b_NL.IMRO.1960.VURZijl2-VSG1_toelichting__103428__.pdf
Tekst van het document
De beantwoording van de overige onderzoeksvragen is als volgt: • Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? In het plangebied kunnen archeologische waarden uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd aanwezig zijn. Het oostelijk deel zal worden ingericht als tuin. Daarom wordt hier geen nader onderzoek noodzakelijk geacht. In het westelijk deel zal woningbouw plaatsvinden. Daarom wordt hier vervolgonderzoek aanbevolen in de vorm van een archeologisch booronderzoek. Gezien de geringe omvang van dit terreindeel zullen de verkennende en karterende fase gecombineerd worden uitgevoerd. Het doel van het onderzoek is het inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de aan- of afwezigheid van archeologische lagen vast te stellen. 32
Kadaster 1811-1832.
33
Bureau Militaire Verkenningen 1874, 1883, 1892, 1907, 1917.
34
Topografische Dienst Nederland 1920-1989.
35
https://bagviewer.kadaster.nl/
15
3
Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 3.1
Plan van Aanpak
3.1.1 Inleiding Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar nodig aanvullen van de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting, zoals deze is geformuleerd in par. 2.4. Bij aanwezigheid van archeologische resten vormt conform het Verdrag van Valletta behoud in situ het uitgangspunt.36 In de aanbeveling wordt, indien relevant, ingegaan op behoudsmaatregelen en eventueel noodzakelijk vervolgonderzoek, zodat er een weloverwogen keuze tussen opgraven en behoud in situ gemaakt kan worden. Op 23 mei 2016 werd een Plan van Aanpak opgesteld, waarin de werkwijze van het onderzoek werd vastgelegd. Naar aanleiding van de gespecificeerde verwachting (par. 2.4) is gekozen voor een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek. Met het verkennende booronderzoek zal de bodemopbouw en de mate van intactheid daarvan bepaald worden. Het karterende booronderzoek heeft als doel het plangebied systematisch te onderzoeken op het voorkomen van één of meerdere typen archeologische vindplaatsen.
Het leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: • Wat is de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van de ondergrond in het plangebied? • In hoeverre is deze opbouw nog intact? • Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? • Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? • Zijn er indicatoren aangetroffen die verband houden met het verwachte type archeologische vindplaatsen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? • Alhoewel niet het doel van dit type kartering, zijn er bij toeval indicatoren aangetroffen die verband houden met andere typen vindplaatsen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? • In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? • In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? • Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden
geadviseerd?
36
Uitgangspunt van het Verdrag van Valletta is het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ te bewaren en
beheersmaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Bodemverstoorders zijn verplicht archeologisch onderzoek te (laten) uitvoeren om inzicht te krijgen in de waarde van het bodemarchief. Daar waar behoud van belangrijke archeologische waarden in situ niet mogelijk is, moet de archeologische informatie door opgravingen (behoud ex situ) worden veiliggesteld.
16
3.1.2 Uitvoeringsplan veldwerkzaamheden Voor het beantwoorden van de in par. 3.1.1 genoemde onderzoeksvragen is de volgende onderzoeksmethode toegepast (zie afb. 6): Aantal boringen:
zes
Boorgrid:
in twee raaien met een onderlinge boorafstand van 30 m, afstand tussen de raaien is 35 m
Diepte boringen:
300 cm -mv
Boormethode:
Edelman met diameter 7cm en guts met diameter 3cm (handmatig)
Bemonstering:
versnijden en/of verbrokkelen
Deze methode is gebaseerd op de Leidraad inventariserend veldonderzoek, deel karterend booronderzoek van de SIKB, en heeft een betrouwbaarheid van 100 % voor het opsporen van vindplaatsen met een archeologische laag, een matig hoge vondstdichtheid en een oppervlakte van 500 tot 2000 m2. De gekozen methode is methode D1 uit de leidraad karterend booronderzoek. Vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, een kleinere omvang, alsmede lineaire vindplaatsen en puntelementen kunnen hiermee niet worden gekarteerd.37 De bodemtextuur en archeologische indicatoren worden beschreven volgens SBB 5.1 van het NITG-TNO waarin ondermeer de standaard classificatie van bodemmonsters volgens NEN5104 wordt gehanteerd.38 De X- en Y-coördinaten worden ingemeten met een GPS met een nauwkeurigheid van 2 m. De hoogte van het maaiveld ter plaatse van de boringen is bepaald aan de hand van AHN-beelden. 3.1.3 Monsternameplan Relevante archeologische indicatoren zullen worden bemonsterd en indien mogelijk globaal worden gedetermineerd.
3.2
Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)
3.2.1 Veldinspectie Tijdens de uitvoering van het booronderzoek bleek dat van het noorden naar het zuiden van het plangebied een ca. 20 cm brede kabelsleuf gegraven was (afb. 6 en 7). Deze kabelsleuf had een diepte van ca. 50 cm. De vrijgekomen grond is doorzocht op de aanwezigheid van (concentraties van) archeologische resten. Ook het ‘vlak’ van de kabelsleuf is onderzocht op de aanwezigheid van archeologische sporen, maar door de geringe breedte van de sleuf leverde dit geen aanvullende informatie op. In het zuiden van het plangebied is in de uit de kabelsleuf vrijgekomen grond een randfragment van een bord of schaal aangetroffen. Het is een fragment witbakkend aardewerk, aan de bovenzijde voorzien van lichtgele glazuur met oranje slibversiering. Waarschijnlijk dateert dit fragment uit de 18e eeuw n. Chr. Aangezien oude kaarten (waaronder de kadastrale minuut uit 1811-1832) geen aanknooppunten geven voor bewoning, moet worden aangenomen dat het aardewerkfragment van elders afkomstig is. Vermoedelijk is het tijdens bemesting en grondbewerking in de bodem terecht gekomen. In het noorden van het plangebied is een bodemfragment van roodbakkend, geglazuurd aardewerk gevonden. Aan de buitenzijde van het fragment zijn roetsporen aanwezig. Het fragment is erg verweerd en dateert waarschijnlijk uit de Late Middeleeuwen of uit het begin van de Nieuwe tijd.
Het is mogelijk dat dit fragment tijdens de dijkdoorbraak is meegevoerd en eveneens van elders afkomstig is. Er is geen sprake van een vondstconcentratie die zou kunnen duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats.
37
Versie 1.0 van deze leidraad is op 30 maart 2006 vastgesteld door het CCvD Archeologie. De geactualiseerde versie is op 4
december 2012 door Tol et al. 2012 gepubliceerd. 38
Bosch 2005; Normalisatie-Instituut 1989.
17
3.2.2 Lithologische beschrijving De locatie van de boringen is weergeven in afb. 7. De boorgegevens worden gepresenteerd in bijlage 1. In het plangebied is een oxidatie-reductie grens op ca. 75-130 cm –mv geconstateerd. Beneden de oxidatie-reductie grens hebben de natuurlijke lagen een egaal grijze kleur. Boven de grens zijn de natuurlijke sedimenten licht-bruingrijs tot bruingrijs en bevatten de natuurlijke lagen roestvlekken. De ondergrond van het plangebied bestaat voornamelijk uit sterk siltige tot matig zandige klei (pakket A). Dit pakket is kalkrijk. Pakket A wordt naar boven toe geleidelijk steeds minder zandig en er komen steeds minder zandlaagjes in voor (fining-upwards). De top van het pakket is overwegend sterk siltig en de bovengrens bevindt zich op 105-190 cm –mv in het noorden van het plangebied en op 75 cm –mv in het zuiden van het plangebied. In het uiterste noorden van het plangebied (boring 6) is Pakket A niet aangetroffen. In de boringen 4 en 5 is de kleilaag beneden ca. 270-280 cm –mv zwak humeus en venig. In boring 3 werd op 280 cm –mv een liggend houtfragment aangetroffen. Het onderste pakket gaat geleidelijk over in een zwak tot matig siltig, kalkloos, kalkarm of kalkrijk kleipakket (pakket B). De top van de zwak tot matig siltige klei bevindt zich op 20-110 cm –mv (in afb. 8 schommelt de top van deze laag rond het NAP).
In boring 3 is de top zwak grindig. Het zwak tot matig siltige kleipakket wordt op zijn beurt afgedekt door een sterk tot uiterst siltig kleipakket (pakket C). In boring 4 is dit pakket niet aangetroffen. De bovengrond wordt gevormd door een donker(bruin)grijze, zwak tot matig humeuze kleilaag met een scherpe ondergrens (pakket D). Dit pakket bestaat uit uiterst siltige en matig tot sterk zandige kleilagen. De bovengrond is zwak tot matig grindig. Verspreid over het plangebied zijn in pakket D baksteenfragmenten aangetroffen; in boring 6 werden in de top van het pakket relatief veel baksteen- en puinresten waargenomen. De dikte van humeuze bovengrond varieert van 20 tot 70 cm –mv. In boring 1 is in de bovengrond een 5 cm dikke bruingrijze, matig grindige kleilaag met baksteenspikkels aangetroffen. 3.2.3 Interpretatie Een interpretatie van de boorgegevens is weergegeven in afb. 8. Het onderste aangeboorde kleipakket (pakket A) wordt op grond van de samenstelling en diepteligging geïnterpreteerd als oeverafzettingen van de Spijkse meandergordel. Omdat in boring 6 dit pakket niet is aangetroffen bevindt de grens tussen de voormalige oever- en komgebieden zich waarschijnlijk ter hoogte van de woning. Mogelijk zijn de lagen beneden 275 en 280 cm –mv in de boringen 4 en 5 afgezet in een periode waarin de sedimentatie van de oeverafzettingen tijdelijk was afgenomen.
Na de sedimentatie van de oeverafzettingen zijn in het noordelijke deel van het plangebied komafzettingen afgezet (pakket B), tijdens overstromingen van de Spijkse meandergordel of de Waal. De komafzettingen worden afgedekt door oeverafzettingen, die waarschijnlijk door de Waal zijn afgezet (pakket C). In de top van dit pakket en in de humeuze bovengrond (pakket D) is grind en grof zand ingespoeld of verwerkt. Waarschijnlijk is dit grind en grof zand afkomstig van de dijkdoorbraak en betreft het hier overslaggronden, vermengd met de oorspronkelijke oeverafzettingen van de Waal die tijdens de overstroming de bovengrond vormden. In de humeuze bovengrond is in boring 1 een laag aangetroffen die als overslaglaag geïnterpreteerd wordt. De baksteenfragmenten in de bovengrond zijn waarschijnlijk tijdens bemesting in het plangebied terecht gekomen. In boring 6 is direct onder het maaiveld een puinverharding aangebracht om dit deel van het plangebied geschikt te maken als parkeerplaats. De humeuze bovengrond is waarschijnlijk als gevolg van het gebruik van het gebied als bouwland ontstaan en wordt geïnterpreteerd als de huidige bouwvoor. In de oeverafzettingen van de Spijkse meandergordel en de Waal zijn geen archeologische lagen aangetroffen.
Tijdens het nalopen van de uit de kabelsleuf vrijgekomen grond zijn weliswaar twee scherven gevonden, maar deze vondsten worden beschouwd als losse vondsten en niet als een indicatie voor een archeologische vindplaats uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd.
18
3.3
Conclusies
De in paragraaf 3.1.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: • Wat is de geo(morfo)logische en bodemkundige opbouw van de ondergrond in het plangebied? In de ondergrond van het westelijk deel van het plangebied is een pakket oeverafzettingen van de Spijkse meandergordel aangetroffen, afgedekt door een pakket komafzettingen. Boven de komafzettingen zijn oeverafzettingen van de Waal aanwezig. De top van de oeverafzettingen is vermengd met grof zand en grind (overslaggronden) en direct onder het maaiveld is een 20 tot 70 cm dikke bouwvoor aanwezig. •
In hoeverre is deze opbouw nog intact? De top van de oeverafzettingen van de Waal is tot een diepte van ca. 20 tot 70 cm –mv omgewerkt, waarschijnlijk tijdens gebruik van het gebied als bouwland. Onder de humeuze bovengrond (bouwvoor) zijn geen verstoringen geconstateerd.
•
Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied? In de oeverafzettingen van de Spijkse meandergordel en de Waal zijn geen archeologische lagen aangetroffen. In de grond afkomstig uit de kabelsleuf is geen vondstconcentratie gevonden, die een aanwijzing kan vormen voor een archeologische vindplaats.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP? Niet van toepassing.
•
Zijn er indicatoren aangetroffen die verband houden met het verwachte type archeologische vindplaatsen? In de uit de kabelsleuf vrijgekomen grond zijn een geglazuurde roodbakkende scherf uit de Late Middeleeuwen of Nieuwe tijd en een fragment witbakkend aardewerk uit de 18e eeuw n. Chr. aangetroffen. Er is geen sprake van een vondstconcentratie die een aanwijzing kan vormen voor een archeologische vindplaats. Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Niet van toepassing
•
-
Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Het fragment witbakkend aardewerk is gevonden in het zuiden van het plangebied en het fragment roodbakkend aardewerk in het noorden van het plangebied (afb. 6). De scherven behoren niet tot een vondstconcentratie.
-
Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Niet van toepassing
Alhoewel niet het doel van dit type kartering, zijn er bij toeval indicatoren aangetroffen die verband houden met andere typen vindplaatsen? Er zijn geen indicatoren aangetroffen die verband houden met andere typen vindplaatsen. Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van het maaiveld en het NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Niet van toepassing Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Niet van toepassing Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Niet van toepassing
19
4
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Uit het booronderzoek blijkt dat in het westelijk deel van het plangebied geen archeologische lagen in de oeverafzettingen aanwezig zijn. Er is geen sprake van een vondstconcentratie die kan duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? In het westelijk deel van het plangebied zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. De kans dat archeologische waarden worden bedreigd door de toekomstige bouwactiviteiten wordt gering geacht. Het oostelijk deel van het plangebied zal worden ingericht als tuin. Hier is geen sprake van een bedreiging van (mogelijk aanwezige) archeologische waarden.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Omdat op basis van het booronderzoek en het onderzoek van de kabelsleuf geen archeologische vindplaatsen in het westelijk deel van het plangebied verwacht worden, is vervolgonderzoek niet noodzakelijk.
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het westelijk deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat binnen dit terreindeel geen archeologische vindplaats(en) wordt verwacht. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Het oostelijk deel van het plangebied zal worden ingericht als tuin. Eventuele bodemingrepen zullen niet dieper reiken dan de bouwvoor. Daarom is dit terreindeel niet onderzocht middels een booronderzoek. De archeologische verwachting dient hier derhalve te worden gehandhaafd. Indien wordt afgeweken van de genoemde bestemming wordt alsnog een inventariserend veldonderzoek noodzakelijk geacht. Wij wijzen u erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.
20
Literatuur Alterra, 2006: Digitale Geomorfologische Kaart van Nederland. Berendsen, H.J.A., E.L.J.H. Faessen, A.W. Hesselink & H. Kempen, 2001: Zand in Banen; Zanddieptekaart van het Gelderse Rivierengebied met inbegrip van de uiterwaarden. Arnhem. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport NITG 05-043-A). Bureau Militaire Verkenningen, 1874-1917: Bonnekaart, schaal 1:50.000, Blad 549 Brakel. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik & A.H. Geurts, 2012: Description of channelbelts, RhineMeuse delta studies basemap for delta evolution and paleogeography. Utrecht). de Mulder, E.F.J., M.G.F.M. Aa & T. Kuijt, 2003: De ondergrond van Nederland. Groningen. Harbers, P., 1981: Bodemkaart van Nederland, Schaal 1:50.000, Toelichting bij kaartblad 38 Oost Gorinchem. Wageningen. Kadaster, 1811-1832: Oorspronkelijke aanwijzende tafel der grondeigenaren en der ongebouwde en gebouwde vaste eigendommen, benevens van derzelver inhouds-grootte, klassering en belastbaar inkomen, volgens het kadaster, Vuren, sectie D, Blad 03.). Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. Schrijvers, R. & P. Deunhouwer, 2011: Addendum bij de actualisatie van de archeologische waardenen verwachtingenkaart van de gemeente Lingewaal. Amersfoort (Vestigia-rapport V 953).
SIKB, 2010: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Landbodems. Gouda. Stichting voor Bodemkartering, 1981: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 38 Oost Gorinchem. Wageningen. Topografische Dienst Nederland, 1920-1989: Topografische Kaart van Nederland, Blad 38F. Verbraeck, A., 1966: Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 38 Oost Gorinchem. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Wolters Noordhoff Atlasproducties, 1990: Grote Historische Atlas van Nederland, schaal 1:50.000; Deel 4; Zuid-Nederland, 1838-1857. Groningen. Wullink, A.J., 2009: Een archeologisch verkennend inventariserend veldonderzoek aan de Waaldijk te Vuren, gemeente Lingewaal (Gld). Geldermalsen (ARC-rapport 2008-163).
Geraadpleegde websites http://archis.cultureelerfgoed.nl https://bagviewer.kadaster.nl/ https://easy.dans.knaw.nl http://www.ahn.nl/viewer http://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen http://www.ruimtelijkeplannen.nl
Lijst van afbeeldingen en tabellen Afb. 1 Locatie van het plangebied Afb. 2 Detailkaart van het plangebied Afb. 3 Uitsnede van de paleomeandergordelkaart (naar Cohen et al 2012) met de locatie van het plangebied. Afb. 4 AMK-terreinen en ARCHIS-meldingen, geplot op de archeologische beleidskaart van de gemeente Lingewaal Afb. 5 Locatie van het plangebied op de Bonnekaart van 1883. Afb. 6 Boorpuntenkaart. Afb. 7 Foto van de recent gegraven kabelsleuf in het plangebied Afb. 8 Interpretatie van de boorgegevens. Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Tabel 2. Archeologische indicatoren en vondsten
21
Tabel 2. Archeologische indicatoren en vondsten Oorsprong inspectie grond
Vondst-
Diepte
nummer
cm-mv
Geen
0 tot 50
x (mRD)
y (mRD)
133.292
426.916
uit kabelsleuf
Omschrijving
Datering
Fragment roodbakkend geglazuurd
LME-NTA
aardewerk, bodemfragment, aan beide zijden geglazuurd, beroet aan de buitenzijde
inspectie grond uit kabelsleuf
Geen
0 tot 50
133.332
426.855
e
Fragment witbakkend aardewerk,
18 eeuw n.
randfragment van een bord of schaal,
Chr.
licht-gele glazuur met rode slibversiering aan de binnen zijde
Afb. 1 Locatie van het plangebied
22
Afb. 2 Detailkaart van het plangebied
23
Afb. 3 Uitsnede van de paleomeandergordelkaart (naar Cohen et al 2012) met de locatie van het plangebied.
24
Afb. 4 AMK-terreinen en ARCHIS-meldingen, geplot op de archeologische beleidskaart van de gemeente Lingewaal
25
Afb. 5 Locatie van het plangebied op de Bonnekaart van 1883.
26
Afb. 6 Boorpuntenkaart.
27
Afb. 7 Foto van de recent gegraven kabelsleuf in het plangebied
28
Afb. 8 Interpretatie van de boorgegevens.
133326
2
nummer
133334
x coördinaat (m)
1
y coördinaat (m)
426874 1,24
426846 1,49
150 klei 230 Klei 300 Klei
110 150
230
300 Klei
190
110 klei
190 Klei
115
80
115 Klei
75
80 Klei
75 Klei
40
35
40 Klei
15
35 Klei
15 Klei
10
0
10 klei
ondergrens (cm onder ) grondsoort
0
maaiveldhoogte (m) NAP bovengrens (cm onder
Bijlage 1 Boorgegevens kalkgehalte
kleur
bijmenging
Grijs
Grijs
Matig zandig
Matig siltig Sterk siltig
Zwak siltig
Grijs
Grijs Grijs
Kalkrijk
Kalkrijk Kalkrijk
Licht-bruingrijs Kalkrijk
kalkrijk
Kalkrijk
Kalkrijk
Kalkrijk
Licht-bruingrijs Kalkloos
Uiterst siltig, zwak Donkerbruingrijs grindig, zwak humeus Uiterst siltig Bruingrijs
Sterk siltig
Matig zandig
Sterk siltig
Matig zandig, Donkergrijs Kalkrijk matig humeus Sterk zandig, Bruingrijs Kalkrijk matig grindig Grijs Kalkrijk Matig zandig, zwak grindig, zwak humeus Matig siltig Licht-bruingrijs Kalkrijk
antropogene bijmengingen -
-
-
-
Enkele baksteenfragmenten
-
-
-
-
Weinig baksteenfragmenten Enkele baksteenfragmenten -
overig Weinig roestvlekken, enkele mangaanconcreties, oeverafzetting, scherpe ondergrens Weinig roestvlekken, komafzetting, gleidelijke ondergrens Komafzetting, geleidelijke ondergrens Oeverafzetting, enkele zandlaagjes, geleidelijke ondergrens Oeverafzetting, enkele zandlaagjes
Scherpe ondergrens, bouwvoor
Enkele roestvlekken, geleidelijke ondergrens, komafzetting Weinig roestvlekken, geleidelijke ondergrens, oeverafzetting Geleidelijke ondergrens, oeverafzetting, enkele zandlaagjes Oeverafzetting, enkele zandlaagjes
Scherpe ondergrens, bouwvoor
Scherpe ondergrens, bouwvoor, overslaggronden Scherpe ondergrens, overslaggronden
29
133297
4
nummer
133306
x coördinaat (m)
3
y coördinaat (m)
426937 0,61
140 klei 240 Klei 285 Klei 300 Klei
140
240 285
300 Klei
170
105
170 Klei
140
105 Klei
140 Klei
110
20
110 Klei
75
20 Klei
75 Klei
50
0
50 Klei
ondergrens (cm onder ) grondsoort
0
maaiveldhoogte (m) NAP bovengrens (cm onder
426901 0,92
kalkgehalte
kleur
bijmenging
Grijs
Grijs Kalkrijk
Kalkrijk
Sterk siltig Sterk siltig, zwak humeus
Matig zandig
Sterk siltig
Grijs Grijs
Grijs
Grijs
Kalkrijk Kalkloos
kalkrijk
Kalkrijk
Kalkrijk Uiterst siltig, zwak Donkergrijs humeus, zwak grindig zwak siltig Licht-bruingrijs kalkrijk
Sterk siltig
Matig zandig
Kalkrijk Uiterst siltig, zwak Donkergrijs grindig, zwak humeus Uiterst siltig, matig Licht-bruingrijs Kalkrijk grindig Matig siltig, zwak grijs Kalkarm grindig Sterk siltig Grijs Kalkrijk
antropogene bijmengingen -
-
-
-
Enkele baksteenfragmenten
-
-
-
-
-
Enkele baksteenfragmenten
overig Weinig roestvlekken, komafzetting, geleidelijke ondergrens Enkele zandlaagjes, geleidelijke ondergrens, oeverafzetting Weinig zandlaagjes en detrituslaagjes, oeverafzetting, geleidelijke ondergrens Geleidelijke ondergrens, oeverafzetting Venig, verspoeld veen, oeverafzetting
Bouwvoor, scherpe ondergrens
Enige zandlaagjes, oeverafzetting, geleidelijke ondergrens Enkele zandlaagjes, oeverafzetting, geleidelijke ondergrens Enkele zandlaagjes, oeverafzetting, liggend hout op 280 cm –mv
Scherpe ondergrens, enkele roestvlekken, overslaggronden Geleidelijke ondergrens, komafzetting
Scherpe ondergrens, bouwvoor, overslaggronden
30
nummer
6
5
x coördinaat (m)
133255
133260
y coördinaat (m)
426941
0,83
110 Klei 140 Klei 180 Klei
110
140
300 Klei
270
70
190 Klei 270 Klei
130 190
70 Klei
130 Klei
100
25
100 Klei
60
25 Klei
60 Klei
35
0
35 Klei
ondergrens (cm onder ) grondsoort
0
maaiveldhoogte (m) NAP bovengrens (cm onder
426913 1,13
bijmenging
Kalkrijk
Donkerbruingrijs
Grijs Grijs
Matig siltig
Zwak siltig
Sterk zandig, matig humeus Sterk siltig, zwak grindig, zwak humeus Sterk siltig
Grijs
Grijs
Kalkloos
Kalkrijk
Kalkrijk
Kalkrijk
Donkerbruingrijs Bruingrijs
Kalkrijk
Donkergrijs
Kalkarm
Kalkrijk Kalkrijk
Licht-bruingrijs Kalkrijk
Licht-bruingrijs Kalkrijk
Kalkrijk
kalkgehalte
Donkergrijs
kleur
Uiterst siltig, zwak Grijs humeus
Matig siltig Sterk siltig
Matig siltig
Uiterst siltig, zwak humeus, zwak grindig Uiterst sltig, zwak humeus, zwak grindig Sterk siltig
antropogene bijmengingen -
-
-
Weinig puinresten en baksteenfragmenten -
-
-
-
-
-
-
overig Weinig roestvlekken, oeverafzetting, geleidelijke ondergrens Enkele roestvlekken, komafzetting, geleidelijke ondergrens komafzetting
Bouwvoor, scherpe ondergrens
Scherpe ondergrens, opgebrachte grond
Weinig roestvlekken, oeverafzetting, geleidelijke ondergrens Weinig roestvlekken, komafzetting, geleidelijke ondergrens Komafzetting, geleidelijke ondergrens Weinig zandlaagjes, oeverafzetting, geleidelijke ondergrens Enkele zandlaagjes, venig, verspoeld veen, oeverafzetting
Omgewerkte grond, scherpe ondergrens
Bouwvoor, scherpe ondergrens
31
datum 17-12-2019 dossiercode 20191217-9-22090 Uitgangspuntennotitie WSRL U heeft een digitale watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets volgt u de normale watertoetsprocedure. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Als start voor dit overleg ontvangt u deze uitgangspuntennotitie die automatisch is opgesteld met de door u ingevulde antwoorden op vragen en het door u ingetekende plangebied. De notitie bevat de voor uw plan relevante waterhuishoudkundige uitgangspunten en randvoorwaarden van Waterschap Rivierenland. Deze notitie kunt u gebruiken bij het ruimtelijk laten meewegen van het waterbelang en bij het opstellen van een waterhuishoudkundige onderbouwing van uw plan. Voor overleg kunt u contact opnemen met de accountmanager van Waterschap Rivierenland. Contactinformatie staat aan het einde van deze uitgangspuntennotitie. LET OP: het is mogelijk dat uw plan op basis van alleen het oppervlak van het plangebied in de normale procedure terecht is gekomen. Is dit het geval en worden er in deze notitie geen aandachtspunten aangereikt, dan is overleg met de accountmanager niet nodig. Uw plan is dan niet relevant voor de belangen van het waterschap (watertoetsadvies).
Algemene projectgegevens Projectomschrijving: Bestemmingsplan 'Vuren, Zijl 2' Oppervlakte plangebied: 19944 Adres: Zijl 2, Vuren Gemeente: West Betuwe Het plan is ingediend door: Ronald de Groot Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Op basis van de door u verstrekte informatie zijn de volgende wateraspecten van belang in het plangebied. Beleid waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Veiligheid Het waterschap kent primaire keringen (deze liggen voornamelijk langs de grote rivieren) en regionale waterkeringen (deze liggen langs boezemwateren en kanalen). Het waterkerend vermogen van de dijken mag niet worden aangetast door ruimtelijke ingrepen. De huidige sterkte van de waterkering blijft nodig.
Niet alleen de dijk, maar ook de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk verdienen bescherming. De Keur van waterschap Rivierenland is hierop van toepassing. Er gelden restricties voor bebouwing en andere activiteiten op en langs de dijken. De kern- en beschermingszone vormen samen de waterkering, daarnaast wordt bij primaire waterkeringen ook een buitenbeschermingszone onderscheiden. Ook hierop is de Keur van Waterschap Rivierenland van toepassing. Naast het voorkomen van negatieve effecten op de huidige waterkeringen is het van belang dat een eventueel toekomstig hoger beschermingsniveau kan worden gerealiseerd ofwel niet wordt gefrustreerd. Het waterschap wil de ruimte behouden om de waterkering in de toekomst te versterken. Dat wordt bereikt door te voorkomen dat er wordt gebouwd in een bepaalde zone aan weerszijden van de waterkering. Dit noemt men het profiel van vrije ruimte. Hiervoor gelden per locatie bepaalde afmetingen; het dwarsprofiel is op te vragen bij het waterschap. Het waterschap is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de waterkeringen.Verweving van functies met de waterkering is niet gewenst. Verbeelding De kernzonevan de waterkering wordt op de verbeelding opgenomen met de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering.
De beschermingszonevan de waterkering wordt op de verbeelding opgenomen met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 1'. Deze gebiedsaanduiding beschermt de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming(en) te beperken. De regeling strekt ertoe dat bouwen voor de onderliggende enkelbestemming(en) vooraf wordt getoetst, doordat een bouwverbod onderdeel is van de regels. Het nieuwe bouwwerk is uitsluitend toelaatbaar na afwijken bij omgevingsvergunning door het college. Het college vraagt bij het toepassen van deze bevoegdheid advies aan het waterschap. De primaire waterkering kent ook een buitenbeschermingszone, waarop de keur van Waterschap Rivierenland van toepassing is. Het aangegeven plangebied ligt in de buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. In deze buitenbeschermingszone zijn de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning; afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding.
Wij verzoeken u de buitenbeschermingszone aan te duiden middels een algemene aanduidingsregel: Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk - 2' zijn de gronden naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen,
aangeduid als buitenbeschermingszone van de primaire waterkering. Grondwater (algemeen) Het plangebied wordt gekenmerkt door een bepaalde grondwaterstand. De drooglegging van het gebied is hiervoor medebepalend. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het oppervlaktewaterpeil ligt. Doorgaans geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. In gebieden waar grondwateroverlast bekend is of gebieden met hoge grondwaterstanden adviseren wij om hier nader onderzoek naar te doen. Bij hoge rivierwaterstanden kunnen gebieden gelegen nabij de rivieren overlast ondervinden van kwel. Eventuele maatregelen zijn het ophogen van het maaiveld of kruipruimteloos bouwen. Waterberging Voor dit plan is de toename van het verhard oppervlak kleiner dan 500 m² in het stedelijk gebied of kleiner dan 1500 m² in het landelijk gebied. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling. Hiervoor kunt u contact opnemen met de afdeling vergunningen van het waterschap. In alle andere gevallen dient u compenserende maatregelen te treffen. In dit geval zult u na het doorlopen van planologische traject in het kader van de watervergunning nadere afspraken moeten maken.
Watergangen Binnen het plangebied ligt een B-watergang of een beschermingszone van een B-watergang. Binnen het plangebied ligt geen A-watergang. Binnen het plangebied ligt geen beschermingszone van een A-watergang. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning -en of meldingsplichtig omdat deze invloed hebben op de water aan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. Een onderhoudsstrook is een obstakelvrije strook die als beschermingszone in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Voor A-watergangen is die strook 4 meter breed (in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden en in het Land van Heusden en Altena geldt een breedte van 5 meter), gemeten uit de insteek. Voor B-watergangen is de strook 1 meter breed. C-watergangen hebben geen beschermingszone. Verbeelding Op de Verbeelding van het bestemmingsplan worden A-watergangen opgenomen met de bestemming Water. De beschermingszone van de watergangen wordt niet bestemd. De boezemgebieden of het winterbed krijgt de dubbelbestemming Waterstaat - Waterberging.
Waterkwaliteit (algemeen) Hieronder volgen een aantal algemene aandachtpunten die gelden voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen: ●
Bij de herstructurering van bestaande woonwijken of herbouw van woningen is er de kans om het rioolsysteem zodanig aan te passen dat hemelwater wordt afgekoppeld. Het uitgangspunt is dat er minimaal tot aan de erfgrens een gescheiden stelsel wordt aangelegd. ●
Bij nieuwbouw is het uitgangspunt dat hemelwater van het verhard oppervlak voor 100% gescheiden wordt afgevoerd. Het waterschap gaat bij nieuwbouw van woningen uit van een (duurzaam) gescheiden rioleringsstelsel. Hemelwater van terreinverhardingen stroomt bij voorkeur niet direct af op het oppervlaktewater, maar wordt eerst voorgezuiverd door een berm wadi of bodempassage.
●
Bij bedrijventerreinen wordt gestreefd om het hemelwater van het verhard oppervlak gescheiden van het vuilwaterriool af te voeren. Bij risico's voor waterverontreiniging wordt gestreefd naar een verbeterd gescheiden rioleringsstelsel.
Riolering en zuiveringswerken Het rioolstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. U kunt met uw gemeente contact op te nemen voor het aansluiten van (nieuwe) woningen en bedrijven. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het waterschap. Natuur Uw plangebied ligt (deels) in een gebied met specifieke natuurdoelen of binnen uw plan liggen specifieke wateren met ecologische doelstellingen. Als algemeen criterium geldt in deze gebieden/wateren het stand-stillbeginsel. Dit beginsel houdt in dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot achteruitgang van de huidige situatie, tenzij de negatieve effecten (op bijvoorbeeld ecologie of waterkwantiteit) volledig worden gecompenseerd. Aanvragen om watervergunning op dit punt zullen met name op een zeker behoud van ecologische waarde worden getoetst. Het stand-stillbeginsel geldt in de volgende gebieden: ●
Natte landnatuur (EVZ, EHS, incl. TOP-lijstgebieden); ●
HEN/SED-wateren (prov. Gld en Waterparels (prov.NB); ●
KRW-oppervlaktewaterlichamen. Verbeelding In het bestemmingsplan dienen de ecologische waarden en potenties beschermd te worden door middel van een passende regeling. Vervolgtraject Voor het verdere proces is het van belang om de accountmananger van het waterschap te betrekken bij het plan en rekening te houden met de in dit document aangegeven uitgangspunten en adviezen. Wij verzoeken u ons te informeren over de wijze waarop het plan verder zal worden voorbereid. Accountmanager West Betuwe Adriana Jeuring telefoon: 06 82 11 85 32 e-mailadres: a.jeuring@wsrl.nl © Digitale Watertoets - www.dewatertoets.nl Dit document is gegenereerd via de website http://www.dewatertoets.nl//op basis van door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens. Dit digitale advies heeft een geldigheid van 2 jaar. www.dewatertoets.nl
datum 17-12-2019 dossiercode 20191217-9-22090 Samenvatting In deze paragraaf worden puntgewijs de resultaten van de toetsing samengevat. Tekenen: Heeft u een toetslaag geraakt? ja In welke gemeente ligt uw plangebied? West Betuwe Vragen: Gaat het plan uitsluitend over functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassingen van de bebouwing en de ruimte? nee Gaat het ruimtelijk plan over activiteiten anders dan woningen, bedrijven of kleinschalige infrastructuur? nee Is uw totale plangebied groter dan 3500 m² ? ja Verwacht u een toename van verharding in het plan groter dan 500 m² in stedelijk gebied of 1500 m² in landelijk gebied? nee Afbeeldingen geraakte toetslagen
{image_kern_en_beschermingszone_waterkering}
Afbeeldingen geraakte signaleringskaarten {image_b_watergangen_met_zonering} {image_c_watergangen_met_zonering} {image_natuur} {image_buitenbeschermingszone_waterkering}
www.dewatertoets.nl
blz. 82
Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie
ten zuiden van de Lek DEEL I - Nationaal Landschap handboek voor beschermen én ontwikkelen
COLOFON Opdrachtgever: Nieuwe Hollandse Waterlinie - Pact van Loevestein Samenwerking: gemeenten Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Zaltbommel, Werkendam, Woudrichem, Vianen, Leerdam, Gorinchem, Lingewaard, Tiel, de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Zuid-Holland en Dienst Landelijk Gebied Inhoud, tekst en beeld: Kees van der Velden - landschapsarchitect Materiaal: beeldenbank NHW, GIS competence Center DLG, Rijksdienst Cultureel Erfgoed, Chris Will, Douwe Koen, Jaap de Zee, Richard Trenning, Gerard Burgers, Atlas Nieuwe Hollandse Waterlinie, Kees van der Velden en internet Pact van Loevestein, juli 2015
Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie | 3
Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie ten zuiden van de Lek DEEL I - Nationaal Landschap handboek voor beschermen én ontwikkelen
4 | Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie
Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie | 5
DEEL I Nationaal Landschap Nieuwe Hollandse Waterlinie Deel I neemt u mee in de wereld van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Wat maakt dit gebied zo bijzonder dat het een Nationaal Landschap is en wordt beschouwd als werelderfgoed? In dit deel wordt het historisch verhaal samengevat en wordt de eigentijdse betekenis toegelicht. En er wordt uitgelegd hoe de overheid de kernkwaliteiten beschermt. ‘Behoud door ontwikkeling’ is daarbij het credo. De Waterlinie is een levend landschap: ontwikkelingen zijn nodig voor het duurzaam behoud van dit unieke erfgoed. Het gaat erom dat ontwikkelingen op passende wijze gebeuren en dit handboek reikt u daarvoor de omgangsvormen aan. Deel I gaat over de Nieuwe Hollandse Waterlinie als geheel, van Muiden tot aan de Biesbosch. Deel II zal u meenemen in de regionale uitwerking van de kernkwaliteiten ten zuiden van de Lek.
1 3 2
1) inundatiekommen ten zuiden van de Lek, 2) inundatiekanaal Tiel en 3) Fort Pannerden
6 | Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie
inundatiekom Culemborgerwaard
COLOFON Opdrachtgever: Nieuwe Hollandse Waterlinie - Pact van Loevestein inundatiekom Tielerwaard
Samenwerking: gemeenten Culemborg, Geldermalsen, Lingewaal, Zaltbommel, Werkendam, Woudrichem, Vianen, Leerdam, Gorinchem, Lingewaard, Tiel, de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Zuid-Holland en Dienst Landelijk Gebied Tekst en beeld: Kees van der Velden - landschapsarchitect Materiaal: o.a. beeldenbank NHW, GIS competence Center DLG, Chris Will, Douwe Koen, Jaap de Zee inundatiekom Land van Altena
16 december 2013
inundatiekom Bommelerwaard