Bijlage 4 toelichting Voortoets Stikstof__385284__.pdf
Tekst van het document
Voortoets Stikstof Spijkse Kweldijk 39B en 41 te Spijk
1
Colofon Status:
Definitief
Project:
BE/2020/363
Datum:
5 juni 2020 (revisie op 21 juli 2020)
Samensteller(s):
ir. T.W.D. Schrader (revisie) ir. ing. K.J. Rebergen
Opdrachtgever:
Bureau Verkuylen mevr. H. van Griensven Veemarktkade 8 5222 AE ‘s Hertogenbosch
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © BLOM ECOLOGIE B.V. / BUREAU VERKUYLEN Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ........................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
6
1.3
Wettelijke bepalingen
6
2 Beoordeling Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ ........................... 7 2.1
Gebiedsbescherming
7
2.2
Gebiedsinformatie
7
2.3
Huidige situatie en gebiedsrapportage
9
2.4
Effecten van de beoogde ingreep
13
2.5
Beoordeling significante negatieve effecten
13
3 Conclusie ........................................................................................................................ 15 4 Literatuur ........................................................................................................................ 16 Bijlage 1 Wettelijke bepalingen................................................................................. 17
3
4
1 Inleiding 1.1
Aanleiding Op de locatie aan de Spijkse Kweldijk 39b en 41 te Spijk (hierna te noemen plangebied, zie figuur 1) is een voormalig agrarisch perceel gelegen. De intiatiefnemer is voornemens een woonzorgcomplex te realiseren op het perceel. Thans heeft het perceel enkel een woonbestemming. Ten aanzien van mogelijk overtreding ten aanzien van natuurbescherming is in mei 2010 een quickscan flora en fauna uitgevoerd door Croonen Adviseurs (Croonen Adviseurs, 2010). In maart 2013 is het bestemmingsplan op het perceel onherroepelijk vastgesteld (Croonen Adviseurs, 2013). In het kader van een nieuwe bestemmingsplanwijziging is aan Omgevingsdienst Rivierenland
verzocht
om
specialistisch
advies
inzake
het
beoordelen
van
de
stikstofberekeningen gedurende de bouw- en gebruiksfase. De plannen zorgen namelijk voor een toename van de stikstofdepositie binnen kwetsbare habitattypen binnen het Natura 2000gebied ‘Lingebied en Diefdijk-Zuid’ in de bouw- en gebruiksfase (Bureau Verkuylen, 2020). Omgevingsdienst Rivierenland heeft beoordeeld dat ten aanzien van stikstof het nodig is om te beoordelen of er sprake is van significant negatieve effecten. Indien dit op voorhand uit te sluiten valt, kan voldaan worden met een Voortoets. Gezien de verhoging van de stikstofdepositie en de afstand ten aanzien van het Natura 2000-gebied moet uit de Voortoets blijken of er sprake is van aantasting van natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied. Bureau Verkuylen heeft Blom Ecologie B.V. verzocht een Voortoets Stikstof op te stellen om mogelijke effecten van de beoogde ontwikkelingen op het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ in kaart te brengen. Voorliggend document voorziet in deze Voortoets Stikstof.
5
Figuur 1
Het plangebied (rood omkaderd) is gelegen aan de Spijkse Kweldijk 39B en 41 te Spijk (bron: arcgis.com).
1.2
Doel Deze rapportage is opgesteld om in kaart te brengen of er significant negatieve effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en DiefdijkZuid’ te verwachten zijn naar aanleiding van de beoogde ontwikkelingen. Bij overschrijding van de kritische depositiewaarde bestaat een reële kans op negatieve gevolgen. Significante gevolgen zijn uit te sluiten indien er sprake is van een (kleine) toename van depositie, terwijl de instandhoudingsdoelstelling ruim gehaald worden en door de extra depositie niet in gevaar worden gebracht.
1.3
Wettelijke bepalingen In bijlage 1 zijn de wettelijke bepaling als omschreven in de wet Natuurbescherming weergegeven. De bepaling zijn van toepassing op plannen, projecten en handelingen die betrekking hebben op Natura 2000-gebieden.
6
2 Beoordeling Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ 2.1
Gebiedsbescherming De planlocatie is gelegen naast de lintbebouwing aan de Spijkse Kweldijk. De planlocatie ligt op 100 m afstand van het Natura 2000-gebied ‘‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ (figuur 2).
Figuur 2
2.2
De planlocatie ligt op circa 100 m afstand van het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ (bron: nationaal Georegister PDOK).
Gebiedsinformatie In voorliggende rapportage worden de (eventuele) significante negatieve effecten op het omliggende Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ nader uitgewerkt. De planlocatie is geen onderdeel van het Natura 2000-gebied zelf (figuur 2). Ten gevolge van de bufferwerking van de tussenliggende bebouwing, infrastructuur en dijk kunnen overige (mechanische) effecten buiten stikstofdepositie op voorhand uitgesloten worden. Eventuele externe effecten beperken zich derhalve tot de verhoging van de stikstofdepositie. Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ Het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ is een Habitatrichtlijngebied. De volgende essentietabel is van toepassing op het gebied:
7
Tabel 1
Essentietabel voor het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’.
De beoogde ontwikkeling heeft, volgens de uitgevoerde berekening met de AERIUS Calculator, enkel stikstofdepositie op de volgende habitattypen en derhalve wordt in de Voortoets Stikstof alleen een beoordeling gemaakt t.a.v. deze habitattypen: •
H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis van kritische relevante type (H7230);
8
•
ZGH6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver);
•
H91EoB Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen).
2.3
Huidige situatie en gebiedsrapportage Huidige situatie en achtergronddepositie Volgens de gebiedsrapportage komen er binnen het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ geen aangewezen doelsoorten (fauna) voor die strikt afhankelijk zijn van stikstofgevoelige habitattypen (PAS-bureau BIJ12, 2018). De beoordeling is derhalve alleen van toepassing op de stikstofgevoelige habitattypen zelf, namelijk H9999:70, ZGH6510A en H91E0B.
Figuur 3
Oppervlakte van relevante habitattypen binnen het ‘Lingegebied Diefdijk-Zuid’ (bron: PAS-bureau BIJ12, 2018).
H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker Algemene beschrijving KDW op basis meest kritische aangewezen type (H7230- kalkmoeras). Het habitattype kalkmoerassen omvat begroeiingen met veenvormende kleine zeggen, andere schijngrassen en slaapmossen in basenrijke kwelmilieus. Het type is met name te herkennen aan het voorkomen van (vaak zeldzame) basenminnende (‘kalkminnende’) plantensoorten zoals Moeraswespenorchis en Tweehuizige zegge. Instandhoudingsdoel Voor de habitattypen H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker is in het definitieve aanwijzingsbesluit niet een instandhoudingsdoel voor dit Natura 2000-gebied aangewezen. Hiervan is voor het habitattype H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker bij het aanwijzen van de Kritische depositiewaarde (KDW) voor de zekerheid uitgegaan van de meest kwetsbare habitattype (Kalkmoerassen). Het voorkomen van habitattypen en doelsoorten is nog niet gebiedsdekkend bekend. In de toekomst zal duidelijk worden of er kwalificerende habitattypen aanwezig zijn. De aanname is dus niet op concrete gegevens gebaseerd en een groot
gedeelte
van
H9999:70
bestaat
uit
H91EoA
Vochtige
alluviale
bossen
(zachthoutooibossen) (MvEZ, 2016). Dit habitattype is niet stikstofgevoelig en hiervoor is derhalve geen KDW aangewezen. In het gehele Natura 2000-gebied komt het habitattype Kalkmoerassen in zeer beperkte mate voor (1,3 hectare), waarmee er de reële verwachting bestaat dat Kalkmoerassen niet voorkomen binnen het habitattype H9999:70, in ieder geval binnen de relevante hexagonen (figuur 3). Hiermee wordt ook in ogenschouw genomen dat voor H9999:70 er nu en in het verleden sprake is van een overbelasting van de 9
stikstofdepositie (figuur 5), wat de kans verder vermindert dat Kalkmoerassen zijn ontstaan in de tussenliggende periode. Conform de Europese richtlijnen wordt dit habitattype wel meegenomen op de habitattypenkaart en in het beheerplan beschreven als aanvullende waarde. Zolang ze niet zijn opgenomen in een aanwijzingsbesluit hebben deze habitattypen echter geen juridische 'Natura 2000-beheerplan status' (MvEZ, 2016). ZGH6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) Algemene beschrijving Het habitattype betreft soortenrijke, bloemrijke hooilanden op tamelijk voedselrijke, doorgaans kleihoudende gronden. Deze hooilanden liggen met name in de uiterwaarden en komgronden van het rivierengebied, in polders met een klei-op-veen-grond of op zavelige oeverwallen in beekdalen en op hellingen en droogdalen in het heuvelland. Instandhoudingsdoel Voor het habitattype ZGH6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) is in het definitieve aanwijzingsbesluit niet een instandhoudingsdoel voor dit Natura 2000-gebied aangewezen. Conform de Europese richtlijnen wordt dit habitattype wel meegenomen op de habitattypenkaart en in het beheerplan beschreven als aanvullende waarde. Zolang ze niet zijn opgenomen in een aanwijzingsbesluit hebben deze habitattypen echter geen juridische 'Natura 2000-beheerplan status' (MvEZ, 2016).
H91EoB Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) Algemene beschrijving Dit habitattype omvat bossen die groeien op beek- of rivierafzettingen en die direct of indirect onder invloed staan van beek- of rivierwater. De verschijningsvorm loopt sterk uiteen. Ze kunnen zeer soortenrijk zijn en zeldzame typische soorten bevatten. Instandhoudingsdoel Voor het habitattype H91EoB Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) is een doelstelling voor vermindering van de oppervlakte en behoud van de kwaliteit. Momenteel is een groot deel van het Natura 2000-gebied overbelast, maar geldt een gemeten en gemodelleerde verwachting van een ruime stikstofdepositiedaling binnen de grenzen van het Natura 2000-gebied (figuur 4 en figuur 5).
10
Figuur 4
Ontwikkeling van de stikstofdepositie binnen het ‘Lingegebied Diefdijk-Zuid’ (bron: PAS-bureau BIJ12, 2018).
Figuur 5
Ontwikkeling van de stikstofoverbelasting per habitattype binnen het ‘Lingegebied Diefdijk-Zuid’ (bron: PAS-bureau BIJ12, 2018).
11
De beoogde ontwikkeling resulteert niet in effecten op het gehele Natura 2000-gebied, maar heeft betrekking op een gedeelte van de stikstofgevoelige habitattypen. Voor de gebruiksfase betreft dit een totaal van 8 hexagonen (tabel 2) waar een verhoging van de stikstofdepositie voorzien is. Een hexagoon in de AERIUS Calculator betreft een zeshoekig vlak met een oppervlakte van 1 hectare. Een stikstofgevoelig habitattype hoeft echter niet de gehele hexagoon te beslaan, derhalve is de oppervlakte een maximale maat en niet een realistische maat van de aanwezige oppervlakte stikstofgevoelig habitattype. Gebruiksfase Tabel 2
De aanwezige habitattypen, de Kritische depositiewaarde (KDW) en de achtergronddepositie per habitattype in de gebruiksfase. *KDW op basis van onbekend habitattype.
Gebruiksfase Habitattype H9999:70 ZGH6510A ZGH6510A H9999:70 Totaal
+
Kritische depositiewaarde (KDW) in mol/ha/jaar
Aantal hexagonen
Aantal hexagonen waarvan KDW wordt overschreden
1143* 1429 1143* + 1429
6 1 1
6 1 1
Aantal hexagonen waarvan KDW wordt overschreden, uitgezonderd H999:70 0 1 1
8
8
2
Bouwfase Voor de bouwfase betreft het een totaal van 43 hexagonen (tabel 3) waar een verhoging van de stikstofdepositie voorzien is. Tabel 3
De aanwezige habitattypen, de Kritische depositiewaarde (KDW) en de achtergronddepositie per habitattype in de bouwfase. *KDW op basis van onbekend habitattype.
Bouwfase
Kritische depositiewaarde (KDW) in mol/ha/jaar
Aantal hexagonen
Aantal hexagonen waarvan KDW wordt overschreden
+
2000 1143* 1429 2000 + 1143*
1 9 19 1
0 9 19 1
Aantal hexagonen waarvan KDW wordt overschreden, uitgezonderd H999:70 0 0 19 0
+
1143* + 1429
13
13
10
43
42
29
Habitattype H91EoB H9999:70 ZGH6510A H91EoB H9999:70 ZGH6510A H9999:70 Totaal
12
2.4
Effecten van de beoogde ingreep Depositieverhoging ten gevolge van beoogde ontwikkeling Tabel 4
De stikstofdepositieverhoging (in mol/ha/jaar) per habitattype in de gebruiksfase.
Gebruiksfase Habitattype H9999:70 ZGH6510A ZGH6510A + H9999:70 Totaal
Tabel 5
Aantal hexagonen met depositieverhoging 0,06 – 0,15 (mol/ha/jaar) 0 0 0 0
De stikstofdepositieverhoging (in mol/ha/jaar) per habitattype in de bouwfase.
Bouwfase Habitattype H91EoB H9999:70 ZGH6510A H91EoB + H9999:70 ZGH6510A + H9999:70 Totaal
2.5
Aantal hexagonen met depositieverhoging 0,01 – 0,05 (mol/ha/jaar) 6 1 1 8
Aantal hexagonen met depositieverhoging 0,01 – 0,05 (mol/ha/jaar) 1 7 18 1 12 39
Aantal hexagonen met depositieverhoging 0,06 – 0,15 (mol/ha/jaar) 0 2 1 0 1 4
Beoordeling significante negatieve effecten H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker KDW op basis van kritische relevante type (H7230) Er is geen reden om aan te nemen dat voor het habitattype H9999:70 er sprake is van een situatie waarin een beperkte en over het algemeen tijdelijke verhoging van de stikstofdepositie resulteert in negatieve effecten op de aanwezige stikstofgevoelige vegetatie. Bij de aanwijzing is reeds uitgegaan van een situatie waarin er over het algemeen sprake is van het niet-stikstofgevoelige habitattype H91EoA. Er is op korte afstand (< 2 km) van de beoogde ontwikkeling geen indicatie of aanwijzing van Kalkmoerassen, waarvan bekend is dat deze in hogere mate gevoelig zijn voor stikstofdepositie en een lagere KDW geldt. Aangezien
er
voor
H9999:70
in
het
definitieve
aanwijzingsbesluit
niet
een
instandhoudingsdoel voor dit Natura 2000-gebied is aangewezen en er geconcludeerd kan worden dat er met een hoge mate van zekerheid geen sprake is van een stikstofgevoelige habitattype kunnen significante negatieve effecten in de instandhoudingsdoelen uitgesloten worden.
13
ZGH6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver) Dit habitattype wordt wel aangemerkt als stikstofgevoelig, maar is in het definitieve aanwijzingsbesluit niet een instandhoudingsdoel voor dit Natura 2000-gebied aangewezen. In de beoogde ontwikkeling is er sprake van de volgende stikstofdepositieverhogingen: •
In de gebruiksfase een toename van maximaal 0,02 mol/ha/jaar op 2 hexagonen;
•
In de bouwfase een toename van maximaal 0,05 mol/ha/jaar op 30 hexagonen en een toename tussen de 0,06 en 0,12 mol/ha/jaar op 2 hexagonen.
Voor dit habitattype is geen instandhoudingsdoelstelling aangewezen, waardoor niet beargumenteerd
kan
worden
dat
er
sprake
is
van
schade
op
deze
instandhoudingsdoelstelling. De voorziene verhoging van de stikstofdepositie is dermate laag en hoofdzakelijk van tijdelijke aard dat significante negatieve effecten op stikstofgevoelige vegetatie uitgesloten kan worden. H91EoB Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen) Dit habitattype wordt aangemerkt als stikstofgevoelig, maar heeft een dusdanig hoge KDW (2000 mol/ha/jaar) dat er in de huidige situatie sprake is van een achtergronddepositie ver onder de KDW. De kwetsbaarheid van dit habitattype ligt hoofdzakelijk in effecten van verdroging (Natura 2000 habitatprofielen Vochtige alluviale bossen). Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling is er geen sprake dat er eventuele verdrogings-effecten optreden. De beperkte en over het algemeen tijdelijke verhoging van de stikstofdepositie resulteert derhalve niet in significante negatieve effecten op aanwezige stikstofgevoelige vegetatie. De achtergronddepositie in de huidige situatie ligt al ver onder de KDW en er is een gemeten en gemodelleerde afname van achtergronddepositie. De instandhoudingsdoelstelling voor dit habitattype is vermindering van de oppervlakte en behoud van de kwaliteit. De beoogde ontwikkeling heeft gezien de beperkte mate van oppervlakte (2 hexagonen) en stikstofdepositie (toename van 0,01 mol/ha/jaar) geen significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen.
14
3 Conclusie Uit de Voortoets Stikstof blijkt dat er geen significante negatieve effecten te verwachten zijn betreffende de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en DiefdijkZuid’ ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen. De beoogde ontwikkeling resulteert in een verhoogde stikstofdepositie binnen drie verschillende habitattypen. Voor ieder habitattype is echter geen sprake van schade aan de instandhoudingsdoelstellingen.
Habitattypen
Effect
H9999:70 Habitattype onbekend/onzeker ZGH6510A Glanshaver- en vossenstaarthooilanden (glanshaver)
Geen significant negatief effect
H91EoB Vochtige alluviale bossen (essen-iepenbossen)
Geen significant negatief effect
Geen significant negatief effect
Habitatsoorten H1134 Bittervoorn
Geen negatief effect
H1145 Grote modderkruiper
Geen negatief effect
H1149 Kleine modderkruiper
Geen negatief effect
H1166 Kamsalamander
Geen negatief effect
H1337 Bever
Geen negatief effect
15
4 Literatuur Bureau Verkuylen, 2020. Stikstofdepositie-onderzoek zorgcomplex Spijkse Kweldijk 39b en 41, Spijk. Rapport op 23 april 2020. 26918004, ’s Hertogenbosch. Croonen Adviseurs, 2010. Quickscan flora en fauna Spijkse Kweldijk 41 en 41a, Spijk. Rapport op 17 mei 2010. NAT04-DNV00001-01a, Rosmalen. Croonen Adviseurs, 2013. Bestemmingsplan Spijk, Spijkse Kweldijk 39b en 41. Vastgesteld op 7 maart 2013. NL.IMRO.0733.BpSpkSpKweldk41-VA01. Ministerie van Economische Zaken, 2016. Natura 2000-beheerplan Lingegebied & DiefdijkZuid (70), rapport in december 2016. Omgevingsdienst Rivierenland, 2020. Adviesbrief stikstofdepositie Spijkse Kweldijk 39b en 41 Spijk, Tiel. PAS-bureau BIJ12, 2018. Gebiedsrapportage 2017, Natura 2000 gebied nr. 70 Lingegebied & Diefdijk-Zuid, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.wetten.overheid.nl www.wilde-planten.nl
16
Bijlage 1
Wettelijke bepalingen
§ 2.3. Beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen Artikel 2.7 1
Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid.
2
Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
3
Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan: a. artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid, wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, of b. artikel 2.8, negende lid, wanneer zij betrekking heeft op andere handelingen dan projecten als bedoeld in onderdeel a.
4
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan bij of krachtens enige wettelijke bepaling een besluit is vereist, indien bij of krachtens die wet is bepaald dat dat besluit uitsluitend wordt vastgesteld indien is voldaan aan artikel 2.8.
Artikel 2.8 1
Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
2
In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.
3
Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
4
In afwijking van het derde lid kan, ondanks het feit dat uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, het plan worden vastgesteld, onderscheidenlijk de vergunning worden verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er zijn geen alternatieve oplossingen; b. het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en c. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
5
Ingeval het plan, onderscheidenlijk het project, bedoeld in het eerste lid, significante gevolgen kan hebben voor een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort in een Natura 2000-gebied, geldt, in afwijking van het vierde lid, onderdeel b, de voorwaarde dat het plan, onderscheidenlijk het project nodig is vanwege:
17
a.
argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten, of b. andere dwingende redenen van openbaar belang, na advies van de Europese Commissie. 6
Een advies van de Europese Commissie als bedoeld in het vijfde lid, onderdeel b, wordt door Onze Minister gevraagd. Het bestuursorgaan, onderscheidenlijk gedeputeerde staten doen daartoe een verzoek aan Onze Minister.
7
Compenserende maatregelen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel c, maken onderdeel uit van het plan, onderscheidenlijk de verplichting om deze maatregelen te treffen maakt onderdeel uit van de vergunning voor het project, bedoeld in het eerste lid. Het bestuursorgaan dat het plan vaststelt meldt, onderscheidenlijk gedeputeerde staten melden de compenserende maatregelen aan Onze Minister, die de Europese Commissie van de maatregelen op de hoogte stelt.
8
Ingeval een compenserende maatregel voorziet in de ontwikkeling of verbetering van leefgebieden voor vogels, natuurlijke habitats of habitats voor soorten buiten een Natura 2000-gebied, draagt Onze Minister ervoor zorg dat deze leefgebieden of habitats een Natura 2000-gebied, of een onderdeel van een Natura 2000-gebied worden.
9
Voor een andere handeling als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, houden gedeputeerde staten bij het verlenen van de vergunning rekening met de gevolgen die de handeling kan hebben voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
Artikel 2.9 1
Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen die zijn beschreven in en worden gerealiseerd, onderscheidenlijk verricht overeenkomstig een beheerplan als bedoeld in artikel 2.3 of een programma als bedoeld in artikel 1.13, eerste, zevende, of achtste lid, of een plan of programma als bedoeld in artikel 2.3, vijfde lid, indien: a. ten aanzien van het plan of het programma, althans het desbetreffende onderdeel, een passende beoordeling van projecten als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, is uitgevoerd waaruit de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten, onderscheidenlijk rekening is gehouden met de mogelijke gevolgen van andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b voor het Natura 2000-gebied, en b. het bestuursorgaan dat het plan of het programma heeft vastgesteld tevens bevoegd is voor de verlening van een vergunning als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, voor een dergelijk project, onderscheidenlijk een dergelijke handeling, of, als dat niet het geval is, het laatstbedoelde bestuursorgaan heeft ingestemd met het onderdeel van het plan of programma dat betrekking heeft op het project, onderscheidenlijk de andere handeling.
2
Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, die op de referentiedatum bekend waren, of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn bij het bestuursorgaan dat bevoegd is voor de verlening van de vergunning, en zij sedertdien niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. De referentiedatum, bedoeld in de eerste volzin, is: a. 31 maart 2010, of b. ingeval het desbetreffende gebied eerst na 31 maart 2010 een Natura 2000-gebied is geworden, een door Onze Minister te bepalen datum die niet later is gelegen dan de datum waarop dat gebied een Natura 2000-gebied is geworden.
3
Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen, behorende tot door provinciale staten bij verordening aangewezen categorieën van projecten, onderscheidenlijk andere handelingen, indien ten aanzien van het project, onderscheidenlijk de handeling is voldaan aan bij of krachtens die verordening gestelde regels. Deze regels kunnen in elk geval betrekking hebben op: a. de wijze waarop een project wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk een handeling wordt verricht; b. de ligging van de locatie waar een project wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk een handeling wordt verricht ten opzichte van een Natura 2000-gebied, een natuurlijke habitat of een habitat van een soort in dat gebied; c. de te verrichten onderzoeken naar de gevolgen van de realisatie van een project, onderscheidenlijk de verrichting van een handeling voor de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied; d. de voorafgaand aan of tijdens de realisatie van een project, onderscheidenlijk de verrichting van een handeling te treffen maatregelen om te voorkomen dat de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000gebied worden aangetast;
18
e.
de melding van het voornemen een project te realiseren, onderscheidenlijk een handeling te verrichten aan een bij of krachtens de verordening aangewezen bestuursorgaan, de termijn waarbinnen de melding wordt gedaan en de wijze waarop, en de daarbij te overleggen gegevens.
4
Op grond van het derde lid kunnen uitsluitend categorieën van: a. projecten als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, worden aangewezen ten aanzien waarvan op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat zij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied zullen aantasten; b. andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, worden aangewezen ten aanzien waarvan op voorhand rekening is gehouden met de gevolgen die de handeling kan hebben voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.
5
Ingeval op grond van artikel 1.13, eerste lid, aanhef in samenhang met onderdeel a, een programma is vastgesteld dat betrekking heeft op Natura 2000-gebieden, kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, met betrekking tot een Natura 2000-gebied gedurende de periode waarvoor het programma geldt, niet van toepassing is op projecten en andere handelingen ten aanzien waarvan is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. het project of de andere handeling: 1° veroorzaakt een belasting van natuurwaarden van het desbetreffende Natura 2000-gebied door de factor waarvoor het programma is vastgesteld, die afzonderlijk en, ingeval het project of de handeling betrekking heeft op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, in cumulatie met andere projecten of andere handelingen met betrekking tot dezelfde inrichting in de periode waarvoor het programma geldt, de waarde die bij die algemene maatregel van bestuur voor het desbetreffende Natura 2000-gebied is vastgesteld niet overschrijdt, of 2° behoort tot een bij die algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van projecten of andere handelingen en wordt gerealiseerd, onderscheidenlijk wordt verricht op een grotere afstand gerekend tot het desbetreffende Natura 2000-gebied dan voor de desbetreffende categorie van projecten of andere
handelingen bij die algemene maatregel van bestuur is vastgesteld, en b. het project of de andere handeling heeft voor het desbetreffende Natura 2000-gebied geen andere gevolgen dan de belasting van natuurwaarden door de factor waarvoor het programma is vastgesteld, die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in het desbetreffende Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
6
De waarde, onderscheidenlijk de afstand, bedoeld in het vijfde lid, onderdeel a, kan voor de onderscheiden Natura 2000-gebieden verschillend worden vastgesteld. De waarde, onderscheidenlijk de afstand wordt zodanig vastgesteld dat: 1° geen afbreuk wordt gedaan aan de doelstelling van het desbetreffende programma, en 2° op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied zullen aantasten.
7
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop wordt vastgesteld of plannen, projecten of andere handelingen gevolgen als bedoeld in artikel 2.7, eerste of tweede lid, kunnen hebben. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op rekenmodellen, onderzoeksmethoden of meetmethoden waarmee gevolgen kunnen worden bepaald.
8
Bij ministeriële regeling kan aan degenen die projecten realiseren of andere handelingen verrichten waarop het vijfde lid van toepassing is, een verplichting worden opgelegd tot het melden van het project of de andere handeling bij het bij die regeling aan te wijzen bestuursorgaan, indien het project of de andere handeling behoort tot een bij die regeling aangewezen categorie van projecten, onderscheidenlijk andere handelingen. Bij deze regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop deze melding wordt gedaan en over de bij de melding te verstrekken gegevens.
19
20