Bijlage 1 bij RIB 2021 38 - PBL Monitoring Concept RES
Tekst van het document
Een verhouding richting 4:1 geeft gedurende het jaar gemiddeld de beste balans op het netwerk op nationale schaal. Voor wat betreft de stabiliteit van het netwerk wijzen veel concept-RES’en dus in de verkeerde richting. Een andere bron van onzekerheid vormen de doorlooptijden van de netwerkuitbreidingen. De bouw van een nieuw onderstation kost 5 tot 7 jaar. Ook de beschikbaarheid van ruimte vormt soms een knelpunt bij de uitbreiding van netcapaciteit, veelal in stedelijk gebied waar gebrek aan fysieke ruimte kan leiden tot een aansluitprobleem van nieuwe kabels of de bouw van een nieuw station. Daarnaast maken Netbeheerders zich zorgen of zij in de toekomst over voldoende geschikte arbeidskrachten kunnen beschikken. Uit de netimpactanalyses van de netbeheerders (NBNL 2020) blijkt dat de concept-RES’en een investering in infrastructuur vergen van de regionale netbeheerders van ten minste 2,4 miljard euro op een totaal van circa 30 miljard die de regionale netbeheerders de komende tien jaar voorzien in hun investeringsplan 2020-2029. Zo voorziet Enexis dat het elektriciteitsaanbod in haar verzorgingsgebied als gevolg van de RES-plannen hoger wordt dan eerder verondersteld op basis van het Klimaatakkoord. Door de RES’en verwacht Enexis een groei van het vermogen zon-PV tot 20 GW in plaats van 10 GW en het windvermogen tot 3,6 GW in plaats van 1,5 GW.
Stedin verwacht alleen een extra groei van het vermogen zon-PV als gevolg van de RES’en tot 6,5 GW in plaats van 4,5 GW. De netimpactanalyses zijn per regio uitgevoerd en zijn gebaseerd op de bestaande elektriciteits-en gasinfrastructuur en prognoses voor vraag en aanbod van energie. Dit kan leiden tot een jaarlijkse verhoging in de periode 2021-2029 van de vaste kosten van de elektriciteitsrekening voor de consument van circa 5 procent per jaar (enkele euro’s per maand. 18) Daarnaast zijn er tot 2030 investeringen van TenneT (7,8-8,7 miljard euro) waarvan circa 3,8 miljard euro voor uitbreiding van het 380/220-KV-net en circa 1,6 miljard euro voor het 150/110-KVnet. De regionale netbeheerders zullen deze kosten voor een deel doorberekenen aan de afnemers. Door de regionale netwerken efficiënter te benutten kan tot ongeveer 60 procent op de uitbreidingskosten worden bespaard. De maatregelen die de netwerkefficiëntie verhogen, zijn afhankelijk van de situatie in de regio en worden verder besproken in de volgende paragraaf. Huidige netbeheerkosten zijn per huishouden gemiddeld ongeveer 323 euro per jaar en zullen in 2021 met 6 procent of 17 euro op jaarbasis (1,5 euro per maand) stijgen als gevolg van het ACM-Tarievenbesluit 2021 (30 november 2020). 18
42
3.3.2 Oplossingsrichtingen TenneT en de regionale netbeheerders hebben onderzoek gedaan naar manieren waarop de ambities van de RES’en efficiënter in het netwerk kunnen worden ingepast.
Hoofdnet TenneT is verantwoordelijk voor de balans van vraag en aanbod op het netwerk. Ook voor het hoofdnet is onzeker wat de gevolgen zullen zijn van de concept-RES’en. Als verkenning heeft TenneT in zijn Investeringsplan 2020-2029 (TenneT 2020) met scenario’s een hernieuwbare elektriciteitsproductie met maximale inzet van zon-PV in 2030 onderzocht (met een totaal aan wind- en zonproductie tot circa 50 TWh, inclusief kleinschalige ‘zon op dak’-projecten). De scenario’s brachten extra knelpunten op het hoofdnet aan het licht. Hiervoor zijn nog geen duidelijke oplossingen. Zonnestroom grote onzekere factor Het productieaandeel uit zon-PV in het totaal bod van de concept-RES’en bestaat uit circa 23 TWh 19 grootschalige zon-PV. Daarnaast zal ongeveer 10 TWh worden geproduceerd uit kleinschalige zon-PV volgens de prognose voor 2030 van de Klimaat- en Energieverkenning 2020 (paragraaf 2.3 en 2.4). Hoe, waar en welke omvang uiteindelijk wordt gerealiseerd is nog erg onzeker. TenneT heeft daarom in de drie genoemde scenario’s uitgewerkt wat de gevolgen zijn van verschillende hoeveelheden zonnestroom in 2030: 1) scenario Klimaatakkoord met 25,0 GWp (~25 TWh), 2) scenario Fundament voor Systeemintegratie met 34,3 GWp (~34 TWh) en 3) scenario Alternatieve Transitie met 14,3 GWp (~14 TWh).
Tevens heeft TenneT de mogelijkheden aangegeven van verschillende technische opties waarmee het toenemende variabele aanbod uit zon en wind op verschillende tijd- en ruimteschalen in evenwicht kan worden gehouden (flex-opties). Het gaat hier bijvoorbeeld om het afschakelen op afspraak van grote verbruikers of producenten bij piekverbruik/piekproductie, verhoogde import of export van stroom, tijdelijke opslag of conversie van elektriciteit naar warmte(opslag) of productie van waterstof. TenneT is maar in beperkte mate betrokken bij afspraken van de regio’s en ontwikkelaars van wind- en zonne-energieprojecten en heeft daarom beperkt inzicht in de behoefte aan flex-opties op regionaal niveau als gevolg van de ambities van regio’s. In de SDE++-regeling worden flex-opties (zowel regionaal als nationaal) nu niet ondersteund.
Regionale netten De regionale netbeheerders hebben in oktober 2020 een factsheet (NBNL 2020) opgesteld die de belangrijkste oplossingsrichtingen geeft waarmee de druk op het netwerk voor laag- en middenspanning kan worden verminderd: • • • • •
Grote parken, met een vermogen groter dan 40 MW, direct aansluiten op het hoogspanningsnet (TenneT) Zoveel mogelijk streven naar een optimale verhouding van aanbod tussen zonne- en windparken Kabel-pooling van zonne- en windparken waar mogelijk Koppelen van lokaal gebruik aan lokaal opgewekte elektriciteit (bijvoorbeeld directe aansluiting zonneparken op elektrische laadstations). Een breder afwegingskader voor prioritering bij het aansluiten van projecten.
Een andere aanbeveling, om grootschalige zonnestroominstallaties aan te sluiten op 70 procent van hun piekcapaciteit, is inmiddels opgenomen in het convenant 'Zon Betaalbaar op het Net' tussen Netbeheer Nederland en Holland Solar (NBNL/Holland Solar 2020). Een zonnepark produceert 19 Daarnaast is er voor circa 5 TWh nog geen keuze gemaakt voor de opwekkingsvorm door de RES-regio’s (zie paragraaf 2.1).
43
maar beperkt in de tijd meer dan 70 procent van zijn piekcapaciteit en het daarmee gepaard gaande verlies aan opbrengst bedraagt circa 3 tot 4 procent. Producenten van zonne-energie leveren dan een klein deel van hun jaarlijkse productie in, maar hoeven voor een kleinere aansluiting ook minder aansluitkosten te betalen. Deze afspraak vermindert de belasting van het netwerk op piekuren door grootschalige zon-PV-projecten, waardoor bijvoorbeeld meer zonneparken kunnen worden aangesloten. Ook bij de andere oplossingsrichtingen zullen diverse actoren moeten samenwerken. • Marktpartijen zoals de leden van NVDE en Energie-NL (bij het vinden en ontwerpen van maatwerkoplossingen) • Het Rijk (via mogelijke aanpassing van wet- en regelgeving, SDE++) • Regionale netbeheerders en TenneT (bij de afstemming) • Provincies, gemeenten (bijvoorbeeld door ondersteuning van RO-trajecten) • Warmteaanbieders (bijvoorbeeld via warmte-koudeopslag) • Onderzoeks- en ontwikkelingssector (voor technologische innovaties) • Regio’s zelf (bijvoorbeeld via aanpassingen van het bod). Elke oplossingsrichting heeft mogelijk gevolgen voor draagvlak, ruimtegebruik en de hoogte en kwaliteit van het RES-bod zelf. Goede afstemming is daarom van belang. Het intensieve afstemmingsproces tussen netbeheerders en regio’s is tot nu toe zeer waardevol geweest.
3.3.3 Samenvattend De regionale netbeheerders anticiperen op het accommoderen van 35 TWh (grootschalige) hernieuwbare elektriciteitsproductie. Transport van 35 TWh is op basis van de concept-RES’en is echter voor de netbeheerders niet bij voorbaat realiseerbaar. Daarvoor is verder concretisering van de plannen nodig. Als voorgenomen netwerkuitbreidingen voor de periode tot en met 2030 tot stand worden gebracht dan zou volgens de netbeheerders de netwerkcapaciteit tegen die tijd waarschijnlijk voldoende zijn voor de ontwikkeling van hernieuwbare elektriciteitsproductie volgens de KEV 2020 (ongeveer 31 TWh, zie paragraaf 2.3.1). Daarmee lijkt realisatie van de concept-RES’en aan de onderkant van de brandbreedte (31,2 TWh) ook haalbaar. Er mist echter in dit stadium van de RES nog veel informatie die netbeheerders nodig hebben om met voldoende zekerheid te kunnen zeggen welke netwerkaanpassingen nodig zijn bij de realisatie van de concept-RES’en volgens de bandbreedte in deze Monitor. Zo is de ruimtelijke uitwerking van veel concept-RES’en vaak nog te weinig specifiek. Ook hebben veel concept-RES’en nog geen concrete informatie over de te realiseren zon en windprojecten zoals installatietype en -vermogen, grootte van het park, en de locale verhouding van de productie uit zon en wind.
Daarnaast staan de ontwikkelingen op het gebied van de verduurzaming van de warmtevoorziening nog aan het begin terwijl die wel een grote impact op de netwerkcapaciteit kunnen hebben in de regio. Realisatie van de middenwaarde en bovenwaarde (38,2 TWh en 45,7 TWh) is qua beschikbare capaciteit nog onzekerder. Daarvoor luistert de opbouw van het bod heel nauw. Om de productie aan de bovenkant van de bandbreedte (45,7 TWh) te kunnen accommoderen op het netwerk vergt de meeste inspanning: verdere cijfermatige netwerkanalyses, afstemming tussen alle netbeheerders en met de regio’s en het Rijk, en een duidelijke programmering richting een optimale (efficiënte) invulling. Voor een efficiënter gebruik van het netwerk zullen de RES’en en de benodigde aanpassingen van het netwerk nader op elkaar afgestemd moeten worden. Regio’s zijn inmiddels begonnen met het verkennen van mogelijke oplossingsrichtingen voor de knelpunten in samenwerking met de netbeheerders. Het kan daarbij gaan om het verschuiven van de verhouding tussen zonne- en windenergie, om de omvang en de locatie van de parken, clusteren van de aansluitingen, combineren
44
van vraag en aanbod. Voor sommige oplossingsrichtingen zijn daarnaast juridische aanpassingen of technische innovaties nodig, en zijn het Rijk of andere actoren aan zet. Door de grote onzekerheden rond de netwerkcapaciteit zullen regio’s mogelijk verschillende iteratieslagen moeten uitvoeren samen met de regionale netbeheerders om met voldoende zekerheid een bod te kunnen vaststellen. Een bod met door de regio gewenste projecten die op tijd op het netwerk kunnen worden aangesloten tegen acceptabele maatschappelijke kosten.
45
3.4 Regionale Structuur Warmte Aan het eind van dit hoofdstuk kijken we naar de voortgang van de Regionale Structuur Warmte. Parallel aan het ontwikkelen van beleid voor productie van hernieuwbare elektriciteit op land werken de 30 regio’s aan een strategie voor de warmtetransitie in hun regio. De monitor van de Regionale Structuur Warmte (RSW) richt zich in deze fase op twee zaken: de procesmatige voortgang en de impact op het doelbereik elektriciteit. Er is voor de RSW geen kwantitatief doel gesteld, aangezien de opgave van de warmtetransitie via de wijkgerichte aanpak primair bij de gemeenten is gelegd.
3.4.1 Procesmatige voortgang Alle regio’s zijn gestart met het opstellen van de RSW. Er zijn grote verschillen in mate van uitwerking. In de meeste RSW’s is een inventarisatie van warmtevraag en warmteaanbod opgenomen, vaak gecombineerd met een overzicht van mogelijke nieuwe warmtebronnen en -infrastructuur. Dit vormt een startpunt voor de gemeentelijke warmtevisies, die overigens pas eind 2021 gereed hoeven te zijn. Sommige regio’s formuleren ook ambities of uitgangspunten met en voor de gemeenten. Daarnaast is afstemming op regionaal niveau van belang. Het vroegtijdig signaleren van kansen voor bovengemeentelijke of bovenregionale samenwerking kan helpen om gericht consortia te vormen en in een later stadium sneller te kunnen schakelen. Warmte is vaak een nieuw thema in de bovengemeentelijke samenwerking. Het proces vraagt afstemming binnen en tussen regio’s, en met andere partijen. In alle regio’s is dit proces op gang gekomen. Hoe het proces vormgegeven wordt, hangt af van de omvang van de regio. In twee regio’s valt de regio samen met de gemeente en heeft een RSW nauwelijks meerwaarde als er niet ook naar de omliggende regio’s wordt gekeken. In regio’s die veel gemeenten bevatten is er sprake van een coördinerende of ondersteunende rol.
Grotere regio’s of provincies ondersteunen de gemeenten door het uitzetten van studies, het doen van proefboringen of ze nemen regie in het verkennen van het gebruik van restwarmte. De keuzes die gemaakt worden in de volgordelijkheid – de gemeentelijke warmtevisie bouwt voort op de RSW of omgekeerd – zijn ook verschillend. Al met al is er een basis gelegd voor nieuwe vormen van samenwerking die nodig zijn als er sprake is van verdelingsvraagstukken rond warmtebronnen, en bij het vormgeven van een afstemmingsproces tussen bestuurders onderling en met het bedrijfsleven. Ruim driekwart van de regio’s heeft behoefte aan afstemming op bovengemeentelijk of bovenregionaal niveau van vraag en aanbod. Bijna alle regio’s zijn daar ook mee gestart. Verscheidene regio’s melden onderzoek naar de haalbaarheid en mogelijke verdeling van restwarmte- of geothermiebronnen. De regio’s die geen behoefte hebben aan afstemming, hebben dit vaak wel onderzocht. Dit zijn regio’s waarbij bijvoorbeeld het lokale aanbod van duurzame warmtebronnen de lokale vraag niet overstijgt, waar de regio en de gemeente samenvallen, of waar geen bovenlokale bronnen geïdentificeerd zijn.
Belemmeringen Regio’s signaleren verschillende belemmeringen in het proces voor de RSW. Tot nu toe was er voor de warmtetransitie weinig samenwerking tussen gemeenten, zodat er nieuwe overlegstructuren moesten worden opgezet. Ook de afstemming met andere processen wordt genoemd. Het tijdschema voor de gemeentelijke Transitievisie Warmte (TVW - eind 2021) sluit niet goed aan op dat van de RES 1.0 (juli 2021), en de landelijke visie op de energie-infrastructuur II3050 (NBNL 2019) en het Programma Energie Hoofdstructuur (EZK 2020) zijn nog in ontwikkeling. Sommige regio’s wachten daarom tot de RES2.0 met nadere uitwerking. Daarnaast signaleren de regio’s diverse belemmeringen voor de warmtetransitie. Zo is er sprake van technische onzekerheden, bijvoorbeeld over de omvang van geothermie, aquathermie en over de toekomstige beschikbaarheid van klimaatneutrale energiedragers, met name duurzame gassen. 46
Ook is er vaak onduidelijkheid over wie de financiële risico’s draagt, over de regulering van warmtenetten en over de beslissingsbevoegdheid die regio’s, provincies en gemeenten hebben en krijgen rondom de lokale inzet van duurzame gassen. Hierbij is de regio agenderend, en zijn er verschillende partijen, zoals het Rijk, netbeheerders, nodig om de knelpunten aan te pakken.
3.4.2 Warmteopties en handelingsperspectief In de RSW brengen de regio’s de warmtebronnen en de warmtevraag in hun regio in kaart. Hierdoor kunnen bronnen met een bovengemeentelijk of bovenregionaal belang worden gesignaleerd, zodat de benutting daarvan gecoördineerd kan plaatsvinden. Ongeveer 40 procent van de regio’s doet in de RSW voorstellen voor een bovengemeentelijke warmte-infrastructuur in. Meer dan de helft van de regio’s verkent (vaak bovenregionale) restwarmtebronnen. De warmtevraag van de industrie is echter vaak nog niet meegenomen. Er is een veelheid aan warmteopties (zie tekstkader Wat is een warmteoptie?).
Wat is een warmteoptie? Een warmteoptie bestaat uit een combinatie van warmtebron, conversietechnologie en in sommige gevallen een infrastructuur (warmtenet, verzwaard stroomnet, distributienet voor duurzaam gas) op wijkniveau of gemeentelijk of bovengemeentelijk niveau. Voor sommige warmteopties is een minimum isolatieniveau van de woning noodzakelijk. Er is een grote variatie in warmteopties. Aan de meeste kleven nog (zeer) veel onzekerheden – zowel in technisch als in financieel en juridisch opzicht. De opties verschillen sterk in het handelingsperspectief en de wijze waarop de financiering plaatsvindt. Per optie kunnen andere (probleem)eigenaren in beeld komen en zijn zelfs andere bestuurlijke schaalniveaus betrokken. Voor een warmtepomp en isolatie moet een bewoner of verhuurder investeren, bij een warmtenet betaalt een bewoner naderhand via de energierekening, maar zijn er hoge kosten voor de infrastructuur. Bij duurzame gassen moeten er eerst op een hoger schaalniveau besluiten genomen worden over bijvoorbeeld productie-uitbreiding of bijmenging. Infrastructuurkeuzes hebben gevolgen op de lange termijn, en veel is nog onzeker. Ook de kosten zijn onzeker. Haalbaarheidsanalyses zijn nog nauwelijks uitgevoerd. De update van de PBL Startanalyse (Hoogervorst et al. 2020) kan helpen bij een kostenvergelijking van warmteopties.
Slechts een beperkt aantal regio’s maakt expliciet een brede afweging tussen warmteopties, al dan niet op basis van criteria. Er lijkt een voorkeur voor warmtenetten; elektrische warmtepompen worden minder vaak genoemd, en lijken voorbehouden aan gebieden waar de dichtheid te klein is om een warmtenet rendabel te kunnen exploiteren. Voor een aantal regio’s ligt het voor de hand dat ze beginnen met het onderzoeken van warmtenetten, omdat die in het verlengde liggen van eerdere plannen, er al infrastructuur in ontwikkeling is en warmtenetten al snel de gemeentegrenzen overschrijden. Een regio heeft een warmteladder ontwikkeld, waarbij collectieve warmtevoorziening bovenaan staat. Sommige regio’s benoemen biomassa als een controversieel onderwerp waar ze niet op inzetten, terughoudend mee omgaan, of de nadruk leggen op duurzame inzet op kleine schaal (zie ook Strengers en Elzenga 2020). Uit de tekst is niet altijd op te maken of het alleen om verbranding van houtige biomassa gaat, of ook over biogas. In 20 regio’s is al infrastructuur voor een warmtenet aanwezig; 16 regio’s doen voorstellen voor uitbreiding daarvan. Ongeveer een derde van de regio’s ziet niet veel bovenlokale mogelijkheden voor warmtenetten.
47
Tabel 3.1 Voorbeelden van warmteopties uit de Startanalyse Warmteoptie
Warmtebron of -installatie
Individuele elektrische warmtepomp
-
Lucht-warmtepomp (WP) Bodem-WP
Warmtenet met bronnen van middentemperatuur tot hoge temperatuur (MT-HT)
-
MT-restwarmte MT-geothermie MT-geothermie overal
Warmtenet met bronnen van lage temperatuur (LT)
-
Groengas
-
LT-warmtebron, levering 30oC LT-warmtebron, levering 70 oC Warmte-koudeopslag (WKO), levering 70 oC, hele buurt WKO, levering 50 oC Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO)+WKO, levering 70 oC Hybride-WP HR-ketel
Waterstof
-
Hybride-WP HR-ketel
-
Bron: Hoogervorst et al. 2020
Duurzame gassen worden door een zeer beperkt aantal regio’s genoemd. Soms afbakenend (waterstof pas na 2030). Soms sturend (‘groengas in aardgasnet’), en er is een enkele pilot. Een mogelijke verklaring voor de beperkte aandacht is gebrek aan duidelijkheid over het (technisch) potentieel, maar ook over de beslissingsbevoegdheid van regio’s en provincies. Bij overwegingen rond de inzet van duurzame gassen is het bovendien raadzaam om de samenhang met andere sectoren, zoals industrie, landbouw en mobiliteit te bekijken. Een aantal regio’s heeft aangekondigd dit bij verdere uitwerking van de RSW mee te nemen. Ook de ligging van de regio ten opzichte van een mogelijk waterstoftransportnet (op de langere termijn) is van belang bij een afweging van de rol van duurzame gassen.
Warmtevraag Bij het koppelen van vraag en aanbod is het essentieel welke aannames gemaakt zijn over de groei van de warmtevraag. Ongeveer de helft van de regio’s heeft de informatie uit de RESanalysekaarten gebruikt om de warmtevraag in 2030 in te schatten. In deze vraagprojectie is rekening gehouden met een gemiddelde efficiëntieverbetering van woningen 20. De andere regio’s hebben (voor zover aangegeven) gebruik gemaakt van eigen berekeningen, diverse bronnen en adviesbureaus. Soms is de indruk dat deze studies al gereed waren voordat de RESanalysekaarten beschikbaar kwamen. Een aantal regio’s benadrukt het belang van energiebesparing en noemt bijvoorbeeld de trias energetica als uitgangspunt. Meer dan de helft van de regio’s heeft al rekening gehouden met de vraag uit andere sectoren. Een aantal regio’s specificeert dit: voornamelijk industrie (16 regio’s), 9 regio’s hebben de vraag uit de landbouw meegenomen, 8 regio’s die van de glastuinbouw. De regio’s die nog geen rekening hebben gehouden met andere sectoren, geven vaak aan dit in de aanloop naar de RES 1.0 wel te gaan doen.
20 Deze efficiencyverbetering is gebaseerd op de Nationale Energieverkenning van 2017.
48
De meeste RSW’s richten zich nu op het verkennen van de mogelijkheden voor warmtenetten. Ze ervaren te veel onzekerheden om nu al over duurzame gassen te kunnen beslissen; daarvoor is eerst meer helderheid van het Rijk nodig.
3.4.3 Invloed op doelbereik elektriciteit De warmtetransitie heeft indirect invloed op het 35 TWh-doel voor elektriciteit. Een keuze voor elektrische warmtepompen kan een toename van de elektriciteitsvraag veroorzaken en daarmee hogere eisen stellen aan de netwerkcapaciteit van elektriciteit. Deze elektriciteitsvraag zal pieken op koude winterochtenden, terwijl mogelijk extra aanbod van zonnestroom op zonnige dagen beschikbaar komt. Dit is in beperkte mate meegenomen in de netimpactanalyses van de regionale netbeheerders. Regio’s in het noorden/oosten van het land neigen meer naar elektrische warmtepompen. Elektriciteitsnetwerken zijn daar vanwege beperkte transportcapaciteit al een bottleneck en worden mogelijk extra belast door meer zonne-energie. Wel zou de opwekking van hernieuwbare elektriciteitsproductie uit zon-PV (met name in de zomer) kunnen profiteren van de netverzwaring die nodig is voor de extra elektriciteitsvraag door warmtepompen in de winter. Netverzwaring zal hoe dan ook tijd, ruimte en geld kosten. De warmtetransitie geeft echter ook kansen voor flexibiliteit, maar hoe groot de impact op het doel van 35 TWh zal zijn is nu nog niet te zeggen.
De warmtevraag (en daarmee de gerelateerde elektriciteitsvraag) piekt op relatief voorspelbare momenten, en kan daarom gericht gespreid worden, bijvoorbeeld door woningen ’s nachts al op te warmen en zo een piek in de ochtend te vermijden. Dit kan op woning- of op wijkniveau, met warmte-koudeopslag. Een alternatieve manier om de warmte-gerelateerde piekvraag voor elektriciteit te verlagen is de keuze voor een hybride warmtepomp, in combinatie met isolatie. Een hybride warmtepomp gebruikt aardgas om in de piek van de warmtevraag te voorzien. De aardgasinzet zou op termijn vervangen kunnen worden door groengas of waterstof. Bij een piekproductie van groene stroom op zonnige of winderige dagen kan gekozen worden voor buffering via productie en opslag van waterstof of voor het aanleggen van warmtebuffers. Het zal de komende jaren dus vooral aankomen op een slimme afstemming van vraag en aanbod.
49
4 Synthese In dit hoofdstuk schetsen we de belangrijkste conclusies uit de analyse van de concept-RES’en. We kijken naar de mate waarin de doelstelling van 35 TWh met de huidige strategieën kan worden bereikt in 2030. Daarbij spelen niet alleen de TWh-biedingen van de regio’s een rol, maar ook hun plannen en ideeën voor de inpassing in de omgeving, het creëren van draagvlak en het zorgen voor een robuust netwerk. We besteden ook aandacht aan de spanningen die bestaan tussen deze thema’s. We sluiten af met aanbevelingen rond de verschillende RES-thema’s die van belang kunnen zijn voor het vervolg (RES 1.0 en verder).
4.1 De RES-aanpak heeft al veel bereikt De 30 energieregio’s hebben in korte tijd heel veel werk verzet met als resultaat goed onderbouwde documenten met daarin alle gevraagde hoofdingrediënten. Daarbij wisten de regio’s veel mensen te betrekken en de afzonderlijke thema’s van ruimtegebruik, draagvlak en systeemefficientie goed te doordenken. De concept-RES’en zijn daardoor met een grote betrokkenheid van vele professionals tot stand gekomen, en velen hebben intensief bijgedragen aan het debat. Die betrokkenheid en kunde op deelaspecten van de RES’en zijn essentieel voor het vervolgproces. In de concept-RES’en laten de regio’s een grote bereidheid en ambitie zien om bij te dragen aan de doelen van het Klimaatakkoord. De nationale opgave die voorkomt uit het Klimaatakkoord hebben de regio’s weten te vertalen naar 30 verschillende regionale ambities met een eigen context en karakter. De optelsom van de regionale plannen is een hoog bod aan hernieuwbare energie van 52,5 TWh; veel meer dan het doel van 35 TWh in 2030. Dit bod vormt een goed vertrekpunt om in 2030 het doel van 35 TWh te kunnen halen, ook al valt er nog veel te doen en moeten er nog fundamentele keuzes worden gemaakt. Het hoge bod biedt de benodigde ruimte om in het besluitvormingsproces tot breed gedragen en weloverwogen keuzes te komen. Ondertussen krijgen de RES’en meer vorm.
Sinds de tussentijdse analyse van het PBL is er door alle partijen met veel energie verder gewerkt. In oktober 2020 hebben de regio’s hun concept-RES vastgesteld. De discussies tussen regio’s, Rijk en betrokkenen worden scherper over hoe regio’s hun ambities vorm kunnen geven. Dat is ook nodig om de RES’en concreter te maken op een voor zo veel mogelijk partijen acceptabele manier. Regio’s zijn nu bezig met de voorbereidingen voor een evenwichtige en breed gedragen RES 1.0 binnen de beperkingen van het tijdschema: medio 2021 moeten ze de RES 1.0 vaststellen. Ze worden hierbij ondersteund door het Rijk, maatschappelijke partijen en koepels van overheden en bedrijven. Zo wordt er gewerkt aan het verminderen van belemmeringen die de regio’s hebben geconstateerd en aan het ontwikkelen van voorwaarden voor draagvlak en voldoende netwerkefficiëntie.
4.2 Doelbereik bij realisatie concept-RES’en? Op basis van alle 30 concept-RES’en die in oktober 2020 zijn ingeleverd ligt er in totaal een bod van 52,5 TWh voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit windenergie en grootschalige zonne-energie in 2030. Ongeveer de helft van het totaal bod bestaat uit plannen die nog grotendeels concreet moeten worden. De andere helft van het bod is productie uit bestaande installaties of uit projecten die mogelijk op korte termijn worden gerealiseerd. Of het doel van 35 TWh wordt gehaald, is nog geen gegeven. Deze bevindingen komen grotendeels overeen met die in de tussentijdse analyse (Matthijsen et al. 2020a). 50
De vraag is in hoeverre het bod, dat weliswaar veel hoger is dan de doelstelling, ook een garantie is voor het bereiken van het doel. Veel is namelijk nog onzeker. Hoeveel van de plannen zullen concreet tot uitvoering gebracht kunnen worden? Wat als datgene wat nu in de pijplijn zit minder zeker is dan waarvan volgens de monitoringssystematiek wordt uitgegaan? En in welke mate zal de productie uit bestaande installaties in 2030 zijn gedaald als gevolg van sanering? De kwantitatieve verkenning in hoofdstuk 2 levert een schatting voor de hernieuwbare elektriciteitsproductie in 2030 met een bandbreedte van ongeveer 15 TWh (figuur 4.1). Een bandbreedte met aan de onderkant een productie van 31,2 TWh en van 45,7 TWh aan de bovenkant, met een middenwaarde van 38,2 TWh. Figuur 4.1 laat zien dat de middenwaarde boven de 35 TWh uitkomt. Het lijkt daarmee goed voorstelbaar dat de 35 TWh-doelstelling wordt gehaald in 2030.
De bandbreedte rond de mogelijk realisatie is het gevolg van onzekerheid over sanering van bestaand windvermogen en de realisatiegraad van pijplijnprojecten en plannen uit het aandeel ambitie. Boven op de marge voor de realisatiegraad van pijplijnprojecten is een extra onzekerheid van 10 procent gebruikt als gevolg van de rekenmethodiek. Bij het aandeel ambitie hebben we een ruwe schatting gemaakt van het effect op de realisatiegraad van deze plannen van alle grote onzekerheden rond ruimtegebruik, draagvlak en energiesysteemefficiëntie samen.
Onderkant van de bandbreedte Hoewel de middenwaarde boven de 35 TWh ligt, is er toch een gerede kans dat de concept-RES’en onvoldoende tot uitvoering komen. De onderkant van de bandbreedte (31,2 TWh) komt tot stand onder de volgende veronderstellingen: 1. in 2019 bestaande windturbines worden gesaneerd vanaf een ouderdom van 15 jaar, 2. pijplijnprojecten hebben een realisatiegraad van respectievelijk 60 procent voor zon en 99 procent voor wind, de elektriciteitsproductie die bij deze realisatiegraad hoort is met 10 procent verlaagd (bandbreedte rekenmethodiek) en 3. van de geboden productie in de plannen uit het aandeel ambitie wordt een derde gerealiseerd. Er zijn omstandigheden die niet expliciet zijn meegenomen in deze analyse, zoals ontwikkelingen rond de RES’en die van invloed zijn op het ondernemingsklimaat. Dat soort ontwikkelingen kunnen ook doorwerken op de snelheid waarmee een project kan worden gerealiseerd. In een 51
gevoeligheidsanalyse zijn extra lage (en hoge) realisatiegraden verondersteld voor de pijplijnprojecten, maar dat soort realisatiegraden lijkt op dit moment minder waarschijnlijk. De prognose voor 2030 uit de meest recente Klimaat- en Energieverkenning (KEV 2020) geeft aan dat een productie van 31 TWh uit wind op land en grootschalige zon-PV installaties mogelijk is. In de KEV vindt echter geen ruimtelijke toekenning van het productievermogen plaats en heeft hierdoor geen zicht op hoe efficiënt de benutting van de dan verwachte netwerkcapaciteit zal zijn. Daardoor lijkt bij de voorziene ontwikkeling van het netwerk realisatie van de concept-RES’en aan de onderkant van de bandbreedte (31,2 TWh) haalbaar. Maar of dat echt zo is kan pas duidelijk worden bij nadere concretisering en ruimtelijke uitwerking van de biedingen.
Middenwaarde De elektriciteitsproductie bij de middenwaarde (38,2 TWh) uit wind op land- en grootschalige zonPV-installaties komt tot stand onder de volgende veronderstellingen: 1. in 2019 bestaande windturbines worden gesaneerd vanaf een ouderdom van 17,5 jaar, 2. pijplijnprojecten hebben een realisatiegraad van respectievelijk 60 procent voor zon en 99 procent voor wind, de elektriciteitsproductie die bij deze realisatiegraad hoort is niet verhoogd noch verlaagd (bandbreedte rekenmethodiek) en 3. van de geboden productie in de plannen uit het aandeel ambitie wordt de helft gerealiseerd.
Bovenkant van de bandbreedte Aan de bovenkant van de bandbreedte is de verwachting dat de inpassing van wind op land- en grootschalige zon-PV-installaties voorspoedig verloopt. De bovenkant van de bandbreedte (45,7 TWh) komt tot stand onder de volgende veronderstellingen: 1. in 2019 bestaande windturbines worden gesaneerd vanaf een ouderdom van 17,5 jaar, 2. pijplijnprojecten hebben een realisatiegraad van respectievelijk 75 procent voor zon en 100 procent voor wind, de elektriciteitsproductie die bij deze realisatiegraad hoort is met 10 procent verhoogd (bandbreedte rekenmethodiek) en 3. van de geboden productie in de plannen uit het aandeel ambitie wordt twee derde gerealiseerd. Bij de bovenkant van de bandbreedte wordt impliciet verondersteld dat er voldoende oplossingen komen voor de vele belemmeringen die er zijn en mogelijk nog komen rond het ruimtegebruik, draagvlak en netwerk. Die oplossingen zijn overigens ook nodig voor het bereiken van de middenwaarde en zelfs voor de onderkant van de bandbreedte, maar in mindere mate. Daarmee is het niet vanzelfsprekend dat zelfs de onderkant van de bandbreedte wordt behaald. Ook technologische innovaties die door de regio’s nog niet verkend zijn kunnen de ontwikkeling van hernieuwbare elektriciteitsproductie, voor met name 2050 verder faciliteren.
Te denken valt aan mogelijkheden voor opslag en energiesysteeminnovaties rond de koppeling van lokale elektriciteitsproductie en warmtevoorziening. Het komt, zoals in de tussentijdse analyse al gesignaleerd, aan op de uitwerking en daarmee zijn de regio’s gestart in samenwerking met ander partijen zoals de regionale netbeheerders.
4.3 Uitwerking van de thema’s vergt extra aandacht De kwantitatieve doelstelling kan niet los worden gezien van een ruimtelijke uitwerking, een bestuurlijk en maatschappelijk proces en de impact op het energiesysteem. Die thema’s hangen sterk met elkaar samen. Een goed ruimtelijk proces kan niet zonder maatschappelijke participatie, en aanpassingen van het netwerk hebben ook gevolgen in de ruimte en zijn qua kosten van
52
invloed op nationale en lokale acceptatie. Er hangt nog veel af van de uitwerking van de thema’s. Soms staan de verschillende thema’s op gespannen voet met elkaar, met name als je er op verschillende schaalniveaus naar kijkt. De meest efficiënte oplossing voor het energiesysteem is niet altijd de keuze waar het meeste draagvlak voor lijkt te zijn. De ruimtelijke voorkeuren op lokaal niveau kunnen met bovenregionale belangen botsen. Daarbij is het proces, de uitwerking en de samenhang tussen de thema’s van belang. In deze paragraaf resumeren we enkele aandachtspunten die te maken hebben met spanningsvelden in het proces of binnen de thema’s die nog uitgewerkt moeten worden. Deze zijn de juridische verankering van de RES, de relatie tussen ruimtelijke uitwerking en draagvlak, en tussen netwerkefficiency en regiowensen. Tot slot wordt de samenhang tussen energie en andere thema’s en opgaven nader geadresseerd. Ook de regio’s hebben in hun RES’en deze spanning op het snijvlak van de verschillende thema’s gesignaleerd. NP RES heeft daarom een viertal werkgroepen opgezet met elk een onafhankelijke voorzitter. De werkgroepen zijn opgezet om oplossingsrichtingen te verkennen rond de spanning tussen de SDE-regeling en maatschappelijke ontwikkelingen, beperkingen rond de netwerkcapaciteit, issues rond zonnepanelen op daken en problemen rond energie en natuur en landschap.
De werkgroepen rapporteren begin 2021 over hun bevindingen.
Juridische verankering RES’en Een aandachtspunt bij de uitwerking van de RES’en is de verankering in het ruimtelijk juridische kader. De instrumenten van de ruimtelijke ordening (omgevingsvisies, omgevingsplannen) vormen het kader waarbinnen de plannen van de regio’s vanaf 2022 juridisch verankerd moeten gaan worden. De bestuurlijke en maatschappelijke processen rond die verankering van de RES’en zijn inmiddels gestart. In een aantal gevallen zullen RES’en en provinciaal beleid nog op elkaar afgestemd moeten worden, voorafgaand aan de juridische verankering. Omdat er nog veel afwegingen en keuzes te maken zijn is het goed voorstelbaar dat het bod bij die concretisering nog substantieel lager wordt. Goede timing van de processen rond de juridische verankering van de RES’en en afstemming tussen gemeente, provincie en Rijk is hierbij van groot belang. Het moment waarop de Omgevingswet in werking zal gaan treden speelt dus een rol bij de uitwerking van de RES’en en de mate van doelbereik.
Ruimtelijke uitwerking en de relatie met draagvlak Een ander aandachtspunt is de ruimtelijke uitwerking van de regionale plannen en de relatie met draagvlak en maatschappelijke participatie. Zoals in hoofdstuk 3 beschreven zijn de zoekgebieden vaak globaal afgebakend en ingevuld. In de verdere uitwerking ontstaat er meer zicht op de haalbaarheid van deze plannen en de waarschijnlijkheid van het regionale bod. Het is echter onzeker hoe de globale afbakening van de plannen uitpakt voor het draagvlak. Het kan draagvlak verhogend werken – de vage symbolen op de kaart laten meer ruimte open voor discussie en meer mensen krijgen de gelegenheid zich over de planvorming uit te spreken. Het kan echter ook draagvlak verlagend werken, als mensen in de regio bij de concretere uitwerking tot andere gedachten komen. Wat in abstracte termen een goed idee was, kan gaandeweg toch een brug te ver blijken. Hoe dan ook, het is van belang om te zorgen voor voldoende participatie in het proces. Regio’s hebben bij het opstellen van de concept-RES weliswaar veel aandacht voor participatie, maar in veel gevallen is participatie van bijvoorbeeld burgers pas in een later stadium voorzien. Regio’s geven daarnaast nog zeer beperkt aan hoe zij de participatie bij projecten willen doen.
Van belang is daarbij dat het niet alleen om financiële participatie maar ook en misschien wel vooral om procesparticipatie gaat – die kunnen uiteraard ook gecombineerd worden.
53
Netwerkefficiency en regiowensen De voorkeuren van de regio’s voor zoekgebieden die kunnen worden gebruikt voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit, blijken lang niet altijd de meest efficiënte oplossing voor het energiesysteem. Het regiobod uit de concept-RES leidt samen met andere ontwikkelingen van vraag of aanbod van elektriciteit vaak tot een overbelasting van het netwerk veelal op die locaties waar de capaciteit al relatief laag was. Uitbreiding van de capaciteit van bestaande stations en het ontwikkelen van nieuwe stations in het netwerk kost onder andere ook veel tijd. Er is dus een belangrijke onzekerheid in ‘de aansluitbaarheid’ van het bod op het energienetwerk. De grote vraag is of het netwerk overal op tijd klaar kan zijn. Uit de eerste ronde netimpactanalyses van de regionale netbeheerders bleek al dat de netcapaciteit niet snel genoeg uitgebreid zou kunnen worden om het hoge totaal bod te kunnen accommoderen, nog los van hoge kosten en ruimteclaims. Inmiddels zijn de regionale netbeheerders een tweede ronde gestart waarbij in overleg met de regio’s wordt gezocht naar biedingen die tot efficientere netwerkoplossingen leiden, maar tegelijkertijd zo veel mogelijk aan de wensen van de regio tegemoet kunnen komen.
Deze slag naar efficiëntie en haalbaarheid van aansluitcapaciteit legt echter direct ook beperkingen op aan de mogelijkheden in de ruimtelijke uitwerking van het bod. Het beperkte aantal ruimtelijke opties en de concretisering van gebieden waar draagvlak nog gezocht moet worden, voegen een extra uitdaging toe aan het maatschappelijke en bestuurlijke proces. Sterker nog, het achteraf inperken van de keuzemogelijkheden die aan het begin zijn gegeven en waar regio’s politiek veel in hebben geïnvesteerd, is een risico voor het draagvlak van het hele proces.
Verduurzaming warmtevoorziening en energie-infrastructuur Parallel, maar in een ander tempo, zal de verduurzaming van de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving een impact hebben op de energie-infrastructuur. Ook ontwikkelingen in de andere sectoren zijn hierop van invloed. Dit zal in de volgende ronde(s) netimpactanalyses meegenomen moeten worden. De verwachting is dat de warmtetransitie niet alleen tot een extra belasting van het elektriciteitsnetwerk zal kunnen leiden, maar ook juist nieuwe mogelijkheden biedt tot buffering en daarmee meer flexibiliteit zou kunnen opleveren.
Energie, milieu en natuur Het is soms onduidelijk wat de impact van energie op milieu en natuur is. De onderwerpen milieu en natuur zijn impliciet onderdeel van het thema ruimtegebruik maar zijn niet door alle regio’s expliciet meegenomen. Regio’s verschillen in de manier waarop deze onderwerpen een plek krijgen in de concept-RES, en dat is te zien als indicatie van een nog onzekere uitwerking. De Milieueffectrapportages (m.e.r.) die nodig zijn bij de vaststelling van de omgevingsplannen kunnen hierbij helpen. De commissie-MER heeft door middel van een aantal pilots 21 onderzocht hoe een m.e.r. de regio’s kan helpen bij de realisatie van hun concept-RES. Bij het uitwerken van de rapportages kan er meer duidelijkheid ontstaan rond dit aandachtspunt.
Samenhang met andere opgaven Regio’s is gevraagd om bij het opstellen van hun RES zoveel mogelijk een integrale aanpak voor te staan, en daarbij te kijken naar de samenhang en mogelijke synergie met andere opgaven zoals klimaatadaptatie, duurzame landbouw en verstedelijking. Regio’s benoemen vaak welke opgaven in hun regio spelen en verkennen soms de mogelijkheden. Er is ten minste één regio die de RES vanaf het begin wist te koppelen aan klimaatadapatieopgaven, zoals verdroging. Echter, aan een werkelijk integrale aanpak zijn de meeste regio’s nu nog niet toe gekomen. Het combineren van opgaven kost niet alleen meer tijd maar vergt ook intersectoraal werken. Het afstemmen tussen 21 Meer informatie over de Milieueffectrapportage (m.e.r.) en de pilots die in een aantal regio’s plaats hebben gevonden zijn hier te vinden: https://www.commissiemer.nl/actueel/nieuws/regionale-energiestrategie-en-mer-de-resultaten-en
54
de verschillende afdelingen van een gemeentelijk organisatie vergroot de complexiteit van het proces en voegt een extra uitdaging toe aan een al krap schema. In het vervolgtraject zal daar wellicht meer tijd en aandacht aan worden besteed.
4.4 Aanbevelingen vervolg RES-proces Op basis van de analyse voor deze Monitor doen we enkele aanbevelingen voor het vervolgproces van de RES’en, die ook bij het opstellen van de RES 1.0 kunnen worden meegenomen.
4.4.1 Aanbevelingen voor regio’s Leer van elkaar Hoewel er grote verschillen zijn tussen de aanpak en mate van uitwerking van regio’s, zijn er ook veel overeenkomsten. Van de dertig regio’s is er een groep van tien regio’s die relatief veel ervaring heeft met de opwekking van hernieuwbare elektriciteit uit zonne- en vooral windenergie. Voor de volgende fase is het van belang om te onderzoeken wat andere regio’s kunnen leren van meer ‘ervaren’ regio’s en vice versa over toepassingen rondom netwerk, ruimtegebruik, organisatievormen en draagvlak. Bij de hoogte van de biedingen was een tweedeling te maken op basis van de hoogste aandelen productie uit huidig en pijplijnvermogen van individuele regio’s. Van de 30 regio’s is er een groep van 10 regio’s die relatief veel ervaring heeft met de opwekking van hernieuwbare elektriciteit uit zonne- en vooral windenergie. Ze droegen in 2019 ongeveer 8 TWh bij en willen volgens hun concept-RES in 2030 vier keer zoveel bijdragen (ongeveer 32 TWh). De andere twintig regio’s dragen minder bij maar hebben relatief gezien een hogere ambitie. Zij droegen in 2019 ongeveer 2 TWh bij en willen die bijdrage meer dan vertienvoudigen tot ongeveer 21 TWh in 2030.
Houd afstemming actief met andere bestuurlijke lagen en belangen Het gevolg van de regionale aanpak kan zijn dat er voornamelijk gezocht wordt naar decentrale oplossingen. Voor een deel is dat juist de bedoeling, maar er zijn aspecten die ook op een bovenregionaal, nationaal of zelfs hoger bestuurlijk schaalniveau behartigd kunnen worden zoals rond landschap, natuur en milieu. In de uitwerking richting RES 1.0 en daarna moeten die meer overkoepelende aspecten ook meegewogen worden bij de inrichting van de decentrale aanpak. Dit vereist dat alle bestuurlijke lagen nog actiever betrokken zijn in het proces.
Organiseer burgerparticipatie Om draagvlak te krijgen voor de uitvoering van plannen is het van belang dat zoekgebieden niet alleen technisch tot stand komen, maar het resultaat zijn van een politiek-maatschappelijke afweging. Laat burgers daar op het juiste moment, en zo concreet mogelijk, over meepraten. Ga hierbij in op diverse onderwerpen die, mogelijk zeer lokaal, issues zijn voor draagvlak. Geef als regio in de RES duidelijk aan hoe proces- en financiële participatie bij projecten zijn geregeld.
Kijk integraal naar het gas-, elektriciteit-, en warmtenetwerk Netwerken voor elektriciteit, gas en warmte worden in de energietransitie nog vooral los van elkaar bekeken. Netbeheerders zijn al begonnen met een meer geïntegreerde benadering, waarbij ook rekening wordt gehouden met elektrificatie in de gebouwde omgeving en de mobiliteitssector. Bij een verdergaande energietransitie is het nodig dat alle RES-belanghebbenden zo’n meer geïntegreerde benadering volgen zodat de verschillende energiesystemen elkaar niet in de weg zitten en waar mogelijk van elkaars ontwikkelingen kunnen profiteren.
55
4.4.2 Aanbevelingen voor het Rijk en andere partijen Houd voor het netwerk rekening met een zowel lage als hoge realisatie van het totaal bod De huidige onzekerheid rondom de RES vraagt om voorbereiding op diverse scenario’s. Gezien de grootte van de bandbreedte van mogelijke realisaties van de RES’en zullen alle partijen, maar vooral Rijk en netbeheerders, ook rekening moeten houden met een aanzienlijk hogere hernieuwbare elektriciteitsproductie dan 35 TWh met een groot aandeel zonnestroom. Tegelijkertijd zal rekening moeten worden gehouden met het scenario dat de hernieuwbare elektriciteitsproductie minder snel groeit.
Geef bij nadere uitwerking een scherpere omschrijving van de rol van de RSW Eind 2021 zullen gemeenten hun transitievisies warmte (TVW) moeten hebben vastgesteld. De TVW’s kunnen richting geven aan de RSW. Op dit moment is het maken van een Regionale Structuur Warmte (RSW) een procesdoel in de RES. Echter, wat de RSW als concreet resultaat in een regio kan of zou moeten opleveren boven op de gemeentelijke transitievisies warmte is nog onvoldoende duidelijk. Het is daarom verstandig dat het Rijk daarop vooruitlopend duidelijkere processtappen en bijbehorende mijlpalen ontwikkelt waarmee regio’s en gemeenten (richting RES 2.0) aan de slag kunnen en die ook zijn te monitoren. Tot die tijd zal de RSW wel waardevol zijn maar vooral als verkennend proces.
Verbeter de gegevensbasis voor de monitoring van de kwantitatieve biedingen De Monitor concept-RES geeft een inschatting van het halen van de doelstelling op nationale schaal. De mate van waarschijnlijkheid voor het halen van deze doelstelling hangt sterk samen met het onderdeel van het bod dat nog onzeker is (aandeel ambitie). Vanwege de grote verschillen in de manier waarop de regionale biedingen zijn opgebouwd is het aandeel ambitie tussen de regio’s op dit moment nog niet goed te vergelijken. Hiervoor zijn concretere afspraken nodig over de te hanteren definities en gegevens die regio’s gebruiken voor hun RES. Ook vraagt het dat CBS en RVO de gegevens uit hun landelijke registraties over de productie uit windvermogen en grootschalig zon-PV standaard op (ten minste) regioniveau publiceren. Beide zijn naar verwachting onderdeel van een meerjarig traject. Prognoses voor hernieuwbare elektriciteitsproductie houden rekening met gemiddelde meteorologische omstandigheden. Als de elektriciteitsproductie uit wind en zonne-energie in de buurt komt van 35 TWh, dan zijn de jaar-tot-jaarvariaties als gevolg van het weer van de orde van 2 tot 3 TWh of zelfs meer. Bij het opstellen van de doelstelling is hiermee geen rekening gehouden.
Als je wilt vermijden dat dit soort variaties het zicht op het wel of niet halen van de 35 TWh-doelstelling vertroebelen is het aan te bevelen om de monitoring van doelbereik te doen op basis van meteogenormaliseerde opbrengsten uit wind- en zonne-energie. Het PBL is daar in deze analyse van uitgegaan.
56
Bijlage Huidig, pijplijn en ambitie; productie hernieuwbare elektriciteit Deze bijlage is een toelichting bij de PBL-raming van hernieuwbare elektriciteitsproductie: hoe zijn de onderdelen huidig, pijplijn en ambitie geraamd en met welke gegevens? Eerder is in de Systematiek Monitor RES (Matthijsen et al. 2020b, paragraaf 4.2.1) de PBL-aanpak beschreven waarmee het de hernieuwbare elektriciteitsproductie in 2030 per regio raamt. Hiervoor is onderstaande opbouw van het bod gebruikt. Toekomstige productie (regiobod) = Som van toekomstige productie (2030) uit huidig opgesteld vermogen en (1) uit vermogen met SDE+-beschikking en (2) uit vermogen o.b.v. beleidsvoornemen(s)* in de regio (3) * ‘beleidsvoornemen(s)’ = ambitie. Op basis van gegevens van CBS en RVO is voor de 30 RES-regio’s en voor totaal Nederland geraamd hoeveel MW grootschalige zon-PV en wind op land over enige jaren naar verwachting zal zijn opgesteld, en hoeveel GWh elektriciteit daarmee kan worden opgewekt. Om de productie uit het aandeel ambitie (beleidsvoornemen) af te leiden worden in de Systematiek twee manieren onderscheiden: a) als het regiobod naast een productie totaal ook het (op te stellen) vermogen specificeert in MW wind en MW zon en b) als het regiobod bestaat uit een productie totaal.
Voor de Monitor concept-RES maken we gebruik van de tweede manier, omdat de meeste regio’s hun bod niet of niet helemaal hebben gespecificeerd in MW wind en zon. Dat betekent dat de berekening van het aandeel ambitie is afgeleid door het totale regiobod (in GWh) te verminderen met de elektriciteitsproducties uit huidig- en pijplijn-vermogen.
Toelichting op het gebruik van CBS-cijfers – huidig De CBS-cijfers betreffen vermogens- en productiecijfers voor zon en wind op land in de 30 RESregio’s voor de jaren 2018 en 2019. Deze zijn onverkort overgenomen uit de ‘Maatwerktabel hernieuwbaar op land’ (CBS 2020), met de volgende kanttekeningen: • Voor wind op land zijn de genormaliseerde productiecijfers gebruikt; voor zon-PV vermeldt het CBS alleen niet-genormaliseerde productiecijfers. • Voor windenergie in Drenthe, Noord- en Midden-Limburg en Zuid-Limburg verstrekt het CBS wel cijfers voor het opgestelde vermogen, maar om redenen van vertrouwelijkheid geen productiecijfers. Deze productiecijfers zijn door het PBL geschat door het aantal vollasturen 22 zo in te stellen dat de som van de productiecijfers van alle regio’s – dus inclusief de 3 regio’s die ontbreken in de CBS-tabel – gelijk is aan het totaalcijfer dat het CBS voor alle regio’s geeft.
Toelichting RVO-cijfers – pijplijn Om een raming te kunnen maken van de verwachte toename van het vermogen en de productie van zon (> 15 kWp) en wind op land in de komende jaren, is gebruik gemaakt van gegevens van RVO.
22 Daarbij is voor Drenthe, Noord- en Midden-Limburg en Zuid-Limburg een gelijk aantal vollasturen genomen (geen differentiatie).
57
Bij zon-PV gaat het om gegevens uit het bestand met ‘SDE+-projecten in beheer’ die tot en met de najaarsronde van 2019 zijn beschikt 23: • Alleen de projecten die in 2020 of nog niet zijn gerealiseerd, zijn geselecteerd, zodat er geen dubbeltelling optreedt met de realisatiecijfers van het CBS. • Niet al deze projecten zullen gerealiseerd worden: er is een variant met 60 procent realisatie en een variant met 75 procent realisatie berekend. De beide realisatiegraden zijn op basis van realisaties van SDE-beschikte projecten van de afgelopen 4 jaar. • De elektriciteitsproductie is berekend op basis van het beschikte vermogen en het in het bestand vermelde aantal vollasturen. Dat is voor nagenoeg alle projecten 950 uur 24. Omdat er ook informatie over de locatie wordt gegeven (gemeentenaam) kunnen totalen per RESregio worden berekend. Voor wind op land is gebruik gemaakt van het bestand dat aan de basis ligt van de Monitor Wind op Land 2019 van RVO. Dat bestand geeft per project informatie over het brutovermogen, het te saneren vermogen en het nettovermogen. Het bestand geeft informatie over de locatie (gemeentenaam) waardoor de projecten kunnen worden toegedeeld aan RES-regio’s.
Bij de berekening van de vermogens- en productiecijfers zijn de volgende keuzes gemaakt: • In het Monitor-bestand worden vier projectfases onderscheiden: ‘Bouw in voorbereiding (SDE+ toegekend)’, ‘Ruimtelijke procedure’, ‘Vergunningenprocedure’ en ‘Voortraject’. Bij onze raming is alleen de fase ‘Bouw in voorbereiding (SDE+ toegekend)’ in beschouwing genomen; bij zon-PV worden immers ook alleen projecten met een SDE+-beschikking in beschouwing genomen. • Anders dan het bestand met ‘SDE+-projecten in beheer’ dat voor zon-PV is gebruikt, neemt de Monitor Wind op Land ook projecten mee waarvoor in de voorjaarsronde van 2020 een beschikking is gegeven. Ook wij hebben deze meegenomen. • Volgens de beheerder van het bestand is het vrijwel zeker dat windprojecten met een SDE+-beschikking uiteindelijk doorgaan. Daarom is gekozen voor een variant met 99 procent realisatie en een variant met 100 procent realisatie. • De elektriciteitsproductie van nieuw te plaatsen turbines is berekend op basis van het beschikte vermogen en het aantal vollasturen in 2020. Daarbij is gebruik gemaakt van een lijst met (11 verschillende) vollasturen per gemeente (variërend van 2.650 tot 4.050 vollasturen), die gebaseerd is op de indeling van gemeenten in vijf windcategorieën (≥ 8,0 m/s; ≥ 7,5 en < 8,0 m/s; ≥ 7,0 en < 7,5 m/s; ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; < 6,75 m/s) 25.
Er is daarbij geen rekening gehouden met turbinespecifieke eigenschappen, zoals turbinehoogte en rotordiameter. De elektriciteitsproductie van windturbines die gesaneerd gaan worden is berekend op basis van het vermogen maal 1.800 vollasturen. Volgens informatie (persoonlijke mededeling) van het adviesbureau voor windenergie in Nederland, Bosch & Van Rijn, is dit globaal gezien het gemiddelde aantal vollasturen van turbines die rond het jaar 2000 zijn geïnstalleerd. De nettoproductie (restproductie) is het verschil tussen brutoproductie en te saneren productie.
23 Een openbare versie van dit bestand (SDE plus projecten in beheer) is te vinden op https://www.rvo.nl/subsidie-en-
financieringswijzer/stimulering-duurzame-energieproductie-en-klimaattransitie-sde/feiten-en-cijfers-sde-algemeen. Anders dan het openbare bestand bevat het bestand dat wij hebben ontvangen ook een kolom waarin de projecten zijn toegedeeld naar RES-regio’s. 24 Een beperkt aantal projecten heeft 1.000 vollasturen. Mogelijk zijn dit dubbelzijdige systemen of systemen die met de zon meedraaien. 25 Zie bijlage 2 van ‘Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 11 maart 2020, nr. WJZ/ 20030806, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het voorjaar van 2020 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2020)’ (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-14196.html#d17e4015). Een deel van de huidige gemeenten is een samenvoeging (in 2019) van gemeenten die in 2018 nog als zelfstandige gemeente bestonden, en in die hoedanigheid in de Staatscourant een windcategorie toebedeeld kregen. Als de gefuseerde gemeenten verschillende windcategorieën hadden is de windcategorie van de nieuwe gemeente berekend als het gemiddelde van de windcategorieën van de ‘oude’ gemeenten. 58
Resultaten De totaalcijfers voor het huidige en te verwachten vermogen en productie in Nederland (pijplijn) zijn weergegeven in figuur B.1 (zon > 15 kWp) en figuur B.2 (wind op land). Figuur B.3 geeft de som van de productiecijfers van zon-PV en wind op land. De eerste twee balken in de figuren betreffen de realisatiecijfers volgens het CBS voor de jaren 2018 en 2019. De pijplijncijfers (de derde en vierde balk) betreffen de naar verwachting te realiseren vermogens- en productiecijfers op basis van cijfers van RVO, bij respectievelijk 60 en 75 procent verwezenlijking van de beschikte zonPV-projecten en 99 en 100 procent verwezenlijking van de beschikte windprojecten. De vijfde en zesde balk geven de som van de realisatiecijfers voor 2019 en de pijplijncijfers.
59
60
Referenties BZK (2020), Nationale Omgevingsvisie Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving [pdf] CBS (2020), Hernieuwbaar op land naar RES-regio, 2018 en 2019. Maatwerktabel. [link] Commissie MER nieuwsbericht (2020), Regionale energiestrategie en m.e.r.: de resultaten en ervaringen uit de pilots, 14 december 2020. [link] en verslag [link] EU (2009) Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (Voor de EER relevante tekst) [pdf] Evers, D., P. Nabielek & J. Tennekes (2019), Wind-op-land: lessen en ervaringen. Een reflectie op de implementatie van windenergie vanuit een ruimtelijk perspectief, PBL-publicatienummer: 3379, Den Haag: PBL. [pdf] EZK (2018), Kamerbrief routekaart windenergie op zee 2030. [pdf] EZK (2020), Kamerbrief over samenhang en sturing Programma Energiehoofdstructuur en Regionale Energiestrategieën. [link] Hier Opgewekt Evenement (2020), Hét evenement over lokale duurzame energie, 18 t/m 20 november 2020 – online editie. [link] Hoogervorst, N. et al. (2020), Startanalyse aardgasvrije buurten (versie 24 september 2020); Gemeenterapport met toelichting bij tabellen met resultaten van de Startanalyse. PBLpublicatienummer: 4038, Den Haag: PBL.
[pdf] IEA (2020), Renewables 2020 Analysis and forecast to 2025, International Energy Agency, Parijs, november 2020. KEV (2020), Klimaat- en Energieverkenning 2020. PBL-publicatienummer: 3995, Den Haag: PBL. [pdf] en zie ook [link] KNMI (2019), Klimaatbericht: Zonnestraling in 2019, De Bilt: KNMI. [link] KNMI (2020), Uitleg over: Zonneschijnmetingen, De Bilt: KNMI. [link] Lensink, S. (2018), Eindadvies Basisbedragen SDE+ 2019. PBL-publicatienummer: 3342, Den Haag: PBL. [pdf] Lensink, S. (2020), Eindadvies Basisbedragen SDE++ 2020. PBL-publicatienummer: 3526, Den Haag: PBL. [pdf] Lledo, Ll. et al. (2019), Seasonal forecasts of wind power generation, Renewable Energy 143, 91100. [doi-link] Matthijsen, J. et al. (2020b), Systematiek Monitor RES, PBL-publicatienummer: 3178, Den Haag: PBL. [pdf] Matthijsen, J. et al. (2020a), Regionale Energie Strategieën. Een tussentijdse analyse. PBLpublicatienummer: 4217, Den Haag: PBL. [pdf] NP RES (2019), Handreiking Regionale Energiestrategie 1.1 en het RES Afwegingskader [link] NP RES (2020), Foto 30 RES’en oktober 2020. [link] NBNL (2019), Integrale infrastructuurverkenning 2030-2050 (II3050). [pdf] en zie ook [link] NBNL (2020), Factsheet systeemefficiëntie, Netbeheer Nederland - NBNL, oktober 2020. [pdf]
61
NBNL/Holland Solar (2020), Convenant Zon Betaalbaar op het Net [pdf] Noordelijke Rekenkamer (2020), Verdeling onder hoogspanning Groningen, Een onderzoek naar de verdeling van kosten en baten. [pdf] NVDE (2020), NVDE analyse Regionale Energiestrategieën. Juli 2020. [pdf] Participatie coalitie (2020), Analyse en aanbevelingen concept-RES, 29 september 2020. [pdf] PBL & KNMI (2015), Achtergronden bij wereldwijde klimaateffecten – Risico’s en kansen voor Nederland, Den Haag: PBL. [pdf] Pryor, S.C. (2018), Interannual variability of wind climates and wind turbine annual energy production, Wind Energ. Sci., 3, 651–665. [doi-link] RVO (2020) Monitor wind op land 2019. [pdf] Schwencke et al. (2020), Monitor participatie hernieuwbare energie op land. [pdf] Strengers et al. (2020), Advies uitfasering houtige biogrondstoffen voor warmtetoepassingen, PBL-publicatienummer: 4188, Den Haag: PBL. [pdf] Tennet (2020), Investeringsplan Net op land 2020-2029, TenneT, oktober 2020. [pdf] Windstats (2020), Windenergie statistieken van Nederland Locaties en vermogen. [link]
62