CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

Geldersestraat 75, Geldermalsen_Toelichting_Bijlage 1 Archeologie_.pdf

Gemeenteraad 31 mei 2022, gemeente West BetuweBij agendapunt: 6: Voorstel tot gewijzigde vaststelling Bestemmingsplan Geldersestraat 75 Geldermalsen10.261 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Archeologisch bureauonderzoek voor het plangebied Geldermalsen-Geldersestraat 75, gemeente West Betuwe Matthijs Catsman

1006

Archeologisch bureauonderzoek voor het plangebied Geldersestraat 75, gemeente Geldermalsen Matthijs Catsman

Zuidnederlandse Archeologische Notities

1006

Amsterdam 2021 VUhbs archeologie

De serie Zuidnederlandse Archeologische Notities is een uitgave van VUhbs archeologie, Amsterdam

COLOFON

Opdrachtgever: MB Groep Bevoegd gezag: West Betuwe Toetsing namens bevoegd gezag: Omgevingsdienst Rivierenland, dhr. H.J. (regioarcheoloog Rivierenland) Project: Geldermalsen-Geldersestraat 75 Type onderzoek: Archeologisch bureauonderzoek Uitvoerder: VUhbs archeologie Plaats documentatie: VUhbs archeologie, Archis, e-depot Archis-zaakidentificatie: 5079692100 Projectcode: WB-GMGS-21 Coördinaten: 148.708 / 432.801 Provincie, gemeente: Gelderland, West Betuwe Kaartblad: 39C Kadastrale aanduiding: GDM00-G-718, 3880, 3882 Omvang plangebied: 1444 m²

van

Status: definitief Datum: 5 november 2021 Auteur: M. Catsman MA Bijdragen: dr. M.R. Groenhuijzen Illustraties: M. Catsman MA Autorisatie: drs. J.C.G. van Kampen Deskundige namens bevoegd gezag: drs. H.J. van Oort (Omgevingsdienst Rivierenland) Omslagontwerp: M. Kriek ISBN:

9789086149940

©VUhbs archeologie, Amsterdam, november 2021 De Boelelaan 1105 1081 HV AMSTERDAM 2

Oort

INHOUD Samenvatting .......................................................................................................................................................................5 1

2

3

Inleiding .......................................................................................................................................................................6 1.1

Kader en motivatie .........................................................................................................................................6

1.2

Doel en vraagstelling van het onderzoek ..............................................................................................6

1.3

Opzet van het rapport ...................................................................................................................................6

Methode........................................................................................................................................................................8 2.1

Doelstelling........................................................................................................................................................8

2.2

Methode ..............................................................................................................................................................8

Resultaten ................................................................................................................................................................. 10 3.1

Plangebied (LS01) ....................................................................................................................................... 10

3.2

Huidige situatie (LS02).............................................................................................................................. 11

3.3

Landschap (LS04) ........................................................................................................................................ 11

3.4

Archeologie (LS04) ..................................................................................................................................... 13

3.5

Historische situatie (LS03) ...................................................................................................................... 17

3.6

Archeologische verwachting (LS05) .................................................................................................... 18

4

Conclusie ................................................................................................................................................................... 20

5

Aanbevelingen ........................................................................................................................................................ 22

6

Literatuur.................................................................................................................................................................. 23

3

BIJLAGEN Bijlage 1. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Archeologische perioden. Bijlage 2. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Locatie van het plangebied op de topografische kaart (bron: PDOK). Bijlage 3. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Schematische weergave van de plannen. Bijlage 4. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Het plangebied geprojecteerd op de archeologische beleidskaart van de voormalige gemeente Geldermalsen (bron: Willemse 2015). Bijlage 5. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Het plangebied op de paleogeografische kaart van de Rijn-Maasdelta (bron: Cohen et al. 2012). Bijlage 6. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Geomorfologische kaart met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Alterra 2008). Bijlage 7. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Digitale hoogtemodel met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Actueel Hoogtebestand Nederland 2019). Bijlage 8. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Bodemkaart met daarop geprojecteerd het plangebied (bron: Alterra 2006). Bijlage 9. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Bekende archeologische gegevens rondom het plangebied (bron: Archis III). Bijlage 10. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Uitsnede van een reproductie van de Tiendkaart Geldermalsen van het Capittel van St. Marie te Utrecht uit 1714 (bron: Het Utrechts Archief, Fotodienst, 2004). Bijlage 11. Geldermalsen-Geldersestraat 75.

Het plangebied geprojecteerd op de kadastrale minuutkaart uit 18111832 (bron: Beeldbank RCE). Bijlage 12. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart van 1900 (bron: Topotijdreis Kadaster). Bijlage 13. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart van 1918 (bron: Topotijdreis Kadaster). Bijlage 14. Geldermalsen-Geldersestraat 75. Het plangebied geprojecteerd op de topografische kaart van 1962 (bron: Topotijdreis Kadaster).

4

SAMENVATTING Binnen het plangebied Geldermalsen-Geldersestraat 75 in de gemeente West Betuwe zal als onderdeel van de geplande werkzaamheden de huidige bebouwing binnen het plangebied gesloopt worden om plaats te maken voor nieuw te realiseren woonhuizen, vier in totaal, met bijbehorende bijgebouwen. Als onderdeel van de werkzaamheden moet ook een deel van het terrein gesaneerd worden. De werkzaamheden kunnen een bedreiging zijn voor het archeologische bodemarchief. VUhbs archeologie is verzocht een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uit te voeren zodat meer inzicht wordt verkregen in de bodemopbouw en archeologische verwachting van het plangebied, en of aanvullend onderzoek noodzakelijk zal zijn. Het plangebied bevindt zich op circa 100 m ten zuiden van de stroomgordel van de Linge. Hoewel het plangebied niet op de stroomgordel is gelegen, kan het voorkomen van beddingafzettingen van de Linge nog niet geheel worden uitgesloten. Binnen het plangebied zullen ook zeer waarschijnlijk oeverafzettingen aanwezig zijn. In de Late Middeleeuwen is de Linge bedijkt, waarvan getuige de Lingedijk direct ten zuiden van het plangebied.

Met de ingebruikname van de lagere (buitendijkse) gebieden vanaf dit moment tot in de Nieuwe Tijd, kunnen ook eventuele antropogene ophogingslagen verwacht worden binnen het plangebied die de oudere bedding- en oeverafzettingen van de Linge bedekken. Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachtingswaarde, daar de oeverafzettingen van de Linge en eventuele antropogene ophogingslagen een hoge verwachtingswaarde kunnen worden toegekend. Eerder onderzoek in Geldermalsen heeft aangetoond dat op de smalle oeverwallen langs de Linge resten en sporen daterend vanaf de IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd verwacht kunnen worden. Deze kunnen bestaan uit grondsporen, anorganische (aardewerk, natuursteen, bouwmateriaal, metaal) en organische resten (hout, houtskool, botmateriaal). In het bijzonder kan er een middelhoge tot hoge verwachting worden toegeschreven aan sporen vanaf de Vroege Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Hierbij geldt voor de Middeleeuwse periode een middelhoge verwachting voor mogelijke sporen van bewoning of andere activiteiten op basis van de nabije vindplaatsen uit de Vroege en Late Middeleeuwen. Voor de Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting voor sporen van bewoning en woonerven op basis van het historisch kaartmateriaal dat toont dat het plangebied op zijn minst vanaf de vroege 18e eeuw deel was van het esdorp Geldermalsen.

Op basis van eerder uitgevoerd booronderzoek is de verwachting dat het hoogstgelegen niveau met deze verwachting zal worden aangetroffen op een diepte van circa 50-130 cm. Daar de funderingsdiepte van de huidige bebouwing onbekend is, kan niet met zekerheid worden vastgesteld of dit archeologische niveau wel of niet verstoord is door deze bebouwing, dan wel verstoord kan worden door de sloopwerkzaamheden. Wel is duidelijk dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden voor de nieuw te realiseren bebouwing groter is dan de diepte van het archeologische niveau. Dit betekent dat in ieder geval daar waar de nieuw te realiseren bebouwing niet overlapt met de huidige bebouwing het archeologische niveau waarschijnlijk verstoord zal worden. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek wordt vervolgonderzoek als zinvol en noodzakelijk geacht. Vanwege de aanwezigheid van de huidige bebouwing wordt vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven of in de vorm van een verkennend booronderzoek op dit moment om praktische redenen niet zinvol geacht. Dientengevolge wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding van de ondergrondse sloopwerkzaamheden geadviseerd, evenals van de saneringswerkzaamheden.

Hierbij zal zowel de verstoringsdiepte van de huidige bebouwing kunnen worden vastgesteld, alsmede de mogelijke aanwezigheid en conservering van het archeologische niveau en eventuele aanwezige archeologische waarden onder de huidige bebouwing. 5

1

INLEIDING

1.1

KADER EN MOTIVATIE

In opdracht van MB Groep heeft VUhbs archeologie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Geldermalsen-Geldersestraat 75 te Geldermalsen, gemeente West Betuwe (bijlage 2). Binnen het plangebied zal de bestaande bewoning worden gesloopt en nieuwe woningen met bijgebouwen gerealiseerd worden (bijlage 3). Door de werkzaamheden kunnen de bodem en eventueel aanwezige archeologische sporen en resten worden verstoord. Het plangebied kent in het vigerende bestemmingsplan ‘Geldermalsen woongebied 2011’ een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 1’, op basis waarvan vroegtijdig archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de eventuele aanwezigheid van archeologische sporen en resten bij werkzaamheden met een oppervlak groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld.1 Deze grenzen worden overschreden door de voorgenomen werkzaamheden (zie sectie 2.3.1). Omdat vroegtijdig archeologisch onderzoek noodzakelijk is met betrekking tot deze werkzaamheden, is allereerst een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is gedaan door dhr. M. Catsman (MA-archeoloog) en is uitgevoerd conform de eisen die gesteld worden in de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1) en BRL 4000, specifiek BRL 4002 (bureauonderzoek).2 VUhbs archeologie is gecertificeerd voor het uitvoeren van archeologisch (veld)onderzoek.3

1.2

DOEL EN VRAAGSTELLING VAN HET ONDERZOEK

Het doel van het archeologisch onderzoek is een verwachting op te stellen over de eventuele aanwezigheid van archeologische vindplaatsen in het plangebied. In het bureauonderzoek is aan de hand van bestaande bronnen informatie verworven over bekende of te verwachten archeologische sporen en resten. Deze informatie moest resulteren in een gespecificeerde archeologische verwachting, op basis waarvan een advies over eventueel archeologische vervolgonderzoek gegeven kan worden. De vraagstelling van het onderzoek is als volgt: 1) Wat is de reeds bekende geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied? 2) Wat zijn de vooraf bekende en verwachte archeologische sporen en resten binnen het plangebied? Wat is bekend van het karakter, de omvang, (diepte)ligging, uiterlijke kenmerken, datering, gaafheid en conservering van deze sporen en resten? 3 ) Wat zijn de te nemen vervolgstappen om te komen tot een waardering van de eventueel aanwezige archeologische sporen en resten, op basis waarvan uiteindelijk een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) genomen kan worden?

1.3

OPZET VAN HET RAPPORT

De verslaglegging is per uitgevoerd onderdeel van het onderzoek samengesteld. In hoofdstukken 2 en 3 zullen de methode en resultaten van het bureauonderzoek worden beschreven (vraag 1 en 2). Een conclusie naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek wordt gepresenteerd in 1 Planidentificatie NL.IMRO.0236.GDMgldmwoongeb2011-ONHE; www.ruimtelijkeplannen.nl. 2 www.sikb.nl.

3 Procescertificaat nr. K94275/06.

6

hoofdstuk 4 op basis van deze deelvragen. Afsluitend zal in hoofdstuk 5 een advies gegeven worden ten aanzien van vervolgstappen in het kader van de archeologische monumentenzorg (vraag 3).

7

2

METHODE

2.1

DOELSTELLING

Het doel van het bureauonderzoek is het verwerven van informatie over bekende of verwachte archeologische sporen en resten binnen het plangebied en de directe omgeving aan de hand van bestaande bronnen. Hierbij zijn gegevens verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid, het karakter, de omvang, (diepte)ligging, uiterlijke kenmerken, datering, gaafheid en conservering van archeologische en cultuurhistorische waarden en aardwetenschappelijke gegevens. Dit dient te resulteren in een gespecificeerde verwachting, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van eventueel vervolgonderzoek.

2.2

METHODE

Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform de specificaties uit de KNA 4.1 en BRL 4002 (LS01 tot en met LS06). Tevens zijn aanvullende richtlijnen voor het bureauonderzoek uit het Handboek Archeologie regio Rivierenland gehanteerd.4 Een eerste stap conform de BRL 4002 is het afbakenen van het plan- en onderzoeksgebied en het vaststellen van de consequenties van toekomstig gebruik (LS01). In de volgende stappen wordt achtereenvolgens vastgesteld wat de huidige situatie is (LS02), hoe de historische situatie is en of er verstoringen bekend zijn (LS03) en wat de bekende archeologische waarden en aardwetenschappelijke gegevens zijn (LS04). Voor de beschrijving van de bekende archeologische waarden wordt gebruik gemaakt van Archis III, de online archeologische database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de Archeologische Monumentenkaart (AMK), en waar mogelijk informatie over eerder gedaan onderzoek en archeologische waarnemingen. Naast deze informatie wordt ook gebruik gemaakt van gemeentelijke beleids- en verwachtingskaarten.

Voor het plangebied betreft dit de beleidskaart van de voormalige gemeente Geldermalsen (bijlage 4).5 De aardwetenschappelijke waarden worden beschreven aan de hand van geologische, geomorfologische6 en bodemkundige kaarten7 en het hoogtemodel van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN).8 Op basis van de gegevens verkregen uit de hierboven beschreven bronnen wordt een gespecificeerd verwachtingsmodel opgesteld (LS05), waarin zo gedetailleerd mogelijk de verwachte archeologische sporen en resten beschreven worden. Deze rapportage is opgesteld volgens specificatie LS06. Van de gebruikte bronnen wordt een overzicht gegeven in tabel 1.

4 Stiller/Van Oort 2018. 5 Willemse 2015. Hierbij dient in acht te worden genomen dat het hier om de verwachtingskaart van de gemeente

Geldermalsen gaat, die sinds 2019 gefuseerd is in de gemeente West Betuwe. Op moment van schrijven is de beleidskaart voor deze gemeente nog in het beleidsvormingsproces (zie Keunen et al. 2021). 6 Alterra 2008. 7 Alterra 2006. 8 Actueel Hoogtebestand Nederland 2017.

8

Bron

Referentie

Archis III (Archeologisch Informatie Systeem)

archis.cultureelerfgoed.nl

Beeldbank RCE (historisch kaartmateriaal)

beeldbank.cultureelerfgoed.nl

Topotijdreis Kadaster (historisch kaartmateriaal)

www.topotijdreis.nl

DINOloket (ondergrondgegevens)

www.dinoloket.nl

Basisregistratie Adressen en Gebouwen (bouwgegevens)

bagviewer.kadaster.nl

Overige literatuur

zie tekst

Tabel 1. Overzicht van de voor het bureauonderzoek gebruikte bronnen.

9

3

RESULTATEN

3.1

PLANGEBIED (LS01)

Het plangebied is gelegen aan de Geldersestraat 75 te Geldermalsen direct ten zuiden van de kruising tussen de Lingeweg en de Geldersestraat en ten noorden van de Lingedijk (bijlage 2). Het gebied bestaat uit drie kadastrale percelen (GDM00-G-718, GDM00-G-3880 en GDM00-G-3882). Als onderdeel van de geplande werkzaamheden zal de huidige bebouwing van het plangebied, bestaande uit een woonhuis en bedrijfsloods, gesloopt worden om plaats te maken voor nieuw te realiseren woonhuizen, vier in totaal, met bijbehorende bijgebouwen (bijlage 3). Het totale oppervlak van het plangebied bedraagt circa 1440 m². Het totale oppervlak van de te slopen bebouwing bedraagt circa 364 m2 (respectievelijk 74 en 290 m2). Daarnaast moet een deel van het terrein gesaneerd worden. Het gaat hierbij om een zone van 15 m2 waarbij de bodem tot 1.5 m onder het maaiveld ontgraven zal worden. Het totale oppervlak van de nieuw te realiseren bebouwing bedraagt circa 404 m2. Hierbinnen zal voor de bouw van de huizen de bodem verstoord worden tot een diepte van 67 cm. Dit betreft een totaal oppervlak van 241 m2. Hierbij dient te worden opgemerkt dat 156 m2 van dit oppervlak overlapt met het oppervlak van de te slopen bebouwing. Voor de bouw van de verschillende multifunctionele ruimtes zal de bodem niet verstoord worden. Oppervlak (m2)

Verstoringsdiepte (cm) t.o.v. maaiveld

Sloop bestaande bebouwing

364 m2

n.b.

Oliesanering

15 m2

150

Bodemingreep

Te realiseren bebouwing (huizen): -

Huizen

241 m2

67

-

Multifunctionele ruimtes

163 m2

0

Tabel 2. Overzicht van de bodemingrepen, het gerelateerde oppervlakte en de verstoringsdiepte.

Het plangebied kent in het vigerende bestemmingsplan ‘Geldermalsen woongebied 2011’ een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 1’, op basis waarvan vroegtijdig archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden naar de eventuele aanwezigheid van archeologische sporen en resten bij bouwwerken met een oppervlak groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm onder maaiveld.9 Deze grenzen worden overschreden door de voorgenomen werkzaamheden (zie sectie 2.3.1). Er is geen informatie beschikbaar in het bodemloket met betrekking tot bodemverstoringen of -verontreinigingen in het plangebied.10 Wel is in 2004 in een bodemonderzoek naar verontreinigingen aangegeven dat op een deel van het terrein olieverontreiniging aanwezig is tot 1.5 m onder maaiveld.11 Het saneren van deze locatie maakt onderdeel uit van de voorgenomen werkzaamheden. Op circa 250 m afstand bevinden zich twee peilbuizen (B39C0184 en B39C0151-001) met gemiddelde standen van respectievelijk circa 1.4 en 2.7 m NAP.12 Met de voorgenomen werkzaamheden is geen wijziging in het grondwaterniveau voorzien, al is het mogelijk dat door de graafwerkzaamheden het grondwaterniveau kan veranderen. Dit kan gevolgen hebben voor de 9 Planidentificatie NL.IMRO.0236.GDMgldmwoongeb2011-ONHE; www.ruimtelijkeplannen.nl. 10 Bodemloket; www.bodemloket.nl. 11 Hopman & Peters Holding 2004. 12 DINOloket; www.dinoloket.nl.

10

bewaring van archeologische resten, met name de bewaring van organische resten wanneer deze boven het grondwaterniveau komen te liggen.

3.2

HUIDIGE SITUATIE (LS02)

Binnen de huidige inrichting van het plangebied bevinden zich twee gebouwen: een woonhuis, daterend uit 1930, en een bedrijfsloods, daterend uit 1958.13 Deze beslaan een oppervlak van 364 m2. De overige 1080 m2 van het perceel bestaat uit onbebouwd erf. Er zijn geen bouwtekeningen van deze bebouwing beschikbaar in het Regionaal Archief Rivierenland.14 Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de Geldersestraat. Aan de west-, oosten zuidzijde wordt het gebied begrensd door bebouwing en de achtertuinen van de aangrenzende percelen. De huidige NAP-hoogte van het plangebied varieert tussen de ca. 3.3 m NAP in het westen en 4.5 m NAP in het uiterste zuidoosten van het plangebied, aan de voet van de Lingedijk.15 Er is geen informatie beschikbaar over aanwezige (sub)recente verstoringen binnen het plangebied. Verwacht kan worden dat de huidige bebouwing de bodem verstoord heeft. Helaas is de diepte van de funderingen van de huidige bebouwing en resulterende verstoringsdiepte op moment van schrijven niet bekend.

3.3

LANDSCHAP (LS04)

Mark Groenhuijzen Het plangebied ligt midden in het Nederlandse rivierengebied, waar gedurende het Holoceen (sinds circa 11.700 jaar geleden) rivieren vrij konden meanderen en de tussenliggende komgebieden regelmatig werden overstroomd. Dit heeft een sterke invloed gehad op de manier waarop de mens gebruik heeft gemaakt van het landschap. Zo zal de bewoning zich in eerste instantie voornamelijk hebben beperkt tot de hoger gelegen oeverwallen en crevasseruggen van actieve en inactieve stroomgordels. De verwachting op het aantreffen van archeologische sporen en resten hangt daarom ook sterk samen met de geologische en geomorfologische opbouw van het gebied, in het bijzonder voor de periode voorafgaand aan de bedijkingen in de Late Middeleeuwen. De Rijn-Maasdelta bestond tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (circa 116.000-11.700 jaar geleden), uit een vlechtend riviersysteem dat voornamelijk grof zand en grind afgezet heeft in brede, ingesneden dalen. Deze afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Kreftenheye.

16 Tijdens de overgang van het Weichselien naar het warmere Vroeg-Holoceen veranderde het vlechtende patroon van de rivieren in een meanderend patroon, waardoor de Formatie van Kreftenheye in Midden- en West-Nederland een kleiige top heeft die bekend staat als de Laag van Wijchen.17 Afzettingen van de Formatie van Kreftenheye bevinden zich ter hoogte van het plangebied op circa 6.5 m onder maaiveld (2.9 m –NAP).18 In het begin van het Holoceen was er ter hoogte van het plangebied nog wel sprake van insnijding van de rivieren, waardoor terrasvorming kon plaatsvinden. In de loop van het Holoceen schoof de zogenaamde terrassenkruising verder op richting het oosten, tot aan haar huidige ligging ten oosten van Nijmegen. Tussen 7000 en 6000 jaar geleden verplaatste de 13 bagviewer.kadaster.nl. 14 www.regionaalarchiefrivierenland.nl/bouw-en-milieuvergunningen 15 Actueel Hoogtebestand Nederland 2019. 16 TNO-GDN 2021b.

17 Makaske/Nap 1995. 18 Gebaseerd op boring B39C1980, op 280 m ten zuidwesten van het plangebied; www.dinoloket.nl.

11

terrassenkruising zich voorbij het plangebied richting het oosten en vond ook hier de overgang van netto insnijding naar netto accumulatie van de rivieren plaats.19 In het hierdoor ontstane dynamische rivierenlandschap konden rivieren hun stroomgordel regelmatig verleggen via zogenaamde avulsies. Oudere stroomgordels werden door de voortdurende opbouw doorsneden en afgedekt door jongere stroomgordels, wat heeft gezorgd voor een complexe stratigrafie. De fluviatiele afzettingen die zijn gevormd tijdens het Holoceen worden gerekend tot de Formatie van Echteld.20 Deze afzettingen worden verder onderverdeeld op basis van hun lithologie en genese. De grofste sedimenten worden afgezet binnen de rivier en worden daarom beddingafzettingen genoemd. Deze zijn doorgaans zandig tot grindig. De oeverafzettingen bestaan uit zavel en lichte klei en vormen de natuurlijke oeverwallen langs de rivier die vaak het eerst hoog en droog genoeg waren voor bewoning en landbouw. In het omliggende, lager gelegen komgebied wordt bij hoogwater zware klei afgezet, die de zogenaamde komafzettingen vormen. Wanneer een oeverwal werd doorbroken door de rivier ontstond een zogenaamde crevasse. Crevasseafzettingen zijn zandig tot kleiig naar gelang de afstand tot de doorbraak. Wanneer een rivier (een deel van) een stroomgordel verlaat kan een restgeul achterblijven.

De restgeul wordt in de loop der tijd opgevuld met fijn zand tot klei met eventueel veenvorming. Op de paleogeografische kaart van de stroomgordels van de Rijn-Maasdelta (bijlage 5) is te zien dat het plangebied zich bevindt op circa 100 m ten zuiden van de stroomgordel van de Linge. Sedimentatie van deze stroomgordel heeft aangevangen rond 2160 ± 60 BP (368-52 voor Chr.), en werd beëindigd toen de Linge bij Tiel werd afgedamd in 1307 na Chr., één tot twee eeuwen na de bedijking. De restgeul is thans nog altijd watervoerend. Op de afzettingen van de stroomgordel van de Linge zijn archeologische sporen en resten aangetroffen uit de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen.21 Hoewel het plangebied volgens deze kartering niet op de stroomgordel is gelegen, kan het voorkomen van beddingafzettingen van de Linge nog niet geheel worden uitgesloten, zoals bijvoorbeeld ook wordt aangenomen op de geomorfogenetische kaart die is opgesteld in eerder onderzoek in Geldermalsen.22 Uit de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de voormalige gemeente Geldermalsen blijkt zelfs dat het plangebied gelegen kan zijn ter plaatse van een restgeul van de Linge.23 Los van het voorkomen van beddingafzettingen kunnen in ieder geval ook oeverafzettingen vanuit de Linge voorkomen, die voorkomen tot aan het maaiveld, eventueel afgedekt door antropogene ophogingslagen.

De zanddieptekaart die is ontwikkeld voor de provincie Gelderland (niet als bijlage opgenomen) levert hier verder geen additionele informatie op; hier is de gehele bebouwde kom van Geldermalsen gekarteerd als een bebouwde zone.24 Deze landschappelijke ligging blijkt ook uit de geomorfologische kaart (bijlage 6).25 Hier is het plangebied gekarteerd als een ‘stroomrug of stroomgordel’. Hoewel uit de informatie van de paleogeografische kaart blijkt dat er geen sprake is van beddingafzettingen, suggereert dit wel dat er oeverafzettingen van de Linge voor kunnen komen in het plangebied. Direct ten zuiden van het plangebied is een dijk gekarteerd; dit betreft de huidige Lingedijk/Herman Kuijkstraat. Het plangebied ligt dus ‘buitendijks’ ten opzichte van deze dijk. De hoger gelegen dijk is ook goed herkenbaar in het digitale hoogtemodel (bijlage 7).26 Richting het zuiden loopt het maaiveld in het plangebied dus ook op tot 4.5 m NAP, terwijl het in noorden, rond de huidige bebouwing in het plangebied, gelegen is rond 3.6-3.7 m NAP.

19 Berendsen 2008, 206-207. 20 TNO-GDN 2021a. 21 Cohen et al. 2012, ID 97. 22 Boreel 2009. 23 Willemse 2015. 24 Cohen et al. 2009. 25 Alterra 2008.

26 Actueel Hoogtebestand Nederland 2019.

12

De bodemkaart (bijlage 8) levert weinig additionele informatie op over het plangebied.27 Het plangebied is hier gekarteerd als een bebouwde zone, wat betekent dat de bodem ingrijpend veranderd kan zijn als gevolg van de bebouwing. In vergelijkbare gebieden langs de Linge buiten de bebouwde kern van Geldermalsen is de bodem gekarteerd als een kalkhoudende ooivaaggrond in zware zavel of lichte klei (bodemtype Rd90A). Dit soort gronden komen veelal voor op stroomruggen in het rivierengebied, en hebben onder de A-horizont een Bw-horizont die tot dieper dan 50 cm door kan gaan.28 Uit het in 2004 uitgevoerde bodemonderzoek kan nog informatie worden gehaald met betrekking tot de stratigrafie in het plangebied. Hieruit blijkt dat in het plangebied een puinlaag aan het oppervlak aanwezig die gemiddeld tot 50 cm diep doorgaat, met soms ook nog puinbijmenging in de onderliggende klei, wijzend op een mogelijke verstoring in de oorspronkelijke natuurlijke afzettingen. De puinlaag reikt plaatselijk zelfs tot 130 cm onder maaiveld. Vanaf 50-130 cm onder maaiveld komt waarschijnlijk de natuurlijke ondergrond voor, overwegend bestaande uit zwak tot matig zandige klei.29 Dit betreft mogelijk een pakket oeverafzettingen.

3.4

ARCHEOLOGIE (LS04)

In de omgeving van het plangebied is al eerder archeologisch onderzoek verricht (bijlage 9). In de volgende alinea’s wordt een overzicht gegeven van de relevante bekende gegevens in de directe omgeving ten oosten van de Rijksstraatweg en ten zuiden van de Linge. Het archeologische bodemarchief van Geldermalsen is in het verleden veelvuldig onderwerp van onderzoek geweest.30 Uit dit eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken komt het volgende algemene beeld van Geldermalsen en de omliggende regio naar voren.31 De oudste bewoningssporen binnen de dorpskern stammen uit de Midden- tot Late IJzertijd (400-150 v.Chr).

Onderzoek aan de kruising van de Herman Kuijkstraat en Prins Bernhardlaan heeft aangetoond dat er hier een nederzetting langs een restgeul van de Erichemse stroomgordel heeft gelegen en waarschijnlijk verlaten is als gevolg van een stijgend waterniveau.32 Een paar honderd meter ten zuidwesten van de dorpskern een grafveld aangetroffen met begravingen uit de Midden-IJzertijd, (Laat-)Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen.33 In dezelfde zone is een nederzetting uit de Romeinse tijd bekend, wat aansluit bij het regionale beeld dat de bewoning in de Romeinse periode zich op de Lingestroomgordel concentreerde.34 Bij een begeleiding op het Kerkplein zijn daarnaast aanwijzingen aangetroffen voor bewoning in de prehistorie of Romeinse tijd.35 Ook aan de Kerkstraat en Herman van Kuijkstraat 28-32 zijn er mogelijke aanwijzingen voor een bewoningsniveau daterend in de IJzertijd tot in de Vroege Middeleeuwen.36 Archeologisch onderzoek heeft bevestigd dat het huidige Geldermalsen is ontstaan als esdorp van het type esdorp met een gestrekte hoofdvorm.37 Dit type esdorpen is kenmerkend voor het 27 Alterra 2006. 28 De Bakker/Schelling 1989, 161. 29 Hopman & Peters Holding 2004.

30 Zie o.a. Baetsen/Van Kerckhove 2005; Van Kampen/Verhelst 2006; Boreel 2007; Van Renswoude 2007; Boreel

2008; Boreel 2009; Tops 2008; Van Renswoude 2009; Van Kampen 2016; Van Kampen 2018. 31 Voor een algemeen beeld van de (archeologische) geschiedenis van Geldermalsen zie ook Keunen et al. 2021, 13-30, 37. 32 Tops 2008. 33 Boreel 2009, 3-4. 34 Boreel 2009, 3-4; Keunen et al. 2021, 16. 35 Van den Brink 2014, 3. 36 Boreel 2008; Boreel 2009, 3. 37 Boreel 2009, 4.

13

Nederlandse rivierenlandschap en deze ontwikkelden zich o.a. op de hogere smalle oeverwallen langs de Linge die een veilige woonplaats boden en droog genoeg waren voor landbouw. Vanuit deze hogere gebieden werden in de Late Middeleeuwen de lager gelegen (kom)gebieden ontgonnen.38 Op basis van eerder archeologisch onderzoek en een studie van deze dorpen door Den Uyl heeft E. Verhelst een model voor de ontwikkeling en groei van dit soort dorpen opgesteld.39 Dit type dorp ontstaat in de regel in de Karolingische/Ottoonse tijd (ca. 750-1000 n.Chr). In sommige gevallen gaat hier Merovingische of zelfs midden- en/of laat-Romeinse bewoning aan vooraf in het omliggende gebied. De esdorpen met een gestrekte hoofdvorm ontwikkelen zich als nieuwe nederzetting langs een actieve rivier, meestal tussen of langs twee parallelle wegen, waarbij er zich aan het uiteinde van het dorp een kerk bevindt.40 In de Volle middeleeuwen breiden deze dorpen zich als gevolg van bevolkingsgroei uit buiten het oorspronkelijke esdorp. Dit type esdorp is goed herkenbaar vanaf het oudste kaartmateriaal van Geldermalsen (zie bijlage 10) en deze ontstaansgeschiedenis heeft nog steeds zijn neerslag op het huidige stratenplan.

Gedacht wordt dat de Herman Kuijkstraat en de Kerkstraat de twee centrale wegen vormen waarlangs het esdorp zich ontwikkelde.41 Dit idee vindt ondersteuning in de vondst van bewoningssporen uit de Vroege Middeleeuwen in het gebied tussen de Herman Kuijkstraat en de Oranje Nassaustraat en op de kruising van de Herman Kuijkstraat en Prins Bernhardlaan.42 De sporen in het gebied tussen de Oranje Nassaustraat en Herman Kuijkstraat kunnen gedateerd worden in de 9de tot 12de eeuw na Chr. en de sporen op de kruising van de Herman Kuijkstraat en Prins Bernhardlaan vanaf de 10de eeuw na Chr.43 Deze datering is in lijn met de mogelijk oudste vermelding van Geldermalsen in een 9de-eeuwse bron.44 Onderzoek heeft echter ook aangetoond dat in de Vroege Middeleeuwen de nederzetting nog gedeeltelijk georiënteerd was op de restgeul van de Erichem en zich pas later oriënteerde op de (voorloper) van de Herman Kuijkstraat.45 In de late Middeleeuwen breidde het dorp zich geleidelijk uit langs een aantal hoofdwegen: de Lingedijk (waarlangs het plangebied ligt), de Meterense Straat, het Laageinde, de Meersteeg en de Tielseweg.46 Archeologisch onderzoek in het centrum van de dorpskern Geldermalsen, tussen de Kerkstraat en de Herman Kuijkstraat, heeft daarnaast de locatie van de in bronnen vermelde burcht van de heren van Malsen (zie hieronder) aangetoond.

In 1989 werden voor het eerst resten aangetroffen bij de bouw van de huidige Albert Heijn aan de Kerkstraat.47 Recente opgravingen en boringen in 2006-2007 en 2015 hebben de omvang en datering van deze burcht vastgesteld. 48 Hieruit is gebleken dat deze 11de-eeuwse burcht, bestaande uit een tufstenen ringmuur rond een verhoging met gracht, alweer in de tweede helft van de 12de of het begin van de 13de eeuw gesloopt is.49 Uit de opgraving en boring bleek namelijk dat de 25 m brede en 3 m diepe gracht opgevuld is met lagen met zeer veel tufsteenpuin en mortel.50

38 Keunen et al. 2021, 17-18. 39 Van Kampen 2021, 5-6. Voor de studie van Den Uyl zie Den Uyl 1958. 40 Van Renswoude 2007, 16; Van Kampen 2021, 5.

41 Tops 2008, 2; Boreel 2009, 4; Van Kampen 2016, 6. 42 Jezeer 2019; Tops 2008.

43 Jezeer 2019; Tops 2008. 44 Van Renswoude 2007, 16; zie hieronder. 45 Tops 2008.

46 Keunen et al. 2021, 37. 47 Van Kampen 2018, 6; Van Renswoude 2009, 9, 19. 48 Boreel 2008; Van Renswoude 2007; Van Renswoude 2009; Van Kampen 2018. 49 Van Kampen 2018, 6-7; Van Renswoude 2007 15-16; Van Renswoude 2009, 8-9.

50 Van Renswoude 2009, 5; Van Kampen 2018, 7, 11.

14

Archeologische monumenten (AMK) Het plangebied is niet gelegen ter plaatse van een AMK-terrein. Op circa 290 m ten noorden van het plangebied, aan de overzijde van de Linge, bevindt zich AMK-terrein 3725, gerelateerd aan bewoningssporen uit de Vroege en Late Middeleeuwen en mogelijk te verbinden aan het Oude Buurmalsen. De meest dichtstbijzijnde AMK-terreinen ten zuiden van de Linge betreffen AMKterreinen 3721 en 3722 aan de Van Dam van Isseltweg op circa 900 m, gerelateerd aan een Middeleeuws gebouw, mogelijk huis Borchmalsen of Ravestein, en AMK-terreinen 12609 en 12610 langs de Provincialeweg Oost op circa 1000 m afstand gerelateerd aan een grafveld uit de Bronstijd-IJzertijd en nederzettingssporen uit het Laat-Neolithicum en de Romeinse Tijd. Archeologische onderzoeksmeldingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn meerdere onderzoeksmeldingen gedaan (bijlage 9). In 2007 is door RAAP voor het centrumgebied van Geldermalsen een bureauonderzoek en visuele inspectie uitgevoerd en is op basis hiervan een archeologische verwachtingskaart voor het centrum opgesteld die in bepaalde opzichten is bijgesteld t.o.v.

de gemeentelijke verwachtingskaart (bijlage 4).51 Voor het gebied tussen de Rijnstraat, Badweg en Lingeweg op circa 50 m ten noorden van het plangebied is door ADC in 2008 een bureauonderzoek uitgevoerd en een booronderzoek gedaan.52 Omdat dit gebied op de oeverwal van de huidige Linge ligt was in het bureauonderzoek aan de zone een hoge archeologische verwachting toegekend voor het aantreffen van sporen uit de Late IJzertijd tot en met de Middeleeuwen. Bij de boringen zijn echter geen archeologische indicatoren aangetroffen. Op basis hiervan is geconcludeerd dat er geen archeologische resten in het plangebied aanwezig zijn. In 2009 is door VUhbs archeologie een booronderzoek uitgevoerd in de dorpskern.53 Het onderzoek heeft aangetoond dat de ondergrond bestaat uit oever- over kom en beddingafzettingen binnendijks van de Lingedijk en uit uiterwaardafzettingen over beddingafzettingen buitendijks. Er zijn cultuurlagen uit verschillende periodes aangetroffen, vanaf de IJzertijd/Romeinse tijd tot en met de Nieuwe Tijd. Deze liggen vooral in het zuidelijk deel van het onderzochte gebied. De diepteligging wisselt sterk af, afhankelijk van het oude reliëf. Hierbij is aangetoond dat de verstoringen door de huidige bebouwing relatief ondiep zijn en dat er onder de huidige bebouwing sprake kan zijn van hoogwaardige archeologische resten.

Op het deel van Geldermalsen dat in het dal van de Linge ligt (het noordelijke deel), is de dorpskern dan ook een hoge archeologische verwachting toegekend. Voor het gebied tussen de Kostverlorenkade en Rijnkade is in 2010 een bureauonderzoek en booronderzoek uitgevoerd door ADC om de verwachting te toetsen in hoeverre aanwezige bebouwing en bodemsanering in het oostelijke deel tot verstoringen van de archeologische waarden had geleid.54 Hierbij werden er op een aantal plekken een mogelijk vondstniveau aangetroffen en zijn intacte oeverwalafzettingen aangetroffen. Daar het onderzoek echter beperkt werd door de aanwezige vervuiling is geadviseerd het gebied eerst te saneren en vervolgens een karterend bodemonderzoek uit te voeren om de aan- of aanwezigheid van archeologische waarden vast te stellen, daar de verwachting hiervoor groot was. Dit karterende booronderzoek is vervolgens uitgevoerd door Oranjewoud in 2010.55 Hierbij zijn geen waarnemingen gedaan die op een archeologische vindplaats wijzen en is het gebied vrijgegeven.

51 Heunks/Schuurman 2007; Archis-zaakidentificatie 2148399100. 52 Nederpelt et al. 2008; Archis-zaakidentificatie 2201363100. 53 Boreel 2009; Archis-zaakidentificatie 2233812100.

54 Hanemaaijer/Huizer 2010; Archis-zaakidentificatie 2238332100; Archis-zaakidentificatie 2291330100. 55 La Fèber 2010; Archis-zaakidentificatie 2308268100.

15

In 2013 is door de VUhbs archeologie een booronderzoek uitgevoerd in een gebied aan de Kostverlorenkade en het Lingeplein.56 Dit onderzoek heeft aangetoond dat de bodem in grote mate verstoord is. Onder de verstoringen zijn echter nog wel intacte oever- en beddingafzettingen van de Linge aangetroffen, die een hoge verwachtingswaarde voor sporen vanaf de Late IJzertijd tot Middeleeuwse periode hebben. Het booronderzoek heeft echter geen indicaties voor de aanwezigheid van archeologische waarden aangetoond. Dit in samenhang met de perifere locatie van het onderzochte gebied aan de rand van de dorpskern heeft geleid tot een advies om het gebied vrij te geven. In 2011 is door Synthegra een archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd voor een terrein aan de Herman Kuijkstraat, welke op circa 275 m ten westen van het plangebied ligt.57 Hierbij is een hoge verwachting toegekend voor sporen uit het Laat-Neolithicum tot de MiddenIJzertijd in oeverafzettingen van de Erichem stroomgordel en voor bewoningssporen uit de Late IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd op oeverafzettingen gerelateerd aan de onbedijkte en bedijkte Linge. Op basis van het booronderzoek zijn deze verwachtingen aangepast, voornamelijk vanwege het feit dat er geen oeverafzettingen van de Linge zijn aangetroffen.

Wel is er boven aangesneden komafzettingen een ophogingspakket aangetroffen waaraan een hoge verwachting is toegekend voor bewoningssporen uit de Vroege Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Op basis van deze verwachtingswaarde is geadviseerd tot een vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven in combinatie met een sloopbegeleiding. Dit onderzoek is in 2015 is door RAAP uitgevoerd.58 Hierbij is een vindplaats aangetroffen die van de 8ste eeuw tot in de Nieuwe Tijd is gedateerd.59 Vanwege de hoge sporendichtheid en mogelijke kenniswinst is geadviseerd tot een vervolgonderzoek middels een archeologische opgraving. Deze opgraving is vervolgens in 2016 uitgevoerd door ADC.60 Dit onderzoek heeft aangetoond dat er op dit terrein mogelijk de kern van een nederzetting daterend in de 9de tot 12de eeuw heeft gelegen.61 De bewoning lijkt hierbij georiënteerd te zijn geweest op een voorganger van de Herman Kuijkstraat. Vermoed wordt dat deze nederzetting gerelateerd moet worden aan de nabijgelegen 11de-eeuwse burcht. Archeologische vondstmeldingen Naast de twee vindplaatsen/vondstlocaties gerelateerd aan het terrein aan de Herman Kuijkstraat, die hierboven al beschreven zijn, ligt er nog een vondstlocatie op circa 130 m afstand van het plangebied op het grafveld aan de D.J.

Van Wijkstraat.62 Deze vondstlocatie is het resultaat van een veldkartering gedaan in 1985 en betreft aardewerk uit de Vroege tot Late Middeleeuwen. Conclusie In de omgeving van het plangebied, en dan voornamelijk ten westen van de vindplaats, zijn een aantal vindplaatsen aangetroffen die verbonden kunnen worden aan de geschiedenis van de dorpskern van Geldermalsen. Terwijl verderop naar het westen, ten zuidenwesten van de dorpskern van het huidige Geldermalsen, nog vindplaatsen uit de IJzertijd/Romeinse Tijd zijn aangetroffen, liggen in de directe nabijheid vooral vindplaatsen die dateren in de periode van de Vroege Middeleeuwen tot de Nieuwe Tijd en gerelateerd moeten worden aan de ontstaansgeschiedenis, ontwikkeling en bewoning van het huidige Geldermalsen. De vindplaatsen daterend vanaf de vroege Middeleeuwen zijn te vinden op de smalle oeverwallen van de Linge. Hiermee behoort Geldermalsen tot de klasse van esdorpen met een 56 Hebinck 2014; Archis-zaakidentificatie 2427127100. 57 Hagens et al. 2011; Archis-zaakidentificatie 2347837100. 58 Hesseling 2017; Archis-zaakidentificatie 3978302100. 59 Objectnummer 1150070. 60 Jezeer 2019; Archis-zaakidentificatie 3984264100. 61 Objectnummer 1176640.

62 Archis-zaakidentificatie 2730034100; objectnummer 1053217.

16

gestrekte hoofdvorm. Het plangebied ligt op de oostelijke uitloper van dit langgerekte type esdorp langs de Lingedijk. Deze oostelijke uitloper ligt in het verlengde van de oorspronkelijke dorpskern tussen de Herman Kuijkstraat en de Kerkstraat. Ook voor de bedijking van de Linge, lag deze zone mogelijk hoger dankzij de aanwezigheid van beddingafzettingen en daarmee een geprefereerde locatie voor bewoning. Op de archeologische beleidskaart, waarop deze uitloper duidelijk zichtbaar is, heeft deze zone een hoge verwachtingswaarde gekregen (bijlage 4). De nabijheid van deze oostelijke uitloper en het plangebied tot de mogelijke kern van een Vroeg Middeleeuwse nederzetting tussen de Herman Kuijkstraat en Oranje Nassaustraat en aan de bewoning aan de kruising Herman Kuijkstraat en Prins Bernardlaan, alsmede de vondstlocatie van Vroeg tot Laat Middeleeuwse datering op de begraafplaats aan de D.J. Van Wijkstraat onderstrepen de hoge verwachtingswaarde van deze zone. Wanneer het uitgevoerde archeologische onderzoek in de directe omgeving van het plangebied in overweging wordt genomen (bijlage 9), valt op dat de oostelijke uitloper van het esdorp met gestrekte hoofdvorm waar het plangebied in ligt tot op heden weinig onderzocht is.

Archeologische onderzoeken ten oosten van de Rijksstraatweg hebben vooral plaatsgevonden ten noord(west)en van de Geldersestraat in het gebied van de laagte van de Linge, waarvoor een archeologisch lagere verwachtingswaarde geldt (bijlage 4) en welke vermoedelijk pas later in gebruik is genomen. In dit opzicht kunnen mogelijk aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied van groot belang zijn voor de kennis van de ontwikkeling van het vroege esdorp en de geschiedenis van Geldermalsen. Hierbij moet ook in ogenschouw worden genomen dat het gebrek van grootschalige opgravingen van esdorpen met een gestrekte hoofdvorm betekent dat elk onderzoek onze kennis van dit type esdorp zal vermeerderen. Zo is onderzoek van plekken die aan de randen liggen, zoals in dit geval, bijvoorbeeld van belang daar nog niet vaststaat of de vroegste bewoning zich beperkte tot het gebied binnen de evenwijdige wegen waarlangs deze dorpen ontstonden.63

3.5

HISTORISCHE SITUATIE (LS03)

De oudste vermeldingen van Geldermalsen, als Malsnon of Malsena, gaan terug tot de 11de en 12de eeuw n. Chr. Gedacht wordt dat de naam Malsna gerelateerd is aan een jongprehistorische niet-Germaanse waternaam. Echter, het ontstaan van Geldermalsen kan mogelijk vroeger gedateerd worden door de vermelding van Uberan Malsna in een overeenkomst uit 850 tussen de bisschop van Liudger van Utrecht en Balderik. Deze naam betekent letterlijk Overmalsen. Op basis hiervan wordt er van uitgegaan dat er in deze periode al een Nedermalsen moet hebben bestaan. Dit Nedermalsen wordt ook wel met Geldermalsen geassocieerd.64 Hiermee kan de bewoning te Geldermalsen dus tot in de 9e teruggebracht worden. Vanaf 1460/1461 wordt ‘Gelre’ aan de naam toegevoegd om aan te geven dat dit Malsen bij Gelderland behoorde (in tegenstelling tot Buurmalsen).65 Bronnen uit de 11de eeuw n. Chr. maken vermelding van de aanwezigheid van een burcht die toebehoord heeft aan de Heren van Malsen.66 Deze heren behoorden toe aan een belangrijk adellijk geslacht, dat zich later ‘van Cuijk’ zou gaan noemen, dat uitgebreide bezittingen had in de Betuwe rond Geldermalsen en Meteren.67 Geldermalsen en de burcht alhier vormde waarschijnlijk een belangrijk punt in de controle van dit geslacht over het omliggende gebied. Bekend is dat in 63 Van Kampen 2021, 5. 64 Van Renswoude 2007, 16.

65 Berkel/Samplonius 2018; Boreel 2009, 3, 5. 66 Van Renswoude 2007, 17; Van Renswoude 2009, 9; Van Kampen 2018, 6. Voor een historische studie van de burcht

zie Wientjes 2008. 67 Van Renswoude 2007, 17; Van Kampen 2018, 6.

17

de Volle Middeleeuwen de nederzetting een belangrijke strategische ligging had aan zowel landals rivierroutes en dat er hier ook tol werd geheven op de Linge.68 Archeologisch onderzoek in de dorpskern van Geldermalsen heeft, zoals hierboven beschreven, de locatie, omvang en datering van deze burcht bevestigd. Dit onderzoek heeft ook aangetoond dat de burcht alweer in de in de tweede helft van de 12de of het begin van de 13de eeuw gesloopt is. Mogelijk dat dit gerelateerd moet worden aan de twisten tussen de graaf van Holland en Herman van Malsen/Cuyk rond 1130.69 Op de oudste kaart van Geldermalsen, de Tiendkaart Geldermalsen van de Capittel van St. Marie te Utrecht uit 1714, is de zone waar het plangebied in ligt tussen de Geldersestraat en Lingedijk (de oostelijke uitloper van het esdorp) goed zichtbaar (bijlage 10). In het gebied staan enkele huisjes afgebeeld aan de zuidzijde van de Geldersestraat. Op basis van deze kaart kan de bewoning van het gebied dus minimaal tot in de vroege 18de eeuw gedateerd kan worden. Hetzelfde beeld van verspreide bebouwing langs de zuidzijde van de Geldersestraat is ook zichtbaar op de kadastrale minuutkaart van 1832 (bijlage 11). Op deze kaart is te zien dat op dat moment het plangebied bestaat uit verschillende kavels. Alleen op de noordwestelijke kavel, nr.

350, is bebouwing aangegeven, vermoedelijk een huis dat grenst aan de (voorloper van de) Geldersestraat. De locatie en het oppervlak van deze bebouwing toont grote gelijkenis met het huidige woonhuis dat dateert uit 1930. Het lijkt dan ook waarschijnlijk dat dit huis een continuering is van deze eerdere bewoning. Helaas biedt het overige historische kaartmateriaal70 tot in de jaren ’60 van de 20ste eeuw weinig duidelijke informatie over het gebruik van het plangebied (bijlagen 12 en 13). De bebouwing die wel zichtbaar is op de kadastrale minuutkaart staat niet aangegeven op latere kaarten. Het plangebied wordt op deze 19de-eeuwse kaarten daarentegen aangegeven als leeg gebied tussen huizen aan de Geldersestraat en de Rooijendijk. Pas op de kaarten vanaf 1918 wordt er bebouwing binnen het plangebied aangegeven. Deze aangegeven bebouwing ligt echter aan de uiterste oostzijde van het plangebied en lijkt geen continuering van de bebouwing op de kadastrale minuutkaart te zijn. Op de kaart van 1962 lijkt de huidige bebouwing voor het eerst zichtbaar te worden. Het is echter pas op het kaartmateriaal uit de jaren ’70 dat de huidige bebouwing echt duidelijk zichtbaar is. Op de kaart van 1962 wordt binnen het plangebied nog een (onverharde?) verbindingsweg tussen de Geldersestraat en de Lingedijk aangegeven (bijlage 14).

Deze weg lijkt het oostelijke deel van het plangebied te beslaan, wat bevestigt lijkt door het feit dat deze nog steeds gedeeltelijk zichtbaar is in de huidige verkaveling in de vorm van de twee smalle oostelijke kavels. Deze weg wordt al niet meer aangegeven op het kaartmateriaal uit de jaren ’70 en is vermoedelijk met de bouw van de huidige bedrijfsloods in ’60 jaren verdwenen. De vraag is hoe oud deze weg is. Als de kaarten uit 1918 en 1962 worden vergeleken (bijlagen 13 en 14), lijkt het er op dat het hier gaat om een opvolger van de zuid-noord lopende weg die vanaf de Tielsche Weg richting de rivier loopt. Vermoedelijk is deze weg rechtgetrokken in de jaren ’50 bij de bouw van de wijk ten noorden van de Geldersestraat en is deze als gevolg hiervan binnen het plangebied komen te liggen.

3.6

ARCHEOLOGISCHE VERWACHTING (LS05)

Het plangebied bevindt zich op circa 100 m ten zuiden van de stroomgordel van de Linge. Hoewel het plangebied volgens deze kartering niet op de stroomgordel is gelegen, kan het voorkomen van beddingafzettingen van de Linge nog niet geheel worden uitgesloten. Binnen het plangebied 68 Van Renswoude 2007, 17.

69 Van Renswoude 2009, 9. 70 TopoTijdReis.

18

zullen ook zeer waarschijnlijk oeverafzettingen aanwezig zijn. Vanaf de Late Middeleeuwen worden rivieren zoals de Linge bedijkt, waarvan ook getuige de Lingedijk direct ten zuiden van het plangebied. Met de ingebruikname van de lagere gebieden vanaf dit moment tot in de Nieuwe Tijd, kunnen ook eventuele antropogene ophogingslagen verwacht worden binnen het plangebied die deze oudere oeverafzettingen bedekken. Aan de oeverafzettingen van de Linge en eventuele antropogene ophogingslagen kan een hoge verwachtingswaarde worden toegekend. Vindplaatsen van bewoning zullen met name voorkomen op oeverwallen. Het hierboven beschreven eerdere archeologische onderzoek in Geldermalsen heeft aangetoond dat hier inderdaad resten en sporen daterend vanaf de IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd verwacht kunnen worden. Deze kunnen bestaan uit grondsporen, anorganische (aardewerk, natuursteen, bouwmateriaal, metaal) en organische resten (hout, houtskool, botmateriaal). Een middelhoge tot hoge verwachting kan vooral worden toegeschreven aan sporen vanaf de Vroege Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Hierbij geldt voor de Middeleeuwse periode een middelhoge verwachting voor mogelijke sporen van bewoning of andere activiteiten op basis van de nabije vindplaatsen aan de Herman van Kuijkstraat uit de Vroege en Late Middeleeuwen (i.e. vanaf de 10de eeuw).

Voor de Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting voor sporen van bewoning en woonerven op basis van het historisch kaartmateriaal dat toont dat het plangebied op zijn minst vanaf de vroege 18de eeuw deel was van het langgerekte esdorp Geldermalsen. Het bodemonderzoek uit 2004 toont aan dat de stratigrafie in het plangebied gedeeltelijk verstoord kan zijn tot een diepte van 50-130 cm.71 Hieronder zullen echter de natuurlijke ondergrond, in de vorm van oeverafzettingen, (gedeeltelijk) bewaard zijn gebleven. Eerder archeologische opgravingen in de dorpskern hebben aangetoond dat de Vroeg-Middeleeuwse en zelfs oudere stratigrafie verrassend goed bewaard kan zijn gebleven doordat deze lagen vanaf de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd bedekt worden met ophogingslagen.72

71 Hopman & Peters Holding 2004. 72 Zie Van Renswoude 2007, 16; Tops 2008, 8; Van Kampen 2018, 12.

19

4

CONCLUSIE

Binnen het plangebied Geldermalsen-Geldersestraat 75 in de gemeente West Betuwe zal als onderdeel van de geplande werkzaamheden de huidige bebouwing binnen het plangebied, bestaande uit een woonhuis en bedrijfsloods, gesloopt worden om plaats te maken voor nieuw te realiseren woonhuizen, vier in totaal, met bijbehorende bijgebouwen (bijlage 3). Daarnaast moet een deel van het terrein gesaneerd worden. Het gaat hierbij om een zone van 15 m2 waarbij de bodem tot 1.5 m onder het maaiveld ontgraven zal worden. Het totale oppervlak van de nieuw te realiseren bebouwing bedraagt circa 404 m2. Hierbinnen zal voor de bouw van de huizen de bodem verstoord worden tot een diepte van 67 cm. Dit betreft een totaal oppervlak van 241 m2. Voor de bouw van de verschillende multifunctionele ruimtes zal de bodem niet verstoord worden. De werkzaamheden kunnen een bedreiging zijn voor het archeologische bodemarchief. VUhbs archeologie is verzocht een archeologisch onderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uit te voeren zodat meer inzicht wordt verkregen in de bodemopbouw en archeologische verwachting van het plangebied, en of aanvullend onderzoek noodzakelijk zal zijn. Dit onderzoek is uitgevoerd aan de hand van een aantal deelvragen die in dit hoofdstuk nader beantwoord zullen worden.

Wat is de reeds bekende geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied bevindt zich op circa 100 m ten zuiden van de stroomgordel van de Linge. Hoewel het plangebied volgens deze kartering niet op de stroomgordel is gelegen, kan het voorkomen van beddingafzettingen van de Linge nog niet geheel worden uitgesloten. Binnen het plangebied zullen ook zeer waarschijnlijk oeverafzettingen aanwezig zijn. Vanaf de Late Middeleeuwen worden rivieren zoals de Linge bedijkt, waarvan getuige de Lingedijk direct ten zuiden van het plangebied. Met de ingebruikname van de (buitendijkse) lagere gebieden vanaf dit moment tot in de Nieuwe Tijd, kunnen ook eventuele antropogene ophogingslagen verwacht worden binnen het plangebied die deze oudere oeverafzettingen bedekken. Wat zijn de vooraf bekende en verwachte archeologische sporen en resten binnen het onderzoeksgebied? Wat is bekend van het karakter, de omvang, (diepte)ligging, uiterlijke kenmerken, datering, gaafheid en conservering van deze sporen en resten? Voor het plangebied zijn er geen bekende archeologische sporen en resten. Voor het plangebied geldt echter een hoge archeologische verwachtingswaarde. Aan de oeverafzettingen van de Linge en eventuele antropogene ophogingslagen kan een hoge verwachtingswaarde worden toegekend. Vindplaatsen van bewoning zullen met name voorkomen op oeverwallen.

Eerder onderzoek in Geldermalsen heeft aangetoond dat hier inderdaad resten en sporen daterend vanaf de IJzertijd tot en met de Nieuwe Tijd verwacht kunnen worden. Deze kunnen bestaan uit grondsporen, anorganische (aardewerk, natuursteen, bouwmateriaal, metaal) en organische resten (hout, houtskool, botmateriaal). In het bijzonder kan er een middelhoge tot hoge verwachting worden toegeschreven aan sporen vanaf de Vroege Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Hierbij geldt voor de Middeleeuwse periode een middelhoge verwachting voor mogelijke sporen van bewoning of andere activiteiten op basis van de nabije vindplaatsen uit de Vroege en Late Middeleeuwen. Onderzoek van deze vindplaatsen heeft aangetoond dat deze sporen goed bewaard kunnen zijn doordat ze bedekt zijn door latere ophogingslagen.73 Voor de Nieuwe Tijd geldt een hoge verwachting voor sporen van bewoning en woonerven op basis van het historisch kaartmateriaal dat toont dat het plangebied op zijn minst vanaf de vroege 18de eeuw deel was van het esdorp Geldermalsen.

73 Van Renswoude 2007, 16; Tops 2008, 8; Van Kampen 2018, 12; Jezeer 2019, 71.

20

Het is onduidelijk in hoeverre mogelijk aanwezige archeologische sporen verstoord zullen zijn door het puinpakket dat over het gehele oppervlak van het plangebied is aangetroffen tijdens eerder uitgevoerd booronderzoek. Wat zijn de te nemen vervolgstappen om te komen tot een waardering van de eventueel aanwezige archeologische sporen en resten, op basis waarvan uiteindelijk een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) genomen kan worden? Voor de overzichtelijkheid wordt deze vraag beantwoord in het hiernavolgende hoofdstuk 5.

21

5

AANBEVELINGEN

Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting. Hierbij komt het hoogstgelegen niveau met deze verwachting voor op een diepte van circa 50-130 cm. Daar de funderingsdiepte van de huidige bebouwing onbekend is, kan niet met zekerheid worden vastgesteld of het archeologische niveau ter plaatse wel of niet verstoord is, dan wel verstoord zal worden bij de sloopwerkzaamheden. Wel is duidelijk dat de verstoringsdiepte van de werkzaamheden voor de nieuw te realiseren bebouwing waarschijnlijk groter is dan de diepte van het verwachte archeologische niveau. Daarmee wordt het waarschijnlijk geacht dat het archeologische niveau in ieder geval daar waar deze niet overlapt met de huidige bebouwing verstoord zal worden door de werkzaamheden. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek wordt vervolgonderzoek als zinvol en noodzakelijk geacht. Vanwege de aanwezigheid van de huidige bebouwing en de overlap tussen deze bebouwing en de nieuw te realiseren bebouwing, wordt vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven om praktische redenen niet zinvol geacht. Ook een verkennend booronderzoek zal op dit moment omwille van dezelfde redenen niet uitvoerbaar zijn. Daarnaast geeft een verkennend booronderzoek te weinig inzicht in de aan- of afwezigheid van resten uit de Middeleeuwen-Nieuwe Tijd.

Om deze redenen wordt op dit moment een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding van de ondergrondse sloopwerkzaamheden zinvol geacht en geadviseerd, evenals een begeleiding van de saneringswerkzaamheden die zullen plaatsvinden. Hierbij zal zowel de verstoringsdiepte van de huidige bebouwing kunnen worden vastgesteld, alsmede de plaatselijke diepte en conservering van het archeologische niveau en eventuele aanwezige archeologische waarden onder de huidige bebouwing. Deze informatie zal noodzakelijk zijn om de verdere verstoring van het archeologische niveau door de nieuw te realiseren bebouwing en de resulterende noodzaak van een verdere vorm van vervolgonderzoek om eventuele archeologische waarden binnen het plangebied te waarborgen vast te stellen. Voor het uitvoeren van een archeologische begeleiding is een Programma van Eisen noodzakelijk dat vooraf is goedgekeurd door de bevoegde overheid. Het is aan de bevoegde overheid, de gemeente West Betuwe, om op basis van dit advies een besluit te nemen ten aanzien van het vervolgtraject. De archeologische meldingsplicht blijft te allen tijde van kracht. Wanneer tijdens graafwerkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dan dient dit, conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016, direct te worden gemeld bij de bevoegde overheid. REACTIE NAMENS HET BEVOEGD GEZAG

Omgevingsdienst Rivierenland stemt namens gemeente West Betuwe in met de resultaten, conclusies en aanbevelingen van dit onderzoek. Archeologische begeleiding van de sloopwerkzaamheden wordt als meest zinvolle optie gezien op deze locatie. Zoals aangegeven dient voor de uitvoering een namens gemeente West Betuwe goedgekeurd PvE daarvoor te worden gebruikt.

22

6

LITERATUUR

Actueel Hoogtebestand Nederland, 2019: AHN3, Amersfoort. Alterra, 2006: Bodemkaart van Nederland 1:50.000, Wageningen. Alterra, 2008: Geomorfologische Kaart van Nederland 1:50.000, Wageningen. Baetsen, S. / J. van Kerckhove, 2005: Verslag bureauonderzoek en inventariserend booronderzoek Geldermalsen, Herman Kuijkstraat 46-48, Amsterdam (ZAN 38). Bakker, H. de/J. Schelling, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus (2de gewijzigde druk), Wageningen. Berendsen, H.J.A., 2008: De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie (5de herziene druk), Assen. Berkel, G. van/K. Samplonius, 2018: Nederlandse plaatsnamen verklaard, Rotterdam. Boreel, G. 2007: Nieuwbouw in het dorp Geldermalsen. Een aanvullend Inventariserend Veldonderzoek aan de Herman van Kuijkstraat 28-32, Amsterdam (ZAN 105). Boreel, G. 2008: Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek ten behoeve van nieuwbouw aan de Kerkstraat 25-27 te Geldermalsen, Amsterdam (ZAN 137). Boreel, G. 2009: Archeologisch Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen ten behoeve van de herinrichting van de dorpskern van Geldermalsen, gemeente Geldermalsen, Amsterdam (ZAN 196). Cohen, K.M./E. Stouthamer/W.Z. Hoek/H.J.A. Berendsen/H.F.J. Kempen, 2009: Zand in banen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/457/documents/10133