B2-06-bijlage-bij-regionaal-risicoprofiel-2024.pdf
Tekst van het document
Bijlage 1: Uitwerking van relevante crisistypen, incidenttypen en scenario’s 1. Natuurlijke omgeving Binnen het maatschappelijk thema "Natuurlijke omgeving" valt een aantal crisistypen. Sommige daarvan zijn voor Gelderland-Zuid niet relevant en worden niet uitgewerkt. De crisistypen die niet afvallen zijn in de paragrafen hierna uitgewerkt. 1. Overstromingen - deze zijn relevant in Gelderland-Zuid en worden hierna verder uitgewerkt 2. Natuurbranden - deze zijn relevant in Gelderland-Zuid en worden hierna verder uitgewerkt 3. Extreme weersomstandigheden - deze zijn relevant in Gelderland-Zuid en worden hierna verder uitgewerkt 4. Aardbevingen - deze zijn niet relevant in Gelderland-Zuid. Dit gezien de lage waarde voor Gelderland-Zuid op de Mercalli schaal. 5. Plagen - plagen met ongedierte zijn – op basis van het verleden – in Gelderland-Zuid niet relevant en worden daarom verder niet uitgewerkt. 6. Dierziekten - zijn relevant binnen Gelderland-Zuid. Er is geen apart scenario uitgewerkt (zie 1.6). 1.1 Overstromingen Binnen het crisistype overstromingen wordt onderscheid gemaakt in de volgende incident typen: 1. overstromingen vanuit zee - dit type is voor Gelderland-Zuid niet relevant omdat Gelderland-Zuid niet aan open zee grenst 2. overstromingen door hoge rivierwaterstanden - dit type is voor Gelderland-Zuid relevant en wordt uitgewerkt 3.
vollopen van een polder / dijkdoorbraak - Er wordt voor dit risicoprofiel uitgegaan van overstromingen door hoge rivierstanden. Overstroming door hoge rivierwaterstanden Het begrip 'overstroming' heeft betrekking op rivieren, kust en meren én de grootschalige gevolgen van de overstroming in termen van mensenlevens en schade. Overstromingen kunnen het gevolg zijn van een combinatie van natuurlijke oorzaken (storm en/of overvloedige regenval) en menselijk of technisch falen. Factoren die regionaal bepalend zijn: • Hoogteligging ; • Bevolkingsspreiding; • Overstromingsdiepte/stroomsnelheden/stijgsnelheden; • Keteneffecten. We spreken van een overstroming als er een bres in een waterkering ontstaat en/of er over een grote lengte dusdanig grote hoeveelheden water over een kering lopen dat de instroom niet kan worden gestopt met noodmaatregelen. Het tijdverloop van een hoogwatergolf en de plaats van een eventuele dijkdoorbraak worden gekenmerkt door onzekerheid. Binnen de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid zijn de volgende acht dijkringen aanwezig: • Dijkring 16, Alblasserwaard en Vijfheerenlanden • Dijkring 37, Nederhemert • Dijkring 38, Bommelerwaard
• • • • •
Dijkring 39, Alem Dijkring 40, Heerewaarden Dijkring 41, Land van Maas en Waal Dijkring 42, Ooij en Millingen Dijkring 43, Betuwe, Tieler- en Culemborgerwaarden
De geldende veiligheidsnorm voor deze dijkringgebieden is 1/1250 per jaar. Dijkring 40 heeft aan de Maaszijde een geldende overschrijdingsfrequentie norm van 1/500 per jaar. Deze normen hebben betrekking op de waterstandsfrequentie die de waterkeringen moeten kunnen keren. Ze zijn daarmee niet gelijk aan de overstromingskans van een gebied, omdat de oorzaak van een overstroming niet alleen mogelijk is bij een waterstand die hoger is dan de dijk. Het grootste deel van de regio kan worden bedreigd door overstromingen. Enkel de hoge gronden nabij Berg en Dal en Nijmegen worden niet direct getroffen door hoogwater. In figuur B4.1 zijn de
maximale waterdiepten bij overstromingen weergegeven, conform de risicokaart. Daarbij zijn de kwetsbare objecten afgebeeld in het kaartbeeld.
Figuur B4.1 - Maximale waterdiepten bij overstromingen en kwetsbare objecten (conform risicokaart)
Hoge waterstanden op de rivier kunnen op tal van plaatsen leiden tot het falen van de waterkering. Als uitgangspunt voor het scenario zijn de analyses van het project Veiligheid Nederland in Kaart 2 (VNK2) Overstromingsrisico Dijkring 43 Betuwe, Tieler- en Culemborgerwaarden (mei 2014) gebruikt. Dit maakt het mogelijk om voor een combinatie van verschillende faalmechanismen en van verschillende breslocaties de overstromingskans en de impact te bepalen. Op basis van de analyses van VNK2 is meer inzicht ontstaan in de mechanismen die bepalend zijn voor het falen van een waterkering. Gebleken is dat de dijken in Nederland eerder te smal zijn dan te laag. Dijken kunnen bezwijken vóórdat er water over de dijk loopt. Het faalmechanisme piping is daarbij een belangrijk mechanisme gebleken. Een ander belangrijk inzicht is het zogenaamde lengte-effect. Dit is het fenomeen dat de kans dat er ergens een dijk doorbreekt groter is naarmate de waterkering langer is. Het gebied in dijkring 43 loopt naar het Westen af, inundatiewater loopt dan ook van oost naar west. Naast de mogelijkheid om inundatiewater via de Linge af te voeren, kunnen ook de overlaten en de suatiesluis bij Dalem worden ingezet om het inundatiewater af te laten naar de rivier.
Uitgaande van de (landelijke) systematiek voor het risicoprofiel, vormt voor de regio Gelderland-Zuid het incidenttype 'vollopen van een polder/dijkdoorbraak' het uitgangspunt. In het gekozen scenario zijn de waterstanden op de Rijn kritiek. 1.1.2 Overstromingen door hoge rivierwaterstanden Dijkringgebied 43 (Betuwe, Tieler- en Culemborgerwaarden) ligt in de provincie Gelderland en (voor een klein gedeelte) in de provincie Zuid-Holland. Aan de noordzijde wordt dijkringgebied 43 begrensd door de Nederrijn en de Lek, aan de oostzijde door het Pannerdensch kanaal, aan de zuidzijde door de Waal en de Boven-Merwede en aan de westzijde door de Diefdijklinie. In het dijkringgebied liggen diverse grote infrastructurele werken, zoals rijkswegen, spoorlijnen en kanalen. Zo wordt het gebied doorsneden door de rijkswegen A325, A50, A2 en A15. Ook de spoorlijnen Gorinchem-Elst, Arnhem-Nijmegen, Utrecht-Den Bosch en de Betuwelijn doorsnijden het gebied. Het dijkringgebied wordt daarnaast doorsneden door twee voor het gebied van belang zijnde waterlichamen: het Amsterdam-Rijnkanaal en de rivier de Linge. Met 100 km van Doornenburg tot Boven-Hardinxveld, is de Linge de langste rivier die geheel in Nederland ligt. Het AmsterdamRijnkanaal verbindt het IJ in Amsterdam via Utrecht en Wijk bij Duurstede met de Waal bij Tiel.
De waterstanden op de Rijn worden continu gemonitord en dreigend hoog water is enkele dagen van te voren te voorzien. Of en waar de dijk door breekt is slecht te voorspellen. De kans dat de dijken bezwijken is moeilijk te bepalen en aangeven dat de veiligheid achter de dijken niet meer gegarandeerd kan worden zal gebeuren op basis van voorspelde waterstanden en waarnemingen aan de dijk. Het scenario beperkt zich tot een overstroming van één dijkring (dijkring 43; figuur B4.2 en B4.3). Het is echter zeer waarschijnlijk dat de dreiging van een overstroming gelijktijdig in meerdere dijkringen optreedt, vanuit de Waal en/of de Maas, met mogelijk een overstroming in meerdere dijkringen als gevolg. Ook zijn cascade effecten mogelijk waarbij een overstroming van de ene dijkring leidt tot een overstroming in een andere dijkring, bijvoorbeeld wanneer inundatiewater uit de Waal op de Maas komt.
Figuur B4.2 - Maximale waterdiepten na een dijkdoorbraak bij Bemmel
Figuur B4.3 - Uren tot eerste water na een dijkdoorbraak bij Bemmel
Impact- en waarschijnlijkheidsbeoordeling Voor dijkring 43 heeft de beoordeling van de waarschijnlijkheid plaatsgevonden op basis van het VNK2 rapport. De VNK2 berekeningen leiden tot een overstromingskans van dijkring 43 >1/100 per jaar. Het beheerdersoordeel is dat de overstromingskans uitkomt in de klasse 1/100 – 1/1000 per jaar. Voor geheel dijkring 43 is de gemiddelde economische schade per overstroming € 12,3 miljard. Voor het bepalen van het aantal slachtoffers als gevolg van een overstroming zijn de mogelijkheden voor (preventieve) evacuatie van belang. In de praktijk wordt de effectiviteit van preventieve evacuaties echter beperkt door de geringe voorspelbaarheid van overstromingen, de capaciteit van de aanwezige infrastructuur en de condities waaronder een evacuatie moet worden uitgevoerd, zoals weersomstandigheden en sociale onrust. Het gemiddeld aantal slachtoffers per overstromingsscenario is 260. Voor het scenario waarin de bres bij Bemmel ontstaat vallen er afhankelijk van geen tot grootschalige evacuatie 1365 tot 150 slachtoffers. Tabel B4.1 – Beoordeling scenario ‘Overstromingen door hoge rivierwaterstanden Impactcriteria Score 1.1 Aantasting integriteit grondgebied E 2.1 Doden E (op basis van VNK2 rapport uitgaande van gedeeltelijke evacuatie) 2.2 Ernstig gewonden en chronische zieken E (onderkoeling, maar ook botbreuken e.d.
door materialen in de stroming) 2.3 Lichamelijk lijden D (gebrek aan primaire levensbehoeften) 3.1 Kosten E 4.1 Langdurige aantasting natuur en milieu D 5.1 5.3 6.1
Verstoring van het dagelijkse leven Sociaal psychologisch impact Aantasting cultureel erfgoed Waarschijnlijkheid Kans op gebeurtenis per 4 jaar
E E D Score C (op basis van VNK2 rapport)
1.2 Natuurbranden Binnen het crisistype natuurbranden wordt onderscheid gemaakt in de volgende incident typen: 1. Bosbrand - dit type is voor Gelderland-Zuid relevant en wordt in de volgende paragraaf verder uitgewerkt 2. Heide-, (hoog)veen- en duinbranden - dit type is voor Gelderland-Zuid niet relevant omdat dit type vegetatie niet overwegend voorkomt. In de toekomst zal de totale oppervlakte heide in de regio wel toenemen, aangezien men voornemens is om diverse kleinschalige heidegebieden met elkaar te verbinden. Natuurgebieden in Nederland kennen een intensieve verwevenheid met andere gebruiksfuncties, in het bijzonder bewoning, recreatie en (vitale) infrastructuur. Diverse gemeenten met natuurgebieden ontvangen, vooral gedurende de zomer, veel recreanten binnen hun verzorgingsgebied. Weerverschijnselen als hitte en droogte zorgen voor een grotere kans op natuurbranden. Als oorzaak voor een natuurbrand zijn de volgende potentiële ontstekingsmechanismen denkbaar: bewust menselijk handelen (brandstichting), onbewust menselijk handelen (brandende sigaret), of een natuurlijke oorzaak zoals bijvoorbeeld een blikseminslag. Verder geldt dat naaldbos brandgevaarlijker is dan loofbos, evenals jonge bossen met jonge vegetatie.
Het bosbrandrisico is in principe in maart en april het hoogste aangezien op dat moment de sapstromen in de bomen nog nauwelijks op gang zijn; bij een droge winter kan hierdoor het bos sterk uitdrogen. Door het veranderend klimaat kan deze periode langer zijn. In de zomermaanden kan de toenemende recreatie in het bos (met risicovol gedrag van mensen) tot een toename van het bosbrandgevaar leiden. Onder andere via een weermeetstation in Heumensoord (Malden) kan het risico van een natuurbrand ingeschat worden. Het station bepaald aan de hand van diverse parameters de droogtefactor. Afhankelijk van de droogtefactor krijgt het risico een kleurcode, welke het uitrukvoorstel van de brandweer bepaalt.
Belangrijke aspecten die de impact van een natuurbrand bepalen zijn: • Aanwezigheid van mensen, kwetsbare objecten (volgens de definitie van de risicokaart, bijvoorbeeld campings en verzorgingstehuizen), vitale infrastructuur, natuurwaarden, recreatie (pretparken, dierentuin, hotels) en cultuurhistorie; • De aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, zoals brandbare stoffen op recreatieterreinen, munitiedepots en LPG-tankstations; • De bereikbaarheid voor hulpdiensten, voldoende bluswater, de mogelijkheid van veilig optreden door de hulpverlening, de aanwezigheid van vluchtwegen; • De mate van aandacht van media en publiek (ramptoerisme); • De beschikbare tijd voor evacuatie (uren in plaats van dagen zoals bij overstromingen); • De mate van zelfredzaamheid van bewoners en recreanten in het gebied (onbekendheid met het risico). In Gelderland-Zuid concentreren de grootschalige natuurgebieden zich in het zuidoosten van de regio en dan met name in de gemeenten Berg en Dal, Heumen en Wijchen. In de Ooijpolder (gemeente Berg en Dal) treft men tevens vrij kleinschalige gebieden met rietkragen aan (figuur B4.4). Het natuurgebied in het zuidoosten van de regio betreft met name uitgestrekte gemengde bossen, waarbij merendeels loof- en naaldhout bomen door elkaar staan, wat gunstig is voor het risicobeeld.
In enkele gevallen zijn er kleine percelen met naaldhout, die omringd worden door loofbomen, waardoor het uitbreidingsgevaar wordt beperkt. De ondergroei is er weelderig, maar over het algemeen niet erg droog. In het gebied liggen nu ook kleinschalige stroken heide die in de toekomst uitgebreid worden tot een aaneengesloten gebied.
De bereikbaarheid van de natuurgebieden door de hulpdiensten is over het algemeen redelijk goed. De bluswatervoorziening is echter beperkt. Hierop wordt geanticipeerd door standaard bij een bosbrandmelding tweezijdig aan te rijden en bij een verhoogd bosbrandrisico een container met bluswater stand-by te houden. Verder kenmerkt het gebied zich door een aantal kampeer- en bungalowterreinen van beperkte omvang.
Figuur B4.4 - Overzichtskaart van natuurgebieden in Gelderland Zuid
1.2.1
Bosbrand
Scenario: natuurbrand nabij een instelling met niet zelfredzamen Na een periode van lange droogte breekt begin april een bosbrand uit in de directe omgeving van een terrein waarop een sanatorium voor longziekten en een verzorgingshuis zijn gehuisvest waarin verminderd zelfredzame patiënten zijn opgenomen. Gezien de windrichting breidt de brand zich uit richting zorginstellingen. Er is veel hinder van rook, waardoor besloten wordt het terrein te ontruimen. Gezien het grote aantal verminderd zelfredzame patiënten (in totaal ca. 200 personen) verloopt de evacuatie zeer moeizaam. De gevolgen in dit scenario zijn aanzienlijk. De kans op doden en gewonden is waarschijnlijk, omdat ernstig zieke patiënten plotseling moeten worden verplaatst. Het omliggende gebied is zwaar aangetast. Gebouwen blijven behouden, maar hebben wel de nodige rookschade.
Impact- en waarschijnlijkheidsbeoordeling Tabel B4.2 – Beoordeling scenario ‘Natuurbrand nabij een instelling met niet zelfredzamen’ Impactcriteria Score 1.1 Aantasting integriteit grondgebied A 2.1 Doden C 2.2 Ernstig gewonden en chronische zieken D 2.3 Lichamelijk lijden A (gebrek aan primaire levensbehoeften) 3.1 Kosten A 4.1 Langdurige aantasting natuur en milieu A 5.1 Verstoring van het dagelijkse leven B 5.3 Sociaal psychologisch impact B 6.1 Aantasting cultureel erfgoed A Waarschijnlijkheid Score Kans op gebeurtenis per 4 jaar D (openstelling voor recreatie van bosgebieden vergroot de kans)
1.3 Extreme weersomstandigheden Binnen het crisistype extreme weersomstandigheden wordt onderscheid gemaakt in de volgende incident typen: 1. Koudegolf, sneeuw en ijzel; 2. Hittegolf: is uitgewerkt in context en een scenario in par. 1.3.2. 3. Storm en windhozen; 4. Aanhoudende laaghangende mist wordt gewijzigd in plotseling opkomende mist. - in Gelderland-Zuid zijn geen gebieden waar langdurig sprake is van aanhoudende laaghangende mist. Daarom wordt dit incidenttype als type "plotseling opkomende mist" meegenomen onder incidenttype 5.3 Verkeersincidenten op het land/Incident vervoer weg. Extreme weersomstandigheden zijn niet specifiek locatie gebonden, al kunnen de gevolgen regionaal wel verschillen. De uitwerking sluit aan bij de landelijke beschrijvingen. Bij dit crisistype gaat het voornamelijk om de gevolgen voor de mens. Algemeen kenmerk zijn de mogelijke verstoringen en gevarieerde hulpvraag tegelijkertijd. Vanuit de Handreiking van het Regionaal Risicoprofiel wordt geen incidenttype onderscheiden t.a.v. extreme neerslag met als gevolg wateroverlast. Wij willen hier toch de aandacht vestigen op dit incidenttype. Wateroverlast kan leiden tot lichamelijk lijden, materiële schade, verkeershinder, ecologische schade en schade aan cultureel erfgoed.
Door hevige regenval kunnen straten blank komen te staan, kelders onderlopen, gewassen beschadigen en het opkomende rioolwater kan milieuschade veroorzaken. Daarnaast zal door de regen het zicht verminderen en gladheid ontstaan waardoor de kans op (verkeers)ongelukken toeneemt. N.B. In het Nationaal Bestuursakkoord Water zijn afspraken vastgelegd met betrekking tot klimaatverandering en de waterhuishouding in Nederland. In algemene zin zal water in de toekomst, bij hoge rivierafvoeren, wat vaker geborgen gaan worden in het gebied waarna het vervolgens bij mindere rivierafvoeren zal worden afgevoerd. Dit kan wateroverlast tot gevolg hebben (prognose voor bebouwd/stedelijk gebied 1x per 100 jaar). Koudegolf, sneeuw en ijzel Optreden van dit incidenttype (koudegolf, sneeuw en ijzel) kan er toe leiden dat mensen direct of indirect worden getroffen. In directe zin bijvoorbeeld door het optreden van ongevallen door gladheid of verminderd zicht. Voorbeelden van indirecte gevolgen hebben voornamelijk betrekking op het geïsoleerd raken ten opzichte van bepaalde voorzieningen. Op regionale schaal kan hierbij worden gedacht aan stagnatie van nutsvoorzieningen, voedselvoorziening, (spoedeisende) zorg en handhaving van de openbare veiligheid. Storm en windhozen Er is sprake van storm (9 Beaufort) als de windsnelheid gemiddeld over een uur 75-88 km/uur (21m/s) bedraagt.
Langs de kust wordt deze situatie gemiddeld ieder jaar wel een keer bereikt. Over het algemeen levert een storm pas hinder, schade of zelfs slachtoffers op als het een zware storm (10 Beaufort: 89-102 km/uur), zeer zware storm/orkaanachtig (11 Beaufort: 103-117 km/uur) of zelfs een orkaan is (12 Beaufort: >117 km/uur). In Nederland is de kans op een orkaan zeer klein omdat de daarvoor vereiste extreme temperatuurverschillen zich hier niet voordoen. Wel kunnen windstoten voorkomen met orkaankracht of meer. Een windhoos is een zeer plaatselijke wervelwind die optreedt bij kritische verschillen in luchtvochtigheid en temperatuurverschillen tussen lucht en aarde. Windhozen komen met name voor in de zomerperiode. Ze zijn vaak gekoppeld aan onweersbuien. Zowel storm als windhozen kunnen veel schade aanbrengen aan gebouwen en infrastructuur. Daarbij kunnen slachtoffers vallen.
Hittegolf Een hittegolf wordt door het KNMI gedefinieerd als opeenvolging van warme dagen waarbij het ten minste vijf dagen 25 °C of warmer is, waarvan ten minste drie dagen 30 °C is. Vanaf 2000 zijn er in de Bilt 6 hittegolven waargenomen. Een hittegolf vormt met name een bedreiging voor de (fysiek) kwetsbaren in de samenleving. In de extreem warme zomer van 2003 stierven in Nederland tussen de 1000 en 1500 mensen extra ten opzichte van het aantal dat normaal overlijdt in deze periode. In geheel West Europa zijn tussen de 22.000 en 35.000 mensen extra overleden. Met name in stedelijke gebieden zijn de gevolgen ernstig omdat de warmte moeilijker verdwijnt uit de bebouwing.1 Tijdens een hittegolf is extra aandacht benodigd voor ouderen, chronisch zieken, mensen in een sociaal isolement, mensen met overgewicht en kinderen. Aanvullend moet er gedurende de zomerperiode rekening worden gehouden met aanwezigheid van grote aantallen vakantiegasten in de regio Gelderland-Zuid. De mogelijke gevolgen hittegolf: • Huidaandoeningen zoals jeuk en blaasjesuitslag. Dit komt omdat bij een langdurige natte huid de afvoergangen van de zweetklieren verstopt raken; • Hittekramp (kramp in de spieren) ontstaat als het lichaam door zweten (ook als gevolg van inspanning) teveel zout verliest; • Hitte-uitputting door uitdroging.
Dit gebeurt als er te veel vocht verloren gaat door zweten of andere oorzaken (zie boven) en niet voldoende wordt aangevuld. Voldoende drinken is dan erg belangrijk. Teveel vochtverlies leidt tot een snelle hartslag, verminderde weerstand en slechtere concentratie. Daarnaast neemt door teruglopend concentratievermogen de kans op ongelukken tijdens de dagelijks handelingen toe; • Hittesyncope ontstaat wanneer er onvoldoende doorbloeding is naar de hersenen; flauwvallen is het gevolg. Het lichaam gebruikt immers te veel bloed om zweten mogelijk te maken. Dit gaat meestal gepaard met hoofdpijn, misselijkheid en diarree; • Hitteberoerte is het meest ernstig. Dit gebeurt als de inwendige temperatuur van het lichaam boven de 41 °C komt. Bijbehorende verschijnselen zijn: rode en droge huid, krampen, stuiptrekkingen en verlies van bewustzijn. Evenementen Deelnemers aan evenementen (en anderen die zich inspannen), lopen het risico op hitte gerelateerde ziekten wanneer ze inspanning, vochtgebruik en zoutinname niet aanpassen aan de omstandigheden. In 2006 is de Nijmeegse Vierdaagse afgelast na de diagnose van oververhitting bij tientallen wandelaars en het uiteindelijk zelfs overlijden van twee deelnemers. In april 2007 werd de Marathon van Rotterdam stilgelegd wegens de hitte en het grote aantal uitvallers.
Zo zijn er meer evenementen die niet zijn doorgegaan, zijn aangepast of zijn verkort wegens de combinatie van temperatuur, zoninstraling en lage windsnelheid. 2 Hittegolf en droogte In eerdere versies van de handreiking regionaal risicoprofiel werd de categorie hitte-droogte onderscheiden. Een periode van droogte en het optreden van een hittegolf dienen niet te worden beschouwd als dezelfde fenomenen. Gevolgen van droogte kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op landbouw (verdroging), scheepvaart (te lage waterstanden in rivieren), waterkwaliteit (algvorming) en energievoorziening (wegvallen van koelfaciliteiten). Bij een hittegolf spelen met name gezondheidskundige aspecten een rol. 1.3.2 Hittegolf Het scenario voor een hittegolf is gekozen als uitwerking van het crisistype "extreme weersomstandigheden”.
1 Rode Kruis Klimaatcentrum 2 Nationaal Hitteplan
Scenario In augustus is in De Bilt gedurende vijf dagen achtereen een temperatuur boven de 25 °C gemeten, waarvan drie boven de 30 °C. In Nederland is nu officieel sprake van een hittegolf. De temperatuur overdag komt gemiddeld boven de 30 °C uit, terwijl de nachttemperatuur niet zakt onder de 20 °C. Bewoners van een aantal verzorgingstehuizen waar geen airconditioning is hebben het zwaar te verduren. Het aantal mensen dat vervroegd komt te overlijden loopt op tot boven de 40 (extra ten opzichte van het aantal dat normaal overlijdt in deze periode). Het aantal mensen dat extra zorg nodig heeft en aangepaste medicatie loopt op tot boven de 250. Een deel van de bevolking meldt zich bij de ziekenhuizen met warmte gerelateerde klachten. Het is vakantieperiode in Nederland en daardoor zitten alle hulpverleningsorganisaties met een lage personele bezettingsgraad. Staf van verpleeg- en verzorgingshuizen zijn betrokken bij hulpverlening tijdens een hittegolf, evenals, ambulancedienst, eerste hulp van ziekenhuizen en GGD’en met betrekking tot de voorlichting.
Impact- en waarschijnlijkheidsbeoordeling Tabel B4.3 – Beoordeling scenario ‘Hittegolf Impactcriteria 1.1 Aantasting integriteit grondgebied 2.1 Doden 2.2 Ernstig gewonden en chronische zieken 2.3 Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften) 3.1 Kosten 4.1 Langdurige aantasting natuur en milieu 5.1 Verstoring van het dagelijkse leven 5.3 Sociaal psychologisch impact 6.1 Aantasting cultureel erfgoed Waarschijnlijkheid Kans op gebeurtenis per 4 jaar
Score C hoog C B B A Score E (38 keer hittegolf in 110 jaar, KNMI)
1.4 Dierziekten Het betreft hier de meer reguliere dierziekten en dierziekten die van dier naar mens kunnen overgaan. Indien zich een grote uitbraak voordoet van dier op mens besmetting, zijn de gevolgen te vergelijken met het scenario bedreiging volksgezondheid of mogelijk epidemie/pandemie. Voor dit volksgezondheidsaspect verwijzen we naar het crisistype ziektegolf (zie ook par. 6.1.5 van deze bijlage) : aangezien bij dierziekten primair wordt uitgegaan van de gevolgen van dierziekten voor de mens is een apart scenario uitgewerkt voor zoönosen (dier op mens) onder het maatschappelijke thema Gezondheid. Dier op dier besmetting Dier op dier besmetting heeft een grotere kans zich voor te doen op plaatsen waar grote concentraties dieren aanwezig zijn. Indien zich een besmettingshaard voordoet, wordt deze verspreid door de lucht, door mensen, of door dieren in het wild die de virussen en/of bacteriën overdragen. De kans op een uitbraak van dier op dier besmetting is reëel, gezien de ervaringen van de afgelopen jaren met bijvoorbeeld mond-en-klauwzeer (MKZ), varkenspest of vogelgriep. Dier op mens besmetting Sommige dierziekten zoals de Q-koorts kunnen ook gevaarlijk zijn voor mensen. In de eerste lijn zijn mensen die veel en dichtbij dieren werken in de gevarenzone en hebben een grote kans op besmetting.
Besmetting kan niet alleen optreden door direct contact met dieren, maar ook door afgeleide producten, zoals mest of bijvoorbeeld de consumptie van rauwe producten afkomstig van de dieren, zoals vlees, eieren of niet bewerkte melk. Indien een grootschalige uitbraak van dier op mens zich voordoet, of het virus zich muteert en ook mens op mens besmetting optreedt, valt het scenario onder bedreiging volksgezondheid of epidemie/pandemie.
Het optreden door de overheid bij een dierziekte is gecentraliseerd: voorbehouden aan de minister van Economische Zaken en voor enkele besluiten aan de Europese Commissie. Als sprake is van een zogenaamde zoönose kan er een uitbraak ontstaan. In dergelijke gevallen vervult de Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) een belangrijke brugfunctie. Wanneer de dierziektebestrijding gevolgen heeft voor de openbare orde en de openbare veiligheid is de burgemeester bevoegd tot het treffen van maatregelen. Als het ministerie van Economische zaken, een maatregel van een burgemeester of voorzitter van een Veiligheidsregio onverantwoord acht, kan de Commissaris van de Koning verzocht worden gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid. Tevens kan de minister van Economische Zaken de minister van Veiligheid & Justitie verzoeken in te grijpen.
2
Gebouwde omgeving
Binnen het maatschappelijk thema "Gebouwde omgeving" valt een aantal crisistypen. Sommige daarvan zijn voor Gelderland-Zuid niet relevant en worden niet uitgewerkt. De crisistypen die niet afvallen zijn in de paragrafen hierna uitgewerkt. 1. Branden in kwetsbare objecten - deze zijn relevant in Gelderland-Zuid en worden hierna verder uitgewerkt 2. Instorting in grote gebouwen en kunstwerken - In Gelderland-Zuid is geen sprake van aardbevingen of anderszins bekende onstabiele bodemstructuren. Ook vinden er geen ondergrondse bouwactiviteiten plaats of zijn deze momenteel gepland onder grote gebouwen en/of kunstwerken. Derhalve wordt dit crisistype ten behoeve van de beleidsvorming als niet relevant beschouwd. Het relevante crisistype "Branden in kwetsbare objecten" met verminderd zelfredzame personen wordt uitgewerkt. Definitie zelfredzaamheid Er bestaan verschillende typeringen van zelfredzaamheid, waarbij afwisselend de nadruk wordt gelegd op gedrag, vermogens en verantwoordelijkheid. Behalve verschillen bestaan er op hoofdlijnen ook overeenkomsten. Over het algemeen wordt onder zelfredzaamheid verstaan alle handelingen die door burgers worden verricht ter voorbereiding op, tijdens en na rampen en zware ongevallen om zichzelf en anderen te helpen en de gevolgen te beperken.
Zelfredzaamheid heeft dus ook betrekking op preventief handelen, ofwel het zo veel mogelijk voorkomen van gevaarlijke situaties, en anderzijds van handelingen tijdens een dreiging, een crisis of een noodsituatie. In deze definitie is ook aandacht voor zelfredzaamheid in de nafase van een ramp, zoals het zoeken van hulp voor eventuele klachten. 2.1 Branden in kwetsbare objecten Bij dit crisistype gaat het om branden of incidenten waarbij rookontwikkeling ontstaat in gebouwen waar zich veel verminderd zelfredzame mensen kunnen bevinden. Het crisistype "branden in kwetsbare objecten" wordt volgens de systematiek van de handreiking risicoprofiel ingedeeld in de volgende incidenttypen: 1. Grote brand in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame personen; - dit incidenttype is relevant in Gelderland-Zuid en wordt verder uitgewerkt. 2. Grote brand in gebouwen met een grootschalige publieksfunctie - Deze gebouwen zijn in Gelderland-Zuid aanwezig. Afgesproken is dit scenario niet verder uit te werken, het wordt echter wel nader omschreven. 3. Grote brand in bijzonder hoge gebouwen of ondergrondse bebouwing; - alleen in Nijmegen en Tiel is sprake van hoge bebouwing, echter niet in die mate dat hiermee dit incidenttype van toepassing is. De projectgroep heeft vastgesteld dat in de regio Gelderland-Zuid dit incidenttype niet aan de orde is. 4. Brand in dichte binnensteden.
- Dichte binnensteden zoals bedoeld in de landelijke handreiking komen in Gelderland-Zuid met name voor in Zaltbommel, Culemborg, Tiel en Nijmegen. Dit incidenttype wordt daarom verder uitgewerkt. Ad 1. Voorbeelden van niet of minder zelfredzamen in gebouwen zijn onder andere patiënten in zieken- en verpleegtehuizen, gevangenen in gevangenissen en gehandicapten in zorginstellingen. Door de ontwikkeling dat ouderen langer zelfstandig blijven wonen, zijn er steeds meer situaties waarbij in reguliere wooncomplexen sprake is van een toenemend aantal minder of niet zelfredzame bewoners. Het is echter niet op voorhand bekend in welke wooncomplexen deze situatie van toepassing is. Bovendien is de regelgeving in relatie tot brandveiligheid beperkter.
NB: feitelijk betreft het laatstgenoemde voorbeeld dan ook geen kwetsbaar object, maar een kwetsbare doelgroep. De handreiking regionaal risicoprofiel maakt dit onderscheid echter niet: het incidenttype is ingedeeld bij het crisistype ‘branden in kwetsbare objecten’. Ad 2. Als voorbeeld voor gebouwen met een grootschalige publieke functie in Gelderland-Zuid kunnen worden genoemd: bioscopen, Goffertstadion, grote winkels, scholen, etc. Dit scenario wordt in het kader van dit risicoprofiel niet verder uitgewerkt. De keuze is gemaakt om het scenario grote brand in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame personen uit te werken. De volgende opmerkingen worden nog wel geplaatst naar aanleiding van dit incidenttype. Huidige inzichten op het gebied van brandpreventie richten zich o.a. op het vergroten van het veiligheidsbewustzijn onder bezoekers (pro-actie/preventie kant). Ad 4. Culemborg, Nijmegen, Tiel en Zaltbommel hebben een historische binnenstad met veel monumentale panden. Naast het feit dat deze panden vaak naast elkaar gelegen zijn, worden in ieder geval in Culemborg en Tiel, deze panden ook bewoond. Deze woningen zijn vaak boven winkels/bedrijven in deze historische panden gesitueerd. Het risico op brand en de gevolgen daarvan in deze binnensteden zijn dan ook potentieel groter dan het geval is in andersoortige omgevingen.
Brand kan door diverse oorzaken ontstaan, brandstichting door aanwezigen of kortsluiting in defecte apparatuur zijn hier voorbeelden van. 2.1.1
Grote brand in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame personen
Scenario In de nachtsituatie ontstaat brand in een appartementencomplex van meerdere bouwlagen. De brand ontstaat op één van de bovenverdiepingen. In een flat zijn 75 senioren aanwezig, waarvan een groot deel slecht ter been (rollator) is. Eén van de vleugels van het gebouw blijkt vol te staan met rook. De brandweer concentreert zich op verkenning, het gereedmaken van de bluswatervoorziening en brandbestrijding. Als er echter, zoals in deze casus, mensen in nood zijn dan zal de brandweer primair alles in het werk stellen om deze mensen te redden. Vanwege de aanwezigheid van brandbare materialen, obstakels (of zelfs ontstekingsbronnen zoals scootmobielen) in vluchtwegen en door het feit dat deuren van (sub)brandcompartimenten kunnen openstaan ontstaat een lastig te ontruimen situatie. Door rookinhalatie raken 16 bewoners gewond, waarvan 9 bewoners ernstig. Uiteindelijk komen hiervan 4 bewoners van de flat door rookvergiftiging om het leven.
Impact- en waarschijnlijkheidsbeoordeling Tabel B4.4 – Beoordeling scenario ‘Grote brand in gebouwen met niet of verminderd zelfredzame personen’ Impactcriteria Score 1.1 Aantasting integriteit grondgebied 2.1 2.2 2.3 3.1 4.1 5.1 5.3 6.1
Doden Ernstig gewonden en chronische zieken Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften) Kosten Langdurige aantasting natuur en milieu Verstoring van het dagelijkse leven Sociaal psychologisch impact Aantasting cultureel erfgoed Waarschijnlijkheid Kans op gebeurtenis per 4 jaar
C C B B Score C
2.1.4
Grote brand in dichte binnensteden
Scenario In de nachtsituatie ontstaat door kortsluiting brand in een woonhuis op een bovenetage. Het is nog onbekend of de bewoners van deze woning thuis zijn. Na 20 minuten slaat de brand door naar beide buurpanden. Buurtbewoners alarmeren kort na de doorslag de brandweer. De brandweer is binnen 10 minuten aanwezig. In de naastgelegen panden vallen enkele gewonden door rookvergiftiging. In de getroffen panden waren geen rookmelders aanwezig. De brandweer concentreert zich op verkenning, het gereedmaken van de bluswatervoorziening en brandbestrijding. Als er echter mensen in nood zijn dan stelt de brandweer primair alles in het werk om deze mensen te redden. De politie, eveneens gealarmeerd, richt zich direct op het ontruimen van het bedreigde gebied en het leiden van de verkeersstromen. Vier bewoners van de getroffen panden zijn door de rookvergiftiging zwaar gewond, daarnaast blijkt dat de bewoners van het pand waar de brand is ontstaan thuis waren: er worden twee doden aangetroffen. In de omgeving is geen sprake van verdere slachtoffers.
Impact- en waarschijnlijkheidsbeoordeling Tabel B4.5 – Beoordeling scenario ‘Grote brand in dichte binnensteden’ Impactcriteria Score 1.1 Aantasting integriteit grondgebied 2.1 Doden B 2.2 Ernstig gewonden en chronische zieken B 2.3 Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften) 3.1 Kosten B 4.1 Langdurige aantasting natuur en milieu 5.1 Verstoring van het dagelijkse leven A 5.3 Sociaal psychologisch impact C 6.1 Aantasting cultureel erfgoed B Waarschijnlijkheid Score Kans op gebeurtenis per 4 jaar D
3
Technologische omgeving
Binnen het maatschappelijk thema "Technologische omgeving" valt een aantal crisistypen. Dit zijn de volgende: 1. Incidenten met brandbare of explosieve stoffen in de open lucht - deze zijn relevant in Gelderland-Zuid en worden hierna verder uitgewerkt 2. Incidenten met giftige stoffen in de open lucht - deze zijn relevant in Gelderland-Zuid en worden hierna verder uitgewerkt 3. Kernincidenten - deze zijn in de toekomst relevant in Gelderland-Zuid en worden hierna verder uitgewerkt 3.1 Incident met brandbare / explosie stoffen in de open lucht 3.2 Incident met giftige stoffen in open lucht Aangezien de omstandigheden waarin sprake is van (de aanwezigheid van) brandbare/explosieve en giftige stoffen vaak hetzelfde zijn en beide vallen onder de categorie ‘gevaarlijke stoffen’, worden deze twee crisistypen als één toegelicht. Bij de crisistypen grote branden kan ook sprake zijn van het vrijkomen van giftige stoffen. Hierdoor kunnen de scenario's met een grote brand ook worden ondergebracht bij het crisistype incidenten met giftige stoffen in de open lucht. Te denken valt aan asbest, bulkopslagen met kunststoffen en rubber, grote opslagplaatsen met hoge vuurbelasting. Bij incidenten met brandbare, explosieve of giftige stoffen is er altijd een reëel gevaar voor het milieu. De bodem, het grondwater en oppervlaktewater kunnen verontreinigd raken.
Het waterschap en de gemeenten zijn van groot belang om de gevolgen van dergelijke incidenten voor het milieu te beperken. Bij beide crisistypen worden conform de landelijke Handreiking Regionaal Risicoprofiel de volgende incidenttypen onderscheiden: 1. incident vervoer weg 2. incident vervoer water 3. incident spoorvervoer 4. incident transport buisleidingen 5. incident stationaire inrichting Ongevallen met gevaarlijke stoffen zijn binnen de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid denkbaar bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, water, spoor en per buisleiding. Er lopen diverse buisleidingen van de Gasunie naar en door de regio. Daarnaast is sprake van transport van brandbare vloeistoffen categorieën K1 (licht ontvlambaar), K2 (brandgevaarlijk) en K3 (brandbaar). Er is geen transport van toxische stoffen per buisleiding door de regio. Een ontwikkeling is dat nieuwe brandstoffen als LNG/CNG meer en meer gebruikt worden en daarmee als mogelijk aanvullend risico gelden. Binnen de overheidshulpdiensten wordt aan deze nieuwe brandstoffen aandacht besteed. Een lek in een tank, waarin een toxische stof is opgeslagen, of instantaan falen, kan ontstaan door bijvoorbeeld een ernstige aanrijding. Ook een (externe) brand kan leiden tot falen. Daarnaast kan een lek ontstaan doordat er een defect in de tank optreedt (intrinsiek falen).
Het gebied in de windrichting waar de gaswolk of pluim op leefniveau beweegt wordt dan blootgesteld aan een toxische belasting. Voor incidenten met brandbare/explosieve en giftige stoffen in open lucht, worden de volgende scenario’s als maatgevend beschouwd: • Incident wegvervoer brandbaar gas; • Incident spoor brandbare vloeistof; • Incident met brandbare stof (BLEVE bij stationaire inrichting) • Scheepvaartincident met toxische stof; • Incident met giftige stof in open lucht (bij stationaire inrichting).
3.1.1 Incident vervoer weg met brandbare / explosieve stof in open lucht Vervoer van gevaarlijke stoffen over de snelwegen vindt met name plaats over de Rijkswegen A2 en de A15, A50, A73, A326 en A325, en over de autowegen N320, N322 , N323 en de N845. De hoeveelheden leiden in een aantal situaties tot de noodzaak van een veiligheidszone (o.a. voor de A73). Voor de A15, A73 en A50 wordt in het Basisnet Weg een plasbrandaandachtsgebied (PAG) voorgesteld. In het algemeen komen alle stofcategorieën - behalve LT3 (toxische vloeistof) - voor in de regio over genoemde wegen. In het Basisnet Weg is daarbij gesteld dat met name stofcategorie GF3 (brandbaar gas, LPG) bepalend is voor het externe risicobeeld. Binnen de regio vindt het vervoer over de weg voornamelijk plaats via de provinciale wegen. Het gaat dan in het bijzonder om brandbare vloeistoffen, LPG en propaan voor de distributie in de buitengebieden. Toxische stoffen komen daarbij sporadisch voor. Wat het transport van gevaarlijke stoffen betreft is vooral het geschatte aantal wegtransporten langs de gemeente Tiel aanzienlijk (circa. 60.000 per dag). Het grote aantal vervoersbewegingen met gevaarlijke stoffen komt voornamelijk door de A15 welke langs de gemeente Tiel en Neder-Betuwe loopt. Deze weg wordt intensief gebruikt door vrachtverkeer. Van de verkeersbeweging per etmaal betreft het ca.
20% vrachtverkeer, waarvan naar schatting 1,5% een min of meer gevaarlijke stof vervoert. Dit resulteert op deze weg al tot 180 vervoersbewegingen met gevaarlijke stoffen per dag. Voor de overige wegen is een schatting gedaan van ongeveer 30 vervoersbewegingen met gevaarlijke stoffen (voornamelijk Nieuwe Tielseweg-Teisterbantlaan-TielWest en bevoorrading LPG-tankstations). Scenario: ongeval vervoer weg met brandbaar gas Op de A15, ter hoogte van stedelijke woonbebouwing, komen op een maandagmorgen om 9.15 uur ten gevolge van een onwel wording van een van de bestuurders twee personenauto’s met elkaar in botsing. De chauffeur van een achterop komende tankwagen met vloeibaar propaan probeert uit te wijken. Ten gevolge van deze manoeuvre schaart de vrachtwagencombinatie, waarna hij kantelt. Een volgende vrachtauto, geladen met kippen, botst vol op de propaantank die ogenblikkelijk bezwijkt; de gehele inhoud van de tank komt hierbij vrij en ontsteekt vrijwel direct. Uit de verongelukte tankwagen ontsnapt direct 60 m3 propaan, dat vrijwel meteen explosief verbrandt. Dit leidt tot een vuurbal met een diameter van 160 meter en een drukgolf. Binnen 80 meter van het incident overlijdt iedereen (de warmtestralingsbelasting is daar meer dan 130 kW/m 2). In totaal komen zo negen personen en 8000 kippen direct om het leven.
Onder de slachtoffers zijn de inzittenden van beide auto’s die het ongevalsscenario inleidden en de chauffeurs van de vrachtwagens. Ook de inzittenden van een tweetal auto’s die vlak achter het ongeval wisten te stoppen overlijden alsnog door de hittestraling. Op beide rijbanen raken in totaal tien automobilisten zwaar gewond ten gevolge van de hitte en de drukgolf. Twee andere personen raken licht gewond, doordat de auto’s met elkaar in botsing zijn geraakt, zij zitten bekneld. Doordat in de woonwijk de ruiten springen ten gevolge van de drukgolf vallen nog een zestal licht gewonden. Een tiental woningen loopt glasschade op. Na acht minuten is het eerste voertuig van de brandweer ter plaatse. Zij beginnen met het verlenen van triage en eerste hulp aan de zwaargewonden en beginnen met het blussen van de diverse brandende voertuigen en een bermbrand. Er wordt opgeschaald naar een compagniesinzet. Een groot aantal ambulances wordt gealarmeerd voor het vervoer van de gewonden naar de ziekenhuizen. De A15 is ter hoogte van het incident op beide rijbanen de rest van de dag afgesloten. De rest van de week ondervindt het wegverkeer ernstige hinder. Ook de nabijgelegen Betuweroute loopt schade op en is drie dagen onbruikbaar.
Impact- en waarschijnlijkheidsbeoordeling Tabel B4.6 – Beoordeling scenario ‘Ongeval vervoer weg met brandbaar gas’ Impactcriteria Score en beknopte motivatie 1.1 Aantasting integriteit grondgebied A 2.1 Doden C 2.2 Ernstig gewonden en chronische zieken C 2.3 Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften) 3.1 Kosten C 4.1 Langdurige aantasting natuur en milieu 5.1 Verstoring van het dagelijkse leven B 5.3 Sociaal psychologisch impact B 6.1 Aantasting cultureel erfgoed Waarschijnlijkheid Score Kans op gebeurtenis per 4 jaar A
3.1.3 Incident spoorvervoer met brandbare / explosieve stof in open lucht In de hierna volgende tabel is aangegeven wat de rekenbasis is voor de risicobepaling in het Basisnet Spoor (vervoershoeveelheden in aantallen ketelwagons). Tabel B4.7 – Aantal ketelwagons per traject op basis van type lading A Brandbaar gas
B2 Toxisch gas
B3 Zeer toxisch gas
C3 Zeer brandbare vloeistof
D3 Toxische vloeistof
D4 Zeer toxische Vloeistof
64 Den Bosch aansluiting – Ressen Noord
700
200
0
1050
50
50
71 Breukelen – Betuweroute Meteren
600
200
0
2750
200
100
202 Kijfhoek – Betuweroute Meteren
50920
6240
730
111880
6380
3920
202 Betuweroute Meteren – Emmerich (D)
50850
6580
700
110380
6720
4060
Er hebben zich in Nederland niet eerder ongevallen met gevaarlijke stoffen per spoor voorgedaan, met een dusdanige omvang, dat dit slachtoffers in de omgeving veroorzaakte. De kans op een dergelijk ongeval is zeer klein. De impact van een mogelijk incident op het spoor met gevaarlijke stoffen kan echter aanzienlijk zijn. De verwachting is dat halverwege het volgende decennium ook tussen Meteren en Den Bosch gevaarlijke stoffen vervoerd zullen gaan worden na realisatie van een nieuwe spoorboog. Scenario: ongeval spoorvervoer met brandbare vloeistof Op een spoorwegovergang in de bebouwde kom van een stad botst om 02:00 uur een goederentrein met ketelwagons gevuld met brandbare vloeistof (benzine) op een vrachtauto. Als gevolg van de botsing wordt de vrachtauto een stuk meegesleurd en ontspoort de trein. Midden in een woonwijk met rijtjeswoningen uit de jaren vijftig van de vorige eeuw, komen de treinonderdelen tot stilstand. Een aantal ketelwagons kantelt en één scheurt open. Een groot deel van de benzine stroomt in korte tijd uit (in totaal 70 m3). Uit de ontspoorde ketelwagon stroomt binnen korte tijd een groot deel van de benzine weg. De vloeistof vormt een plas van 750 m2 en ontsteekt direct. De uitgestroomde benzine brandt slechts enkele minuten hevig (binnen 40 meter vanaf de ketelwagon loopt de warmtestralingsbelasting op tot 35 kW/m2).
De machinist van de trein en de chauffeur van de vrachtwagen komen om het leven. Ook een passerende voetganger en de hond die hij aan het uitlaten was, overlijden ten gevolge van de
hittestraling. Door de grote hitte vat een drietal aan het spoor gelegen woningen binnen één minuut vlam. Twee bewoners zien geen kans meer om te vluchten en overlijden in hun woning. Inmiddels is het eerste voertuig van de brandweer ter plaatse; de plasbrand is al grotendeels opgebrand. Er wordt opgeschaald naar een compagniesinzet. De eerste eenheid zet in op ontruiming van nabijgelegen woningen. De brandweer kan niet voorkomen dat nog eens drie woningen in vlammen opgaan; maar weet verdere branduitbreiding te voorkomen. Een viertal bewoners wordt met een rookvergiftiging naar het ziekenhuis gebracht. Nog eens twee personen lopen tweedegraads brandwonden op. Zij worden eveneens naar het ziekenhuis vervoerd. Vanwege de grote rookontwikkeling worden de bewoners van een twaalftal woningen geëvacueerd. Zij worden opgevangen in een nabijgelegen buurthuis. In totaal branden zes woningen totaal uit. Vier andere woningen lopen zware brand-, rook- en waterschade op. Deze woningen zijn langere tijd niet bewoonbaar. In een vijftal andere woningen is sprake van lichte rookschade. Het spoor is één grote ravage: de rails zijn over een lengte van 150 meter ontzet en ook de bovenleiding heeft grote schade opgelopen. Het spoorverkeer is twee weken ontregeld. Zowel reizigers- als goederentreinen kunnen tijdens deze periode niet over het tracé rijden.
Impact-en waarschijnlijkheidsbeoordeling Tabel B4.8 – Beoordeling scenario ‘Ongeval spoorvervoer met brandbare vloeistof’ Impactcriteria Score en beknopte motivatie 1.1 Aantasting integriteit grondgebied B 2.1 Doden C 2.2 Ernstig gewonden en chronische zieken C 2.3 Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften) 3.1 Kosten B 4.1 Langdurige aantasting natuur en milieu A 5.1 Verstoring van het dagelijkse leven D 5.3 Sociaal psychologisch impact D 6.1 Aantasting cultureel erfgoed Waarschijnlijkheid Score Kans op gebeurtenis per 4 jaar B
3.1.5 Incident stationaire inrichting met brandbare / explosieve stof in open lucht Ongevallen met gevaarlijke stoffen bij stationaire inrichtingen zijn binnen de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid onder andere denkbaar bij BRZO-bedrijven, LPG-tankstations en ammoniakkoelinstallaties. De regionale risicokaart is het referentiekader waar de risico objecten en de kwetsbare objecten binnen Gelderland-Zuid worden geregistreerd. Gemeenten, provincie en andere beheerders vullen de kaart in. Vanuit de regionale risicokaart wordt inzicht verkregen in de inrichtingen met risico's voor de omgeving. In dit verband zijn van belang: • de BRZO-inrichtingen3; • de bovengrondse propaanopslagen bij o.a. campings; • de LPG-opslagen bij tankstations; • ammoniakinstallaties zoals grote koelinstallaties; • vuurwerkopslagen.
3 Besluit Risico's Zware Ongevallen 2015
In de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid zijn de volgende BRZO-inrichtingen aanwezig4: Nijmegen: Zaltbommel: Tiel:
Kesteren: Beuningen:
Koole Tankstorage Nijmegen B.V. (hoogdrempelig) NXP Semiconductors Netherlands BV (hoogdrempelig) Sachem Europe B.V. (hoogdrempelig) Mainfreight (hoogdrempelig) Nefco Storage & Trading BV (hoogdrempelig) Kuehne + Nagel Logistics BV (hoogdrempelig) Agro Buren BV (hoogdrempelig) PPG Coatings BV (laagdrempelig) Recticel Nederland BV (laagdrempelig) InterCheM B.V. (laagdrempelig)
Bij de LPG- en propaanopslagen betreft het de verbranding van bij een incident ontsnappend LPG (of propaan) hetgeen tot een BLEVE5 kan leiden van de opslagtank of - wanneer dit bij de overslag gebeurd - van de tankauto. Een BLEVE is gezien de effectafstand en de intensiteit van de verbranding de gebeurtenis die de maximale schade bepaalt. Elke gemeente heeft meerdere LPG-tankstations. In Gelderland-Zuid zijn tevens campings aanwezig met propaanopslagen. Ammoniakkoelinstallaties In een aantal gemeenten komen ammoniak koelinstallaties voor. In enkele gevallen is de hoeveelheid van deze toxische stof zo hoog dat ze onder de werkingssfeer van het BEVI (Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen) vallen. Bij vrijkomen kan zich een toxische ammoniakwolk in de richting van de wind verspreiden. Opslagen bestrijdingsmiddelen In een aantal gemeenten vindt opslag van bestrijdingsmiddelen plaats. In het geval van brand kunnen zich toxische verbrandingsproducten verspreiden in de omgeving. Risico's vanuit aangrenzende regio' Stationaire inrichtingen te Arnhem. Het betreft hier geen nieuwe scenario's voor het risicoprofiel.
Gezien de grote diversiteit in gevaarlijke stoffen die geproduceerd, opgeslagen, verwerkt of vervoerd worden in de regio, is het niet zinvol om ten behoeve van de incidentenbestrijding alle mogelijke scenario's uit te werken en te voorzien van de bestrijdingsmaatregelen die hierbij aan de orde kunnen zijn. Daartoe is een generiek regionaal rampbestrijdingsplan opgesteld dat een aantal scenario’s beschrijft. Scenario: incident met brandbare stof (BLEVE) Een tankwagen botst nabij het vulpunt en de tank raakt beschadigd, waarna brandbare vloeistof uitstroomt en tot ontsteking komt. De chauffeur van de vrachtwagen kan tijdig ontkomen. De nabij gelegen opslagtank gevuld met LPG wordt aangestraald door de vloeistofbrand en kan bezwijken. De hulpdiensten worden binnen enkele minuten gealarmeerd. In de nabijheid van het tankstation is een woonwijk gelegen. De Officier van Dienst Brandweer schat aan de hand van de situatie in of het nog zinvol is te blussen of direct gefocust moet worden op ontruiming. In deze situatie starten de hulpdiensten na aankomst direct met ontruiming van de meest nabij gelegen woningen. Binnen 15 min. wordt gestart met blussen van de brand en koelen van de opslagtank. De situatie escaleert (reden: niet voldoende bluswater óf omdat er niet geblust is maar direct tot ontruiming is overgegaan) en er ontstaat een warme BLEVE.
Op het terrein binnen de straal van de BLEVE zijn 16 dodelijke slachtoffers. In de omgeving is de ontruiming van ca. 300 omwonenden nog niet voldoende gereed. Er
4
In het BRZO regime is er sprake van hoogdrempelige inrichtingen en laagdrempelige inrichtingen
5 Boiling liquid expanding vapour explosion (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie). Soort explosie die kan voorkomen als
een houder (tank) met een vloeistof onder druk openscheurt.
zijn vanwege rondvliegend puin, glas en nabranden ca. 150 personen gewond in de directe omgeving, waarvan 40 zwaar gewond. Impact-en waarschijnlijkheidsbeoordeling Tabel B4.9 – Beoordeling scenario ‘incident met brandbare stof (BLEVE)’ Impactcriteria Score en beknopte motivatie 1.1 Aantasting integriteit grondgebied B 2.1 Doden C hoog 2.2 Ernstig gewonden en chronische zieken D hoog 2.3 Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften) 3.1 Kosten C 4.1 Langdurige aantasting natuur en milieu 5.1 Verstoring van het dagelijkse leven D 5.3 Sociaal psychologisch impact D 6.1 Aantasting cultureel erfgoed Waarschijnlijkheid Score Kans op gebeurtenis per 4 jaar A
3.2.2 Incident vervoer water met giftige stoffen in open lucht In Gelderland-Zuid zijn diverse waterwegen waar regulier transport van gevaarlijke stoffen over plaatsvindt. Dit betreffen de Waal en het Amsterdam-Rijnkanaal bij Tiel. In 2018 zijn ongeveer 120.000 scheepsbewegingen op de Waal en de sluis van het Amsterdam-Rijnkanaal bij Tiel, geteld. Van deze scheepsbewegingen zijn er ruim 14.000 beladen met gas/vloeistof, toxisch of brandbaar. Daarvan zijn er ongeveer 1.700 scheepsbewegingen met een verhoogd risico. Het betrof hier in 8% van de gevallen brandbare vloeistoffen met een vlampunt boven 55 °C. Beide waterwegen vallen onder de categorie binnenvaart met frequent vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit zijn alle verbindingen tussen chemische clusters, met het achterland en noord-zuidverbindingen. Dit zijn tevens vaarwegen waar regelmatig vervoer van brandbare vloeistoffen plaatsvindt. De PR 10 -6-contour6 komt hierbij niet buiten de waterrand. Er geldt in dit Basisnet tevens een plasbrand aandachtsgebied van 25 m landinwaarts vanaf de waterlijn en in uiterwaarden van vrij stromende rivieren. Voor dit type vaarwegen geldt als referentie vervoersaantallen dat rekening moet worden gehouden met name met vloeibare brandbare stoffen categorieën LF1 (brandbare vloeistof) en LF2 (zeer brandbare vloeistof).
Daarnaast dient voor het Amsterdam-Rijnkanaal rekening te worden gehouden met stofcategorie GF3 (licht ontvlambaar gas) en in mindere mate met GT3 (toxisch gas). Toxische vloeistoffen (LT1 en LT2) worden zeer weinig tot sporadisch vervoerd. Scenario: scheepvaartincident met toxische stof Een schipper van een tanker geladen met 1.800 m3 vloeibare ammoniak (stroomafwaarts vanuit Duitsland) op de rivier de Waal moet een uitwijkmanoeuvre maken. Hierdoor loopt het schip ongeveer 50 meter ten westen van de brug (ter hoogte van kilometerraai 894.3) op één van de vele kribben. De tanker is lekgeslagen op de waterlijn en lekt grote hoeveelheden ammoniak (10 kg/s). Een belangrijk gedeelte van de ammoniak komt in het rivierwater terecht en verdampt daarna weer. Vanuit Duitsland komt een zesbaksduwstel geladen met zand en slib. Naar aanleiding van het berichtenverkeer over de marifoon gaat het duwstel ten oosten van de brug voor anker (hekankers). Door de lage waterstand en sterke stroming kan deze niet op eigen kracht keren en terugvaren. De doorvaart is hierdoor niet meer mogelijk. De wind is noordwest 1–3 m/s en een ammoniakwolk verspreidt zich richting de benedenwindse dorpen Ewijk en Beuningen. Ook in het dorp Winssen wordt vanuit de Waal de penetrante lucht waargenomen.
6
PR = plaatsgebonden risico; het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. De 10-6-contour is de contour waarop dit risico 1 op 1.000.000 per jaar is.
Patrouilleschepen van Rijkswaterstaat en de Waterpolitie zijn met een uur ter plaatse om de scheepvaart te regelen en aan schippers bijstand te verlenen. Op last van de Adviseur Gevaarlijke Stoffen (AGS) ter plaatse is na 30 minuten het WAS7 en NL-Alert8 in Beuningen, Ewijk en Winssen geactiveerd. De bij de meldkamer binnengekomen benedenwindse klachten en het incident zelf zijn in die keuze meegewogen. In overleg met de Regionaal Operationeel Leider en burgemeester van de gemeente Beuningen is opgeschaald naar GRIP3. De calamiteitenzender van Radio Gelderland is actief en er wordt een standaardboodschap doorgegeven. De bewoners van Winssen, Ewijk en Beuningen wordt verzocht ramen en deuren te sluiten en binnen te blijven. Met geluidswagens wordt de bevolking gewaarschuwd. Er hoeft niet te worden geëvacueerd. Vanwege het schitterende weer zijn er recreatievaartuigen op de Waal, daarnaast fietsen veel mensen over de dijk aan de zuidoever. Aan de oevers van de rivier bevinden zich veel recreanten. De politie sommeert deze recreanten over een afstand van 10 km stroomafwaarts de oevers te verlaten en een veilig heenkomen te zoeken. Boeren worden verzocht hun vee uit de uiterwaarden te halen en Rijkswaterstaat waarschuwt waterschappen en waterleidingbedrijven benedenstrooms geen water in te nemen. Er vallen geen doden, wel zwaargewonden.
Veel mensen melden zich met klachten aan de luchtwegen en branderige ogen en er zijn tientallen onwel wordingen. De effecten van ammoniak zijn tot 1.000 mg/m3 reversibel, d.w.z. dat de gezondheidsklachten over gaan. De schipper en de overige bemanningsleden van de tanker zouden wel aan een levensbedreigende dosis kunnen worden blootgesteld. De brug in de A50 bij Ewijk wordt vanwege de gifwolk afgesloten voor het verkeer vanuit beide richtingen. Een tiental bestuurders en passagiers van motorvoertuigen worden onwel en met een ambulanceauto afgevoerd. Ook de scheepvaart wordt in beide richtingen door Rijkswaterstaat gestremd en schippers wordt verzocht een ligplaats te zoeken. Op het hoofdwegennet (A15, A12, A50, A325 en A326) en het onderliggend wegennet en in de steden Arnhem en Nijmegen en de omliggende dorpen ontstaat een verkeerschaos. Via de landelijke verkeersinformatie en de regionale zender wordt de weggebruikers verzocht de regio te mijden en er worden grootschalige omleidingsroutes via de A2, A27, A28 en A67 en cross-boardermanagement ingesteld. Na drie uur komt de calamiteitenaannemer met materieel ter plaatse om het lek te dichten. Vier uur daarna is een noodreparatie uitgevoerd en wordt de tanker met instemming van de Inspectie Verkeer en Waterstaat versleept naar de overnachtingshaven Haaften. Negen uur na het lek raken van de tanker is alles weer genormaliseerd.
De enorme files zijn pas vier uur later opgelost.
7 8
WAS: Waarschuwing en Alarmering Systeem (‘de sirenes’ in de volksmond) NL-alert: alarm van de Nederlandse overheid om tijdens (dreigende) rampen of noodsituaties burgers te kunnen alarmeren en informeren middels berichten via de mobiele telefoon. Is aanvullend en op termijn de vervanger van het WAS.
Impact- en waarschijnlijkheidsbeoordeling Tabel B4.10 – Beoordeling scenario ‘Scheepvaartincident met toxische stof’ Impactcriteria Score en beknopte motivatie Aantasting integriteit grondgebied 1.1 (Het gebied groter dan 4 kilometer is voor minder dan 1 dag bedreigd of aangetast) Doden 2.1 (Er zijn geen doden) Ernstig gewonden en chronische zieken C hoog 2.2 (Er zullen meer dan 20 tot 30 personen onwel worden of lichamelijk klachten ondervinden) Lichamelijk lijden B 2.3 (gebrek aan primaire levensbehoeften (Er zullen 20.000 tot 30.000 personen naar buiten kunnen of vastzitten in het verkeer) Kosten A 3.1 (Er is schade aan de tanker en door de verkeerschaos en kosten voor de bestrijding door de hulpdiensten en de gemeente) Langdurige aantasting natuur en milieu B 4.1 (Er is sprake van aantasting van het milieu in algemene zin van een aantal vierkante kilometers) Verstoring van het dagelijkse leven B 5.1 (Er is voor meer dan 4.000 en minder dan 40.000 getroffenen verstoring van het dagelijkse leven) Sociaal psychologisch impact A 5.3 (Minder dan 40 inwoners vinden een dag last) Aantasting cultureel erfgoed 6.1 Waarschijnlijkheid Score Kans op gebeurtenis per 4 jaar C
3.2.5 Incident stationaire inrichting met giftige stoffen in open lucht Zie voor een algemene toelichting over stationaire inrichtingen bij 3.1.5. Scenario: incident met giftige stof in open lucht Een vorkheftruck raakt een opslagtank; deze tank raakt beschadigd en er vormt zich een vloeistofplas. Door verdamping van de uit de opslagtank afkomstige giftige vloeistoffen, ontstaat een gaswolk, welke zich afhankelijk van de windrichting en windsnelheid verplaatst. Op het bedrijfsterrein van de inrichting bevinden zich 2 werknemers in de giftige wolk en komen direct te overlijden. De hulpverlening wordt gealarmeerd; na aankomst starten zij direct met het afdekken van de vloeistofplas zodat verdere verspreiding voorkomen wordt. In de omgeving van het bedrijf vallen slachtoffers onder personen die zich in de nabijheid van het bedrijf (in de buitenlucht) bevinden. De duur van de blootstelling aan de giftige wolk is van invloed op de ernst van het letsel. Er raken in de omgeving enkele tientallen omwonenden en passanten licht tot ernstig gewond vanwege inhalatie van de giftige stof. Binnen 24 uur komen nog 2 mensen te overlijden als gevolg van de inhalatie van de giftige stof.
Impact- en waarschijnlijkheidsbeoordeling Tabel B4.11 – Beoordeling scenario ‘Ongeval stationaire inrichting met (zeer) giftige vloeistoffen’ Impactcriteria Score 1.1 Aantasting integriteit grondgebied A 2.1 Doden C 2.2 Ernstig gewonden en chronische zieken C hoog 2.3 Lichamelijk lijden (gebrek aan primaire levensbehoeften 3.1 4.1 5.1 5.3 6.1
Kosten Langdurige aantasting natuur en milieu Verstoring van het dagelijkse leven Sociaal psychologisch impact Aantasting cultureel erfgoed Waarschijnlijkheid Kans op gebeurtenis per 4 jaar
B C Score B
3.3 Kernincidenten Binnen de regio Gelderland-Zuid of in de directe buurregio’s bevinden zich geen kernenergiecentrales. In Dodewaard is van 1969 tot 1997 een kernenergiecentrale in werking geweest. In 1997 is deze centrale uit bedrijf genomen, 7 jaar eerder dan gepland. De centrale is gefaseerd buiten werking gesteld. Eerst is alle splijtstof afgevoerd uit de centrale, waarna een 'veilige insluiting', die de overgebleven radioactiviteit hermetisch insluit, volgde. De insluiting is vanaf 1 juli 2005 voltooid en blijft 40 jaar actief waardoor de radioactiviteit van kortlevende isotopen afneemt. Het complex zal gedurende deze periode streng bewaakt blijven. Het gehele complex zal daarna afgebroken worden en zal het terrein weer tot een natuurlijke weide terugkeren. In juli 2014 heeft de Minister van Economische Zaken de Tweede Kamer een brief gestuurd over de harmonisatie van de voorbereiding op, en maatregelen bij, kernongevallen in Nederland en onze buurlanden.9 Het beoogde resultaat is dat in de buurlanden België en Duitsland dezelfde maatregelen worden voorbereid en genomen. Als gevolg van deze harmonisatie worden in Nederland de interventieniveaus en de daarmee samenhangende preparatiezones aangepast (figuur B4.5). 10 Dit heeft gevolgen voor de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid.