CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

20200110_t_NL.IMRO.1960.ESTkarnheuvelsestr-ONT1__72566__.pdf

Oordeelsvorming Voorronde 1 12 januari 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 8: Voorstel tot vaststelling Ontwerpbestemmingsplan “Karnheuvelstraat 1 Est en Neerijnense Mark 8 Neerijnen”12.974 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Mede omdat het aantal personen in het plangebied niet toeneemt en de aanwezige personen beschermd zijn in een gebouw, wordt het restrisico door het bevoegd gezag geaccepteerd. In het kader van het aspect externe veiligheid hoeven geen nadere eisen aan het plan te worden gesteld.

4.7 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.7.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Daarnaast zullen het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) en de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) de komende jaren richtinggevend worden voor het regionale waterbeheer in Nederland. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers.

28

Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) In het NBW hebben rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is medesturend voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in, dat de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen. Kaderrichtlijn Water (KRW) De KRW is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW maakt het mogelijk om verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan de gestelde waterkwaliteitseisen die afhankelijk zijn van onder meer het type water. De KRW is inmiddels geïmplementeerd in Nederlandse regelgeving door middel van de Waterwet. De Waterwet geeft op nationaal niveau onder andere invulling aan de KRW. De KRW is daarmee indirect van toepassing op onderhavig plan.

4.7.2 Waterschap Rivierenland Het waterbeheer voor de gemeente Neerijnen is in handen van het Waterschap Rivierenland. Het speerpunt van het beleid van het Waterschap Rivierenland is 'duurzaam en klimaatbewust'. Om een duurzaam en klimaatbewust waterbeheer te kunnen realiseren, beschikt het waterschap over een klimaatneutraal kantoor, koopt men duurzaam materiaal in, levert het duurzaam terreinbeheer en duurzame energiemaatregelen. Het Waterschap Rivierenland is het eerste waterschap in Nederland dat is toegetreden tot het klimaatverbond. Dit instituut verenigt Nederlandse overheidsorganisaties die daadkrachtig werken aan het verankeren van een beter klimaatbeleid en de uitvoering ervan op lokaal niveau. Het lidmaatschap moet zorgen voor nieuwe inspiratie voor de ingeslagen weg van duurzaamheid. In het kader van de speerpunten van het beleid is het waterschap verantwoordelijk voor, en werkt het voortvarend aan, een duurzaam waterbeheer voor een veilig en leefbaar Rivierenland. Hierbij heeft het een visie die bestaat uit een missie, een aantal kernwaarden en een toekomstbeeld. De kerntaak is het waterbeheer in Rivierenland. Wederom is het aspect veiligheid een belangrijk onderdeel.

Het uitvoeren van de taken doet het waterschap door middel van het inzetten van technische middelen en bijzondere capaciteiten, te weten: dijkbeheer, muskusrattenbestrijding, beheer van watersystemen, waterzuivering, vaarwegenbeheer en grondwaterbeheer. Het waterschap draagt de verantwoordelijkheid bij het inzetten van de middelen en beschikt over de noodzakelijke kennis om tot een juiste inzet te komen. Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'

29

Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 'Koers houden, kansen benutten'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren, bij eventuele verhardingen dient hiervoor dan ook gecompenseerd te worden in de vorm van open water. Als vuistregel kan gehanteerd worden dat voor 1 ha verharding ter compensatie 2.180 m² = 436 m³ open water moet worden gerealiseerd. Er is eenmalig een vrijstelling van 500 m² (stedelijk gebied) en 1.500 m² (landelijk gebied) toename van verhard oppervlak mogelijk bij kleinschalige particuliere initiatieven.

4.7.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Watercompensatie Een toename aan verharding van meer dan 500 m² (stedelijk gebied) of 1.500 m² (landelijk gebied) dient volgens de regels van het Waterschap Rivierenland in de vorm van nieuw open water te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorgt er namelijk voor dat het regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. In de huidige situatie is er ter plaatse circa 7.800 m² aan kassen aanwezig op het perceel Karnheuvelsestraat 1 te Est. Daarnaast is er nog erfverharding aanwezig. In de nieuwe situatie mag er maximaal 55% bebouwing worden opgericht. Het bedrijfsperceel is circa 14.000 m2 groot. Aan de oostzijde van het nieuwe bedrijfsperceel wordt circa 8.800 m2 aan groen aangelegd en nieuw oppervlakte water.

Indien er vanuit wordt gegaan dat de volledige bedrijfskavel wordt verhard (bebouwing en verharding) dan is er sprake van een toename van verharding van circa 6.200 m2 aan verharding (14.000 - 7.800). Om dit te compenseren is circa 930 m2 aan oppervlakte water noodzakelijk. In het voorlopig inrichtingsplan is circa 1.500 m2 aan water ingetekend. Geconcludeerd kan worden dat op locatie in voldoende mate ruimte is om te voorzien in de noodzakelijke watercompensatie. Omdat er nog geen definitief bouwplan voorhanden is en een inrichtingsplan dient de daadwerkelijke compensatie opgave nog nauwkeurig afgestemd te worden op de verharding die gerealiseerd wordt. In de planregels is hierin voorzien. Voorts wordt aan de Neerijnense Mark 8 de huidige agrarische bestemming en plattelandswoning behouden zonder daar extra verharding voor toe te voegen. De erfverharding ten behoeve van het transportbedrijf wordt verwijderd. Watercompensatie wordt niet noodzakelijk geacht. Watergangen Uit raadpleging van de digitale watertoets (www.watertoets.nl) blijkt aan de oostelijke en zuidelijke grens van het plangebied aan de Karnheuvelsestraat watergangen met zonering zijn gelegen. In verband met de aanleg van een duiker ten behoeve van een ontsluiting via Het Nieuwe Achterom dient overleg plaats te vinden met het Waterschap Rivierenland.

Waterafvoer Voor afvalwater kan worden aangesloten op de bestaande riolering. Het afvalwatersysteem wordt zodanig vormgegeven dat het regenwater kan worden afgekoppeld richting het oppervlaktewater.

30

4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden.

Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is Planspecifiek In verband met de beoogde ontwikkeling aan de Karnheuvelsestraat 1 is ecologisch onderzoek uitgevoerd (IJzerman advies, d.d. 23 oktober 2018, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Het volgende wordt geadviseerd:

•

•

•

Vrijgestelde soorten kunnen mogelijkerwijs worden aangetroffen. Hiervoor hoeft in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen geen ontheffing of vergunning meer te worden aangevraagd. Het voorkomen van deze soorten wordt door de geplande ontwikkelingen niet in gevaar gebracht. Het is echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Voor overige beschermde soorten is nader onderzoek niet noodzakelijk door het ontbreken van geschikte biotopen. Vaste verblijfslocaties van vleermuizen en jaarrond beschermde vogelnesten bevinden zich niet op de locatie. Eventuele kapwerkzaamheden kunnen het beste tussen half juli en half maart (buiten het broedseizoen) worden verricht. Het verstoren van broedende vogels is verboden. Voor het verstoren van broedende vogels wordt geen ontheffing verleend. In het broedseizoen kan ook gekapt worden, alleen dient het dan onder begeleiding van een ter zake kundige te worden uitgevoerd.

Het plangebied is gelegen op circa 2,5 kilometer van het Natura 2000-gebied Rijntakken. Gezien deze afstand tot dit Natura 2000 gebied is een AERIUS berekening uitgevoerd om na te gaan of stikstof negatieve gevolgen kan hebben voor dit Natura 2000 gebied. Uit de berekening blijkt dat er geen berekenbare depositie is op het Natura 2000 gebied. Conclusie Er zijn geen belemmeringen voor beschermde gebieden en soorten in het kader van de Wet natuurbescherming. Het voorgenomen plan is daarmee uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie.

31

4.9 Archeologie en cultuurhistorie 4.9.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Gemeentelijk beleid Met betrekking tot het aspect archeologie heeft de raad van de gemeente Neerijnen op 25 september 2008 de Archeologische waarden- en beleidskaart vastgesteld. Planspecifiek De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de Archeologische waarden- en beleidskaart.

Hieruit blijkt dat het plangebied deels is gelegen in een zone met een hoge verwachting en deels in een zone met een gemiddelde verwachtingswaarde. De archeologische waarden zijn tevens gewaarborgd binnen het vigerend bestemmingsplan middels de dubbelbestemmingen Waarde – Archeologie 2, 3 en 4. Voor het noordoostelijke gedeelte geldt, net als op navolgende uitsnede van de archeologische beleidskaart, een hogere archeologische verwachting (Waarde - Archeologie 2).

Uitsnede Archeologische waarden- en beleidskaart (plangebied in blauwe kader)

Op 31 mei 2018 is een archeologisch onderzoek uitgevoerd in het plangebied Karnheuvelsestraat 1 (ADC ArcheoProjecten, Archeologisch onderzoek Karnheuvelsestraat 1 te Est, 31 mei 2018), zie bijlagen bij toelichting bijlage 3. Uit het bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied reeds diverse onderzoeken zijn uitgevoerd en vondsten zijn gedaan. In 1986 zijn tijdens een oppervlaktekartering aardewerkfragmenten uit de Late Middeleeuwen, evenals enkele fragmenten uit de Romeinse tijd aangetroffen. In het kader van de aanleg van de weg Het Nieuwe Achterom is direct ten oosten van het plangebied een proefsleuf aangelegd. Hierin is een restgeul van de Est stroomgordel aangetroffen met hierin botmateriaal en aardewerkfragmenten uit de IJzertijd, evenals een greppel uit de IJzertijd

32

of Romeinse tijd. De vondsten wezen op de nabijheid van een woonplaats uit (jn elk geval) de IJzertijd. In 2007 zijn bij een verkennend booronderzoek vastgesteld dat er vanaf het maaiveld oeverafzettingen van de Est stroomgordel voorkomen, rustend op crevasse-, oever en komafzettingen van de Esterweg stroomgordel. Daarnaast bevinden zich er beddingafzettingen van de Est stroomgordel en zijn er restgeulafzettingen aanwezig, en zijn er fragmenten houtskool, verbrande klei en handgevormd aardewerk gevonden uit de IJzertijd en aardewerk- en baksteenfragmenten uit de Late Middeleeuwen. In 2008 is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in de directe omgeving van het plangebied. Tijdens dit onderzoek is een paalkuil en kuil uit de IJzertijd aangetroffen en stukken muurwerk uit de periode 12501350 aangetroffen, evenals een met puin gedichte gracht met vondstmateriaal uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Geconcludeerd is dat sprake was van een cirkelvormig eiland met een diameter van 20 m, met hieromheen een brede gracht, mogelijk een moated site oftewel een omgracht adellijk huis. Conclusie De diepteligging van het archeologisch niveau varieert op basis van het booronderzoek tussen 15 en 40 cm –mv. Wanneer gekeken wordt naar de hoogtes ten opzichte van het NAP zijn enkele zones te onderscheiden.

Voor het grootste deel van het plangebied geldt dat het archeologisch niveau vanaf 3,2 m +NAP verwacht wordt. In een zone in het noordoosten van het plangebied wordt het archeologisch niveau vanaf 3,4 m +NAP verwacht en in een strook in het zuidwesten wordt dit niveau vanaf 3,0 m +NAP verwacht. Geadviseerd wordt om een bufferzone te hanteren van 30 cm boven dit niveau. Indien werkzaamheden uitgevoerd worden tot in deze bufferzone dient er een nieuw proefsleuvenonderzoek plaats te vinden. Vooralsnog kan in het kader van de bestemmingsplan wijziging een proefsleuvenonderzoek achterwege blijven. Bij de aanvraag Omgevingsvergunning voor het bouwen zal inzichtelijk gemaakt moeten worden dat de bufferzone in acht wordt genomen en eventuele funderingen niet de bufferzone beroeren. 4.9.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Gemeentelijk beleid Op 5 februari 2014 heeft de gemeenteraad de Nota cultuurhistorisch beleid vastgesteld. Cultuurhistorie is de drager van de identiteit van de gemeente Neerijnen en daarmee de basis voor ontwikkelingen op het grondgebied van de gemeente. Het belang van de cultuurhistorie ligt met name in twee periodes:

•

De cultuurhistorie uit de periode 450 – 1965 heeft binnen deze beleidsterreinen de nadrukkelijke aandacht. In deze periode wordt de rivier beteugeld en krijgen de nederzettingen de definitieve plaats zoals wij die nu nog kennen. Op dat moment is het huidige grondgebruik definitief gestart.

•

Daarnaast heeft de periode van 52 voor Christus – 450 de aandacht. In deze periode vestigden de Betuwenaren (Batavieren), onder dwang van de Romeinen, zich in dit gebied waarmee een periode van blijvend gebruik van ons grondgebied aanving.

Planspecifiek In of nabij het plangebied komen geen monumenten of specifieke cultuurhistorische waarden voor. Wel zal er in het kader van de aanwezige hogere archeologische verwachting onderzoek worden verricht, toelichting paragraaf 4.9.1 gaat hier op in.

33

4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De CROW-publicatie 317 gaat bij de ontwikkeling van een bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (zoals een loods, opslag en transportbedrijf) in de rest bebouwde kom van weinig stedelijk gebied uit van een verkeersgeneratie van minimaal 3,9 en maximaal 5,7 motorvoertuigbewegingen per etmaal per 100 m² bvo. In de praktijk bestaan de verkeersbewegingen voornamelijk uit de 11 vrachtwagens die het transportbedrijf gebruikt voor haar bedrijfsvoering.

Deze vrachtwagens vertrekken zondagmiddag naar hun bestemming elders in Europa en komen op vrijdag weer terug. Daarmee genereert het bedrijf 22 motorvoertuigbewegingen (heen en terug) per week. Het perceel aan de Karnheuvelsestraat 1 zal worden ontsloten middels een gecombineerde ontsluiting op 'Het nieuwe Achterom'. Deze ontsluiting en Het Nieuwe Achterom, welke een goede verbinding vormt naar de A15, kunnen de verkeersintensiteit gemakkelijk verwerken en is passend bij de functie van de weg. Door de verplaatsing van het transportbedrijf naar de randweg Het Nieuwe Achterom is de bereikbaarheid van het bedrijf sterk verbeterd, met name door de directe aansluiting op de A15. Omdat de bedrijfsactiviteiten niet uitgebreid worden (zie ook toelichting paragraaf 2.3) zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek De CROW-publicatie 317 gaat bij de ontwikkeling van een bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (zoals een loods, opslag en transportbedrijf) in de rest bebouwde kom van weinig stedelijk gebied uit van een parkeernorm van minimaal 0,8 en maximaal 1,3 parkeerplaatsen per 100 m² bvo. Het noodzakelijk parkeren wordt op eigen terrein opgelost inclusief het noodzakelijke bezoekersparkeren. Hiervoor heeft het perceel aan de Karnheuvelsestraat 1 te Est een royale omvang om dit op een adequate wijze op te lossen. Op het perceel aan de Neerijnense Mark 8 te Est zal de parkeerbehoefte naar alle waarschijnlijkheid afnemen door de verplaatsing van het transportbedrijf. Daarmee zijn er geen belemmeringen voor het aspect parkeren.

34

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ook de dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen.

Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels. Overgangs- en slotregels

35

In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.3 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Agrarisch De bestemming Agrarisch blijft ter plaatse van de Neerijnse Mark 8 behouden. Binnen dit perceel zijn onder andere grondgebonden agrarische bedrijven en een plattelandswoning toegestaan. Bedrijf De bestemming 'Bedrijf' is opgenomen voor het bedrijfsperceel. Deze gronden zijn specifiek bestemd voor een transportbedrijf zoals ook opgenomen in de bedrijvenlijst. Er is geen bedrijfswoning toegestaan. Het maximaal bebouwingoppervlak is beperkt tot 2.500 m2. Ten behoeve van een goede ruimtelijke inpassing is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Daarmee wordt de aanleg en instandhouding van de groene inpassing ruimtelijk geborgd. Wonen Voor de bestaande bedrijfswoning en bedrijfsgebouw behorende bij het voormalige glastuinbouwbedrijf is de bestemming Wonen opgenomen. Hierbij is de regeling overeenkomstig de gemeentelijke standaard opgenomen. In aanvulling hierop is een extra wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het perceel met woonbestemming op termijn kan worden toegevoegd aan het bedrijfsperceel. Waarde - Archeologie 2, 3 en 4 Het plangebied is voorzien van archeologische waarden en bijbehorende dubbelbestemmingen die betrekking hebben op bescherming van deze archeologische waarden.

36

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

• • •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het project wordt op initiatief van het betreffende bedrijf gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling zijn dan ook voor rekening van deze initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening/gemeentelijke plankosten en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp ruimtelijk plan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter visie gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt en ligt het bestemmingsplan na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld, dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.

De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

37

6.2.2 Vooroverleg en inspraak Het voorontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 30 mei voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen inspraakreacties ontvangen. 6.2.3 Zienswijzen In deze paragraaf of in een separate bijlage worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan samengevat en voorzien van een gemeentelijke reactie.

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/288/documents/5887