Brief de heer C. Pfeiffer - Antwoord aan college op RIB 2021 88 Weesperschool
Tekst van het document
Gemeente Weesp t.a.v. het college van B & W Postbus 5099 1380 GB Weesp
Weesp, 6 mei 2021 Geacht college, Met interesse heb ik kennisgenomen van uw raadsinformatiebrief ‘Aandachtspunten bij het uitstellen van de vaststelling van het bestemmingsplan Weesperschool’. Inderdaad klopt het dat ik het initiatief heb genomen om te komen tot een raadsbreed gedragen voorstel voor het opstellen van een tijdelijke commissie ter beoordeling van de ingediende zienswijzen op het bestemmingsplan Weesperschool. Op dit moment wordt er daarvoor een raadsvoorstel voorbereid dat voorafgaand aan vergadering van de commissie SOB aan de raad zal worden aangeboden. Procedureel ga ik er vanuit dat uw brief aan dat agendapunt wordt gevoegd en ik wil hierbij de griffier vragen om mijn brief als antwoord daarop ook aan het agendapunt toe te voegen. Deze brief schrijf ik op persoonlijke titel als raadslid in antwoord op een aantal stellingen die u aan de raad meegeeft in de discussie die gevoerd zal worden bij bovengenoemd agendapunt. Want allereerst gaan we met elkaar in discussie of dit een weg is die wij willen gaan. Ik zal daarmee mijn idee verdedigen, maar schik mij uiteraard naar de meerderheid van de raad. Ik wil mijn waardering uitspreken over het delen van uw kennis en bedenking met betrekking tot het onderwerp.
Ten tweede wil ik wel mijn twijfel uitspreken of dit helemaal aan het concept van een informatiebrief aan de raad voldoet, het zou ook opgevat kunnen worden als een politieke inbreng van uw zijde die mogelijk meer op zijn plek is binnen de nog te voeren politieke discussie. Dan ter zake. Omdat het taaie materie betreft vind ik het daarom wijs hier schriftelijk op te reageren, zodat het een en ander kan bezinken voorafgaand het politieke debat. In de tweede alinea van uw brief gaat uw in op de termijnen die gesteld zijn aan de behandeling van een bestemmingsplan Weesperschool en de gevolgen van de mogelijke overschrijding hiervan. In antwoord daarop het volgende: gezien uw rekensom had inderdaad het bestemmingsplan voor 28 januari 2021 ter besluitvorming aan de raad aangeboden dienen te worden. Dat is uiteindelijk op 24 april 2021 gebeurd. Ruim 12 weken later dan gewenst. Gelukkig gaat het hierbij inderdaad om termijnen van orde en geen fatale termijnen, zoals u zelf ook al stelt. Maar het neerleggen van de verantwoordelijkheid van verdere vertraging bij de gemeenteraad lijkt mij daarmee een onjuiste voorstelling van zaken. Evenals het afhaken van de ambtelijke opdrachtgever (AOG) dan wel eventuele financiële consequenties.
Daarnaast kan het (juridische) punt worden gemaakt dat het instellen van een commissie zoals hierboven beschreven onderdeel uitmaakt van het vaststellingsproces zoals dat in de wet is bedoeld. De gemeenteraad neemt immers het raadsbesluit en het plan wel in behandeling. Verder herinnert u ons ook aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en u noemt daarbij specifiek de beginselen ‘redelijkheid’ en ‘motivering’. Vanuit mijn positie zou ik daar graag het ‘zorgvuldigheidsbeginsel’ en het ‘fair-play-beginsel’ tegenover willen zetten. Ook de algemene beginselen kunnen immers met elkaar strijdig zijn en voer voor discussie opleveren.
In de een-na-laatste alinea stelt u dat het uitnodigen van enkele indieners van zienswijzen mogelijk niet strookt met het gelijkheidsbeginsel. Ik zou daarop graag willen antwoorden dat de commissie op dit moment nog niet bestaat, er daarom nog geen formele werkwijze is vastgesteld en dat alle indieners van zienswijzen door u als college gelijk zijn behandeld en zijn voorzien van een antwoord. Dat heeft u ook aan ons verstrekt in de vorm van de Nota van Beantwoording. Ik zie niet in hoe het verder praten met enkele indieners deze bestaande gelijkheid zou verstoren. Met betrekking van de Weesperwerf geef ik hetzelfde mee als bij Weesperschool. Volgens mijn berekening had het bestemmingsplan volgens de normen begin maart 2021 aan de raad moeten zijn aangeboden. Uw inbreng interpreteer ik persoonlijk dan ook als een motivatie aan een eventuele commissie om de wijze van handelen goed vooraf vast te leggen en daarnaast een helder tijdspad naar buiten te brengen voor alle betrokkenen. Tot slot zou ik graag verwijzen naar een passage die Herman Tjeenk Willink onlangs schreef in zijn aanbiedingsbrief van de informatie aan de Kamer. Hij schreef: “In de verhouding tussen burger en overheid zal de burger de overheid alleen vertrouwen als deze betrouwbaar is en uitgaat van vertrouwen in burgers”. Hij doelt daarmee op de toeslagencrisis en alles wat daaraan vooraf is gegaan.
Hij vervolgt met: “Erkenning van en steun aan burgerinitiatieven (maatschappelijke democratie) zijn blijken van vertrouwen. Maar bovenal wordt vertrouwen gediend door duidelijkheid over de verwachtingen over en weer, van burgers en overheid; een nieuw sociaal contract.” Het in gesprek gaan met ruim 120 indieners van een zienswijze en mogelijk daarna andere belanghebbenden, waarbij vooraf rol en taken duidelijk zijn gedefinieerd, kan ik mijn optiek nooit schadelijk zijn en sterker nog, helpen om ook op lokaal niveau het vertrouwen in onze democratie verder te vergroten. Met vriendelijke groet,
Christian Pfeiffer Raadslid GroenLinks