CConstaterende datWeesp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij RIB 2021 133 - Nota van Beantwoording Beleidskader Participatie (is op 16 september toegevoegd op verzoek)

Commissie WZ 16 september 2021, gemeente WeespBij agendapunt: Vragen naar aanleiding van Raadsinformatiebrieven5.239 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van beantwoording Beantwoording van de zienswijzen en adviezen van de stadsdelen en Weesp op het Beleidskader Participatie

1.1 Achtergrond Elk jaar vinden in Amsterdam tientallen grote en kleine participatietrajecten plaats. Variërend van klassieke inspraak tot moderne online toepassingen. Veel gaat goed. Maar regelmatig ook loopt participatie niet naar wens. Het leidt tot teleurstelling, vertraging, oplopende kosten en een verlies aan vertrouwen. De afgelopen jaren is er veel geëvalueerd en geleerd. De lessen zijn nu omgezet in nieuw participatiebeleid. We willen met het nieuwe participatiebeleid de invloed van Amsterdammers op hun directe omgeving, op de stad als geheel en op de gemeentelijke dienstverlening vergroten. Daarom zijn de uitgangspunten en richtlijnen voor participatie vastgelegd in nieuw beleid. Bestuurders en ambtenaren die participatie organiseren, moeten hier rekening mee houden. Bewoners, ondernemers en organisaties die met participatie te maken hebben weten waar ze op kunnen rekenen. Het beleidskader participatie is tot stand gekomen in nauw overleg met een maatschappelijke werkgroep, gevoed door de kennis van wetenschappers en bouwt voort op het weg verbredende werk van diverse ambtenaren. De maatschappelijke werkgroep bestaat uit een brede vertegenwoordiging van Stadmakers met een rijke ervaring over wat in de stad speelt en het verkleinen van de kloof tussen burger en overheid. Hun inzichten en adviezen hebben onze blik verruimd en daarmee het beleid verder geholpen.

Na besluitvorming in het college van 1 juni is het Beleidskader Participatie vrijgegeven voor inspraak gedurende een periode van 7 weken (5 juni tot en met 23 juli). Gedurende deze periode konden alle belanghebbenden hun reactie schriftelijk of per e-mail kenbaar maken. Er zijn gedurende deze periode 4 inspraakreacties ingestuurd, waarbinnen verschillende thema’s naar voren zijn gebracht. Daarnaast zijn de stadsdelen, conform de verordening op het lokaal bestuur, om advies gevraagd. Ook het bestuur van Weesp is, gezien de komende bestuurlijke fusie, om advies gevraagd. De stadsdelen zijn, conform de verordening op de stadsdelen, om advies gevraagd. Het verzoek was om uiterlijk 31 augustus advies uit te brengen. Alle 7 stadsdelen hebben advies uitgebracht. In alle 7 stadsdelen heeft het DB de stadsdeelcommissie om advies gevraagd, en dit advies meegewogen in het uiteindelijke advies (zie bijlagen voor alle adviezen). In Stadsdeel Zuid-Oost dient ten tijde het opstellen van deze Nota van Beantwoording het advies nog formeel door het Dagelijks Bestuur vastgesteld te worden. Daarvan is het voorlopige advies bijgevoegd. Gezien de komende bestuurlijke fusie, is ook de Gemeente Weesp om advies gevraagd. Daar hebben de gemeenteraad en het college beiden een advies uitgebracht over het beleidskader Participatie.

1.2 Leeswijzer Met deze nota van beantwoording worden alle ingebrachte zienswijzen uit de verschillende

2

inspraakreacties, inclusief een reactie van het college weergegeven. Vervolgens wordt ingegaan op de adviezen van de stadsdelen en Weesp. Dit is niet per zienswijze/advies gedaan, maar per thema die uit de verschillende inspraakreacties en adviezen zijn gedestilleerd. Thema’s uit de zienswijzen: 1) Het beleidskader is te weinig transparant en niet toegankelijk qua taal 2) Het doel zou altijd moeten zijn lokale kennis, belangen en inzichten boven tafel te krijgen, zodat deze bijdragen aan de beste oplossing van het voorliggende probleem. 3) De gemeente wil met dit kader te veel controle houden, er is te weinig (beleids-) ruimte 4) Actieve informatieplicht, het informeren en raadplegen van burgers zou een structureel en vanzelfsprekend onderdeel moeten zijn van de representatieve democratie. 5) Er missen onderzoeken en conclusies die niet meegenomen zijn in dit beleidskader 6) Het buurtplatform (recht) mist en moet worden opgenomen 7) De rol van georganiseerde bewoners is onderbelicht, alsmede de mogelijkheid voor bewoners om de participatie zelf uit te voeren 8) Het hele document is doordrenkt van het denken vanuit de systeemwereld en wat de systeemwereld nodig heeft in de planningscycli. Dat moet radicaal andersom. 9) Participatie moet niet eenmalige trajecten per projectplan zijn maar als een continu proces van buurtbouwen moet zien.

10) Neem het model van inclusieve opbouw participatie op Thema’s uit de adviezen van de stadsdelen en Weesp: 1) 2) 3) 4)

Indieningsvereisten bij vergunningverlening Bevoegdheden Commitment op participatieplan als geheel Leidraad Burgerparticipatie 4.1 Noords participatieprotocol 4.2 Niveau informeren 5) Tijdspanne van participatie 6) Implementatie van het beleidskader 7) Overheidsparticipatie 8) Toegang tot informatie 9) Beroepsmogelijkheden 10) Participatieprincipe 11) Inclusiviteit/toegankelijkheid 12) Uitvoering van beleid 13) Beleidsruimte indicatief

3

In de bijlage van deze nota zijn alle inspraakreacties (willekeurig) genummerd en is aangegeven in welke paragrafen van deze nota de beantwoording op de zienswijze(n) is terug te lezen. Alle indieners ontvangen het nummer dat hun zienswijze heeft gekregen. In de bijlage zijn integraal de adviezen van de stadsdelen en Weesp opgenomen.

1.3 Zienswijzen en reactie per thema

Thema 1 (3 zienswijzen) Het beleidskader is te weinig transparant en niet toegankelijk qua taal Reactie college: Het beleidskader gaat over de manier waarop de gemeente zijn werk doet. Een van de doelstellingen van dit beleidskader is om meer transparantie te betrachten over deze werkwijze. Daarom wordt er van dit beleidskader een publieksvriendelijke versie gemaakt. Conclusie: deze zienswijze leidt niet tot een wijziging van het beleidskader. Wel wordt er een publieksvriendelijke versie van gemaakt.

Thema 2 (1 zienswijze) Het doel zou altijd moeten zijn lokale kennis, belangen en inzichten boven tafel te krijgen, zodat deze bijdragen aan de beste oplossing van het voorliggende probleem. Reactie college: Het boven tafel krijgen en benutten van lokale kennis, belangen en inzichten is een van de mogelijke doelen van participatie, maar niet het enige doel voor de gemeente om burgers actief te betrekken. De richtlijn (p.8) onderscheid daarom zes mogelijke doelen van participatie (van Eigenaarschap tot Legitimiteit). Aan deze doelen koppelt de richtlijn verschillende niveaus van zeggenschap (van Meebepalen tot Informeren) en doet suggesties voor bijpassende mogelijke participatievormen. Conclusie: deze zienswijze leidt niet tot een wijziging

Thema 3 (1 zienswijze) De gemeente wil met dit kader te veel controle houden, er is te weinig (beleids-) ruimte Reactie college:

4

Dit beleidskader gaat over burgerparticipatie. Dat wil zeggen bij zaken waarbij het initiatief bij de overheid ligt, zoals bij het opstellen van nieuw beleid, of bij herinrichtingen van straten. Bij het realiseren van dergelijke zaken is de stem van de Amsterdammer een zeer belangrijk onderdeel, maar niet het enige. Daarnaast zijn er ook andere onderwerpen, zoals veiligheid, de duur van het project, de wens tot het realiseren van woonruimte, etc, die allen meewegen bij het uiteindelijk te nemen besluit. Een besluit dat uiteindelijk door de representatieve democratie genomen wordt. Om teleurstellingen bij participatie zo veel mogelijk te voorkomen is het essentieel aan te geven waarover meegesproken kan worden. Is die ruimte klein, bijvoorbeeld door geldend beleid, dan communiceren we daar helder en transparant over. Conclusie: deze zienswijze leidt niet tot een wijziging

Thema 4 (1 zienswijze) Actieve informatieplicht, het informeren en raadplegen van burgers zou een structureel en vanzelfsprekend onderdeel moeten zijn van de representatieve democratie. Reactie college: Een actieve informatieplicht over beleidsvoornemens van de gemeente is reeds onderdeel van de huidige inspraakverordening. Daarbovenop leggen we met dit beleidskader de gemeentelijke organisatie op om vroegtijdig een participatieplan op te stellen, waarmee ook inzichtelijk wordt met welk doel en op welke wijze burgers worden betrokken. Het beleidskader vermeldt nu dat het participatieplan wordt gepubliceerd, vanuit het idee dat burgers hier kennis van kunnen nemen en zich actief kunnen verhouden tot deze plannen. Het klopt dat daarmee nog niet is aangegeven op welke wijze burgers kennis hiervan kunnen nemen en hoe ze hierover met de gemeente in gesprek kunnen gaan. Over deze vragen gaat de gemeente in het vrij toegankelijke Stadsgesprek van 8 september met actieve burgers in gesprek. Conclusie: deze zienswijze leidt niet tot een wijziging.

Thema 5 (1 zienswijze) Er missen onderzoeken en conclusies die niet meegenomen zijn in dit beleidskader Reactie college: Bij het tot stand brengen van het beleidskader is er geput uit 9 evaluaties van recente participatietrajecten en het onderzoeksrapport van Professor Nanke Verloo. Verder zijn er ervaringen en lessen opgehaald bij een maatschappelijke klankbordgroep van ervaren stadmakers en een ambtelijke werkgroep. Het is goed mogelijk dat er nog meer onderzoeken 5

zijn die niet zijn meegenomen bij het tot stand brengen van dit beleidskader. Zonder een precisering over welke onderzoeken en conclusies zijn gemist, is geen inschatting te maken of en wat aan het beleidskader veranderd moet worden. Conclusie: deze zienswijze leidt niet tot een wijziging

Thema 6 (1 zienswijze) Het buurtplatform (recht) mist en moet worden opgenomen Reactie college: Dit beleidskader gaat over burgerparticipatie. Dat wil zeggen bij zaken waarbij het initiatief bij de overheid ligt, zoals bij het opstellen van nieuw beleid, of bij herinrichtingen van straten. De overheidsparticipatie, dus daar waar het initiatief in de samenleving ligt, wordt verder uitgewerkt in het kader buurtrechten, dat naar verwachting eind 2021 aan de gemeenteraad ter besluitvorming aangeboden wordt. Op het snijvlak tussen burger- en overheidsparticipatie bevindt zich co-creatie, welk zowel vanuit de samenleving als vanuit de overheid geïnitieerd kan worden. Een buurtplatform kan inderdaad op dat snijvlak van toegevoegde waarde zijn. Echter zijn de buurtplatformen in Amsterdam niet overal even actief. Conclusie: deze zienswijze leidt wel tot een wijziging, namelijk dat op pagina X de volgende tekst De uitvoerders van het traject hebben achtergrondkennis over de desbetreffende buurt, weten wat er speelt in de leefwereld en welke voorgeschiedenis er heeft plaats gevonden. Ze maken hierbij gebruik van de kennis van de gebiedsteams en gebiedspools aangevuld wordt tot De uitvoerders van het traject hebben achtergrondkennis over de desbetreffende buurt, weten wat er speelt in de leefwereld en welke voorgeschiedenis er heeft plaats gevonden.

Ze maken hierbij gebruik van de kennis van de gebiedsteams en gebiedspools en indien aanwezig van het lokale buurtplatform

Thema 7 (1 zienswijze) De rol van georganiseerde bewoners is onderbelicht, alsmede de mogelijkheid voor bewoners om de participatie zelf uit te voeren Reactie college: het college onderkend het belang van georganiseerde bewoners. Het beleidskader stuurt aan om de lokale context en organisatiegraad mee te wegen in het participatieontwerp. Daarmee is dit thema voldoende in het kader opgenomen.

6

Conclusie: deze zienswijze leidt niet tot een wijziging

Thema 8 (1 zienswijze) Het hele document is doordrenkt van het denken vanuit de systeemwereld en wat de systeemwereld nodig heeft in de planningscycli. Dat moet radicaal andersom. Reactie college: Het klopt dat het beleidskader de gemeente als vertrekpunt heeft. Deels is dit omdat het beleidskader gaat over burgerparticipatie (dus over hoe de overheid burgers betrekt bij voornemens van de overheid). Het is een onderdeel van de bredere democratiseringsagenda om zeggenschap te verschuiven naar burgers (denk bijvoorbeeld aan de buurtrechten die we vastleggen, de referendumverordening die we aanpassen en de buurtbudgetten die beschikbaar zijn gesteld). Voor verreweg de meeste participatietrajecten geldt dat deze volgen op een voornemen van de overheid. Het initiatief om participatie op te zetten, ligt dan ook onvermijdelijk bij de overheid. Daar komt bij dat het Beleidskader de gemeente iets oplegt. Het richt zich dus per definitie tot de overheid omdat de overheid dit beleid moet uitvoeren. Dat gezegd hebbende, is het ook de wens van het college om zo vroeg mogelijk de participatie samen op te zetten (participatie over de participatie). Het Beleidskader eist daarom van de gemeente dat zij in een zo vroeg mogelijk stadium bewust nadenkt over of/hoe/met welk doel het burgers gaat betrekken bij de plannen.

Het Beleidskader waarschuwt daarbij dat de gemeente moet oppassen met claimen dat het weet wat burgers met participatie willen, en suggereert daarom om in een verkennende sessie met bewoners de behoefte van de burgers in beeld te krijgen en op basis daarvan het participatieplan vorm te geven (uitgangspunt 1). Conclusie: deze zienswijze leidt niet tot een wijziging

Thema 9 (1 zienswijze) Participatie moet niet eenmalige trajecten per projectplan zijn maar als een continu proces van buurtbouwen moet zien. Reactie college: Idealiter is participatie een doorlopend proces (waarbij het verschil tussen burger- en overheidsparticipatie nihil is). Een wereld waarin de overheid doorlopend geïnvolveerd is in wat er bij burgers speelt, wat de behoefte zijn en daarop reageert en inspeelt, is ook voor dit college een aantrekkelijk vergezicht. Op momenten en plekken lukt de gemeente het ook al aardig om dat doorlopend proces vorm te geven. Het beleidskader is echter bedoeld voor alle participatie- en inspraaktrajecten dat de gemeente doet. Rekening houdend met de grote

7

verscheidenheid in deze trajecten, is het uitgangspunt het situationele participatiedoel van een op zichzelf staand project. Conclusie: deze zienswijze leidt niet tot een wijziging

Thema 10 (2 zienswijzen) Neem het model van inclusieve opbouw participatie op Reactie college: Het experiment in de K-buurt is een goed voorbeeld van zelf organisatie bij participatie, wat goed past bij de locatie en de betrokken. Ook bij de cocreatie die er was bij het opstellen van het Stedenbouwkundig plan en de Omgevingsvisie was dit het geval. Echter is de situatie in geen enkele buurt in Amsterdam hetzelfde. Maatwerk blijft geboden. Het beleidskader beschrijft een algemeen geldende ondergrens voor alle participatietrajecten. Daarbovenop kan in gevallen waar dit een meeraarde heeft gewerkt worden met meer uitgebreide modellen. Conclusie: deze zienswijze leidt niet tot een wijziging

1.4 Adviezen stadsdelen en reactie per thema 1) Indieningsvereisten bij vergunningverlening Een aantal stadsdelen geven aan dat het beleidskader niet voorziet in de indieningsvereisten die de Omgevingswet stelt bij het aanvragen van een vergunning. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (naar verwachting 1 juli 2022) wordt er verwacht dat een vergunning aanvrager de buurt informeert en raadpleegt als het gaat om bouwplannen met ruimtelijke impact. Daarbij is het belangrijk dat voor de aanvragers helder is wat er van hen verwacht wordt bij het organiseren van participatie. Stadsdeel West heeft hiertoe de Handreiking regie op participatie ontwikkeld die aansluit op de stedelijke leidraad en richtlijnen. Reactie college: Het beleidskader Participatie is een beleid op hoofdlijnen. Interne werkprocessen dienen hier eventueel nog op aangepast te worden. Daartoe wordt, op basis van dit beleidskader en voor invoering van de Omgevingswet, een Handreiking participatie door derden ontwikkeld. Conclusie: deze adviezen leiden wel tot aanpassingen. In de beleidsbrief wordt de volgende tekst toegevoegd: Met dit participatiebeleid anticiperen we op de aankomende Omgevingswet (inwerkingtreding naar verwachting op 1 juli 2022) en de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (beoogde vaststelling in de Raad op 7 juli 2021). De Omgevingswet stimuleert dat gemeenten participatiebeleid maken en 8

vastleggen. Zo verlangt de Omgevingswet dat de vergunning aanvrager moet aangeven of, en zo ja hoe, hij participatie heeft vormgegeven en wat hij met het resultaat heeft gedaan. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale belangenafweging. Daarbij is het belangrijk dat de vergunningaanvrager weet wat er bij de participatie verwacht wordt. Daartoe wordt, op basis van dit beleidskader en voor invoering van de Omgevingswet, een Handreiking participatie door derden ontwikkeld. Bij plannen die vallen binnen een Omgevingsplan is de al dan niet gevoerde participatie geen grond voor afwijzing, maar telt deze wel mee bij de belangenafweging. De Omgevingswet biedt wel de mogelijkheid aan de raad om participatie verplicht te stellen bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Bespreking en besluitvorming over de mate waarin en wijze waarop participatie verplicht wordt gesteld bij aanvragen voor buitenplanse omgevingsactiviteiten staat voor eind 2021 gepland in de commissie RO en Gemeenteraad. De Omgevingswet vereist daarnaast dat de overheid zelf kenbaar maakt hoe inwoners, bedrijven, maatschappelijke partners en ketenpartners betrokken worden bij de totstandkoming van de omgevingsvisie, een programma en het omgevingsplan. Daarin voorziet dit beleidskader.

2) Bevoegdheden Onder de ‘Principes’ staat bij punt 1 (op pagina 7) dat de gemeenteraad betrokken moet worden wanneer een besluit of plan veel impact heeft op de leefwereld van bewoners. Een aantal stadsdelen adviseert m.b.t. de betrokkenheid van de gemeenteraad en de stadsdeelcommissies aan te sluiten bij het bevoegdhedenregister. Is het dagelijks bestuur van een stadsdeel verantwoordelijk voor een participatieplan dan wordt de stadsdeelcommissie betrokken. Is het college verantwoordelijk dan wordt de gemeenteraad betrokken. In het laatste geval betrekt het dagelijks bestuur in haar advies aan het college ook het advies van de stadsdeelcommissie. Stadsdeel West wenst daarover nadere afspraken te maken met het college. In dit geval kan de nabijheid van het stadsdeelbestuur en de tijd en aandacht die zij aan het participatieproces kan besteden een belangrijke bijdrage leveren aan de kwaliteit van het proces. Het dagelijks bestuur en college kunnen dan overeenkomen dat het dagelijks bestuur namens het college de bestuurlijk trekker is bij de participatie en de voorbereiding van de besluitvorming. Indien er bestuurlijke dillema’s optreden vindt afstemming plaats tussen de portefeuillehouder en de wethouder Reactie college: Het bestuur neemt het advies over om aan te sluiten bij het bevoegdhedenregister.

Dit past bij het uitgangspunt van het beleidskader dat de impact op bewoners vertaald wordt in de omvang van participatie en de wijze van besluitvorming. Het opstellen van het participatieplan, en het gesprek met bewoners daarover, dient plaats te vinden met betrokkenheid van het bestuur dat de bevoegdheden daarvoor draagt. Dat kan de gemeenteraad zijn, maar ook het stadsdeel.

9

Voor wat betreft de gewenste aanvullende afspraken is het college altijd bereid tot overleg, maar wenst het college zich te houden aan de afstemming en adviesafspraken die gemaakt zijn bij het vaststellen van het Bestuurlijk Stelsel. Conclusie: Dit advies leidt tot de volgende aanpassing op pagina 7 van het Beleidskader: Bij besluiten of plannen met een grote impact, en die onder de stedelijke bevoegdheid vallen, ligt het daarnaast voor de hand dat de gemeenteraad, als het hoogste besluitvormende orgaan in de representatieve democratie, zich uitspreekt over de omvang en mate van invloed in het participatietraject. 3) Commitment op participatieplan als geheel Stadsdelen vervullen een belangrijke adviesrol bij het opstellen en uitvoeren van het participatieplan, in lijn met de ‘ogen-en- oren’-functie van het stadsdeel. Denk daarbij bijvoorbeeld aan advies over de te betrekken bewoners(groepen) en de beoogde scope (waar moet de vraag aan bewoners over gaan). In aanvulling op de vragen van het college adviseert het dagelijks bestuur van West het volgende: Onder punt 3 (op pagina 5) wordt in het uitgangspunt aangegeven ‘De bestuurder legt vooraf gemotiveerd vast aan welk participatieniveau zij zich committeert, en op welke manier de participatie uitgevoerd wordt. Deze afspraken worden vastgelegd in een participatieplan dat gepubliceerd wordt.’ Hierin lijkt het niveau bepalend.

Voor stadsdeel West is het belangrijk aan te geven dat het om het gehele participatieplan gaat, dus ook over het doel, de scope en de aanpak. Al deze factoren bepalen uiteindelijk de kwaliteit van het plan. Het dagelijks bestuur van West adviseert daarom om bovengenoemd uitgangspunt te wijzigen in: ‘De bestuurder legt vooraf gemotiveerd vast aan welk participatiedoel, de mate van invloed (participatieniveau) en de scope van de vraag zij zich committeert, en op welke manier de participatie uitgevoerd wordt’. Reactie college: het college neemt deze verrijking van het genoemde uitgangspunt over om zo tot een volledigere definitie van wat een participatie plan omhelst te komen Conclusie: Onder punt 3 (op pagina 5) wordt het uitgangspunt aangepast naar: ‘De bestuurder legt vooraf gemotiveerd vast aan welk participatiedoel, de mate van invloed (participatieniveau) en de scope van de vraag zij zich committeert, en op welke manier de participatie uitgevoerd wordt’. 4) Leidraad Burgerparticipatie

10

4.1 Noords participatieprotocol Het advies van stadsdeel Noord is om de uitgangspunten van het Noordse participatie protocol als praktische invulling te beschouwen van het stedelijke participatiekader. Reactie college: Er is intensief contact geweest met Red Amsterdam Noord over het Noordse Participatieprotocol. De belangrijkste opmerkingen van Red Amsterdam Noord betroffen de Leidraad Participatie. Ook gezien de aangenomen Motie 507’ Werken aan het Participatieprotocol, is er een aantal zaken in de Leidraad Participatie aangepast. Conclusie: Dit advies heeft geleid tot aanpassingen van de Leidraad Participatie. Namelijk: 1) De inleidende tekst werd als te negatief gezien, en is daarop aangepast. De inleidende tekst was: Er komt een moment dat je moet nadenken over participatie bij een project. Waar moet je op letten als je bewoners betrekt? Gebruik daarvoor deze leidraad. Neem de vragen door met de project-, proces-, of programmamanager. Of met de hele projectgroep. We spreken in deze leidraad van bewoners. Daarmee bedoelen we echter alle deelnemers die bij een participatieproces kunnen worden betrokken: inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen en overige belanghebbenden. Deze is vervangen door: Onderstaande leidraad helpt je om vroeg in het proces, bewust na te denken over hoe je Amsterdammers op een betekenisvolle manier kunt betrekken.

Het vroeg en bewust stilstaan bij de wijze waarop je burgers betrekt, helpt om betere resultaten te bereiken, maar ook om teleurstelling achteraf te voorkomen. Neem de vragen door met de project-, proces-, of programmamanager. Of met de hele projectgroep. We spreken in deze leidraad van Amsterdammers. Daarmee bedoelen we alle deelnemers die bij een participatieproces kunnen worden betrokken: inwoners, ondernemers, maatschappelijke instellingen en overige belanghebbenden. 2) Bij stap 1, het formuleren van het doel van participatie, werd gemist dat dit een gezamenlijk doel dient te zijn, daarop is - het woord ‘gezamenlijk’ toegevoegd. - Er is de volgende zin toegevoegd: Als de belangen van de bewoners onvoldoende in beeld zijn, organiseer een verkennende sessie 3) Bij stap 2 ‘Procesfase’ werd opgemerkt dat het belangrijk is om per procesfase te bepalen wat het doel is. Daarop is de tekst: Formuleer in welke fase van het proces de participatie plaatsvindt. Dit zorgt voor een beter begrip bij participanten. Vervangen door:

11

Bepaal per fase wat de participatie gaat zijn (kan per fase verschillen)., en wees helder over welke fase de participatie gaat. Het doel kan per fase verschillen, alsmede de mate van invloed. Leg ook per fase vast wat de (beleids-) kaders zijn Bij stap 3, in het blokje ‘Informeren’ werd opgemerkt dat informeren de meest minimale passieve vorm van participatie is. De tekst is daarop aangevuld met Dit is de meest minimale vorm van participatie. 4) Bij stap 4, Voorwaarden, blokje 4 werd opgemerkt dat een voorwaarde is dat er voldoende kennis, ervaring en/of betrokkenheid dient te zijn, niet alleen bij de deelnemers aan de participatie, maar ook in de organisatie. Daarop is de tekst aangevuld. 5) Bij stap 5, Participatieplan werd opgemerkt dat - Een participatieplan voorgelegd dient te worden aan een verkennende sessie, indien die heeft plaats gevonden. - Het publiceren van het participatieplan ontbreekt Daarop is de tekst aangepast naar: Stel het participatieplan op. In het participatieplan wordt het doorlopen van de bovenstaande stappen weergegeven. In dit plan worden ook de instrumenten weergegeven waarmee de participatie wordt uitgevoerd. Voor elk gekozen niveau zijn verschillende instrumenten en methoden toepasbaar, zie daarvoor de bijgevoegde Richtlijn. Leg het participatie plan voor aan de deelnemers van de verkennende versie, indien die heeft plaatsgevonden.

Het participatieplan maakt deel uit van het project- / beleidsplan, en wordt gepubliceerd. In de participatieparagraaf wordt een samenvatting gegeven van het participatieplan. 4.2 Niveau informeren Eén stadsdeel stelt het volgende: ‘In de Leidraad is ‘informeren’ een van de niveaus van participatie. Als participatie om actieve deelname gaat dan valt informeren hier niet onder. Wel is het een belangrijke voorwaarde’ Reactie college: Het college deelt de observatie dat ‘Informeren’ in strikte zin geen actieve participatie hoeft te betekenen, maar het is wel een belangrijke basisvoorwaarde voor participatie, en daarmee een belangrijke procesvereiste voor het nadenken over participatie. Daarom heeft het college ervoor gekozen dit informatieniveau wel te benoemen als participatieniveau. Conclusie: Dit advies leidt tot een aanpassing in de Leidraad Burgerparticipatie. Bij stap 3 onder ‘Informeren’ wordt de volgende zin toegevoegd: Dit is de meest minimale vorm van participatie

12

5) Tijdspanne van participatie Doordat sommige projecten zich over een aantal jaren uitspreiden stellen een aantal stadsdelen dat het van belang is, ofwel bij het ingaan van een nieuwe fase, ofwel als een project weer gestart wordt nadat het een tijd heeft stilgelegen, om het participatieplan steeds te actualiseren. Ook is het voorstel gedaan om vooraf een maximale tijdspanne van participatieprocessen vast te stellen. Reactie college: Voor elke fase van een project kan een andere participatieaanpak noodzakelijk zijn. Zeker als een project meerdere jaren duurt is het van belang dat de aanpak meebeweegt met veranderende omstandigheden. Ook is het van belang als organisatie om te realiseren dat bij een herstart de samenstelling en belangen van een buurt veranderd kunnen zijn. In dat geval is het belangrijk om te controleren of de eerder afgesproken participatie nog van toepassing is op de mogelijk veranderde situatie. Dat kan bijvoorbeeld middels een Bewoners Effect Rapportage. Zorgen voor continuïteit is reeds gedekt door het uitgangspunt (onder 1) ‘Indien het doel gaandeweg wijzigt, wordt dit helder gemarkeerd en besproken met alle betrokkenen en consequent door vertaald in een herziene aanpak’. Doordat participatieprocessen en projecten soms buiten de verantwoordelijkheid van de gemeente vertraging oplopen is het niet mogelijk een maximale tijdspanne vooraf vast te stellen.

Conclusie: Deze adviezen leiden tot twee aanpassingen. In het beleidskader wordt de toelichting op Uitgangspunt 1 met de volgende zin (cursief) aangepast: Tot slot kunnen ontwikkelingen of opgedane inzichten aanleiding zijn om het doel van participatie gaandeweg te herijken. Dit geldt in het bijzonder voor langlopende processen (zoals planvorming), waar het in de lijn van verwachtingen is dat inzichten, belangen en behoeftes van burgers met het verstrijken van de jaren zijn veranderd. In lijn met het belang om het doel helder en transparant te communiceren, moet dus ook het wijzigen van het doel helder gemarkeerd worden voor alle betrokkenen. Evengoed leidt een wijziging van het doel ook tot het herijken van het daarop aansluitende participatietraject. Daarnaast wordt de Leidraad Burgerparticipatie aangepast. Bij Stap 2 wordt de tekst aanpast en veranderd in: Bepaal per fase wat de participatie gaat zijn (kan per fase verschillen), en wees helder over welke fase de participatie gaat. Het doel kan per fase verschillen, alsmede de mate van invloed. Leg ook per fase vast wat de (beleids-) kaders zijn.

6) Implementatie van het beleidskader

13

Veel adviezen van de stadsdelen stellen de uitgangspunten en principes van het Beleidskader goed werkbaar te vinden, maar vragen zich hoe de implementatie van het kader vorm gaat krijgen, hoe de werkprocessen en richtlijnen van de gemeente afgestemd worden op het beleidskader en hoe de verantwoordelijk bestuurders daar de komende jaren zicht op houden. Daarbij wordt geadviseerd in gesprek te gaan met de verschillende organisatieonderdelen en de benodigde stappen te zetten om ervoor te zorgen dat de organisatie toegerust is om het beleidskader uit te voeren. Reactie college: In dit Beleidskader staat de bestuurlijke opdracht over hoe Participatie in de stad vorm te geven. De organisatie werkt nu aan een implementatieplan voor de uitvoering daarvan. Zoals in het beleidskader aangegeven (p.8) Daarbij hoort ook de bereidheid om onze interne processen zo in te richten dat we burgers invloed kunnen geven op de uitkomst van een participatieproces. Want te vaak zijn het onze interne processen, adviesgroepen en commissies die de ruimte al verregaand invullen, die we met een participatietraject kunnen en willen overlaten aan de betrokken burgers.

Het doel dat we bij de uitwerking van de veranderstrategie voor ogen houden is: de stap maken van projectparticipatie naar structurele participatie; het scheppen van een bedding waarbinnen overheid en burgers samenwerken op basis van vertrouwen; en een stevige basis leggen voor cocreatief leren en innoveren op basis van diverse ervaringen en inzichten. Het college begrijpt de wens om zicht te houden op die ontwikkelingen. Het college stelt voor om in het tweede kwartaal van 2022 de gemeenteraad over de voortgang te berichten. Conclusie: deze adviezen leiden tot een wijziging op pagina 6. Aan bovengenoemde tekst wordt de volgende zin toegevoegd: Het college zal uw raad in het tweede kwartaal van 2022 over de voortgang van de veranderstrategie berichten.

7) Overheidsparticipatie Dit beleidskader gaat over burgerparticipatie, een aantal stadsdelen geeft aan in dit kader overheidsparticipatie te missen. Reactie college: Dit beleidskader gaat over burgerparticipatie, en gaat over zaken waarbij het initiatief bij de overheid ligt, bijvoorbeeld bij het opstellen van nieuw beleid, of de uitvoering daarvan. Overheidsparticipatie, bij zaken waar het initiatief in de samenleving ligt (bewoners of maatschappelijke partners nemen initiatief en de overheid moet zich daartoe verhouden), worden uitgewerkt in het Kader Buurtrechten. Dit kader is nog in ontwikkeling en naar verwachting in december 2021 ter besluitvorming aan de raad worden aangeboden.

14

Conclusie: Dit advies leidt niet tot aanpassingen

8) Toegang tot informatie Stadsdelen adviseren online middelen te ontwikkelen voor het centraal beschikbaar stellen van informatie over participatie trajecten aan bewoners, en over de voortgang daarvan. Te denken valt bijvoorbeeld ook aan een ‘track and trace’ van participatietrajecten in jouw buurt, of het volgen van jouw input door het besluitvormingstraject heen. Ook kunnen de communicatiekanalen van het stadsdeel benut worden om participatieplannen onder de aandacht te brengen. Reactie college: Het is belangrijk te onderzoeken of het centraal ontsluiten van deze informatie voorziet in een behoefte. Het college denk dat het mogelijk zinvoller is om die informatie juist decentraal te ontsluiten, dicht in de buurt en bij bewoners. Dus een kalender voor West, Oost etc. Er is momenteel een (participatie) kalender voor Amsterdam in ontwikkeling met de mogelijkheid om informatie, inspraak en bewonersbijeenkomsten in op te nemen. De kalender verwijst en biedt vooralsnog niet de mogelijkheid om de uitkomsten van participatietrajecten te volgen. Bij de uitwerking en implementatie van het beleidskader onderzoeken we de mogelijkheden deze functionaliteit alsnog toe te voegen.

Conclusie: Dit advies leidt niet tot aanpassingen 9) Beroepsmogelijkheden Eén stadsdeel stelt voor om in het participatieprotocol de mogelijkheid op te nemen voor betrokken bewoners(groepen) om in beroep te gaan bij de gemeenteraad tegen een door het college/de gemeente vastgesteld participatiekader. Reactie college: Het participatieplan wordt gepubliceerd en de verantwoordelijk bestuurder is daarop aanspreekbaar. Dat is het moment om de bestuurder over het plan in gesprek te gaan. Uiteindelijk is de gemeenteraad het hoogste orgaan van de gemeente en kan daar ingesproken worden. Conclusie: Dit advies leidt niet tot wijzigingen 10) Participatieprincipe Een stadsdeel stelt dat een participatieplan vraagt om een leidend participatieprincipe, welke zij op basis van de toegezonden stukken niet helder hebben kunnen herleiden. Reactie college: De principes en uitgangspunten van participatie zijn gevat in de beleidsbrief, de concrete uitvoering daarvan in de Leidraad Burgerparticipatie. Conclusie: Dit advies leidt niet tot een aanpassing.

15

11) Inclusiviteit/toegankelijkheid Een aantal stadsdelen stelt dat het Beleidskader en de begeleidende brief soms moeilijk toegankelijk door ambtelijk taalgebruik, en daarmee te weinig inclusief. Daarbij is de aanbeveling gedaan om een publieksversie te maken die voor alle Amsterdammers toegankelijk en goed leesbaar is. Reactie college: Het college deelt de mening dat het belangrijk dat participatieprocessen voor iedereen toegankelijk zijn. In de Richtlijn worden een aantal voorbeelden gegeven om andere manieren van participatie gegeven. In de begeleidende brief wordt reeds aangegeven dat er een publieksvriendelijke versie van het beleidskader gemaakt gaat worden. Conclusie: Deze adviezen leiden niet tot aanpassingen. 12) Uitvoering van beleid Eén stadsdeel stelt dat het beleidskader alleen betrekking lijkt te hebben op de beleidsvormende en voorbereidende fase. Wat het DB betreft geldt dit kader ook voor de uitvoering. Reactie college: Dit beleidskader gaat over burgerparticipatie, dus daar waar het initiatief bij de overheid ligt. Het gaat daarbij zowel om beleidsvorming als de uitvoering daarvan.

Conclusie: Dit advies leidt niet tot aanpassingen 13) Beleidsruimte indicatief Eén stadsdeel stelt voor om het genoemde principe dat ‘beleidsruimte indicatief’ is te schrappen of te herformuleren, en om de vier participatieniveau ’s en de in Leidraad vastgelegde systematiek te herzien. Reactie college: De representatieve democratie stelt de beleidskaders vast. Hierin wordt vastgelegd welke doelen bereikt dienen te worden en welke middelen daarbij passen. Deze kaders zijn daarmee indicatief voor de ruimte die de participatieve democratie heeft. Ze zijn indicatief en niet normstellend, juist omdat een bestuur gemotiveerd van deze kaders kan afwijken. De vier participatieniveaus en de leidraad helpen in het vormgeven van het participatieproces. Conclusie: dit advies leidt niet tot aanpassingen

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10546582/3