CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

A01 Brief inzake uitblijven reactie B&W op sommatie (anoniem).pdf

Lijst ingekomen stukken 26 oktober 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: A: A Brieven aan de raad ter behandeling/reactie gevraagd van raadsleden/c.q. fracties5.482 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Il

wille donker a

d

v

o

c

a

t

e

n

AANTEKENEN

De raad van de gemeente West-Betuwe

t.a.v. de griffie Postbus 112 4190 CC Geldermalsen

Tevens vooruit per e-mail: griffie@westbetuwe.nl

Alphen aan den Rijn, 13 oktober 2021

Inzake Onze referentie Betreft

: West Betuwe : 580010 : UITBLIJVEN REACTIE VAN B&W OP SOMMATIE

Geachte leden van de raad, Namens en ten behoeve van cliënten, bericht ik u als volgt.

1.

Het college heeft bij besluit van 2 juli 2021 een omgevingsvergunning verleend voor het be­ stendigen van een fruitboomgaard in afwijking van het bestemmingsplan op het perceel Rijks­ straatweg te Buurmalsen. Aan deze omgevingsvergunning zijn voorschriften verbonden.

2.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 6 oktober 2021 heeft geoordeeld dat vast staat dat de vergunninghouder zich niet houdt aan de vergunningvoorschriften als hij toch de aanwezige fruitbomen in een zone van 20 tot 50 meter uit de perceelsgrens van cliënten bespuit. Verder heeft de voorzieningenrechter het college opgedragen om adequaat invulling te geven aan de handhaving. Deze uitspraak is bijgevoegd als productie 1.

3.

Mede gezien de uitspraak van de voorzieningenrechter heb ik bij brief van 8 oktober 2021 het college gesommeerd om uiterlijk dinsdag 12 oktober 2021 voor 10.00 uur mij te berichten op welke wijze het college adequaat invulling gaat geven aan de handhaving, waaronder het houden van adequaat toezicht, zodat vergunninghouder niet de aanwezige fruitbomen bespuit binnen 50 meter vanaf de perceelsgrens van cliënten. Deze sommatie is bijgevoegd als pro­

ductie 2. Leidse Schouw 2 2408 AE Alphen aan den Rijn

Postbus 357 2400 AJ Alphen aan den Rijn

T +31 (0)172 44 2417 F +31 (0)172 44 20 28

E info@willedonker nl

Member of Cyrus

W willedonker nl

Ross International

Op alle rechtsverhoudingen met Wille Donker advocaten zijn met uitsluiting van enige andere algemene voorwaarden, de algemene voorwaarden van Wille Donker advocaten, zoals op de achterzijde afgedrukt, van toepassing Daarin 1s een aansprakelijkheidsbeperking opgenomen The general conditions of the law flrm Wille Donker advocaten as printed overleaf shall be appl1cable to all legal relationships with the law firm Wille Donker advocaten with exclusion of any other general condîtions Our general conditions contain a limitation of liability clause

Il

wille donker a

4.

d

v

o

c

a

t

e

n

In de sommatie heb ik tevens het volgende aangegeven: 'Voor zover uw college mij niet tijdig bericht over de wijze waarop u adequaat invul­ ling gaat geven aan de handhaving, dan wel de wijze onvoldoende adequaat wordt geacht door cliënten, zie ik mij genoodzaakt om cliënten te adviseren tot het treffen van rechtsmaatregelen. Tevens zal ik dan deze sommatie en uw eventuele reactie in kopie toezenden aan de raad.'

5.

Helaas heb ik geen reactie ontvangen van het college. O m die reden informeer ik u door middel van deze brief met het verzoek om invulling aan uw controlerende taak te geven en vragen te stellen aan het college over het (uitblijven van enig) optreden, dan wel het onvol­ doende functioneren van de O mgevingsdienst Rivierenland die namens het college taken uit­ voert.

6.

Inmiddels heeft de vergunninghouder - ondanks een sommatie namens cliënten - opzettelijk in strijd met de voorschriften van de verleende omgevingsvergunning op zaterdag 9 oktober 2021 gehandeld door toch de aanwezige fruitbomen in de zone van 20 tot 50 meter vanaf de perceelsgrens van cliënten te bespuiten. Door cliënten is de politie hiervan in kennis gesteld. De politie is ter plaatse gekomen en heeft daadwerkelijk vastgesteld dat bespuiting plaats­ vond. Door cliënten wordt nu aangifte gedaan tegen de vergunninghouder wegens het plegen van een misdrijf op grond van de Wet economische delicten.

7.

Voor zover nodig zijn cliënten en ik beschikbaar voor het geven van een nadere toelichting.

8.

Voor de volledigheid merk ik op dat een afschrift van deze brief aan het college wordt ver­ zonden.

____________

ZIZ

uitspraak RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 21 (geanonimiseerd)

OKT 2021 uitspraak van de voorzieningenrechter van op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

O6

verzoekers (gemachtigde: Wille Donker advocaten), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe, verweerder. Als derde-partijen nemen aan het geding deel, samen: vergunninghouder. Procesverloop In het besluit van 2 juli 2021 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunningsvergunning verleend. Dat is het bestreden besluit. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 september 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Namens verzoekers is (naam geanonimiseerd) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder zijn (namen geanonimiseerd) verschenen. Ovenvegingen 1. I Iet oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Waarover gaat deze zaak? 2. Vergunninghouder exploiteert een fruitteeltbedrijf. Aan de Rijksstraatweg heeft hij een boomgaard die grenst aan de percelen van verzoekers waarop hun woning staat. De appel- en pruimenbomen stonden voorheen tot aan de erfgrens van het perceel van verzoekers.

Na een eerdere procedure bij deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over een handh_avingsverzoek van verzoekers hee�

zaaknummer: ARN 21

2

vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bestendigen van de aanplant van een boomgaard met appel- en pruimenbomen binnen de 50 meter spuitzone. Het perceel van vergunninghouder heeft in het bestemmingsplan 'Buitengebied' de 2.1. bestemming 'Landelijk gebied II'. De gronden zijn onder meer bestemd voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf. 1n artikel 5.1 van de planregels is bepaald dat onder de uitoefening van een agrarisch bedrijf niet is begrepen boom- en heesterkwekerij en fruitteelt in de vorm van nieuwe boomgaarden binnen een afstand van 50 meter van woningen. 2.2. In het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bestendigen van de aanplant van de boomgaard, voor zover de fruitbomen zijn gelegen buiten de 20 meter zone vanaf de erfgrens van gevoelige bestemmingen voor gewasbeschermingsmiddelen. De spuitzone ligt hiennee op een afstand van ongeveer 50 m vanaf de woning van verzoekers. Met de omgevingsvergunning wijkt verweerder af van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder_a onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

Een ruimtelijke onderbouwing en twee onderzoeken over de spuitzone maken onderdeel uit van de omgevingsvergunning: een algemeen onderzoek, dat is opgesteld in het kader van het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied 2018' en een locatiespecifiek onderzoek dat is opgesteld in het kader van de vergunningaanvraag bij deze omgevingsvergunning. In het locatiespecifieke onderzoek wordt een spuitzone van 15 meter aanvaardbaar geacht, maar verweerder heeft onder verwijzing naar het algemene onderzoek de spuitzone bepaald op 20 meter. De bij de omgevingsvergunning behorende afbeelding laat de spuîtzone zien:

2.3. Aan de omgevingsvergunning zijn drie voorschriften verbonden: • Uiterlijk binnen 3 weken na het moment waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is, moet vergunninghouder de fruitbomen rooien die binnen de 20 meter zone zoals aangegeven op de tekening aanwezig zijn. Leidend hierin is de begrenzing die de toezichthouder van de Omgevingsdienst Rivierenland op 10 juni 202 l heeft uitgezet; • Uiterlijk binnen 3 weken na het moment waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is, moet vergunninghouder binnen de 20 meter zone zoals aangegeven op de tekening starten met de aanplant van een bladhoudende windhaag of een dubbele

zaaknummer: ARN 21

3

bladverliezende windhaag waarvan de afstand tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen minimaal 20 meter bedraagt; • De aan te planten windhaag dient adequaat te zijn. Een wîndhaag is adequaat als deze de gevoelige bestemming voor gewasbeschenningsmiddelen geheel afschennt. Daarvan is sprake als de windhaag tijdens bespuitingen ten minste 1 meter hoger is dan het gewas. Verder mag er op geen enkele positie van de haag volledig vrij zicht zijn tussen het te bespuiten gewas en de gevoelige stemming voor gewasbeschenningsmiddelen en omgekeerd. Waarom zijn verzoekers hel niet eens mee de omgevingsvergunning. 3. Verzoekers voeren aan dat verweerder bij het bepalen van de afstand van de spuitzone zich ten onrechte heeft gebaseerd op het algemene onderzoek. Een locatiespecifiek onderzoek is vereist. Het locatiespecifieke onderzoek dat is opgesteld, vertoont tekortkomingen voor wat betreft de spuithoogte, de toegepaste correctiefactor voor spuitmengsels, het toegepaste driftreductiepercentage en de relatie tussen driftdepositie en drift naar lucht. Ook heeft verweerder volgens verzoekers de spuitzone ten onrechte gemeten vanaf het perceel, sectie M, nr. 489, waar de woning op staat en geen rekening gehouden met het andere perceel, sectie M, nr. 589, dat ook grenst aan de boomgaard en één geheel vormt met het andere perceel.

Verder zijn verzoekers het niet eens met de voorschriften bij de omgevingsvergunning over de windhaag. Volgens verzoekers is de instandhouding daarvan onvoldoende geborgd en zijn de voorschriften onvoldoende duidelijk. Tot slot voeren verzoekers aan dat verweerder bij de beoordeling van de verkeerssituatie geen rekening heeft gehouden met de uitrit van vergunninghouder aan de noordzijde van het perceel van verzoekers. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 4. Verweerder heeft de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3 °, van de Wabo. De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet verweerder ook afwegen of sprake is van een aanvaardbaar- woon en leefklimaat. Verder geldt dat verweerder beleidsruimte heeft bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De rechter moet die beslissing terughoudend toetsen. Dat wil zeggen dat de rechter 7.ich op dit punt moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om al dan niet de omgevingsvergunning te verlenen.' 4. l.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals een woning) en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschem1ingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordL geacht. Het is mogelijk deze afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Die motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. 2 l Zie bijvoor beeld de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021 :692, onder 5.1. 2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3018, en van 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855.

zaaknummer: ARN 21

4

4.2. Verweerder heeft de afstand van de spuitzone tot gevoelige functies (als de woning van verzoekers) bepaald op basis van het algemene onderzoek, dat is opgesteld in het kader van het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied 2018'. Het is op voorhand niet te zeggen dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat de voorgeschreven afstand in dit geval toelaatbaar is. Enkel het algemene onderzoek is daarvoor, gelet op de jurisprudentie, onvoldoende. En de vraag of het locatiespecifieke onderzoek zorgvuldig is leent zich, gelet op de complexiteit van de gronden die verzoekers daartegen aanvoeren, niet voor de procedure van een voorlopige voorziening. Dat geldt ook voor de vraag of verweerder het perceel, sectie M, nr. 589, had moeten betrekken in de vaststelling van de spuitzone. Daarom zal de voorzieningenrechter in deze uitspraak de zaak niet inhoudelijk beoordelen, maar aan de hand van een belangenafweging beoordelen of de omgevingsvergunning in afwachting van de uit praak op het beroep wel of niet moet worden geschorst. Daarmee komt de voorzieningenrechter niet meer toe aan de bespreking van de beroepsgrond over de verkeerssituatie. 5.

Het belang van verzoekers om de omgevingsvergunning te schorsen is erin gelegen dat zij hun gezondheid beschermd willen zien, waarbij volgens verzoekers ook moet meewegen dat zij al enkele jaren geleden voor het eerst hebben verzocht om handhaving. Het gaat verzoekers dus om de bescherming van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het belang van vergunninghouder om de omgevingsvergunning in stand te laten is dat, zoals op de zitting toegelicht, het volgens vergunninghouder niet mogelijk is om een deel van de boomgaard niet te bespuiten. Het schorsen van de omgevingsvergunning zal voor vergunninghouder tot bedrijfsschade leiden. 6. Alles afwegende weegt de voorzieningenrechter het belang van vergunninghouder zwaarder dan het belang van verzoekers. Bij die afweging laat de voorzieningenrechter de onder 2.3 benoemde voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, zwaar meewegen. Aan die voorschriften is vergunninghouder gebonden en die voorschriften dienen om het belang van verzoekers bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te beschermen. Met die voorschriften wordt, doordat vergunninghouder een deel van de fruitbomen moet kappen, in de eerste plaats een afstand gewaarborgd die in de buurt komt van de 50 meter tot de woning. Daarnaast is het derde voorschrift van belang.

De voorzieningenrechter kan dit voorschrift enkel zo uitleggen dat vergunninghouder pas mag sr11iten als sprake is van een adequate windhaag. Dat vloeit voo1t uit de zinsnede dat van een adequate windhaag "sprake [is] als de windhaag tijdens bespuitingen ten minste l meter hoger is dän het gewas". Zowel de hoogte als de dichtheid van die haag heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter met de voorschriften geborgd. Deze voorschriften samen, over de afstand en de windhaag, maken dat de voorzieningenrechter het belang van vergunninghouder om zijn bedrijfsvoering te kunnen voortzetten zwaarder laat wegen, omdat met de voorschriften ook het belang van verzoekers naar zijn voorlopig oordeel voldoende wordt beschermd. Er is dus geen aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen tot er een uitspraak op het beroep is gedaan. 7. Op de zitting i� toegelicht dat op dit moment de windhaag nog niet voldoet aan de eisen die in de voorschriften zijn gesteld. Dat betekent dus dat vergunninghouder in strijd

zaaknummer: ARN 21

5

zou handelen met de omgevingsvergunning als hij nu al de fruitbomen gaat bespuiten, zonder adequate windhaag. De discussie zoals die op de zitting is gevoerd over de vraag of vergunninghouder zich wel of niet aan de voorschriften gaat houden hoort niet thuis in de procedure over de vergunningverlening, maar in een handhavingsprocedure. De voorzieningenrechter begrijpt dat handhaving van de voorschriften lastig kan zijn. Hij begrijpt echter ook de vrees die verzoekers hebben, omdat vergunninghouder op de zitting heeft toegelicht dat hij van plan is om twee weken na de zitting de bomen te bespuiten. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verweerder daar in het kader van handhaving een goede invulling aan zal geven door (bijvoorbeeld) onverwacht te controleren of door snel(ler) te reageren op signalen. 8. De voorzieningenrechter begrijpt, kortom, dat partijen met deze uitspraak niet een gewenste oplossing voor hun onderlinge problemen zullen bereiken. Voor zover die problemen liggen in de vergunningverlening is daarvoor nader onderzoek nodig. In de bodemprocedure zal moeten worden beoordeeld hoe dat nader onderzoek moet worden vormgegeven. Voor zover de discussie gaat over of de voorschriften bij de omgevingsvergunning wel of niet worden nageleefd, is dit een kwestie van handhaving en kán de voorzieningenrechter daar in deze uitspraak geen oordeel over geven.

Hier ligt met name een rol voor verweerder om op een adequate wijze invulling te geven aan de handhaving van de omgevingsvergunning. Wat betekent dit voor het verzoek 0m voorlopige voorziening? 9. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in ieder geval voorlopig in stand blijft. 10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Tuk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op OKT 2021

O6

De voor::.ieningenrechter en de griffier zijn verhinderd om de uitspraak te ondertekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan pa1tijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

0 6 OKT 202.1

Il

wille donker a

d

v

o

c

a

t

e

n

AANGETEKEND

Burgemeester en wethouders van West-Betuwe t.a.v. burgemeester S. Stoop Postbus 112 4190 CC Geldermalsen Tevens vooruit per e-mail: bestuurssecretariaat@westbetuwe.nl; gemeente@westbetuwe.nl

Alphen aan den Rijn, 8 oktober 2021 Inzake Onze referentie Betreft

: West Betuwe : 580010

: SOMMATIE

Edelachtbaar college, Namens en ten behoeve van cliënten, bericht ik u als volgt. Achtergrond

1.

Zoals u bekend, heeft (naam geanonimiseerd) een fruitboomgaard opgericht zonder ver­eiste omgevingsvergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan. Deze situatie is reeds bij uw college bekend sinds 2014. Dit heeft ertoe geleid dat cliënten inmiddels ver­ schillende procedures hebben aangespannen tegen uw college om handhavend op te treden.

2.

Uw college heeft uiteindelijk bij besluit van 2 juli 2021 aan (naam geanonimiseerd) een omgevings­verguhning verleend tot legalisering van de fruitboomgaard binnen een afstand van 20 tot 50 meter uit de perceelsgrens van cliënten. Met dit besluit is de spuitzone verkleind van 50 meter naar 20 meter, mits wordt voldaan aan de vergunningvoorschriften.

3.

Tegen dit besluit heb ik namens cliënten beroep ingesteld. Tevens heb ik de voorzieningen­rechter verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen bij uitspraak van 6 oktober 2021 (bijgevoegd als productie 1 ). Wel heeft de voorzieningenrechter uitdrukkelijk overwogen in rechtsoverwegingen 7 en 8 dat:

Leidse Schouw 2 2408 AE Alphen aan den Rijr1

Postbus 357 2400 AJ Alphen aan den Rijn

T + 31 (0)172 44 24 17 F +31 (0)172 44 20 28

E info@willedonker nl

Mernber of Cyrus

W wil(edonker nl

RoSl lntom•tl0<1al

ffi \J.l

Op alle ,echlsverhoud1nqen met Wille Donker advocalen 2iJn. met uitsluiting van cnigc andere .:ilgcmcnc voorwaarden, de algemene voorwaarden van Wille Donker advocaten zoats 00 de achterzijde afgedfUkt, van toepassing D::iarin is een aanspraketi Jkheidsbeperking oogenomen The gener al cond1tiom of the law firm Wille Donker advocaten as printcd overte;if shall be .Jpplicable to aU legal ,elationships wilh the law fi1rr1 Wille Dunker ddvocäler1 wilh exclusion of any oLher genera! condilions Our general conditions contain a limitalion of Hab1lily clause

Il

wille donker a. de aanwezige windhaag niet voldoet aan de eisen die in de voorschriften zijn gesteld, zodat vergunninghouder in strijd zou handelen met de omgevingsvergunning als hij nu al de fruitbomen gaat bespuiten; en b. dat uw college op een adequate wijze invulling moet geven aan de handhaving van de omgevingsvergunning, omdat vergunninghouder heeft toegelicht om twee weken na de zitting - dat is volgende week - de bomen te bespuiten. Sommatie 4.

Gelet op deze overwegingen sommeer ik u om uiterlijk dinsdag 12 oktober 2021 voor 10.00 uur mij te berichten op welke wijze u adequaat invulling gaat geven aan de handha· ving, waaronder het houden van adequaat toezicht, zodat vergunninghouder niet de aanwe­ zige fruitbomen bespuit binnen 50 meter vanaf de perceelsgrens van cliënten.

Toelichting 5.

Hierbij wil ik u meegeven dat uw college in de eerste plaats niet adequaat handhavend heeft opgetreden nadat de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 28 april 2021 mondeling uitspraak heeft gedaan op het verzoek van cliënten. Het verzoek is deels toegewezen. De getroffen voorziening bij mondelinge uitspraak van 8 oktober 2020 wordt opgeheven. Als ordemaatregel geldt dat de geplante bomen bin­ nen de 20 m zone van de erfgrens van niet bespoten mogen worden tot de be­kendmaking van de beslissing op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de besten­diging van de aanplant van een boomgaard binnen de 50 m spuitzone, ingediend op 30 april 2018. Deze ordemaatregel is komen te vervallen met de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2020 in de bodemprocedure.

6.

Belangrijker is echter dat uw college ook heeft nagelaten om na uw besluit van 2 juli 2021 adequaat toezicht te houden en handhavend op te treden wegens overtreding van de ver­ gunningvoorschriften, terwijl onder meer bij (naam geanonimiseerd), werkzaam bij uw ge­meente, vanaf het beg1n bekend was dat door vergunninghouder niet werd voldaan aan de vergunningvoorschriften.

7.

De volgende mogelijkheden van toezicht en handhaving achten cliënten op voorhand niet adequaat: a. het sturen van een e-mail aan een ambtenaar van de Omgevingsdienst Rivierenland als vergunninghouder de fruitbomen bespuit, waarna een reactie per e-mail enkele uren later volgt; b. het bellen naar het algemeen nummer van de Omgevingsdienst Rivierenland dat uitslui­ tend tijdens kantooruren bereikbaar is als cliënten een overtreding constateren;

213

Il wille donker a

d

v

o

c

a

e

n

c. de toezicht en handhaving uit te laten voeren door een ambtenaar van de Omgevings­ dienst Rivierenland, of een andere toezichthouder die onvoldoende milieutechnische kennis heeft. 8.

Mede omdat in het verleden door vergunninghouder ervoor is gekozen om 's nachts te spui· ten, geven cliënten uw college de volgende mogelijkheden in overweging: a. adequaat cameratoezicht; b. adequaat geluids- en/of trillingonderzoek; c. adequate bladbemonstering en -onderzoek.

Tot slot 9.

Voor zover uw college mij niet tijdig bericht over de wijze waarop u adequaat invulling gaat geven aan de handhaving, dan wel de wijze onvoldoende adequaat wordt geacht door cliën­ ten, zie ik mij genoodzaakt om cliënten te adviseren tot het treffen van rechtsmaatregelen. Tevens zal ik dan deze sommatie en uw eventuele reactie in kopie toezenden aan de raad.

1 O.

Tot slot verzoek ik uw college om mij steeds te informeren over de daadwerkelijke uitoefe­ ning van het toezicht en de handhaving.

Hoogachtend, Wille Donker advocaten

3 1 3

uitspraak RECHTBANK GELDERLAND Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: ARN 21 (geanonimiseerd) uitspraak van de voorzieningenrechter van

O 6 OKT 2021

Verzoekers (gemachtigde: Wille Donker advocaten), en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente West Betuwe, verweerder. Als derde-partijen nemen aan het geding deel: samen: vergunninghouder. Procesverloop In het besluit van 2 juli 2021 heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunningsvergunning verleend. Dat is het bestreden besluit. Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzi"eningenrechter heeft het verzoek op 28 september 2021 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Namens verzoekers is cliënt verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigt:n door zijn gemachtigde. Namens vergunninghouder zijn (namen geanonimiseerd) verschenen. Ovcnvegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Waarover g,aat di::ze zaak'? 2. Vergunninghouder exploiteert een fruitteeltbedrijf. Aan de Rijksstraatweg heeft hij een boomgaard die grenst aan de percelen van verzoekers waarop hun woning staat. De appel- en pruimenbomen stonden voorheen tot aan de erfgrens van het perceel van verzoekers.

Na een eerdere procedure bij deze rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over een handhavingsverzoek van verzoekers heeft

zaaknummer: ARN 2 l

2

vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bestendigen van de aanplant van een boomgaard met appel- en pruimenbomen binnen de 50 meter spuitzone. Het perceel van vergunninghouder heeft in het bestemmingsplan 'Buitengebied' de 2.1. bestemming 'Landelijk gebied lI'. De gronden zijn onder meer bestemd voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf. In artikel 5.1 van de planregels is bepaald dat onder de uitoefening van een agrarisch bedrijf hiet i begrepen boom- en heesterkwekerij en fruitteelt in de vorm van nieuwe boomgaarden binnen een afstand van 50 meter van woningen. 2.2. In het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het bestendigen van de aanplant van de boomgaard, voor zover de fruitbomen zijn gelegen buiten de 20 meter zone vanaf de erfgrens van gevoelige bestemmingen voor gewasbeschermingsmiddelen. De spuitzone ligt hiennee op een afstand van ongeveer 50 m vanaf de woning van verzoekers. Met de omgevingsvergunning wijkt verweerder af van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2. l2, eerste lid, onder _a, onder 3 °, van de Wet algemene bepalingen omgeving recht (Wabo).

Een ruimtelijke onderbouwing en twee onderzoeken over de spuitzone maken onderdeel uit van de omgevingsvergunning: een algemeen onderzoek, dat is opgesteld in het kader van het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied 2018' en een locatiespecifiek onderzoek dat is opgesteld i11 het kader van de vergunningaanvraag bij deze omgevingsvergunning. In het locatiespecifieke onderzoek wordt een spuitzone van l S meter aanvaardbaar geacht, maar verweerder heeft onder verwijzing naar het algemene onderzoek de spuitzone bepaald op 20 meter. De bij de omgevingsvergunning behorende afbeelding laat de spuitzone zien:

2.3. Aan de omgevingsvergunning zijn drie voorschriften verbonden: • Uiterlijk binnen 3 weken na het moment waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is, moet vergunninghouder de fruitbomen rooien die binnen de 20 meter zone zoals aangegeven op de tekening aanwezig zijn. Leidend hierin is de begrenzing die de toezichthouder van de Omgevingsdienst Rivierenland op 10 juni 2021 heeft uitgezet; • Uiterlijk binnen 3 weken na het moment waarop de omgevingsvergunning onherroepelijk is, moet vergunninghouder binnen de 20 meter zone zoals aangegeven op de tekening starten met de aanplant van een bladhoudende windhaag of een dubbele

�aaknummer: ARN 2 1

3

bladverliezende windhaag waarvan de afstand tot gevoelige functies voor gewasbeschermingsmiddelen minimaal 20 meter bedraagt; • De aan te planten windhaag dient adequaat te zijn. Een windhaag is adequaat als deze de gevoelige bestemming voor gewasbeschenningsmiddelen geheel afschermt. Daarvan is p rake als de windhaag tijdens bespLtitingen ten minste 1 meter hoger is dan het gewas. Verder mag er op geen enkele positie van de haag volledig vrij zicht zijn tussen het te bespuiten gewas en de gevoelige stemming voor gewasbeschermingsmiddelen en omgekeerd. Waarom zijn vt:rzoekcrs het njet eens met de omg.evingsvergunning'? 3. Verzoekers voeren aan dat verweerder bij het bepalen van de afstand van de spuitzone zich ten onrechte heeft gebaseerd op het algemene onderzoek. Een locatiespecifiek onderzoek is vereist. 1-let locatiespecifieke onderzoek dat is opgesteld, ve1toont tekortkomingen voor wat betreft de spuithoogte, de toegepaste correcti factor voor spuitmengsels, her toegepaste driftreductiepercentage en de relatie tussen driftdepositie en drift naar lucht. Ook heeft verweerder volgens verzoekers de spuitzone ten onrechte gemeten vanaf het perceel, sectie M, nr. 489, waar de woning op staat en geen rekening gehouden met het andere perceel sectie M, nr. 589, dat ook grenst aan de boomgaard en één geheel vormt met het andere perceel.

Verder zijn verzoekers het niet eens met de voorschriften bij de omgevihg vergunning over de windhaäg. Volgens �erzoekers is de instandhouding daarvan onvoldoende geborgd en zijn de voorschriften onvoldoende duidelijk. Tot slot voeren verzoekers aan dat verweerder bij de beoordeling van de verkeerssituatie geen rekening heeft gehouden met de uitrit van vergunninghouder aan de noordzijde van het perceel van verzoekers. Wat is her oordet:I van de vonrzieni11genrechter? 4. Verweerder heeft de omgevingsvergunning om afte wijken van het bestemmingsplan verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ouder 3 °, van de Wabo. De activiteit mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet verweerder ook afwegen of sprake is van een aanvaardbaar- woon en leefklimaat. Verder geldt dat verweerder beleidsruimte heeft bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De rechter moel die beslissing terughoudend toet ·en. Dat wi I zeggen dat de rechter zich op dit punt moet beperken tot de vraag of verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om al dan niet de omgevingsvergunning te verlenen. 1 4.1.

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies (zoals een woning) en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordt geacht. Het is mogelijk deze afstand te verkleinen als daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Die motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de I catie toegesneden onderzoek.2 1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2021, ECLl:NL:RVS:2021 :692, onder 5.1. 2 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3018, en van 30 maart 20[6, ECL!:NL:RVS:2016:855.

zaak.11u111111t::r: ARN 2 l

4

4.2. Verweerder heeft de afstand van de spuitzone tot gevoelige functies (als de woning van verzoekers) bepaald op basis van het algemene onderzoek, dat is opgesteld in het kader van het ontwerpbestemmingsplan 'Buitengebied 2018'. Het is op voorhand niet te zeggen dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat de voorgeschreven afstand in dit geval toelaatbaar is. Enkel het algemene onderzoek is daarvoor, gelet op de jurisprudentie, onvoldoende. En de vraag of het locatiespecifieke onderzoek zorgvuldig is leent zich, gelet op de complexiteit van de gronden die verzoekers daartegen aanvoeren, niet voor de procedure van een voorlopige voorziening. Dat geldt ook voor de vraag of verweerder het perceel, sectie M, nr. 589, had moeten betrekken in de vaststelling van de spuitzone. Daarom zal de voorzieningenrechter in deze uitspraak de zaak niet inhoudelijk beoordelen, maar aan de hand van een belangenafweging beoordelen of de omgevingsvergunning in afwachting van de uitspraak op het beroep wel of niet moet worden geschorst. Daarmee komt de voorzieningenrechter niet meer toe aan de bespreking van de beroepsgrond over de vet'keerssituatie. 5.

Het belang van verzoekers om de omgevingsvergunning te schorsen is erin gelegen dat zij hun gezondheid beschermd willen zien, waarbij volgens verzoekers ook moet meewegen dat zij al enkele jaren geleden voor het eerst hebben verzocht om handhaving. Het gaat verzoekers dus om de bescherming van een aanvaardbaar woon- en leefl<limaat. Het belang van vergunninghouder om de omgevingsvergunning in stand te laten is dat, zoals op de zitting toegelicht, het volgens vergunninghouder niet mogelijk is om een deel van de boomgaard niet te bespuiten. Het schorsen van de omgevingsvergunning zal voor vergunninghouder tot bedrijfsschade leiden. 6. Alles afwegende weegt de voorzieningenrechter het belang van vergunninghouder zwaarder dan het belang van verzoekers. Bij die afweging laat de voorzieningenrechter de onder2.3 benoemde voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, zwaar meewegen. Aan die voorschriften is vergunninghouder gebonden en die voorschriften dienen om het belang van verzoekers bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te beschermen. Met die voorschriften wordt, doordat vergunninghouder een deel van de fruitbomen moet kappen, in de eerste plaats een afstand gewaarborgd die in de buurt komt van de 50 meter tot de woning. Daarnaast is het derde voorschrift van belang.

De voorzieningenrechter kan dit voorschrift enkel zo uitleggen dat vergunninghouder pas mag spuiten als sprake is vnn een adequate windhaag. Dat vloeit voort uit de zinsnede dat van een adequate windhaag ''sprake [is] als de windhaag tijdens bespuitingen ten minste 1 meter hoger is dàn het gewas". Zowel de hoogte als de dichtheid van die haag heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter met de voorschriften geborgd. Deze voorschriften samen, over de afstand en de windhaag, maken dat de voorzieningenrechter het belang van vergunninghouder om zijn bedrijfsvoering te kunnen voortzetten zwaarder laat wegen, omdat met de voorschriften ook het belang van verzoekers naar zijn voorlopig oordeel voldoende wordt beschermd. Er is dus geen aanleiding om de omgevingsvergunning te schorsen tot er een uitspraak op het beroep is gedaan. 7. Op de zitting i� toegelicht dat op dit moment de windhaag nog niet voldoet aan de eisen die in de voorschriften zijn gesteld. Dat betekent dus dat vergunninghouder in strijd

zaaknummer: ARN 21

5

zou handelen met de omgevingsvergu1ming als hij nu al de fruitbomen gaat bespuiten, zonder adequate windhaag. De discussie zoals die op de zitting is gevoerd over de vraag of vergunninghouder zich wel of niet aan de voorschriften gaat houden hoort niet thuis in de procedure over de vergunningverlening, maar in een handhavingsprocedure. De voorzieningenrechter begrijpt dat handhaving van de voorschriften lastig kan zijn. Hij begrijpt echter ook de vrees die verzoekers hebben, omdat vergunninghouder op de zitting heeft toegelicht dat hij van plan is om twee weken na de zitting de bomen te bespuiten. De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verweerder daar in het kader van handhaving een goede invulling aan zal geven door (bijvoorbeeld) onverwacht te controleren of door snel(ler) te reageren op signalen. 8. De voorzieningenrechter begrijpt, kortom, dat partijen met deze uitspraak niet een gewenste oplossing voor hun onderlinge problemen zullen bereiken. Voor zover die problemen liggen in de vergunningverlening is daarvoor nader onderzoek nodig. [n de bodemprocedure zal moeten worden beoordeeld hoe dat nader onderzoek moet worden vormgegeven. Voor zover de discussie gaat over of de voorschriften bij de omgevingsvergunning wel of niet worden nageleefd, is dit een kwestie van handhaving en kán de voorzieningenrechter daar in deze uitspraak geen oordeel over geven.

Hier ligt met name een rol voor verweerder om op een adequate wijze invulling te geven aan de handhaving van de omgevingsvergunning. Wat bl!tul<ent dil voor liet verzoek 0111 voorlopige voorziening'! 9. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Dit betekent dat de omgevingsvergunning in ieder geval voorlopig in stand blijft. 10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.I. Tuk, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op OKT 2021

O6

De voorzieningenrechter en de grifjier :i_;n verhinderd om de uitspraak te ondertekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan pa11ijen op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

0 6 OKT 202î

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/402/documents/8592