voor het na-isoleren van daken en gevels Om met name het grote aantal woningen uit de naoorlogse bouwperiode 1950-1980 energieneutraal te maken, zal naast het plaatsen van zonnepanelen op het dak, driedubbel glas en wellicht een warmtepomp, het vaak noodzakelijk zijn om de gevel en/of het dak te isoleren. Het ontbreken van een spouw en de wens om geen binnenruimte te verliezen kan er toe leiden dat men de woning van buitenaf wil isoleren. Voor een vrijstaande woning is dit welstandshalve meestal geen probleem. Echter, het huidige welstandsbeleid kent een waarde toe aan het bewaren van een stedenbouwkundige en architectonische samenhang per bouwblok. Het na-isoleren van gevels en dak van een tussenwoning (een woning onderdeel van een woningblok) tast die samenhang aan en is daarmee niet goed mogelijk binnen het bestaande beleid. Ons voorstel is om het welstandsbeleid te verruimen t.a.v. het na-isoleren van daken en gevels opdat zodoende onder voorwaarden ook tussenwoningen energieneutraal gemaakt kunnen worden. Dit zijn de voorwaarden:
Dak- en isolatie aan buitenzijde -
-
-
BIJ EEN PAND ONDERDEEL VAN EEN BOUWBLOK: ga zoveel mogelijk uit van de bestaande gevelindeling en gevelgeleding; ga uit van dezelfde goothoogte als de bestaande goot en/of de goot van het buurpand; behoud dezelfde hellingshoek van het dak; afwijking in materiaal, kleur en detaillering is mogelijk, mits de samenhang in het totale gevelbeeld van het bouwblok voldoende behouden blijft, de stedenbouwkundige waarde niet wordt aangetast en de architectonische kwaliteit vergelijkbaar is. BIJ EEN VRIJSTAAND PAND: is verandering van goothoogte, dakhelling, bouwmassa, gevelindeling, gevelgeleding en uitstraling mogelijk, mits de bestaande stedenbouwkundige waarden niet worden aangetast en het pand voldoende passend is in de omgeving en het straatbeeld; er is sprake van voldoende architectonische kwaliteit.
Deze referentievoorbeelden voldoen aan genoemde criteria. Links Heerhugowaard, rechts Soesterberg
REACTIE PROFESSIONALS: Tijdens een participatieavond op 1 dec. ’21 met professionals op het gebied bouwaanvragen (architecten c.q. bouwkundige teken- en adviesbureaus werkzaam in de gemeente West Betuwe) zijn de criteria voor na-isoleren en warmtepompen besproken. Men kon zich vinden in deze criteria.
Toelichting vraag 7 Zonnepanelen op erven in het buitengebied voor eigen gebruik Er is in het buitengebied een duidelijke behoefte aan grondgebonden zon op eigen terrein, ten behoeve van eigen gebruik. Het gaat om kleinschalige initiatieven van inwoners die niet de mogelijkheid hebben om iets te doen op hun eigen dak, bijvoorbeeld omdat het een karakteristiek rietgedekt pand betreft, maar die dit wel de ruimte hebben om zonnepanelen te plaatsen op hun eigen grond. Nu wordt dat meestal afgewezen. Deze kleine grondgebonden zonneparkjes vallen buiten het beleidskader grondgebonden zon West Betuwe dat in september 2020 is vastgesteld. In dit beleidskader is hierover het volgende te lezen: “Zonnevelden kleiner dan 1 hectare, bijvoorbeeld op eigen erf en aangrenzend aan woonhuis of boerderij, vallen buiten dit beleidskader. Zo is het concept van de energieleverende boerderij, met panelen op de daken en aangrenzende velden, eenvoudig in bereik. Ook bij deze kleine velden is wel toetsing nodig, denk aan een situatie waarin heel veel kleine veldjes samen tot een onwenselijk beeld in het landschap zouden kunnen leiden.” De vraag is of de gemeente een toetsingskader wil voor kleine grondgebonden zonnevelden op erven met een bouwvlak die nu buiten het beleidskader grondgebonden zon vallen. De Gids Ruimtelijke Kwaliteit is hiervoor een geschikte plek.
Bij initiatieven kan een trapsgewijze aanpak worden gehanteerd, conform het principe van de zonneladder. De zonneladder is een ordeningsprincipe om geschikte en minder geschikte locaties (of gebieden) voor zonne-energie te rangschikken in een voorkeursvolgorde. In het geval van kleinschalige zonnevelden op eigen erf, voor eigen gebruik betekend dit: Eerst kijken naar mogelijkheden op dak. Wanneer er technische of beleidsmatige beperkingen zijn zoals bij monumenten, rietendakbedekking of onvoldoende of ongunstig gelegen dakoppervlak is een opstelling (voor eigen opwekking) op de grond mogelijk, mits dit past binnen het bestemmingsplan. Ook hierbij is een goede afweging, inpassing en voorkeursvolgorde van belang: 1. Binnen het bouwvlak 2. Aansluitend aan het bouwvlak (alleen mogelijk met goede onderbouwing) De ruimtelijke/planologische afweging vindt niet plaats in Gids Ruimtelijke Kwaliteit, maar in het bestemmingsplan. In de Gids Ruimtelijke Kwaliteit kunnen alleen handvatten of richtlijnen worden opgenomen voor een goede inpassing (plaatsing, hoogte, landschappelijke inpassing). De gemeente kan deze richtlijnen hanteren als randvoorwaarden bij een positieve beslissing om een initiatief toe te staan.
voorbeeld grondgebonden zon op eifgen erf, voor eigen gebruik
Uitgangspunten voor zonnevelden op of aansluitend op het bouwvlak DE PANELEN -
-
staan op het zij- of achtererf op enige afstand van bebouwing, ruim achter de voorgevel en niet aan de weg; zijn alleen voor eigen gebruik met een oppervlakte van maximaal 1 hectare; zijn maximaal 1,5 meter hoog maar bij voorkeur lager; worden landschappelijk in gepast. Maak hierbij gebruik van streekeigen elementen die bij het landschap passen, zoals een windsingel van elzen en wilgen of hagen van veldesdoorn, een talud of plaats de zonnepanelen verdiept om ze aan het zicht te onttrekken; maken op een logische wijze onderdeel uit van het ontwerp van de tuin of erf. De kenmerken van het landschap zijn uitgangspunt, zoals de rationele verkaveling, beplanting en sloten; houden afstand tot de slootkant, er worden geen sloten gedempt; zijn gerangschikt in een regelmatig patroon dat aansluit bij de richting van het landschap; tasten geen landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden aan.
REACTIE PROFESSIONALS: Tijdens een participatieavond op 1 dec. ’21 met professionals op het gebied bouwaanvragen hebben de aanwezigen aangegeven dat er (bij hun opdrachtgevers) inderdaad behoefte is aan het mogen plaatsen van zonnepanelen voor eigen gebruik op het maaiveld. Ook de professionals vinden dat dit altijd met een landschapsinrichtingsplannetje gepaard moet gaan. Maar wel zonder schaduw-veroorzakende bomen. Ook de RCE ziet het plaatsen van zonnepanelen op maaiveld als een goed alternatief om zo het dak van een monument te kunnen ontzien.