Impactstudie Natuur en Landschap Bloemendalerpolder V01 concept
Tekst van het document
Regionale Energie Strategieën
Noord-Holland Noord en NoordHolland Zuid
Van concept RES naar RES 1.0
Impactstudie Natuur en Landschap zoeklocatie Bloemendalerpolder, deelregio Gooi & Vechtstreek, gemeente Weesp Consortium ondersteuning RES Provincie Noord-Holland, 14 januari 2021
INHOUD 1. INLEIDING
3
AANLEIDING
3
DOEL IMPACTSTUDIE
3
SITUATIE EN BEOOGDE ONTWIKKELING
3
2. WERKWIJZE IMPACT OP NATUUR
5
WET- EN REGELGEVING NATUUR
5
TE BESCHOUWEN ONDERDELEN WET NATUURBESCHERMING EN NNN
5
WERKWIJZE
5
KWALITEIT
6
UITGANGSPUNTEN
6
3. EFFECTBEOORDELING NATUUR
7
GEBIEDENBESCHERMING
7
HOUTOPSTANDEN
9
SOORTBESCHERMING
10
BIODIVERSITEIT
11
4. CONCLUSIE NATUUR
13
WETGEVING EN BELEID
13
BIODIVERSITEIT
13
5. EFFECTBEOORDELING LANDSCHAP
14
AANSLUITING BIJ HUIDIG LANDSCHAPSBELEID
14
AANSLUITING BIJ BESTAANDE LANDSCHAPPELIJKE KWALITEITEN
17
BIJDRAGE AAN DUURZAME ENERGIELANDSCHAPPEN
19
6. CONCLUSIES LANDSCHAP
21
7. BRONNEN
22
1. Inleiding
Dit hoofdstuk bevat informatie over de aanleiding en het doel van de impactstudie en een beschrijving van de situatie van de zoeklocatie en de beoogde ontwikkeling. De gemeente Weesp heeft via het keuzemenu van de Regionale Energie Strategie Noord-Holland Zuid gevraagd om een impactstudie natuur en landschap voor de zoeklocatie Bloemendalerpolder. De studie richt zich op de bouw van één of enkele windmolens in de Bloemendalerpolder in de bocht van de A9 langs het Amsterdam-Rijnkanaal.
Aanleiding De komende tijd wordt gewerkt aan het opstellen van een Regionale Energiestrategie (RES) in zowel NoordHolland Noord als Noord-Holland Zuid. Regio’s moeten zelf hun strategie uitwerken om hun bijdrage aan de energietransitie (grootschalige opwekking van duurzame elektriciteit) vorm te geven. Bij het zoeken naar gebieden voor wind- en zonne-energie moeten effecten op natuur en landschap ook worden beschouwd. Voor de thema’s natuur en landschap is in het kader van de RES een afwegingskader opgesteld (TAUW, 2019). De gemeente Weesp heeft een locatie voor windenergie op het oog. In opdracht van de gemeente Weesp heeft TAUW aan de hand van dit afwegingskader getoetst of het realiseren van windmolens redelijkerwijs uitvoerbaar is; welke onderzoeken in het kader van de Wet natuurbescherming nodig zijn; en of er kansen zijn voor vergroten van de biodiversiteit in het plangebied. Tevens is het voorgenomen park op landschappelijke impact getoetst.
Doel impactstudie Vanuit wet- en regelgeving gelden er restricties voor de realisatie van windmolens in waardevolle natuurgebieden en gebieden met landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Denk daarbij aan Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en provinciaal beschermde landschappelijke waarden. De realisatie in die gebieden is niet uitgesloten, maar bij een vergunningaanvraag of bestemmingswijziging moet aangetoond worden dat deze waarden niet aangetast worden. In deze impactstudie beschrijven wij op hoofdlijnen wat de verwachte effecten van het initiatief op de natuurwaarden en landschappelijke waarden zullen zijn en of het initiatief realiseerbaar / vergunbaar zal zijn in het kader van het geldende beleid en wetgeving ten aanzien van natuur.
Situatie en beoogde ontwikkeling De zoeklocatie voor windenergie ligt in het noordwesten van de Bloemendalerpolder, nabij de brug van de A1 over het Amsterdam-Rijnkanaal. Zoals de zoeklocatie opgenomen was in de concept-RES behelsde het een groter gedeelte van de Bloemendalerpolder. Echter, vanwege de ontwikkeling van een nieuwbouwwijk ter grootte van 2750 woningen, is het zoekgebied ingekaderd tot onderstaande locatie (figuur 1.1). In latere hoofdstukken zal worden bepaald in hoeverre binnen deze contour ruimte is voor een of meerdere windmolens.
Figuur 1.1. Globale ligging van het zoekgebied (rood) in de Bloemendalerpolder.
2. Werkwijze impact op natuur Wet- en regelgeving natuur Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna te noemen “Wnb”) in werking. Het beschermingsregime van de Wnb gaat uit van het “nee, tenzij-principe“. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Noord-Holland zijn het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling. Gebieden die vallen onder het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur) zijn provinciaal beschermd en aangewezen in de Omgevingsverordening van de Provincie Noord-Holland. Belangrijke weidevogelgebieden maken onderdeel uit van Bijzonder Provinciaal Landschappen (BPL), tevens beschermd en aangewezen in de Omgevingsverordening. Ontwikkelingen mogen geen afbreuk doen aan de Wezenlijke kenmerken en waarden (NNN) of Kernkwaliteiten (BPL). Voor de toetsing aan deze gebieden geldt ook het ‘nee, tenzij’-principe.
Te beschouwen onderdelen Wet natuurbescherming en NNN • •
•
Het is noodzakelijk om de ontwikkeling te toetsen aan soortenbescherming vanwege de mogelijke aanwezigheid van flora en fauna. Een toetsing aan beschermde gebieden (Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland en Belangrijk weidevogelgebied) is nodig om te kijken of er gebieden binnen de invloedsfeer van het plangebied aanwezig zijn Toetsing aan beschermde houtopstanden is nodig omdat er mogelijk bomen gekapt worden.
Werkwijze De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en gebieden is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • • • • •
Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data. Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) Natuurkaart van TAUW (www.tauw.nl/ecoviewer) Een globale inschatting van aanwezige habitat op basis van luchtfoto’s en streetview (cyclomedia/globespotter) Beschermde gebieden in de web-atlassen van de provincie Noord-Holland.
Er is geen volledige natuurtoets uitgevoerd. Het gaat om een globale inschatting (quickscan) van eventuele consequenties en vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en beleid en een inschatting of het plan redelijkerwijs uitvoerbaar is. Effecten op internationale trek- en vliegroutes van vogels en vleermuizen worden in het kader van soortenbescherming en gebiedenbescherming getoetst. Naast een toetsing aan wet en beleid, wordt gekeken welke mogelijkheden de ontwikkeling heeft voor biodiversiteit. Daarbij wordt getoetst op of het ten minste een bijdrage aan biodiversiteitsherstel oplevert. Ook wordt er vanuit de Omgevingsvisie NH 2050 gecontroleerd of natuur wordt versterkt in kwantiteit,
kwaliteit of toegankelijkheid en of er een bijdrage wordt geleverd aan de provinciale samenhangende ruimtelijke kwaliteit.
Kwaliteit Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid van beschermde soorten in deze verkenning niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten. Dit betreft geen volledige natuurtoets. Er is bijvoorbeeld geen verkennend veldbezoek uitgevoerd.
Uitgangspunten De volgende uitgangspunten zijn van toepassing bij de beoordeling van de beoogde ontwikkeling: • •
Dit betreft geen volledige natuurtoets Er is geen verkennend veldbezoek uitgevoerd.
3. Effectbeoordeling natuur Gebiedenbescherming 3.1.1 Natura 2000-gebieden
In de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van Natura 2000gebieden. Het is verboden zonder vergunning een project te realiseren die significante gevolgen kan hebben voor instandhoudingsdoelen (artikel 2.7). Significante effecten kunnen zowel bestaan uit een significante verslechtering van habitats als uit een significant verstorend effect. Figuur 3.1 geeft de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden weer. Een significant negatief effect door fysieke aantasting en afname van oppervlakte is uitgesloten omdat het plangebied niet overlapt met een Natura 2000-gebied. Een significant negatief effect door bijvoorbeeld geluid, trilling, licht en/of optische verstoring is uitgesloten gezien de afstand tussen het plangebied en het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (Markermeer & IJmeer op ongeveer 700 meter) met daartussen de A1. Een negatief effect door stikstofemissies tijdens de aanlegfase is niet met zekerheid uitgesloten. Een AERIUS-berekening is nodig om dit nader te toetsen. Het zoekgebied ligt dichtbij het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer met een instandhoudingsdoelstelling voor meervleermuis. Daarbij ligt het zoekgebied naast het AmsterdamRijnkanaal dat als migratieroute voor meervleermuis dient.
Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de realisatie van één of enkele windmolens een negatief effect heeft op het behalen van de instandhoudingsdoelstelling voor meervleermuis. Daarnaast kunnen ook vogels met instandhoudingsdoelstellingen (aalscholver en visdief voor Markermeer & IJmeer) tijdens (pendel)vluchten tussen leefgebieden in aanraking komen met rotorbladen en worden gedood en/of verwond. Door het beperkt aantal voorziene windmolens, zou dit effect echter gering kunnen zijn. Een nadere toetsing in een natuurtoets is vereist. Als onderdeel van deze toetsing moeten vogeltellingen en vleermuisonderzoek worden uitgevoerd. Uit de resultaten van het onderzoek volgt of negatieve effecten op soorten met instandhoudingsdoelstellingen zijn uit te sluiten en of de realisatie van de windmolen(s) haalbaar is.
3.1.2 Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden waarmee de biodiversiteit behouden en versterkt wordt. Het NNN is planologisch beschermd via de Omgevingsverordening NH2020. In het NNN geldt het 'nee, tenzij' -principe. Tot slot beperkt het beschermingsregime zich tot het Natuurnetwerk zelf. Externe werking is niet van toepassing. Het plangebied ligt niet binnen het NNN. Het meest nabij gelegen onderdeel van het NNN ligt op zo’n 300 meter. Een relevant negatief effect op (wezenlijke waarden en kenmerken van) het NNN is daarmee uitgesloten.
Figuur 3.1 De ligging van het plangebied ten opzichte van de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden en NNN-gebieden. In blauw is globaal het zoekgebied in de Bloemendalerpolder weergegeven. De aangegeven weidevogelgebieden zijn niet meer van toepassing sinds de Omgevingsverordening NH2020. (Bron kaart: Pondera, 2020)
3.1.3 Belangrijk weidevogelgebied
Het zoekgebied ligt binnen het Noord-Hollandse Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Vechtstreek-Noord. De graslanden in de Noordpolder en de Aetsveldsche Polder zijn een belangrijk habitat voor weidevogels in het BPL Vechtstreek-Noord (Provincie Noord-Holland, 2019). Ruimtelijke ontwikkelingen die het habitat voor de weidevogels verkleinen, verstoren of leiden tot verlaging van het waterpeil in het weidevogelgebied, vormen een aantasting van de kernkwaliteit en zijn dus niet mogelijk. Het behouden van omvangrijke, aaneengesloten gebieden gekenmerkt door openheid is daarbij een belangrijk punt. Het zoekgebied voor de windmolen(s) wordt niet gekenmerkt als open gebied en ligt binnen de verstoringszone van de A1/A9. Met de realisatie van de beoogde woonwijk in de Bloemendalerpolder, zal nog minder sprake zijn van geschikte omstandigheden voor weidevogels. De realisatie van één of enkele windmolens heeft daarmee geen negatief effect op aangewezen gebieden met habitat voor weidevogels.
Figuur 3.3 De ligging van het zoekgebied (in blauw) ten opzichte van gebieden met habitat voor weidevogels binnen het Bijzonder Provinciaal Landschap Vechtstreek-Noord (Provincie Noord-Holland, 2019).
Houtopstanden Het onderdeel Houtopstanden in de Wnb bevat regels ter bescherming van houtopstanden, waarmee wordt bijgedragen aan de instandhouding van het Nederlandse bosareaal. Het is van toepassing op ‘houtopstanden’ buiten de ‘bebouwde kom Boswet’. Het is niet toegestaan een houtopstand te vellen zonder voorafgaande melding aan GS. Binnen de ‘bebouwde kom Boswet’ worden regels gesteld in de APV van gemeenten, bijvoorbeeld; Omgevingsvergunning voor het kappen van bomen. Bomenrijen van meer van 21 bomen en bospercelen > 10 are die buiten de bebouwde kom Boswet liggen zijn beschermd onder de Wnb. Er worden mogelijk bomen gekapt om ruimte te maken voor de windmolen(s) en/of voor het aanleggen van een bouwweg. Het plangebied ligt mogelijk buiten de bebouwde kom houtopstanden. De bomen in het plangebied maken daarom mogelijk deel uit van een beschermde houtopstand. Als een beschermde houtopstand moet worden gekapt, moet een melding bij het bevoegd gezag (provincie Noord-Holland) worden gedaan. Mogelijk dient er ook een vergunning bij de gemeente Weesp te worden aangevraagd. Ten behoeve van de melding en/of vergunningsaanvraag bij de gemeente is een bomeninventarisatie benodigd. Mogelijk is er sprake van herplantplicht. Wanneer er bomen gekapt worden binnen de ‘bebouwde kom
Boswet’ van Weesp dient volgens de Algemene Plaatselijke Verordening een omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden aangevraagd te worden.
Soortbescherming 3.3.1 Beschermingsregime en bepalingen
In de Wnb zijn bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wnb kent drie beschermingsregimes: • • •
Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn Dieren en planten: het gaat hier om alle inheemse dieren en planten. Ze zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: het gaat hier om de soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd.
Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing, vergunning of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. De bepalingen voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van de provincie kunnen een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
3.3.2 Literatuuronderzoek en inschatting van effecten
Op basis van verspreidingsgegevens kan niet met zekerheid worden uitgesloten dat de soorten in tabel 3.2 in of in de nabijheid van het plangebied voorkomen. De historische eendenkooi biedt in het polderlandschap mogelijk schuilplaatsen voor allerhande vogelsoorten en (kleine) zoogdieren en vleermuizen. De drassige noordwesthoek van het zoekgebied biedt mogelijk leefgebied voor reptielen en amfibieën. Mogelijk zorgt de aanleg van één of meer windmolens voor (tijdelijk) aantasting van leefgebied en/of voor (tijdelijk) verstoring. In de gebruiksfase kunnen effecten op lokale beschermde faunasoorten optreden. Er moet een natuurtoets met een veldbezoek worden uitgevoerd om beschermde soorten effecten met zekerheid te kunnen uitsluiten. Wanneer effecten niet kunnen worden uitgesloten dient nader onderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van deze impactstudie die bestaat uit expert judgement en een verkennende bureaustudie is minstens nader onderzoek naar de volgende soorten nodig: •
•
Vleermuizen, aanvaringsslachtoffers – onderzoek naar foerageergebied en vliegroutes om te bepalen of aanvaringslachtoffers kunnen worden uitgesloten. De bomen in de eendenkooi bevatten mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen. Het drassige deel van het zoekgebied betreft mogelijk een foerageergebied en het Amsterdam-Rijnkanaal een vliegroute. Wanneer aanvaringsslachtoffers niet uit te sluiten zijn dient een ontheffing te worden aangevraagd voor het doden en/of verwonden van enkele tot meerdere exemplaren per turbine per jaar. Daarbij moet worden aangetoond of een negatief effect op populatieniveau (aan de hand van de 1% norm) kan worden uitgesloten. Op basis van deze impactstudie kan niet worden aangegeven of een ontheffing redelijkerwijs te verkrijgen is. Daarvoor zijn veldgegevens noodzakelijk. Vogels, aanvaringslachtoffers – onderzoek naar pendelroutes van vogels om te bepalen of aanvaringsslachtoffers kunnen worden uitgesloten. De eendenkooi fungeert mogelijk als rustplaats van meerdere vogels. Mogelijk moet een ontheffing worden aangevraagd voor het doden en/of verwonden van enkele tot meerdere exemplaren per turbine per jaar. Daarbij moet worden aangetoond of een negatief effect op populatieniveau (aan de hand van de 1% norm) kan worden
•
uitgesloten. Op basis van deze impactstudie kan niet worden aangegeven of een ontheffing redelijkerwijs te verkrijgen is. Daarvoor zijn veldgegevens noodzakelijk. Rugstreeppad en heikikker – het voorkomen van rugstreeppad en heikikker wordt (in de omgeving van) het zoekgebied verwacht. Het plangebied blijft geschikt als leefgebied. Mogelijk moeten maatregelen worden getroffen om het doden en/of verwonden van rugstreeppadden en/of het vangen en verplaatsen van rugstreeppadden worden aangevraagd. Een negatief effect op populatieniveau wordt niet verwacht. Daarom wordt verwacht dat een ontheffing redelijkerwijs te verkrijgen is.
Tabel 3.2 Soorten waarvan de aanwezigheid op basis van globale verspreidingsgegevens niet met zekerheid kan worden uitgesloten. Soortgroep Aanwezige soorten in omgeving Flora Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen
Vogels – broedvogels Vogels - jaarrond beschermd Vogels – aanvaringslachtoffers Amfibieën Reptielen Libellen
Groenknolorchis (artikel 3.5), smalle raai (artikel 3.10) Noordse woelmuis, otter (artikel 3.5), waterspitsmuis, boommarter, steenmarter, eekhoorn, wezel, bunzing, hermelijn (artikel 3.10) Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, baardvleermuis, franjestaart (artikel 3.5) Diverse soorten zoals zwarte kraai, roodborst, zwartkop, merel, zanglijster en koolmees (artikel 3.1) Ooievaar, wespendief, buizerd, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk, ransuil, kerkuil, steenuil, roek, gierzwaluw, huismus, grote gele kwikstaart (artikel 3.1) Diverse soorten Heikikker, poelkikker, rugstreeppad (artikel 3.5) Ringslang (artikel 3.10). Gevlekte witsnuitlibel (artikel 3.5)
Biodiversiteit Bij de ruimtelijke ontwikkeling van zonne- en windenergie is het mogelijk om kansen te koppelen en door het combineren van functies en/of financiering de natuurkwaliteiten van een gebied te behouden of zelfs te laten toenemen. Dit criterium is bedoeld om natuurinclusief realiseren van de energieopgave en meer integrale oplossingen te kunnen beoordelen. Enerzijds wordt beoordeeld of een scenario of bouwsteen de herstelopgave die bestaat voor biodiversiteit, uitgedragen via ondermeer het Deltaplan biodiversiteitherstel in de wielen rijdt, of dat het mogelijk blijft met actoren op gebiedsniveau bij te dragen aan herstel. Anderzijds wordt beoordeeld in hoeverre concreet positief wordt bijgedragen aan de provinciale samenhangende ruimtelijke kwaliteit. Door het versterken van natuur in kwantiteit (ha), kwaliteit (diversiteit) of toegankelijkheid (beleving) zoals beschreven in de Omgevingsvisie NH2050. Het zoekgebied ligt in de noordwesthoek van de Bloemendalerpolder, in de bocht van de A1 en direct langs het Amsterdam-Rijnkanaal. In de huidige situatie ligt hier een bosschage van een eendenkooi en in de noordwesthoek van het zoekgebied een drassig systeem. De natuur ter plekke is afgesneden van vergelijkbare ecosystemen. De enige aansluiting in de omgeving is te vinden voor vliegende fauna aan de overzijde van het kanaal.
Het gebrek aan connectiviteit vermindert de huidige waarde voor aanwezige biodiversiteit. Echter, het maakt het gebied ook van unieke waarde in de omgeving. Voor grondgebonden zoogdieren, vogels en vleermuizen die foerageren op wat nu nog polderland is, kan het bosje dienen als rust- en schuilplaats. De realisatie van één of enkele windmolens zal voor grondgebonden zoogdieren voor
een tijdelijke verstoring zorgen, maar voor zal vogels en vleermuizen grotere gevolgen hebben waarbij mogelijke verblijfplaatsen onbruikbaar worden en vliegroutes verstoord. In grote delen van de rest van de Bloemendalerpolder wordt een nieuwe woonwijk aangelegd. De gecombineerde ontwikkeling zorgt voor een nog grotere isolatie van de natuurwaarden in het zoekgebied. Daarnaast kan het gelijktijdig realiseren van de windmolen(s) en de woonwijk, leiden tot een dergelijke mate van verstoring dat sommige soorten permanent uit het gebied verdreven worden. Daarnaast heeft het stukje natuur mogelijk een hoge belevingswaarde voor de toekomstige inwoners van de nieuwe wijk. De aanwezigheid van windmolens, naast de huidige verstoring van de snelweg, maakt dat deze belevingswaarde verminderd.
4. Conclusie natuur Wetgeving en beleid Het zoekgebied ligt niet binnen Natura 2000- of NNN-gebieden. Wel ligt het zoekgebied langs het Amsterdam-Rijnkanaal, wat een bekende internationale migratieroute van meervleermuis is. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, Markermeer & IJmeer, heeft een instandhoudingsdoelstelling voor meervleermuis. Mogelijk leidt de realisatie van één of enkele windmolens tot aanvaringslachtoffers van deze vleermuissoort met een negatief effect op de instandhoudingsdoelstelling tot gevolg. Hetzelfde geldt voor vogelsoorten met instandhoudingsdoelstellingen. Een nadere toetsing in een natuurtoets en waarschijnlijk een vleermuizen- en vogeltelling moeten mogelijk effecten aantonen, dan wel uitsluiten. Daarnaast moet een AERIUS-berekening worden uitgevoerd om het effect van de aanlegfase op stikstofgevoelige habitattypen te beoordelen. In het kader van soortbescherming kunnen leefgebieden van beschermde soorten worden aangetast of vernietigd. Ook kunnen exemplaren worden gedood en/of verwond. Bij windmolens gaat ook aandacht uit naar vogels en vleermuizen die in de gebruiksfase kunnen worden gedood of verwond als ze in aanraking komen met draaiende rotorbladen. Ook kunnen beschermde houtopstanden worden gekapt. In eerste instantie moet een natuurtoets worden uitgevoerd.
Uit de natuurtoets moet blijken of nader soortgericht onderzoek, een bomeninventarisatie en/of AERIUS-berekening nodig is. Als effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten is vervolgens een voortoets nodig. Het inventariseren van vogels en vleermuizen is bij de aanleg van een windmolenpark altijd nodig. De hierboven genoemde vervolgonderzoeken zijn nodig om een gedegen effectbeoordeling te doen. Voorafgaand of tijdens de aanvraag van de omgevingsvergunning moet een ontheffing/vergunning worden aangevraagd. Gezien het bovenstaande is het plan naar verwachting redelijkerwijs uitvoerbaar.
Biodiversiteit Het zoekgebied betreft een afgesneden stukje natuur. De historische eendenkooi kan echter ook dienen als rust- en schuilplaats voor veel verschillende dieren. Mogelijk zorgt de aanleg van de windmolen(s) voor tijdelijke of permanente verstoring voor vogels, vleermuizen en/of grondgebonden zoogdieren. is niet ondenkbaar dat de aanleg van de windmolen(s), in combinatie met de realisatie van de woonwijk leidt tot het permanent verdrijven van enkele aanwezige diersoorten. Daarnaast kunnen de draaiende rotorbladen in de gebruiksfase tot aanvaringsslachtoffers onder vogels en vleermuizen leiden. Verder vormt het zoekgebied één van de weinige stukken natuur voor de inwoners van de nieuwe woonwijk van Weesp. De aanwezigheid van één of enkele windmolens zorgt voor een sterk verminderde belevingswaarde van natuur.
5. Effectbeoordeling landschap
In het kader van de RES is een beoordelingskader opgesteld voor wind- en zonne-energie. De eerste drie criteria van het beoordelingskader Landschap zijn gebruikt om de effecten van deze zoeklocatie voor windenergie te beschrijven. Deze criteria worden in de volgende paragrafen toegelicht. Criteria effecten op landschap 1. 2. 3.
Aansluiting bij bestaand beleid Aansluiting bij bestaande landschappelijke kwaliteiten Bijdrage aan duurzame energielandschappen
Aansluiting bij huidig landschapsbeleid Het bestaande beleid omtrent landschap geeft een toetsingskader voor de energieopgave. Met het landschapsbeleid worden bestaande landschappelijke waarden beschermd. Er zijn verschillende vormen van beleid waar de ruimtelijke inrichting van duurzame energie mee te maken heeft, op (inter-)nationaal, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. Dit beleid betreft UNESCO, aardkundig monument, provinciaal monument, archeologisch monument op rijksniveau, bufferzone, stiltegebied, weidevogelgebied of beschermd stads- of dorpsgezicht. Het beleid is samengevoegd in de huidige omgevingsverordening, de Omgevingsverordening NH2020. Figuur 5.1 laat zien dat het gebied binnen het bijzonder provinciaal landschap (BPL) Vechtstreek-Noord valt, vanwege haar karakteristieke verkaveling. Binnen een BPL gelden regels voor nieuwe ontwikkelingen die de kernkwaliteiten van het landschap moeten waarborgen.
Deze kwaliteiten voor het BPL Vechtstreek Noord zijn (Provincie Noord-Holland, 2020 a): - De aardkundige waarden van de Vecht, Aetveldsche polder en het Naardemeer - De uitwaaierende strokenverkaveling - De aaneengesloten open ruimte en vergezichten - Het habitat voor weidevogels - De schootsvelden van de stelling van Amsterdam en Nieuw Hollandsche Waterlinie - De vecht met haar bijbehorende oevers - De Veenrivieren Gein, Gaasp en Diem - De Zuiderzeedijk - De muidertrekvaart en Naandertrekvaart - De ’s Gravelansche Vaart - Het Amsterdam-Rijnkanaal
Figuur 5.1 Kaart BPL Vechtstreek-Noord (bron: Provincie Noord-Holland, 2020 a), zoeklocatie windenergie Bloemendalerpolder in rode cirkel
Voor het projectgebied zijn de onderstaande kernkwaliteiten van toepassing: - De uitwaaierende strokenverkaveling o Het verkavelingspatroon van de polders is eeuwenlang grotendeels onveranderd gebleven en maakt de geschiedenis van het landschap zichtbaar. Het is cultuurhistorisch van hoge waarde. Deze kernkwaliteit is onvervangbaar. Ontwikkelingen die het verkavelingspatroon van de veenweidepolders wijzigen of ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot het dempen of wijzigen van sloten en andere waterlopen zijn een aantasting van deze kernkwaliteit. -
De aaneengesloten open ruimte en vergezichten o De afwisseling tussen de open veenpolders en de meer besloten bos- en moerasgebieden in combinatie met de cultuurhistorische waarden maken het gebied van bijzondere landschappelijke en recreatieve waarde. De omvang van het open weidegebied in het BPL Vechtstreek-Noord is van grote waarde. Ondanks de fysieke barrières maakt het de indruk van een aaneengesloten open landschap. De combinatie met de historische schoots-en inundatievelden is van bijzondere waarde. De openheid is kwetsbaar omdat in het vlakke land bijna elke ruimtelijke ingreep zichtbaar is. Met name de smalle zone tussen A1 en Naardertrekvaart is extra gevoelig voor verdichting en verrommeling. Ruimtelijke
ontwikkelingen die leiden tot verdere verdichting of verrommeling in het open landschap zijn een aantasting van deze kernkwaliteit.
5.1.1 Nieuwbouwplannen Bloemendalerpolder
In de Bloemendalerpolder zal in de komende jaren een nieuwe woonwijk worden gerealiseerd. Hoewel deze ontwikkeling niet onder landschappelijk beleid valt, is het wel degelijk een ontwikkeling om rekening mee te houden. Momenteel is het bestemmingsplan hier nog niet op aangepast en zijn de plannen nog niet zo ver gevorderd dat de nieuwe woningen op kaart zichtbaar zijn. Om rekening te kunnen houden met de nieuwbouwplannen en bijbehorende geluids- en veiligheidsafstanden houden we de ringweg van de nieuwe woonwijk aan. De ligging van deze ringweg is reeds bekend en al zichtbaar op de topografische kaart. Figuur 5.2 geeft de zoeklocatie weer met aan de oostkant de nieuwe ringweg. De ringweg als grens van de nieuwe bebouwde kom aanhoudend, zijn twee veiligheidscontouren ingetekend. De lichtblauw lijn geeft een 400 m veiligheidscontour van een windturbine voor 3.2 MW weer. De donkerblauwe lijn geeft een veiligheidscontour van 450 m weer voor een groter windturbine van 6MW. Uit beide contouren blijkt binnen het zoekgebied slechts ruimte is voor windturbines nabij de brug van de A1 over het Amsterdam-Rijnkanaal.
Figuur 5.2 zoeklocatie met geluidszones voor windturbines. 400m (lichtblauw) voor 3.2Mw en 450m (Blauw) voor 6Mw
5.1.2 Impact op beleid
De uitwaaierende strokenverkaveling Figuur 5.4 Laat het zoekgebied zien in relatie tot het slotenpatroon. Het slotenpatroon laat duidelijk de waaierende structuur zien die als kernkwaliteit is benoemd. Ontwikkelingen in dit gebied mogen geen afbreuk doen aan deze structuur. Het kleinere zoekgebied dat overblijft nadat rekening wordt gehouden met de nieuwbouwwijk ligt buiten deze beschermde slotenstructuur. Een windturbine op deze locatie zou derhalve geen afbreuk doen aan de waaierende strokenverkaveling. De aaneengesloten open ruimte en vergezichten Het noordwestelijke, overgebleven zoekgebied ligt nabij de brug van de A1 en A9 over het AmsterdamRijnkanaal. Beide bruggen zijn voorzien van een hoog grondlichaam om het kanaal te overbruggen. Daarnaast is de brug van de A1 voorzien van enkele hoge pylonen. Een windturbine op deze locatie ligt daarbij niet midden in een open landschap, maar aan de rand van een open landschap met hoge landschapselementen als achtergrond. In figuur 5.3 zijn beide bruggen en bijbehorende grondlichamen zichtbaar. De foto is genomen ter hoogte van de voorgestelde zoeklocatie. Op deze locatie is niet meer sprake van een open landschap. De voetafdruk van een windmolen is daarbij relatief klein, waarmee nauwelijks sprake kan zijn van verrommeling.
Figuur 5.3 De bruggen over het Amsterdam-Rijnkanaal te hoogte van de voorgestelde zoeklocatie
Aansluiting bij bestaande landschappelijke kwaliteiten De provincie Noord-Holland kent een rijk palet aan karakteristieke landschapstypen met verschillende kwaliteiten. Doel van de provincie is om deze landschappelijke kwaliteiten te behouden en te versterken. Figuur 5.4 laat zien dat het projectgebied onderdeel uitmaakt van het veenrivierenlandschap.
Veenrivierenlandschap
Het landschap nabij Weesp en de vestingsteden Naarden en Muiden wordt getypeerd door de veenrivier de Vecht. De opstrekkende strokenverkaveling is ontstaan vanuit de bochtige Vecht, de Gaasp en de Zuiderzee en laat duidelijk de ontginningsgeschiedenis zien. Het landschap heeft een open karakter. Dit open karakter karakter is in de vorige paragraaf behandeld. Het bestaande landschap kent echter meer kwaliteiten dan haar openheid. Het noordwestelijke deel van het zoekgebied bevat een bebost gedeelte. Het gaat hierbij om een in onbruik geraakte eendenkooi. Op basis van historische kaarten is op te maken dat deze eendenkooi in de jaren 70 dicht is gegroeid. In figuur 5.5 is de situatie in het jaar 1980 zichtbaar. Hier is de eendenkooi voor het eerst zichtbaar dichtgegroeid. In de jaren hierna verruigt het gebied verder totdat er in de huidige situatie alleen nog bebossing aanwezig is. Een eventuele plaatsing van een windturbine zal op dit historische element daarom geen invloed meer hebben.
Figuur 5.4 Landschapstypen en stedelijke functies. Projectlocatie in rode cirkel weergegeven.
Figuur 5.5 Historische topografische kaart 1980.
Bijdrage aan duurzame energielandschappen Voor de ruimtelijke ontwikkeling van zon- en windenergie wijst de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) op het zoveel mogelijk koppelen van kansen en combineren van functies en het zoveel mogelijk behouden van de kernkwaliteiten van een gebied. Daarnaast dient de ontwikkeling van duurzame energie ook bij te dragen aan nieuwe landschappen, zoals staat beschreven in de Visie Kwaliteitsbeeld 2050 van de provincie NoordHolland. De RES zal leiden tot nieuwe duurzame energielandschappen, die een nieuwe betekenis krijgen. Dit criterium is bedoeld om die nieuwe betekenis te kunnen beoordelen. Dat principe is tweeledig, zie de beschrijving hieronder. A - Associatie locatie met duurzame energie Hierbij is de associatie van een bepaalde plek met duurzame energie van belang. Wanneer mensen een plek associëren met duurzame energie, omdat het er bijvoorbeeld hard waait of een plek al wordt getypeerd door andere vormen van duurzame energie, dan zal men nieuwe ontwikkelingen eerder accepteren. De zoeklocatie voor de Bloemendalerpolder lijkt slecht ruimte hebben voor een enkele windturbine. Vanuit de RES zijn ontwerpprincipes opgesteld voor het plaatsen van windturbine. Solitaire windturbines kunnen volgens die principes goed dienen als markeringspunt in het landschap.
In het geval van de Bloemendalerpolder zou een solitaire windturbine dienen als een markeerpunt van de oversteek van het Amsterdam-Rijnkanaal. De ligging van het zoekgebied direct naast de bruggen van de A1 en A9 is daarbij een pluspunt voor deze markering.
Figuur 5.6 solitaire windturbines als markering (Provincie Noord-Holland, 2020 b)
B - Benutten van meekoppelkansen / meervoudig grondgebruik Anderzijds zijn meekoppelkansen en meervoudig grondgebruik van belang. De ontwikkeling van duurzame energie zou gepaard moeten gaan met andere ruimtelijke ontwikkelingen en vraagstukken die spelen, door bijvoorbeeld in te zetten op meervoudig grondgebruik. Windenergie vraagt slechts een kleine footprint aan ruimte, waarbij ander grondgebruik in tact blijft (in tegenstelling tot zonne-energie). De voorgenomen ontwikkeling van een windturbine laat vanwege haar omvang genoeg ruimte over voor meervoudig landgebruik.
6. Conclusies landschap De effecten op landschap zijn in onderstaand overzicht samengevat. Effecten op landschap 1.
2.
3.
Aansluiting bij bestaand landschappelijk beleid A. Redelijk. Binnen het voorgestelde zoekgebied is een nieuwe woonwijk gepland, waardoor het zoekgebied slechts ruimte overlaat voor een enkele windturbine. B. Voor het overgebleven deel gelden meerdere landschappelijke regels. Het plaatsen van een enkele windturbine zal op deze locatie geen afbreuk doen aan de kernkwaliteiten van het landschap. Aansluiting bij bestaande landschappelijke kwaliteiten A. Er wordt rekening gehouden met bestaande structuren B. Omliggende historische elementen worden niet aangetast Bijdrage aan duurzame energielandschappen A. Een windturbine op deze locatie kan positief bijdragen aan een duurzaam energielandschap in de Bloemendalerpolder. Het kan dienen als een markeerpunt, waar men het AmsterdamRijnkanaal kan oversteken B. Windenergie draagt positief bij aan meervoudig grondgebruik
7. Bronnen Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff & de Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland. Verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Broekhuizen S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters, J.C. Buys, 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft, 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dijk van A.J. & Boele A. 2011. Handleiding SOVON Broedvogelonderzoek. SOVON Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Dijkstra, K.B., Kalkman, V.J., Ketelaar, R., van der Wiede, M.J.T., 2002. De Nederlandse libellen (odonata). Nederlandse fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Herder J.E., A. van Diepenbeek & R.C.M. Creemers, 2013. Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2013. Rapport 2013-010. Stichting RAVON, Nijmegen. Pondera, 2020. Haalbaarheidsstudie Windenergie Sciencepark, IJburg en Zeeburgereiland. Provincie Noord-Holland, 2019. Omgevingsverordening NH2020.
Provincie Noord-Holland, 2020 a, Bijzonder Provinciaal Landschap - 32 landschappen en kernkwaliteiten (19 november 2020). https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Bijzonder_Provinciaal_Landschap TAUW, 2019. Afwegingskader Natuur RES NHN en NHZ. 11 oktober 2019. Provincie Noord-Holland, 2020 b, Noord-Hollands perspectief op de Regionale Energiestrategieën, Provincie Noord-Holland, Haarlem Geraadpleegde internetwebsites: www.floron.nl www.libellennet.nl www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuis.net
www.vlindernet.nl www.zoogdiervereniging.nl www.duurzaambedrijfsleven.nl/futurefood/32857/biodiversiteit-landbouw www.streetsmart.com