20231006-beantwoording-art-50-vragen-GroenLinks-inzake-Natuurpercelen-de-Zeek-Hellouw-bijlage-3-geanonimiseerd.pdf
Tekst van het document
EMB ECOLOGISCH
Ecooce Bv.
ADVIES & ONDERZOEK
(geano im se rd)
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Datum
19 november
Kenmerk
BE/2021/1094/r
Uw
kenmerk
2021
d.d. 21 oktober 2021
Auteur{s)
"
(geanonimiseerd)
Collegiale toets
‘
(geanonimiseerd)
Quickscan Wet natuurbescherming Natuurperceel gelegen bij de Hooglandse Molen te Hellouw Aan de Broekgraaf en Zeek te Hellouw is een natuurperceel gelegen bestaande uit een ‘houtopstand en twee braakliggende percelen. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande houtopstand te kappen en te herplanten met wilgenhout. De twee braakliggende percelen worden heringericht als bloemakkers en er wordt een rustplaats voor fietsers en wandelaars gerealiseerd. Het bestemmingsplan voorziet niet volledig in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van natuur naar recreatie waar het rustpunt wordt geereëerd. De
beoogde
ontwikkeling
heeft mogelijk
een
negatief effect
op
beschermde
flora en fauna
(soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde ‘houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke
effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Tevens is de ligging van het gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele (geanonimiseerd) teeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te effecten beoordeeld. N onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen
Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: * I het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? + Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie?
* *
Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura
*
2000-gebieden
of
de
wezenlijke
kenmerken
en
waarden
van
het
Gelders
Natuumetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Beschermingszone natte landnatuur? Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd?
*
Dienener vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie
De planlocatie bestaat uit een natuurperceel gelegen tegenover de Hooglandse Molen te Hellouw (figuur 1). De planlocatie bestaat grotendeels uit een houtopstand dat langs de Zeek loopt. De ‘houtopstand is grotendeels uit lage bomen opgebouwd bestaande uit wilg, iep en zwarte els en verscheidende wateroppervlaktes die in de houtopstand zijn gelegen. In de beoogde
ontwikkeling wordt de houtopstand gekapt en vragen door wilgenbomen.
Daarnaast
zijn er 2
groenstroken met ruigte begroeiing en struweel en delen die de reeds zijn braak gelegd. Deze percelen worden heringericht als bloemenakkers met een rustplek voor fietsers en wandelaars. Naast de planlocatie stroomt een sloot, deze wordt niet aangetast n de beoogde ontwikkeling. De planlocatie is onverhard en wordt onderhouden met een laag kwaliteitsbeeld. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen en de Hooglandse molen. De dichtstbijzijnde Natura-2000 gebieden zijn de 'Lingegebied & Diefdijk-
Zuid’ op circa 4,9 km ten noordwesten van de planlocatie. Daarnaast is de planlocatie gedeeltelijk onderdeel van Gelders Natuurnetwerk Op circa 1 km ten noorden loopt de A15 en op circa 1,3 km
ten zuiden
stroomt de Waal.
i M Ì
|
Planlocate
FiguurT
De planloeatie (rood omkaderd) arcgis.com)
is gelegen aan de Zeek te Hellouw (bron kaartmateriaal:
Figuur2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en werkzaamheden
De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het herinrichten van de bestaande houtopstand door middel van het kappen van alle aanwezige bomen en nieuwe wilgen in te planten. De overige groenstroken gronden worden heringericht tot bloemakkers tevens wordt hier een verharde rustplek geereëerd voor wandelaars en fietsers.
De functie van het perceel dient gedeeltelijk te wijzigen van natuur naar recreatie. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten:
*
kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout;
« «
dempen van sloten: graaf- en dempwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen;
egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Tegenda C
Planlocatie
ED
Wilgenstruweel
E
Bloemenakker
ZS
nustplek
Figuur3
De toekomstige situatie gelegen aan de Zeek te Hellouw (bron kaartmateriaal: arcgis.com). Het
rood gemarkeerde deel is de huidige houtopstand die vervangen zal worden door wilgen. Het paarse gedeelte zijn de braakliggende percelen hier worden de bloemakkers gerealiscerd en het blauwe gemarkeerde deel wordt de rustplek voor wandelaars en fitsers geereëerd. Methode
Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek
Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planloeatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd
op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden (geanonimiseerd) e" in:. e (geanonimiseerd) De op 3 november 2021 en is uitgevoerd door ing. N weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog (mist), 8/8 bewolkt, 6° Celsius en windkracht 0-1 (Bft)
Externe bronnen
Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Deze
gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFEF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk)
aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht
In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (@) Soortenbescherming
De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht.
Van de verboden als bedoeld
in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag
vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de Omgevingsverordening van Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen n het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel1 _ Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Duwergmuis Dwergspitsmuis Egel
Kleine watersalamander Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming (landelijk beleid) Naast de specifieke soortenbescherming
kent
bepaalde gebieden extra bescherming genieten.
Nederland
Veldmuis Vos Woelrat ook
gebiedsbescherming,
waarbij
Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000-
gebieden en de provinciaal beschermde gebieden. Het beschermingsregime van overige op provinciaal niveau beschermde gebieden kan sterk verschillen tussen provincies. Natura 2000-gebieden
Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook extere effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve
effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn {b) Gebiedsbescherming (provinciaal beleid) Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening
Gelders Natuurnetwerk
Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het natuumetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij
aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht Groene Ontwikkelingszone Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe grootschalige activiteiten mogelijk ‘maakt die de kernkwaliteiten significant aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Kleinschalige ontwikkelingen zijn mogelijk als deze er toe leiden dat de kenkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt.
Weidevogelgebied Een bestemmingsplan
dat betrekking
heeft op weidevogelgebied
laat de realisatie van een
nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of
ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit
of ontwikkeling wordt
uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Als door een activiteit het betreffende rustgebied kleiner wordt dan 500 hectare, kan deze activiteit alleen doorgaan als aansluitend voldoende hectare aan het betreffende ganzenrustgebied wordt toegevoegd. Beschermingszone natte landnatuur Natte andnatuur is natuur die direct afhankelijk s van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de
natte landnatuur.
Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot
openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. (©) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m? of meer, of een rijbeplanting met
meer dan 20 bomen.
Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen
vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand ‘melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: ©
houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom;
Dcs
houtopstanden op erven of in tuinen; fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
g) h)
het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden
naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; kweekgoed;
uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden;
geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013
Beoordeling (a) soortenbescherming
Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in
het
kader
van
ruimtelijke
ontwikkelingen
(zie
soortenbescherming).
In
de
voorliggende
beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten
Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet ‘bekend (NDEF 2011-2021). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder
beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: gewone braam, gewone berenklauw, grote brandnetel, gewone duivenkervel, kleine brandnetel, harig knopkruid, kruisdistel, klein kruiskruid, paardenbloem, ridderzuring, valse kamille en witte krodde. Binnen de grenzen van de planlocatie is geen verharding aanwezig. De twee toekomstige bloemenakkers worden
gescheiden door de weg ‘Broekgraaf’. Boom- en struiksoorten die waargenomen zijn tijdens het veldbezoek zijn bitterzoet, hazelaar, meidoorn, iep, wilg, zwarte els en zomereik De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de
aanwezigheid hiervan niet verwacht.
Negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten
derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas,
konijn, mol, ree, rosse woelmuis, vos, waterspitsmuis, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, waterspitsmuis en wezel. Tijdens het veldbezoek zijn sporen aangetroffen van reeën. De ree valt
onder de vrijstelling. De bever komt onder andere voor op plekken met veel wilgen in uiterwaarden, (dode)rivierarmen en aftakkingen van grote rivieren. De planlocatie ligt circa 1,5 km ten ‘noordoosten van de dichtstbijzijnde waarneming van de bever. Het oppervlakte water wat langs de planloeatie stroomt bevat geen tot weinig oever- en watervegetatie. Daarnaast bestaat de houtopstand uit een mengsel van bitterzoet, hazelaar, meidoorn, iep, wilg, zwarte els en zomereik. Bevers geven juist hun voorkeur aan els, wilg en populier. In de beoogde ontwikkeling wordt de houtopstand vervangen met wilgenopstand. De planlocatie wordt meer geschikt gemaakt voor de bever. De huidige situatie is niet geschikt voor bevers door gebrek aan geschikte
bomen
en oever- en watervegetatie,
voorgenoemde uitgesloten.
argumenten
wordt
welke geschikt zijn als voedsel de
aanwezigheid
en
negatieve
voor de soort.
Door
effecten
bever
op
de
De bunzing en wezel behoren tot de kleine marterachtigen. Gezien deze soorten kwetsbaar zijn tijdens het foerageren maken ze veel gebruik van elementen die de soort dekking geven Voorbeelden hiervan zijn laanvormige bosschages, braamstruwelen, ruig(fe vegetatie, takkenhopen en stenenstapels. De houtopstand en de braakliggende percelen op de planlocatie
bestaat uit dichte vegetatie en meerdere wateroppervlaktes met begroeide oevers. Daarnaast wordt de houtopstand nauwelijks verstoord door betreding. Tevens is de houtopstand circa 800 meter lang en verbind zich makkelijk met de houtopstand die zich circa 200 m ten noorden ligt. Tussen deze 2 houtopstanden liggen de braakliggende percelen. Zodoendeis de verbindingszone optimaal voor kleine marterachtige. De dichtstbijzijnde waarneming van de bunzing is cirea 700
m ten zuidwesten. De dichtstbijzijnde waarneming van de wezel is
circa 1,9 km ten noordwesten
De houtopstand staat in verbinding met meerdere boomlanen. Zodoende kan de houtopstand een essentiële functie hebben als migratieroute en leefgebied.
Andere marterachtige, zoals boommarter, hermelijn en steenmarter, zijn niet waargenomen in
een straal van 2 km rondom de planlocatie de afgelopen 10 jaar (NDFF, 2011-2021). Echter leeft de hermelijn een zeer verborgen leven in waterrijke omgevingen met genoeg dekking. Hierdoor kan ook de hermelijn niet uitgesloten worden van de planlocatie. De boommarter en steenmarter ‘hebben een andere vereiste aan habitat wat niet aanwezig is op planlocatie. Om de aanwezigheid voor 100%
uit te kunnen
sluiten worden
de boommarter,
hermelijn
en steenmarter
wel
voor
zekerheidshalve meegenomen in het aanvullend onderzoek. Er dient aanvullend onderzoek plaats te vinden ten aanzien van marterachtigen. Aanvullend onderzoek naar marterachtigen en de functie van de planlocatie is maatwerk en dient specifiek opgesteld worden voor de planlocatie (zie Vervolgstappen). De waterspitsmuis leeft in een gebied met schoon, niet te voedselrijk water met een aanzienlijke ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Bodem bedekkende vegetatie is een voorwaarde. Eveneens dienen in de oevers voldoende schuilmogelijkheden aanwezig te zijn Tijdens het veldbezoek op 3 november 2021 waren de oevers van de naastgelegen sloot gemaaid.
Er is een mogelijkheid dat in de lente en zomer een hoge vegetatiegraad aanwezig kan zijn. De oevers van de naastgelegen sloot worden niet aangetast n de beoogde ontwikkelingen. Het wateroppervlakte op de planlocatie is sterk voedselrijk, overwoekerd door grondvegetatie en het is aannemelijk dat dit in de zomer opdroogd. Daarnaast zijn de dichtstbijzijnde waarnemingen
van de waterspitsmuis circa 22 km ten zuiden aan de zuidzijde van de Waal waargenomen. Aangezien het wateroppervlakte niet geschikt is, de oevers niet aangetast worden en de waarneming ver weg ligt kan de aanwezigheid en negatieve effecten op de waterspitsmuis uitgesloten worden.
Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel ‘mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, haas mol, ree en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende
vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn sporen waargenomen van reeën, verder zijn er geen holen en nesten aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen
Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). Tijdens het veldbezoek ziijn er geen sporen van boombewonende vleermuizen aangetroffen. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle n Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 (geanonimiseerd) al., 1997; B (geanonimiseerd) et al, 2011). kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; e Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. Grotendeels van de bomen zijn e dun en te laag om als geschikte verblijfplaats te dienen. Die bomen rij die zich aan de westzijde bevindt zijn hoge populieren. Ook bij deze bomen
zijn er geen geschikte boomholtes aanwezig. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als verblijfplaats. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de ‘mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De ‘houtopstand dat aangetast wordt in de beoogde ontwikkeling staat niet n verbinding met andere
boomlanen (figuur 4). Aan de noordzijde is er namelijk een cirea 230 m openliggend gebied tot de volgende houtopstand, zonder tussenliggende structuren ne luwten (figuur 4). Vleermuizen volgen namelijk rechte lijnen waarbij ze Juwten van bomen en bebouwing nodig hebben om te migreren.
Vleermuizen stellen specifieke eisen aan dergelijke vliegroutes. Zo dienen grote onderbroken
delen afwezig te zijn en dienter voldoende dichtheid en beschutting tegen de wind en verlichting aanwezig te zijn (BIJ 12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017). Daarnaast ligt ten noorden buiten de planlocatie een bomenlaan welke in verbinding met de ‘Zandpul’ staat, een gebied bestaande uit een plas en houtopstand met verscheidende luwten en
insecten. Dit gebied samen met de bomenlaan zal een hogere natuurwaarde hebben dan de ‘houtopstand op de planlocatie. De houtopstand op de planlocatie zal derhalve geen essentiële functie hebben als foerageer- en vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij
kunnen vliegbewegingen en kan sprake zijn van tijdelijke
verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap
waarbij
veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen,
oeverzones of andere
structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij
voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
Mocht
Legenda IL Geschiktere foerageergebieden IE Houtopstand planlocatie I
Figuur4
Verbindende bomenlaan
De
houtopstand
op
de
planlocatie
staat
niet
in
verbindingen
met
andere
bomenlanen/houtopstanden. In de buurt ligt de "Zandput’ en meerdere houtopstanden die cen hogere natuurwaarde hebben voor foeragerende vleermuizen. Anmfibieën
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, poelkikker en
rugstreeppad (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, poelkikker en rugstreeppad.
Amfibieën
leven
in zowel
een
aquatisch
(m.n.
lente/zomer)
als
een
terrestrisch
(m.n.
herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie De heikikker en poelkikker zijn erg kritisch ten aanzien van hun leefgebied. De soorten komen
‘met name voor in vennen, poelen en watergangen in heidegebieden, hoogveengebieden en in de uiterwaarden.
Het water dient ondiep, voedselarm en zonbeschenen te zijn. Het wateroppervlakte wat langs de
planlocatie stroom
is
iep, erg voedselrijk en bevatte weinig tot geen vegetatie tijdens het
veldbezoek in het najaar. Er wordt een rijke vegetatie verwacht in het voorjaar/zomer echter doordat parallel aan deze watergangen de houtopstand ligt is er sprake van veel schaduwwerking. Wegens voorgenoemde
en de aanwezigheid van
vis kan aanwezigheid van voortplantingswater uitgesloten worden
In de directe omgeving zijn echter verschillende ondiepe zonbeschenen kavelsloten aanwezig, waardoor aanwezigheid van de poelkikker en heikikker niet volledig uitgesloten kan worden. De houtopstand biedt echter geen geschikte overwinteringslocaties doordat de houtopstand in
het najaar erg drassig en op sommige plaatsen ondiepe lagen water bevat welke bij vorst bevriezen. Derhalve kan aanwezigheid van essentieel leefgebied op de planlocatie uitgesloten worden. Om het onnodig verwonden, doden of verstoren van individuen dienen er maatregelen getroffen te worden (zie Te treffen Maatregelen).
De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie (geanonimiseerd) 2009). van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017 e De twee percelen die worden heringericht tot bloemakkers zijn momenteel 2 braakliggende percelen. Van de twee percelen is het zuidelijk terrein grotendeels open. Dit komt omdat er nog lege/ vegetatie arme plekken aanwezig zijn. Echter is de grond hier kleiachtig en zeer dicht op elkaar gepakt waardoor het niet vergraafbaar is voor rugstreeppad. Het noordelijke terrein i
overwoekerd
met
distels
en
brandnetels
en
bevat
veel
schaduwrijke
plekken.
Het
wateroppervlakte dat langs de planlocatie stroom is ongeschikt omdat het te diep is en makkelijk bereikt kan worden door concurrerende amfibieën. Het wateroppervlakte binnen de grenzen van de planlocatie is tevens ook ongeschikt doordat er geen tot weinig zonlicht op het water valt
‘waardoor het slecht opwarmt.
De dichtstbijzijnde waarneming van de rugstreeppad is circa 1,9
km ten zuiden aan de zuidkant van de Waal. Door de verre afstand, het gebrek aan geschikt leefgebied, voorplantingswater en de Waal een barrière kan zijn voor de rugstreeppad kan de aanwezigheid uitgesloten worden.
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 20112021). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van geschikt ‘habitat en dat de planlocatie slecht bereikbaar is voor reptielen is het voorkomen van beschermde
reptielen binnen het plangebied uitgesloten.
Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn
derhalve uitgesloten. Vissen
Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoorten:
grote modderkruiper (NDFF 2011-2021). Voor de aanwezigheid van grote modderkruiper dienen verschillende functionaliteiten binnen
een watergang aanwezig te zijn, namelijk: de plekken waar gebaltst of gepaard wordt, de plekken waar eitjes afgezet worden en opgroeien en de plekken die door de larven of jonge visjes worden gebruikt. De ondiepe paaizones zijn vaak sterk zonbeschenen en riijk begroeid met onderwatervegetatie, helofyten of ondergelopen gras (BIJI2 kennisdocument Grote
modderkruiper, 2017).
De naastgelegen watergangen worden
niet aangetast in de beoogde
ontwikkelingen. Het wateroppervlakte in de houtopstand is zeer beschaduwd en er zal een grote kans zijn dat het zomers volledig zal opdrogen. De aanwezigheid van grote modderkruiper binnen de grenzen van de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. Negatieve effecten op de
modderkruiper op naastgelegen sloot zijn uitgesloten.
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: rivierrombout (NDFF 2011-2021). De rivierrombout wordt vooral langs grote rivieren aangetroffen. Het habitat bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide en stromingsluwe delen van de grote rivieren, zoals achter kribben (Vlinderstichting rivierrombout, 2021). Alle waarnemingen van de rivierrombout in de afgelopen 10 jaar zijn waargenomen aan de zuidzijde van de Waal. In kribbes en zanderige
substraten (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie ontbreekt het zandige substraten en andere eisen voor een geschikt habitat. De aanwezigheid van rivierrombout kan uitgesloten worden. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen
plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels
Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: buizerd, fazant, grauwe gans, grote bonte specht, heggemus, kauw, kolgans, roodborstje, veldleeuwerik, vink, waterhoen, winterkonink, zanglijster en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek is er een individu waargenomen die onder categorie 4 vogels valt, namelijk een buizerd. Er is geen bebouwing binnen de grenzen van de planlocatie. Het voorkomen van nestlocaties/ essentieel leefgebied van huismus en gierzwaluw op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden.
Binnen de grenzen van de planlocatie zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten
(kerkuil
en steenuil) aangetroffen. Echter op de naastgelegen hooglandse molen zijn duidelijke
sporen gevonden van een waarschijnlijk een kerkuil (figuur 5). De nest- en/of rustplaats wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van uilen. Aan de noordzijde van de planlocatie ligt een soortgelijke houtopstand met
'hogere bomen dat als alternatief kan dienen voor uilen. Daarnaast wordt de planlocatie omgeven door grasweides die als foerageergebied gebruikt kunnen worden. Tevens zorgen de boogde ontwikkelingen voor meer geschikte foerageergebieden in de vorm van bloemenweides en een wilgenopstand.
Figuur 5. Duidelijke (krijt)sporen, van waarschijnlijk erkuil, waargenomen op de Hooglandse molen. De molen wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling.
10
Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen
op de planlocatie. Negatieve
effecten op bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogelsoorten. In het noorden ligt tevens ook een houtopstand met grote bomen die geschikt kan zijn als leefgebied voor boven genoemde roofvogels. De omliggende graslanden worden niet aangetast en de houtopstand zal
vervangen worden.
Zodoende blijven er voldoende uitkijkplaatsen, foerageer- en leefgebieden
behouden tijdens werkzaamheden. Negatieve effecten op buizerd, sperwer en ransuil zijn uitgesloten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. De watergang die langs de planlocatie stroomt heeft geen natuurlijke oevers en bevat geen oevervegetaties. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig.
Van overtreding van verbodsbepalingen
ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde
nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedoogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen)
De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn grote bonte specht en zwarte kraai waargenomen. Daarnaast i er alleen een nest van duif spec. aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde
werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
11
Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000
De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 49 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (figuur 6).
Diefdijk-Zuid’ (bron: nationaal Georegister PDOK). Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc‚ geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te
resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden.
De beoogde ontwikkeling betreft de herinrichting van een houtopstand en twee braakliggende percelen. Ten opzichte van de huidige situatie Jeidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (4,9 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde
Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening
middels de AERIUS Caleulator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuumnetwerk. De planlocatie is gelegen tegen de Groene Ontwikkelingszone. De planlocatie maakt geen deel uit van het Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. De planlocatie is onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk en is gelegen naast de Groene
Ontwikkelingszone (figuur 7. Op een afstand van cirea 2,7 km ligt Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 5,7 km van de planlocatie en op een afstand van circa 33,5 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur.
12
Legenda I
Gelders Natuurnetwerk
Groene ontwikkelingszone ï/___
Figuur7
De planlocatie is gelegen Ontwikkelingszone.
d
in het Gelders Natuurnetwerk en is gelegen naast de Groene
Ten aanzien van een Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Beschermingszone natte landnatuur, geldt dat exteme werking geen toetsingskader is. Van negatieve effecten op
Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied, Beschermingszone natte landnatuur is geen sprake. De planlocatie is gelegen in het Gelders Natuurnetwerk en is gelegen naast de Groene Ontwikkelingszone. De beoogde ontwikkelingen hebben mogelijk een negatief effect op de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk. Conform het beleid van de provincie
Gelderland (omgevingsverordering) is het noodzakelijk om een Nee, Tenzij-toets uit te voeren. Middels de Nee, tenzijtoets wordt onderzocht of de kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk worden aangetast.
Beoordeling ( houtopstanden In de beoogde ingreep zijn kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van ‘bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of ( een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het oppervlakte van de te kappen houtopstand
bedraagt circa 25000 m2. Een meldingsplicht bij de provincie Gelderland in het kader van Wnb is noodzakelijk (minimaal 6 weken van tevoren). De te kappen bomen dienen binnen 3 jaar herplant te worden. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Ditis vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke
Verordeningen
mogen
niet strijdig zijn met
landelijk/provinciaal
beleid. Het is derhalve
aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met
de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen:
13
Conclusies
Samenvatting (@a) Soortenbescherming Erdient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: marterachtigen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren,
amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Een AERIUS-berekening is niet noodzakelijk. De planlocatie maakt tevens geen onderdeel uit van de Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. De planlocatie maakt wel deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. Doordat er een ‘mogelijk negatief effect op de kernkwaliteiten op het Gelders Natuurnetwerk bestaat is een ‘nee-
tenzij’ toets noodzakelijk voor de beoogde ontwikkeling ( Houtopstanden Op de planlocatie is een houtopstand aanwezig waarvoor bij kap herplantplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel2
_ Oerzicht
van de Soortenbescherming.
Voor de benoemde
een meldingsplicht
en
soorten geldt dat aanvullend
onderzoek benodigd is.
Soortgroep
Soortenbescherming
Beschermings | Soortspecifiek onderzoek -regime Wnb.
Planten
Mogelijk functie plangebied
Nee
‘Grondgebonden
zoogdieren: Bunzing Wezel Steenmarter Hermelijn Boommarter Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen
Artikel3.10
Insecten en andere
ongewervelden Vogels (eat. T tm
Rustplaats/migratieroute Jfoerageergebied
Ja Ja JaJa Ja Nee Nee Nee Nee Nee
Nee
4
Vogels (eat.5)
Tabel5
_ Overzicht van beschermde
gebieden in het kader van Gebiedsbeschermin,
Gebiedsbescherming Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Weidevogelgebied Ganzenrustgebied
Afstand _ | Effecten 49km Geen Geen 27km Geen 57km Geen
Nader onderzoek Nvit “nee-tenzij’ toets Nxit Nvit
Beschermingszone natte landnatuur
335 km
Geen
Nxit
Geen
Nvit
Groene ontwikkelingszone
14
Nee
Tabel6
_ Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden Struiken
Aanwezig Ja
Kap Ja
Melding Ja
Bomen
Ja
Ja
Ja
Uitvoerbaarheid
Het kappen van de houtopstand, het aanleggen van bloemakkers en een rustplaats voor fietsers en wandelaars leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet
natuurbescherming.
Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van
de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient er een ‘nee-tenzij- toets uitgevoerd te worden naar de effecten van de beoogde ontwikkeling op het Gelders Natuurnetwerk. Tevens dient er een melding gemaakt te
worden naar de kap van circa 25000 m2 houtopstand.
Hierbij geldt een herplantplicht binnen 3
jaar. Er dient tevens aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om vaststellen of de te kappen ‘houtopstand en ruigtebegroeiing een relevante functie heeft voor marterachtige. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag
onder voorwaarden
een ontheffing verlenen.
De voorwaarden
betreffen: er is geen andere
bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie
De kap van de houtopstand, het aanleggen van bloemakkers en het realiseren van een rustplaats voor fietsers en wandelaars op het natuurperceel aan de Zeek te Hellouw is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
15
Vervolgstappen e Erdient aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen uitgevoerd te worden om vast te stellen of het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied. Ten aanzien van de bunzing en steenmarter wordt het gebruik van cameravallen geadviseerd. Voor kleinere marterachtigen als de hermelijn en wezel wordt geadviseerd om een cameraval te plaatsen in een marterbox. Ten tijde van de actieve periode, respectievelijk maart — augustus, dienen de cameravallen minsten zes weken in het gebied te worden geplaatst. Buiten de actieve periode
dienen de cameravallen minsten twaalf weken geplaatst te worden.
Te treffen maatregelen * Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). e Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor
beschermde flora en fauna, e
dient direct contact opgenomen te worden
met een ter zake
deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (akken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander
leefgebied te benutten. *
De werkzaamheden in de houtopstand dienen uitgevoerd te worden buiten de kwetsbare landperiodes van de heikikker en poelkikker. Deze periode betreft: tussen 15 juli /m 1 oktober.
e e
Werkzaamheden dienen in één werkrichting worden uitgevoerd. Tevens dient er één rijroute aangehouden te worden waarbij gebruik wordt gemaakt van de reeds bestaande weg. Erwordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
*
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatiebij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang, uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel
nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). °
Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc‚) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober - april.
*
De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk i dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het
broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
16
Literatuur
BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Buizerd Buteo buteo, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana aralis, versie 1.0. Publicatie: BIJJI2, Utrecht
BIJ12,
2017.
Kennisdocument
Gewone
dwergvleermuis
Pipistrellus
pipistrellus,
versie
1.0.
Publicatie: BI12, Utrecht.
BIJI2, 2017. Kennisdoeument Gewone grootoorvleermuis Plecofus auritus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht.
BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper Misgurnus fossilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht.
BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Pelophylax lessonae, versie 1. Publicatie: BIJJ12, Utrecht. BIJJ12, 2017. Kennisdocument Rosse vleermuis Nyctalus noctula, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht.
BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht.
BIJJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis
Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie:
BIJ12, Utrecht.
BIJ12, 2017. Kennisdocument
Watervleermuis Myotis daubentonii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12,
Utrecht.
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) n e E <: (geanonimiseerd) G °22 cie) 2016 A2
van
de Nederlandse zoogdieren. - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.
(geanonimiseerd) n « C— (RAVON) Natuurhistorisch (redactie), 2009. DeMuseum amfibieënNaturalis, en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal European (geanonimiseerd)
Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
(geanonimiseerd) A 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. N (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) 2011 Vleermuizen: alle soorten van Europa . e N : N
en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht (geanonimiseerd) < (geanonimiseerd) N N 1997 Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek
(geanonimiseerd) .
naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com
www.bijl2.nl www.gelderland.maps.aregis.com www.gldanders.planoview.nl
www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndffnlwww-ravon.nl
www.ruimtelijkeplannen.nl
www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl
www.zoogdiervereniging.nl
17
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
(geanonimise rd) Blom Ecolog\e B.V. n (geanonimiseerd)
Auteur
(geanonimiseerd) Blom Ecologie B.V., (geanonimiseerd) n N
Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)
Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het i samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
18
19
Bijlage1
Fotografische impressie
Figuwrl
De planlocatie is gelegen aan de Zeek te Hellouw en bestaat uit cen houtopstand, twee braakliggende terreinen. Hierboven wordt het noordelijke braakliggend terrein weergegeven.
Figuur2
De sloot die langs de houtopstand en zuidelijk braakliggend terrein loopt.
Figuur4
20
De houtopstand loopt langs de Zeek te Hellouw en
cirea 800 m in lengte.
Bijlage2
Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
Als uithet oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de
planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project. Let op, r zjn dne categorieen beschermde soorten:
J Komen er beschermde soorten voorin het gebied?
vogel, overige Europees beschermdee soorten en andere (naionaa)bschemmdesooten. pragraf31en de byiagen.
Letop, k cotegorie beschermde sorten beef eigen
2 D
E
verbodsbepgingen. Zie paragroaf ..
' --3
Let op, afhonkefijk van het type handeling en de
EE
aongetroffen soorten unnen verchilende vristelingen geiden w bijvoorbeeid een gedrogscode of provinaaie werordning.iehoofdsuks.
Ge n onthef ing nodig . ° r een
alternatieve oplossing mogelijk?
Doorloop het stappenplan opnieuw met het alternatief
Letop, e cotegoie beschermde sooten heefzjneigen
prake van een weteljk belang?
s met belangen. i paogaaf 625
' ° Ge n onthef ing mogelijk en effect op de staat van instandhc
Ge n onbeling mogeijk . ° Ontheffing kan onder voorwaarden worden verleend
21
Stap 4b. s er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b
ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b). 4
_
Een ontheffing of een
vrijstelling wordt uitsluitend verieend,
indien is voldaan aan
elk van de volgende voorwaarden: .
er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
.
zijis nodig: 1°.
_ inhet belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
2°.
_ in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
3°
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
4°
ter bescherming
van flora of fauna;
5°
_ voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van
6°.
_ om
soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van
verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden
toe te
staan;
de maatregelen leiden niet tot versiechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden
aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b). 5
Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verieend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.
er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b.
zijis nodig: n het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurijke habitats; 2
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
3.
n het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
a
voor onderzoek en onderwijs, repopulatieof herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, kunstmatige vermeerdering van planten, of
met inbegrip van de
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; €
er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
22
Andere soort
Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 2
Artikel 3.8,
met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige
toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, aanvulling op de redenen, genoemd
voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden 3.
in
in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak met handelingen:
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daronder begrepen
het daarop volgende gebruik van het ingerichte of
ontwikkelde gebied;
b.
_ ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of
begraafplaatsen; €
_
ter beperking van de omvang
van de populatie van dieren, in verband met
door deze dieren ter plaatse en in het omringende
gebied veelvuldig
veroorzaakte schadeof in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d.
_
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; n het kader van bestendig beheerof onderhoud
in de landbouw of
‘bosbouw;
f.
_
in het kader van bestendig beheerof onderhoud aan vaarwegen, watergangen,
waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden,
wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 9.
in het kader van bestendig beheerof onderhoud kwaliteiten van een bepaald gebied, of
h.
23
_ in het algemeen belang.
van de landschappelijke