CConstaterende datWeesp
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 bij RIB 2021 154 - Concept Transitievisie Warmte

Commissie SOB 14 september 2021, gemeente WeespBij agendapunt: Vragen naar aanleiding van Raadsinformatiebrieven25.311 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

VRAGEN VAN INWONERS Er zijn in de verschillende bijeenkomsten met inwoners veel vragen naar voren gekomen over allerlei onderdelen van de warmtetransitie. Een volledig vraag en antwoord-document is te vinden in op de website van de gemeente. We hebben een paar veelvoorkomende vragen uitgelicht.

24

•

V: Ik heb een eigen woning. Stel ik wil later alsnog een aansluiting op een warmtenet, kan dat dan?

•

A: Het warmtenet zal zeer waarschijnlijk eerst worden gerealiseerd bij appartementencomplexen met hoogbouw. Rijwoningen komen pas later aan de beurt, als zij dat willen. Waarschijnlijk krijgen de woningeigenaren dan een aanbod om zich op het warmtenet aan te sluiten. Zij kunnen dan zelf bepalen of zij mee willen doen.

•

V: Heb ik wel echt keuzevrijheid? Als er in een straat een bepaald systeem wordt aangelegd en ik wil wat anders?

•

A: Als woningeigenaar kunt u altijd kiezen voor een individuele warmte-oplossing zoals bijvoorbeeld een elektrische warmtepomp.

•

V: Meer dan 50% van de elektriciteit moet opgewekt worden in door gasgestookte centrales. Ook als je huis van het gas af is zijn we dus eigenlijk niet echt van het gas af. A: Op dit moment is de mix van elektriciteitsopwekking nog niet hernieuwbaar, maar ook daar wordt de komende jaren op grote schal de overstap gemaakt naar niet-fossiele brandstoffen. Bovendien zijn er steeds meer woningen met zonnepanelen die daarmee hun eigen stroom opwekken

•

V: In mijn buurt is nog geen besluit genomen over de toekomstige energievoorziening. Ik wil wel nu al wat gaan doen. Komt dat dan ten laste van mijn eigen budget, of kan de gemeente hieraan bijdragen? A: Daar is subsidie voor. Als u twee maatregelen neemt, dan kunt u daar subsidie voor aanvragen. U moet hiervoor kijken bij het Duurzaam Bouwloket van de gemeente Weesp voor meer informatie. U moet eerst de maatregelen uitvoeren en dan kunt u subsidie terugkrijgen.

•

V: Moet je als VvE als geheel op een warmtenet, of kan je ook als individuele woningeigenaar aansluiten op een warmtenet? A: Dat ligt aan type VvE. Voor een VvE met blokverwarming zal de aansluiting op een warmtenet gezamenlijk moete gaan. Bij een VvE met individuele aansluitingen hoeft dat niet altijd gezamenlijk te gebeuren.

4.5. Kansrijke buurten om te starten Voor een groot gedeelte van het vastgoed in de Weesp geldt dat isoleren de voornaamste prioriteit is of dat gebouweigenaren individueel de overstap naar aardgasvrij kunnen maken. De huidige inzichten bieden, op één duidelijke startkans na, weinig grote kansen voor meerdere collectieve oplossingen. De collectieve startkans voor woningen die we zien is van een dermate omvang dat hier een grote slag mee gemaakt kan worden om aan de tussentijdse landelijke ambities van 2030 (20 procent aardgasvrije gebouwde omgeving) te voldoen. We zullen dit in het vervolg van deze paragraaf verder toelichten. In onderstaande tabel worden de buurtgerichte startkansen en de verschillende doelgroepen kort beschreven. Vervolgens volgt er een toelichting gegeven per onderdeel.

25

Buurten Hogewey, Schildersbuurt, Dichtersbuurt

Aanpak

Starten met voorbereiding voor een Buurtuitvoeringsplan in 2022

Aanpak

Campagne stimuleren overstap naar hybride of Starten per direct, all electric, elk natuurlijk moment aangrijpen. aanpak doelgroepen Vooral voor woningen in Leeuwenveld en volgen in overleg met Weespersluis. Amsterdam in nader te bepalen fases

Isolatiebuurten: Brede isolatieopgave met versnelling via Eengezinswoningen buurtgerichte aanpakken. Isolatieaanpakken 1950-1990 gericht op het aardgasvrij-ready maken van alle eengezinswoningen uit de periode 19501990.

N.t.b.

Potentiële omvang

doelgroepen Recente woningen bouwjaar na 1990

Potentiële omvang

Middentemperatuur warmtenet met Ymere als Per direct starten met +- 3800 startmotor. Een bronnenstrategie zal bepalend planvorming, realisatie woningen zijn voor de aanvliegroute en de en in gebruik vóór 2030 ontwikkelsnelheid van het warmtenet

Bedrijventerrein NoordKansrijk voor een lokaal bronnet, meekoppelkans groot onderhoud in 2025

Gemeentebrede

Planning

+- 600 woningen

Starten per direct, n.t.b. verschillende doelgroepen volgen in overleg met Amsterdam in nader te bepalen fases

Isolatiebuurten: Brede isolatieopgave met versnelling via Starten per direct, n.t.b. Meergezinswoningen buurtgerichte aanpakken. Isolatieaanpakken verschillende gericht op het aardgasvrij-ready maken van doelgroepen volgen in 1960-1995 alle meergezinswoningen uit de periode 1965- overleg met Amsterdam 1990. in nader te bepalen fases Woningen voor 1920 Isolatie is speerpunt, maatwerk nodig vanwege Starten per direct, n.t.b. complexiteit en diversiteit verschillende doelgroepen volgen in overleg met Amsterdam in nader te bepalen fases In de onderstaande paragrafen lichten we in detail toe waarom juist deze opties kansrijk zijn om na vaststelling van de Transitievisie Warmte mee aan de slag te gaan. Dit betekent niet dat bewoners in andere gebieden in Weesp buiten de boot vallen in de warmtetransitie. Voor alle inwoners zorgen we voor een handelingsperspectief, zodat het in elke buurt en voor elke type woning duidelijk is waar we naartoe werken. 4.5.1. Warmtenet Hogewey, Schildersbuurt, Dichtersbuurt Wat gaan we doen: In een Wijikuitvoeringsplan het verder uitwerken van de haalbaarheidsstudie en businesscase van de mogelijkheid voor een warmtenet in Hogewey en Noord (Dichtersbuurt en Schildersbuurt). Mogelijke bronnen zijn RWZI van Waternet, restwarmte van in de industrie op bedrijventerrein van Houten en een nieuw te realiseren datacenter.

Mogelijk in de toekomst ook aan te vullen met aquathermie vanuit het Amsterdam Rijnkanaal. In Hogewey en Noord is een concentratie aanwezig van woningen van Ymere. Verschillende woonblokken bevatten hier circa 1700 corporatiewoningen. Deze hoge concentratie aan warmtevraag maakt dit gebied 26

kansrijk voor het starten van een collectieve warmteoplossing. In deze buurten bevinden zich ook veel (gemengde) VvE’s, die samen met de woningen van Ymere tot een schaalgrootte kunnen leiden voor een interessante business-case van een warmtenet. Daarnaast zullen in een latere fase ook particuliere eigenaren in deze buurten worden benaderd. De omvang van deze buurten, en daarmee het warmtenet, bestaat uit zo’n 3800 woningen, ongeveer 45% van het totaal aantal woningen in Weesp. Met een dergelijke omvang heeft Weesp ruime mogelijkheden om te voldoen aan de landelijke ambitie van 20% aardgasvrij in 2030. Daar moet echter wel nog heel veel voor gebeuren; er zijn nog veel stappen te zetten om van een theoretische potentie tot realisatie te komen. Pas na een nadere verkenning kunnen we een gewogen uitspraak doen of we verwachten dat we kunnen voldoen aan de landelijke ambities. Eén van de stappen die moet worden gezet is een bronnenonderzoek. Er zijn er al een aantal kansrijke bronnen in beeld om het warmtenet met warmte te voeden, maar de kansrijkheid van deze bronnen vereist verdere studie (zie bijlage D, paragraaf 5.3.4). De (warmte)potentie van deze bronnen zijn doorslaggevend voor de aanvliegroute van dit mogelijke warmtenet.

Als één van deze bronnen 90°C warmte kan leveren, kunnen de woningen in deze buurten zonder ingrijpende maatregelen verwarmd worden middels een warmtenet. Bij bronnen met een temperatuur van 70°C zullen veel woningen eerst aanvullende isolatiemaatregelen moeten treffen om ze comfortabel warm te kunnen stoken op de koudste dagen. We zullen in het Buurtuitvoeringsplan, direct na vaststelling van de Transitievisie Warmte, verder onderzoeken wat de kansrijkheid is van de verschillende bronnen om de mogelijke startdatum van de verdere ontwikkeling van het warmtenet te concretiseren. Daar zullen we ook de mogelijkheid om te starten met een middentemperatuur warmtenet (70°C) én nog gebruik van gas voor de piekvoorziening als optie meenemen. In die variant zijn er geen aanvullende isolatiemaatregelen nodig en kan er ook snel gestart worden met de ontwikkeling van een warmtenet. De haalbaarheid van deze kans moet nog wel goed onderzocht worden. We zien dat op andere plekken in het land de business case en de haalbaarheid belangrijke aandachtspunten zijn, waarbij de praktijk vaak weerbarstig blijkt. 4.5.2. Bedrijventerrein Hogewey Wat gaan we doen: Het gesprek aangaan met vertegenwoordigers van het bedrijventerrein Hogewey en samen met een aantal koplopers de mogelijkheden verkennen van een collectieve oplossing.

Op het bedrijventerrein Hogewey zijn zowel kantoorpanden als bedrijfsloodsen aanwezig. Het gebied kent naar alle waarschijnlijkheid zowel een warmte- als koudevraag, waardoor een bronnet een interessante oplossingsrichting kan zijn. Voor het hele gebied geldt dat zowel individuele of (klein) collectieve oplossingen kansrijk zijn. Dat kan een bronnet zijn op basis van aquathermie of een warmte-koude opslag in de bodem (WKO) in combinatie met warmtepompen in het gebouw. De Bedrijvenvereniging IVW heeft aangegeven dat er mogelijk geïnteresseerde bedrijven zijn, maar dat die over het algemeen op zoek zijn naar concrete oplossingen. We zullen deze bedrijven vanuit de gemeente helpen om het gesprek te voeren om tot kansrijke oplossingen te komen. 4.6. Gemeentebrede doelgroepen Naast een collectieve aanpak in Hogewey en Noord willen we inwoners ook via het individuele spoor stimuleren om op natuurlijke momenten te verduurzamen en zich voor te bereiden op een alternatieve warmtevoorziening zonder aardgas. Hierdoor krijgen ook al deze inwoners perspectief op wat zij zelf al kunnen doen op weg naar aardgasvrij. We baseren deze doelgroepen op basis van de typologie en het bouwjaar van een woning. 4.6.1. Recente woningen - bouwjaar na 1990 Buurten waar all-electric oplossingen de laagste maatschappelijke kosten hebben zijn meestal buurten met veel eengezinswoningen, gebouwd na 1990.

Daarnaast zijn er door de gemeente verspreid verschillende woningen te vinden die na 1990 zijn gebouwd. Voor al deze woningeigenaren geldt dat ze op ieder moment de keuze maken om maatregelen te treffen richting aardgasvrij, of in sommige gevallen al op korte termijn de 27

volledige overstap te maken. De individuele vastgoedeigenaar is hierbij minder afhankelijk van keuzes en beperkingen van andere vastgoedeigenaren in de straat, of in de buurt. Een hybride oplossing kan voor deze woningen een interessante tussenoplossing zijn om ook op korte termijn al aardgas te kunnen besparen. Er is hierbij wel altijd een technische check nodig. Het is daarbij met name de vraag op welk temperatuurniveau de woning verwarmd zou kunnen worden en welke installatie daarbij hoort. In sommige gevallen moeten deze woningen verder geïsoleerd worden om de overstap naar all-electric te maken.

IMPACT OP HET ELEKTRICITEITSNET Liander heeft nu en de komende jaren te maken met een grote stijging van het stroomverbruik in de gemeente Weesp. Deze grote stijging komt onder andere door de grootschalige ontwikkeling van energie neutrale nieuwbouw, de verduurzaming van bestaande bouw, de opkomst van elektrisch vervoer en het gunstige vestigingsklimaat voor bedrijven. Om al deze economische ontwikkelingen te kunnen faciliteren dient het elektriciteitsnet te worden uitgebreid. de energietransitie zorgt ervoor dat Liander een steeds grotere ruimtelijke impact heeft ; er zijn meer transformatorstations verdeelstations en transformatorhuisjes nodig. We realiseren ons dat deze ontwikkelingen ruimtelijke gevolgen gaan hebben. We hebben als gemeente regelmatig contact met Liander over deze ontwikkelingen.

4.6.2. Isolatiebuurten: woningen gebouwd tussen 1950 – 1990 Voor de meeste van deze woningen is een volledig aardgasvrije woning op dit moment nog niet haalbaar . Voor veel van de woningen uit deze bouwperiode is eerst extra isolatie nodig om de vraag naar aardgas te beperken. Zodra de woning op een niveau van basisisolatie is gebracht kan de overstap naar aardgasvrij gemaakt worden. Voor de woningen in deze buurten waar de eindoplossing nog onzeker is of waarbij allelectric de voorkeursoplossing is geldt dat een hybride oplossing een interessante tussenoplossing kan zijn om ook op korte termijn al aardgas te kunnen besparen. We maken in onze aanpak, die vormgegeven zal worden na vaststelling van de Transitievisie Warmte, onderscheid in een aanpak voor eengezinswoningen (rijwoningen) en meergezinswoningen (gestapelde bouw).

4.6.3.

Woningen gebouwd voor 1920

Voor deze woningen is de overstap naar aardgasvrij zowel financieel als technisch nog niet haalbaar. Dit geldt bijvoorbeeld voor grote delen van de oude binnenstad van Weesp en sommige delen van het buitengebied. Daar zal voorlopig het aardgasnet blijven liggen, en kan duurzaam gas of innovatie in de toekomst mogelijk een oplossing bieden. Ook voor deze woningen gaan we op zoek naar tussenstappen. Extra isolatie is voor deze woningen een goede stap richting aardgasvrij, daar waar dat technisch mogelijk en financieel haalbaar is. Hiermee wordt al de nodige warmte en dus aardgas bespaard. Ook hier stimuleren we de overstap naar hybride warmtepompen en in dit geval ook als eindoplossing. 4.6.4. Woningen gebouwd tussen 1920 en 1950 Ook voor deze woningen is de overstap naar aardgasvrij vaak nog niet haalbaar. Het verschil tussen woningen van voor 1920 en van 1920-1950 is dat woningen van 1920-1950 soms al wel een spouwmuur hebben en systematisch gebouwd zijn. Dat betekent dat isoleren eenvoudiger en minder kostbaar is. Deze woningen kunnen mogelijk toewerken naar het basisniveau isolatie, al zal het per woning verschillen wat de mogelijkheden zijn. We zitten voor deze woningen in op het maximale doen binnen de bestaande schil en we stimuleren hier de overstap naar hybride warmtepompen als tussenoplossing, en in sommige gevallen ook als eindoplossing.

28

5. Hoe gaan we van start In dit hoofdstuk maken we een doorkijk richting uitvoering: hoe gaan we als gemeente aan de slag met de verschillende routes naar aardgasvrij? We bieden hier een overzicht van de aandachtsterreinen voor de komende jaren. We staan zowel stil bij de vraag hoe we dit intern organiseren en hoe we met de verschillende kansrijke gebieden en doelgroepen uit het vorige hoofdstuk om willen gaan. Dit is nog geen definitief stappenplan, maar geeft inzicht in waar na vaststelling van de TVW mee aan de slag gaan. 5.1. Organisatie en samenwerking De warmtetransitie vraagt om nieuwe vormen van samenwerken met gebouweigenaren, met inwoners en met het bedrijfsleven. Samenwerken in de warmtetransitie betekent meer dan enkel het naast elkaar uitvoeren van de projecten van de individuele partijen. Om de overstap naar aardgasvrij gezamenlijk te maken is gebiedsgerichte coördinatie nodig om bijvoorbeeld de collectieve warmtekansen uit te werken. Anderzijds is een doelgroepgerichte aanpak nodig als het gaat om isolatie en energiebesparing. Bovendien is de warmtetransitie geen op zichzelf staande opgave. Het is belangrijk dat ambities en plannen worden afgestemd met de ambities en plannen op andere thema’s. Het gaat dan om thema’s als klimaatadaptatie, circulariteit en verbetering van de sociale cohesie en de openbare ruimte.

Het vraagt dus om samenwerking en coördinatie tussen verschillende afdelingen binnen de gemeente. De gemeente is regisseur van de warmtetransitie en zal als vervolg op deze Transitievisie Warmte samen met de belangrijkste partners in Weesp het komende jaar aan een uitvoeringsagenda werken om gezamenlijk de juiste stappen te zetten richting een aardgasvrije gemeente. Het doel is om een organisatiestructuur in te richten die aansluit bij reeds bestaande structuren van de gemeente. Aangezien Weesp op ambtelijk niveau al gefuseerd is met de gemeente Amsterdam en in maart 2022 bestuurlijk gefuseerd zal zijn, zullen we hier aansluiten op de aanpak van Amsterdam. Amsterdam werkt samen met stakeholders en bewoners volgens de Wijken Aardgasvrij Maken (WAM) aanpak, waarbij de buurt verschillende fases doorloopt, van eerste verkenning van verschillende warmteoplossingen tot uiteindelijk realisatie van de collectieve voorkeursvariant. Dat gebeurt onder leiding van gemeentelijke ‘aardgasvrijregisseurs’ die in nauw contact met de buurt staan. Bij het opstellen van een buurtuitvoeringsplan worden professionele stakeholders voor de energietransitie zoals de netbeheerder, de woningcorporaties en andere grote eigenaren betrokken. Vanzelfsprekend behoren ook bewoners, in de vorm van particuliere eigenaren, VvE’s, bewonerscommissies en huurders, tot de stakeholders.

De participatie van bewoners bij dit proces zal in elke buurt weer anders verlopen, afhankelijk van de gewenste betrokkenheid van bewoners. Door continu te leren en de WAM aanpak te blijven aanscherpen, zorgen we dat het proces naar een aardgasvrije buurt over de tijd steeds efficiënter verloopt.

5.2. Communicatie en participatie De warmtetransitie is voor veel inwoners van Weesp nog onbekend en levert voor inwoners die wel betrokken zijn veel vragen en zorgen op. Naast algemene communicatie over de voortgang van de transitie zullen we in elk Wijk- of Buurtuitvoeringsplan een participatieplan opstellen, waarbij we inzetten op voldoende informatievoorziening en het regelmatig communiceren over de warmtetransitie. We nemen hierbij de suggesties en aanbevelingen die inwoners hebben gedaan zoveel mogelijk mee, waaronder de ingrediënten voor een succesvolle aanpak aan het einde van dit hoofdstuk. We zullen daarin ook beschrijven wat de invloed en inspraakmogelijkheden van inwoners binnen de verschillende routes zal zijn: hoe zwaar weegt hun input ten opzichte van andere partijen? En wat als er te weinig voorstanders zijn voor de voorkeursoplossing die wordt voorgelegd? We kijken hierbij naar de geleerde lessen in Amsterdam en elders in het land en houden nieuwe wet- en regelgeving in de gaten. 29

5.3. Werk met werk maken De warmtetransitie heeft een grote ruimtelijke impact. We willen overlast zoveel mogelijk beperken door op zoek te gaan naar koppelkansen met werk in de openbare ruimte, zoals rioolvervangingen en grootschalig onderhoud van wegen. Vanwege de lange aanloop van veel van dit soort ruimtelijke projecten proberen we al in vroege fase die koppelkansen te identificeren. Een concrete kans die we nu al hebben gesignaleerd is bij het bedrijventerrein Noord. Daar staat tussen 2022 en 2025 groot onderhoud gepland, waarbij het interessant is om te kijken of er tegelijkertijd een bronnet gerealiseerd kan worden door een aantal geïnteresseerde bedrijven. 5.4. De ontwikkeling van een warmtenet De gemeente is regisseur van de warmtetransitie, zeker in het geval van de verdere verkenning van de mogelijkheden voor het ontwikkelen van een warmtenet. De ontwikkeling van een warmtenet kenmerkt zich door een buurtgerichte collectieve aanpak, waarbij de gemeente samenwerkt met verschillende partners om vraag en aanbod van warmte in een gebied te organiseren. Deze aanpak is buurtgericht omdat de infrastructuur van een warmtenet kostbaar is. Het is daarom belangrijk is dat er binnen een buurt een bepaalde schaalgrootte ontstaat. We kijken hier voor een groot deel naar de geleerde lessen uit de eerste startwijken in Amsterdam.

Het is niet de verwachting dat we overal tegelijkertijd kunnen starten. We zullen in de vervolgfase aandacht moeten besteden aan kansrijke clusters binnen de aangemerkte warmtenetbuurten. Een belangrijk onderdeel van de verdere verkenning zal gericht zijn op de potentiële warmtebronnen en mogelijke warmtenet exploitanten. De beschikbaarheid van een exploitant en geschikte en voldoende warmtebronnen bepaalt in belangrijke mate de haalbaarheid en het tempo van de ontwikkeling van het warmtenet. 5.4.1. We bereiden ons voor op de aankomende Wet Collectieve Warmtevoorziening Er is wetgeving in ontwikkeling om gemeenten meer sturingsinstrumenten te geven in de warmtetransitie. De nieuwe Wet Collectieve Warmtevoorziening (WCW) wordt naar verwachting in 2022 van kracht. Het huidige demissionaire kabinet zal het besluit hierover vooruitschuiven naar de volgende kabinetsperiode. In deze wet is voorzien dat het college van B&W via een transparante procedure (publieke aanwijzing) een warmtebedrijf aanwijst, dat binnen een bepaald gebied (een warmtekavel) verantwoordelijk wordt voor de aanleg en levering van warmte. Dit biedt een duidelijke regierol en meer sturingsmogelijkheden voor gemeenten om de ontwikkeling van een warmtenet mogelijk te maken.

We houden deze ontwikkelingen nauwlettend in de gaten en bereiden ons hier zo goed mogelijk op voor zodat we snel aan de slag kunnen met het inzetten van dit nieuwe instrumentarium.

5.5. Isolatiemaatregelen We gaan voortvarend aan de slag met isolatie en andere vormen van energiebesparing ter voorbereiding van de transitie naar aardgasvrij. Zoals aangegeven sluiten we hierbij aan bij de belangrijkste woningtypen in Weesp. Niet iedere woningeigenaar heeft een vergelijkbaar handelingsperspectief. De stappen die nodig zijn naar aardgasvrij zijn afhankelijk van het woningtype, de staat van de woning en de voorgestelde warmteoptie in de buurt. De meeste informatie over de concrete maatregelen is geheel vrijblijvend en kosteloos op te vragen via het Duurzaam Bouwloket, en na de fusie met Amsterdam via het Regionaal Energieloket. Het nemen van isolatiemaatregelen gebeurd op basis van vrijwilligheid. De gemeente heeft op dit moment geen sturingsmogelijkheden om deze maatregelen af te dwingen. Er bestaan wel financieringsmogelijkheden om inwoners aan te moedigen om maatregelen te nemen. Daarnaast bestaan er mogelijkheden om een collectief aanbod te organiseren, zoals bijvoorbeeld een gezamenlijke inkoopactie met de buurt, waar meerdere eigenaren tegelijk gebruik van kunnen maken. Weesp Duurzaam zet zich hier al jaren voor in. We zullen na vaststelling van de TVW deze aanpak inhoudelijk verder uitwerken. We werken daarin per woningtype en type bewoner maatregelen uit op het gebied van voorlichting en facilitering..

Vooruitlopend hierop gaan we aan de slag met bewustwording rond de energietransitie en stimulerend bewoners en 30

ondernemers om energiebesparende en energieopwek maatregelen te nemen. Dit zijn immers no-regret maatregelen. Om het gebruik van de natuurlijke momenten zoveel mogelijk te stimuleren houden we in ons uitvoeringsprogramma ook rekening met de volgende aspecten, en waarbij we ons zoveel mogelijk aansluiten op de aanpak in Amsterdam: •

•

•

We zorgen voor goede voorlichting om inwoners te motiveren om te isoleren. We maken hierbij onderscheid in de verschillende doelgroepen zoals beschreven in het vorige hoofdstuk. Zowel voor het comfort dat het oplevert, de financiële besparingen als de klimaatwinst. Inwoners willen beter inzicht krijgen in welke maatregelen ze moeten nemen en wat daarvoor natuurlijke momenten zijn. Inwoners willen objectieve adviezen, het liefst georganiseerd vanuit de gemeente. In deze adviezen moet duidelijk worden waarom specifiek deze maatregelen nodig zijn en wat de voordelen ervan zijn, zoals meer comfort en lagere woonlasten. We gaan faciliteren waar we kunnen. We zorgen dat gebouweigenaren weten bij welke middelen ze terecht kunnen om de maatregelen te nemen, zoals rekentools, woningscans, (digitale) loketten, subsidies, leningen en voorbeeldwoningen. We informeren woningeigenaren over de diverse regelingen waar ze gebruik van kunnen maken. Vanuit Weesp Duurzaam zijn op dit moment al energiecoaches actief in Weesp die bewoners informeren over energiebesparende en opwek maatregelen, waaronder isolatie. Daarnaast verzorgt Versa Welzijn opbouwwerk in het kader van de energietransitie waardoor bewustwording van de warmte- en energietransitie van buurt- en wijkbewoners vergroot worden.

In Amsterdam is het programma Renovatiemotor opgestart om het renoveren en isoleren van huizen en panden in Amsterdam te versnellen en op te schalen. De Renovatiemotor richt zich op het uitvoeren van eenvoudige isolatiemaatregelen bij corporatiewoningen, ingrijpend renoveren van slechte woningen en het organiseren van isolatie en duurzame opwek in combinatie met het pro-actief aanbieden van energie-advies. Ook hier is uitgangspunt dat de aanpak continu aangescherpt wordt door voort te borduren op geleerde lessen. Na de fusie zal Weesp hierop aansluiten. Een voordeel van all-electric is dat elk huishouden haar eigen natuurlijk moment kan kiezen om te verduurzamen en aanpassingen te doen aan het huis. Een keerzijde daarvan is dat er hierdoor het schaalvoordeel van het collectief kan ontbreken. Om deze reden is het van belang dat bewoners, net zoals bij een collectieve oplossing zoals een warmtenet, kunnen profiteren van heldere informatievoorziening en collectief voordeel. Door middel van collectieve isolatiemateriaalinkoop proberen we voor alle typen buurten zulk collectief voordeel te bereiken. Als toevoeging daarop zou het voor all-electric en duurzaam gas-buurten interessant kunnen zijn om collectieve inkoop en duidelijke informatievoorziening wat betreft warmtepompen te organiseren. Tijdens de informatieavond op 3 juni jl.

over de Transitievisie Warmte kwam naar voren dat er momenteel nog veel vragen van bewoners zijn over de toepassing, betaalbaarheid, en het geluid dat warmtepompen produceren. Sinds de eerste toepassing van warmtepompen zijn er al veel verbeteringen op deze drie aspecten gedaan. Weesp zal in samenwerking met de gemeente Amsterdam onderzoeken of ze deze lessen kan delen en of er een stedelijke ondersteuning voor toepassing van warmtepompen kan worden opgezet, inclusief de mogelijkheid voor collectieve inkoop en installatie die mogelijk de kosten nog verder verlagen. 5.6. De aanpak voor bedrijventerreinen Bedrijven zijn benoemd als aparte hoofddoelgroep binnen de energiebesparingsopgave. Omdat deze doelgroep zowel qua verwarmingsbehoefte als qua regelgeving afwijkt van woningen, is het belangrijk dat voor deze groep specifieke aanpakken worden ontwikkeld. Deze kunnen zowel gericht zijn op individuele (besparings)maatregelen als het ontwikkelen van kleinschalige collectieve systemen (bronnetten). Bij het

31

uitwerken van deze aanpakken is de Omgevingsdienst als vergunningverlener een belangrijke partner. Ook hier sluiten we ons aan bij de bestaande aanpak in Amsterdam.

5.7. De aanpak in Nieuwbouw- en transformatiegebied De komende jaren worden honderden nieuwe woningen en bedrijfsgebouwen in Weesp gerealiseerd, met name in Weespersluis. Vanaf 1 januari 2021 geldt de BENG norm, waarbij BENG staat voor Bijna Energieneutrale Gebouwen. Deze woningen zullen volledig aardgasvrij worden gerealiseerd, met behulp van individuele oplossingen op pandniveau.

INGREDIËNTEN VOOR EEN SUCCESVOLLE AANPAK: De volgende aspecten zijn door het inwonerspanel en andere inwoners benoemd als ingrediënten die meegenomen moeten worden bij de uitvoering van de Transitievisie Warmte. We nemen deze suggesties en opmerkingen mee in de verdere uitwerking van de warmtetransitie. •

Ik ben op zoek naar betere informatievoorziening: zet inzichtelijk op een rij wat de voor- en nadelen zijn van de verschillende alternatieve warmteoplossingen. Hiermee kunnen de verschillende alternatieven met elkaar worden vergeleken.

•

Ik wil weten welke subsidies er vanuit de gemeente komen. Ik wil namelijk best investeren in duurzaamheid alleen wil ik wel weten op welk termijn ik de kosten heb terug verdiend.

•

Als gemeente niet teveel in de vorm van grootste gemene deler willen denken; openstaan voor eventuele bewonersinitiatieven.

•

Maak een routekaart voor de gehele gemeente en zorg voor goede communicatie in brede zin

•

Korte, heldere communicatie aan bewoners. Niet vooral over wat 'moet', maar vooral over wat 'kan'. Er is (beperkt) keuze vrijheid. Besparingen door isolatie leveren ook winst op voor de portemonnee, niet alleen het milieu.

•

Inwoners van Weesp wijzen op initiatieven zoals Weesp Duurzaam en bespaarplannen voor huistypes laten zien

•

Nu er allerlei warmtescans gedaan zijn/worden wordt er ook een beter beeld gevormd van hele buurten. Biedt een concreet subsidie plan voor de optie met de meeste isolatiewinst in een buurt.

•

Niet alle woningen hebben voldoende ruimte voor warmtepompen, maak ook oplossingen buiten de woning (in de openbare ruimte) mogelijk en stel je daarbij als overheid flexibel op.

•

All-electric is harstikke leuk op papier, maar het geluidsoverlast van al die pompen moet ook meegenomen worden.

32

Transitievisie Warmte Gemeente Weesp

Bijlagen

33

Bijlage A: Participatie en communicatie We hebben inwoners en ondernemers in januari 2020 gevraagd om hun kijk op de overstap naar aardgasvrij via het invullen van een enquête. Deze enquête is door 236 bewoners ingevuld. De enquête is zorgvuldig samengesteld aan de hand van ervaringen bij andere gemeenten en in samenspraak met de afdeling communicatie van de gemeente. De uitkomsten van de enquête zijn gebruikt om de algemene principes aan te vullen en aan te scherpen en om een beter beeld te krijgen hoe inwoners in de gemeente Weesp aankijken tegen de warmtetransitie. Hieronder zijn de volledige uitkomsten van de enquête weergegeven.

34

35

Voorafgaand aan een gemeentebrede informatieavond op 3 juni heeft bureau Tertium opnieuw een enquete afgenomen. Daarvoor is onder meer een huis-aan-huis een publicatie verspreid met de belangrijkste eerste uitkomsten. Ook is een korte informatievideo opgenomen over de uitgangspunten en belangrijkste voorstellen uit de Transitivisie Warmte.

36

37

38

Bijlage B: Onderbouwing transitiepad per buurt Buurt Aetsveld Noord & Zuid, Zuid I en II en de Klomp

Leeuwenveld en Weespersluis

Transitiepad Energiebesparingsbuurt met aandacht voor herijking

All-electric

Onderbouwing/ toelichting • Komt uit het onderzoeksbeeld op onzeker uit •

Vanwege bouwjaren en dichtheid liggen deze buurten rond het omslagpunt van warmtenet of all-electric

•

Bij de herijking van de transitievisie zal er extra aandacht worden besteed aan deze wijken

•

Relatief nieuwe woningen met een hoge isolatiegraad en lage warmtevraag

•

Individuele oplossingen per gebouw

Oostpolder

Warmtenet

• •

Komen in het onderzoeksbeeld op warmtenet uit. Kansrijk vanwege dichtheid aan bebouwing, relatief veel hoogbouw en grote mate van corporatiebezit

Centrum & Herensingelkwartier

Energiebesparingsbuurt met perspectief op duurzaam gas

•

Komt in het onderzoeksbeeld uit op het gasnet

•

Grotendeels vooroorlogs

•

Vanwege de krapte en verscheidenheid aan infrastructuren in de ondergrond vrijwel onmogelijk om warmtenet te realiseren

•

De wijk bestaat (bijna volledig) uit bedrijfsfuncties

•

Bedrijventerreinen volgen een eigen transitiepad met veel aandacht voor maatwerk. Dat komt omdat de warmtevraag van bedrijven sterk verschilt, al naar gelang de functie van het bedrijf.

•

We voorzien daarom meerdere oplossingen op een bedrijventerrein, zowel individueel als kleinschalig collectief.

•

Versnipperend en pluriform bezit

•

Veel oude en moeilijk te isoleren woningen en gebouwen

•

Collectieve oplossingen zijn lastig te organiseren, mogelijk op kleine schaal met vergelijkbare woningtypen

Bedrijventerrein van Houten, Noord en Nijverheidslaan

Buitengebied

Bedrijventerrein

Maatwerk met focus op gas besparen, isolatie en hybride oplossingen

39

Bijlage C: Onderzoeksbeeld: modelanalyse en kengetallen Het onderzoeksbeeld geeft weer welke warmteoptie in welke buurt de laagste maatschappelijke kosten heeft. Aan het onderzoeksbeeld liggen verschillende modelstudies ten grondslag. Deze modelanalyses zijn in dit hoofdstuk besproken. Eerst is de methodologie achter het onderzoeksbeeld beschreven. Vervolgens is de methodologie van het Warmtetransitiemodel in detail uitgewerkt. Tot slot zijn alle gehanteerde kengetallen en uitgangspunten aan dit hoofdstuk toegevoegd.

1.1 Methodologie onderzoeksbeeld Het onderzoeksbeeld is tot stand gekomen op basis van een vergelijking van drie modelstudies: 1. Warmtetransitiemodel (WTM) van Over Morgen 2. Startanalyse 2020 van Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) Deze modelstudies zijn zowel vergeleken op methodologie als op resultaten per CBS-buurt. Eerst is geverifieerd of de modelstudies inderdaad vergelijkbaar zijn, en waar de verschillen zitten in rekenwijze of uitgangspunten, en daarna is per buurt gekeken in hoeverre de modelstudies dezelfde resultaten per CBSbuurt produceren en wat de reden is van eventuele verschillende uitkomsten per buurt. Onderstaande tabel geeft een samenvatting weer van de belangrijkste overeenkomsten en verschillen tussen de twee gehanteerde modelstudies. Kenmerk

WTM (2020)

Algemene omschrijving

Ruimtelijk rekenmodel dat kosten Maakt gebruik van het Vesta MAIS-model, berekent per BAG-pand en deze kosten dat kosten berekent per BAG-pand en deze vervolgens aggregeert naar buurten. kosten vervolgens aggregeert naar buurten.

Kostendefinitie

“Maatschappelijke kosten”, alle kosten die in de energieketen van bron tot eindgebruiker worden gemaakt, netto contant gemaakt over een bepaalde terugverdientijd.

Doorgerekende Twee niveaus: bouwkundige niveaus • Minimumniveau max. 80 kWh/m2 • Basisniveau max. 65 kWh/m2

Startanalyse 2020

“Maatschappelijke kosten”, alle kosten die in de energieketen van bron tot eindgebruiker worden gemaakt, netto contant gemaakt over een bepaalde terugverdientijd (wordt “nationale kosten” genoemd in de Startanalyse) Twee niveaus: • •

Schillabel D Schillabel B

• • • • •

Groengas Waterstofgas All-electric Warmtenet met MT/HT-bron Warmtenet met LT-bron

Warmteopties

• • • • •

Warmtebronnen

Modelmatig onbeperkt verondersteld

Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data.

Duurzaam gas

Beschikbare hoeveelheid gas is geen inputvariabele. De warmteoptie gasnet

Verondersteld beperkt en als input aan het model meegegeven op basis van openbare data. Gasnet als warmteoptie wordt

Gasnet All-electric Warmtenet (70°C) Warmtenet (40°C) Lokale bronnetten

40

wordt toegekend op basis van buurtkenmerken zoals ouderdom.

toegewezen op basis van maatschappelijke kosten.

Uit de vergelijking van de modellen blijken de volgende, belangrijke overeenkomsten en verschillen: 1. Alle twee de modestudies optimaliseren op maatschappelijke kosten. Daarmee zijn ze in beginsel vergelijkbaar omdat ze een uitspraak doen over hetzelfde, namelijk welke warmteoptie de laagste kosten heeft. 2. De modellen hanteren alle drie een verschillende typologie van warmteopties. Om de resultaten vergelijkbaar te maken zijn deze typologieën in het onderzoeksbeeld samengevoegd tot één typologie: •

Gasnet

•

All-electric

•

Warmtenet

3. Het WTM verschilt van de Startanalyse 2020 als het gaat om de aannames over warmtebronnen en duurzaam gas. De Startanalyse gaat uit van aannames en open data over warmte en gas om deze vervolgens te “verdelen” over buurten op basis van de laagste kosten. Het WTM veronderstelt dat warmte onbeperkt is. Voor duurzaam gas neemt het WTM aan dat deze beperkt is, maar kent daar geen waarde aan toe. In plaats daarvan wordt het gasnet toegekend aan buurten die op basis van praktijkervaring het meest kostbaar en complex zijn om gasvrij te maken, zoals oude binnensteden en dijklinten. 1.2 Methodologische verdieping Warmtetransitiemodel Deze paragraaf geeft een methodologische verdieping van het WTM van Over Morgen. Voor een methodologische verdieping van het Openingsbod 1.02 en de Startanalyse 20203 wordt verwezen naar externe documentatie in de voetnoot. 1.2.1 Modelontwerp Warmtetransitiemodel Het WTM is een ruimtelijk model dat geschreven is in Python 3. Het model maakt voornamelijk gebruik van de ArcPy library en maakt daarnaast gebruik van enkele PostGIS-libraries. De basis voor het modelontwerp is een database van gebouwen. Deze database is gebaseerd op de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van het Kadaster. Deze gebouwendatabase is verrijkt met gegevens uit verschillende bronnen. Ook is informatie toegevoegd op basis van kentallen.

De gebouwendatabase bevat zodoende van ieder gebouw in Nederland informatie over onder andere: •

Bouwjaar en gebouwtype

•

Buurtkenmerken, zoals bebouwingsdichtheid

•

Gemodelleerd energieverbruik en energieprestatie, gevalideerd met werkelijke verbruiksgegevens

•

Investeringsbandbreedtes voor verschillende bouwkundige en energetische maatregelen

•

Bandbreedtes voor kosten en besparingen

1.2.2 Brondata Warmtetransitiemodel Het WTM maakt vrijwel geheel gebruik van open data uit betrouwbare bronnen, zie tabel 2.

41

Bronhouder

Bron

Dataset

CBS

Wijk- en Buurtkaart

Buurtgeometrie

Energielevering aan woningen en bedrijven naar postcode

Energieverbruiken per postcode-6

Regionale netbeheerders

Kleinverbruiksdata

Energieverbruiken per postcode-6

Kadaster

Basisregistratie Adressen en Gebouwen

Basisregistratie Topografie (TOP10NL) Over Morgen

• • • •

Pandgeometrie Oppervlaktes Gebouwfuncties Bouwjaar

Terreingeometrie (voor berekening bebouwingsdichtheid) Energetische kengetallen en kostenkentallen op basis van eigen kennis en ervaring.

De gebouwendatabase is verrijkt met kengetallen over investeringskosten en operationele kosten en opbrengsten en een realistische besparingspotentie. Met deze kengetallen worden de warmteopties per buurt berekend. Het WTM maakt de warmteoptie met de laagst maatschappelijke kosten per buurt inzichtelijk. Kentallen worden bij woningbouw toegekend op basis van een woningtype - en bouwjaarcombinatie. Dit wordt een sleuteltype genoemd. Bouwjaarklassen <1920 1920-1950 1950-1975 1975-1990 1990-2005 ≥2005

Gebouwtype Rijwoning Twee-onder-een-kapwoning Vrijstaande woning Meergezinswoning Utiliteitsbouw

Bij utiliteitbouw worden de sleuteltypes bepaald op basis van energielabel en functie. Als er geen energielabel aanwezig is, dan wordt het sleuteltype bepaald op basis van het bijhorende bouwjaar. Daarnaast maakt het model nog onderscheidt tussen voor- en naoorlogs vastgoed. Bouwjaarklassen < 1945 1946-1973 1974-1981 1982-1992 1993-1999 2000-2003 2004-2005 > 2005

Energielabel G G F E D C B A

Functie Kantoren Winkels Gezondheidszorg Onderwijs Logies Sport Bijeenkomst

1.2.3 Bouwkundige niveaus in het Warmtetransitiemodel Het WTM rekent met vier bouwkundige niveaus. Voor een technische verdieping bij deze niveaus verwijzen we naar bijlage C. 42

•

Bestaande situatie (meer dan 80 kWh/m2 ruimteverwarming)

•

Minimumniveau (max. 80 kWh/m2 ruimteverwarming)

•

Basisniveau (max. 65 kWh/m2 ruimteverwarming)

•

Hoog niveau (max. 50 kWh/m2 ruimteverwarming)

Het model neemt op basis van het sleuteltype aan op welk niveau ieder gebouw momenteel zit. Indien een gebouw nog niet op het minimum- of basisniveau zit, rekent het model door wat de kosten zijn om het minimum- en het basisniveau te bereiken en tot welke energiebesparingen dat leidt. Het model doet dit voor ieder gebouw en aggregeert deze getallen vervolgens naar buurten.

1.2.4 Warmteopties in het Warmtetransitiemodel Het model kent een typologie van vijf warmteopties: •

All electric: verwarmen en koken met gebruik van elektriciteit. In de woning wordt gebruikgemaakt van een warmtepomp.

•

Gasnet in combinatie met hybride oplossingen: een gasinfrastructuur gevoed met duurzaam gas in combinatie met een gasketel en een elektrische warmtepomp.

•

Warmtenet (70°C): collectieve warmtevoorziening in de vorm van een middentemperatuur warmtenet, waarbij warm water met een temperatuur van maximaal 70°C aangevoerd wordt tot bij het gebouw of de woning.

•

Warmtenet (40°C): collectieve warmtevoorziening in de vorm van een lage temperatuur warmtenet, waarbij warm water met een temperatuur van circa 40°C aangevoerd wordt tot het gebouw of de woning.

•

Lokale bronnetten: lokale kleinschalige (collectieve) warmtevoorziening in de vorm van een zeer lage temperatuur bronnet. In het gebouw is een warmtepomp nodig voor verwarming. Het aangevoerde water kan ook gebruikt worden voor koeling.

Deze warmteopties zijn in meer detail beschreven in bijlage C. De warmteopties worden toegekend aan buurten op basis van een aantal rekenregels. Het model doorloopt hiervoor vijf stappen: 1. Eerst worden op basis van bouwjaarklasse en dichtheid de bestaande wijken of buurten geselecteerd waar het gasnet zal blijven liggen. Het model rekent niet met het aanbod van duurzaam gas, maar kijkt alleen naar de vraagkant: in welke wijken zou het gasnet blijven liggen als er een beperkt aanbod is van duurzaam gas. In de praktijk zijn het historische stads- en dorpskernen en lintbebouwing die uitkomen op het gasnet. 2. Vervolgens wordt op basis van gebouwfunctie de bestaande wijken of buurten geselecteerd waar een bronnet de meest logische keuze is. Dit zijn dus wijken en buurten met relatief veel utiliteitsbouw. 3. In alle overige buurten kijkt het model vervolgens naar de dichtheid. Alleen als de dichtheid groter is dan 30 WEQ per hectare dan is een warmtenet een realistische oplossing. Wijken of buurten met een lagere dichtheid krijgen automatisch de warmteoptie all-electric. 4. De buurten die dan nog overblijven krijgen op basis van een vergelijking van de maatschappelijke kosten de optie warmtenet of all-electric.

1.2.5 Berekening van de maatschappelijke kosten Alleen in de buurten die overblijven in stap 4 wordt een maatschappelijke kostenberekening gemaakt om te komen tot de optimale warmteoptie. Deze berekening gaat als volgt. Op basis van de kengetallen per sleuteltype berekent het model per woning wat de investeringen, onderhoudskosten en de energierekening is van de warmteopties warmtenet en all electric, over een periode van 30 jaar. Op basis hiervan wordt met een netto contante waardeberekening de onrendabele top berekend van de warmteopties. Die onrendabele top wordt geaggregeerd naar buurt en gemiddeld naar een gemiddelde onrendabele top per woning per buurt. 43

De omvang van de onrendabele top verschilt doorgaans sterk per buurt. De onrendabele top is het deel van de investering dat niet kan worden terugverdiend gedurende de exploitatie. De exploitatiekosten zijn over het algemeen lager, als gevolg van een lagere energierekening. Vrijwel altijd zullen duurzame warmteopties nog leiden tot een onrendabele top op buurtniveau. Als de financieringsperiode wordt verkort naar bijvoorbeeld 15 jaar dan zal de onrendabele top dus verder stijgen. Alle investeringskosten en de onrendabele top worden uitgedrukt in een gemiddelde bandbreedte met een onder- en bovengrens en zijn inclusief BTW. Uitgangspunt is dat de investeringen worden gecombineerd met natuurlijke momenten. De gepresenteerde kosten zijn een gemiddelde van een bandbreedte met een onder- en bovengrens. De bandbreedtes zijn zodanig breed dat zij rekening houden met de volgende aspecten: •

De te nemen maatregelen zullen op woningniveau sterk variëren;

•

Technische variaties binnen warmteopties, afhankelijk van warmtebron, opslag, opwekker en infrastructuur;

•

Bestaande prijsverschillen op de markt door schaal en aanbestedingsvormen;

•

Marktontwikkelingen zoals schaarste en inzetbaarheid van personeel, materiaal, etc.;

•

Afwijking van de kengetallen als gevolg van sterk afwijkende woningen.

De omvang van de bandbreedte verschilt per maatregeltype, warmteoptie en sleuteltype, afhankelijk van de karakteristieken van die specifieke combinatie. 1.3 Resultaat onderzoeksbeeld

Bovenstaande kaart laat een divers beeld zien van de gemeente Weesp. De verschillende deelgebieden zijn ook goed te herleiden aan de verschillende bouwjaren van de wijken. Uit de analyse blijkt dat in het centrum van Weesp het gasnet voorlopig nog zal blijven liggen, en dat hier de komende jaren met name voortgang kan worden geboekt met isolatiemaatregelen. Dit heeft te maken met het feit dat de bebouwing van het centrum zeer divers is en de overgang naar aardgasvrij een maatwerkoplossing vraagt. Kijkend naar de landelijke prognoses is de verwachting dat duurzaam gas hier mogelijk de eindlossing zal zijn. Dit duurzaam gas is 44

onvoldoende om heel Nederland van warmte te voorzien, en wordt vooralsnog voorzien in industriële processen én oude bebouwing. Uit de analyses blijkt dat de keuzes voor de warmtealternatieven (warmtenet of all-eletric) in de wijken Zuid, de Klomp en Aetsveld nog heel dicht bij elkaar liggen. Kijkend naar de maatschappelijke kosten zou het aanwijzen van deze wijken als startwijk nog niet logisch zijn: omdat op dit moment niet duidelijk is naar welke warmteoplossing op termijn toegewerkt kan worden. Het is daarom wenselijk om in deze wijken wel te starten met isolatiemaatregelen, hiermee wordt warmte/energie bespaard, maar hoeft nog niet toegewerkt te worden naar een definitieve keuzen. Door de komende periode hier in te zetten op isolatie zal bij de herijking van de visie mogelijk een ander beeld naar voren komen: warmtenet of all-electric. Het gebied ten noorden van het centrum bevat een hogere bouwdichtheid (meer gestapelde bouw) dan de andere delen van Weesp. Dit is duidelijk zichtbaar in de resultaten van het model. Door de hogere bouwdichtheid en de (beperkte) mate van isolatie is het in dit gebied het meest kansrijk om te starten met een warmtenet. Met name door de aanwezigheid van een aantal flats en appartementencomplexen is het voor de gehele buurt (dus ook) de laagbouw vanuit de maatschappelijke kosten het meest logisch om hier in te zetten op een warmtenet.

Dat geldt voor de wijken Hogewey Noord, Midden & Zuid, Dichtersbuurt en de Schildersbuurt. In de kaart zijn ook een paar blauw gearceerde gebieden weergegeven: dit zijn gebieden waar het vanuit de maatschappelijke kosten het gunstigst is om over te gaan naar een all-electric oplossing. Dit geldt voor Leeuwenveld, vanwege de bouwjaren (al goed geïsoleerd), de lintbebouwing langs de Vecht in de Aetsveldse polder (veel alleenstaande woningen, diversiteit qua bebouwing) en ook de Oostelijke Vechtoever (’s Gravelandseweg en omgeving). Dit geldt daarnaast ook voor de buitengebieden vanwege het versnipperde bezit en grote mate van pluriformiteit van de bebouwing. De laatste categorie op de kaart zijn de paarse gebieden. Dit zijn de industrie- en bedrijventerreinen die mogelijk ook geschikt zijn voor de aanleg van lokale warmtenetten. Voor dergelijk vastgoed is een combinatie van warmte- en koudelevering interessant omdat industrie en bedrijven vaak ook een grote koudevraag hebben. Het kan interessant zijn om de warmte- en koudevraag op lokaal niveau uit te kunnen wisselen. De warmtetransitiekaart geeft ons een eerste inzicht in de kansen en mogelijkheden in Weesp.

De volgende stap is om de kennis uit deze kaart te combineren met de gebiedskennis én de uitgangspunten die zijn opgesteld aan het begin van deze visie, zodat we voor Weesp de oplossingsrichtingen kunnen definiëren en van daaruit eerste stappen kunnen zetten een wijkuitvoeringsplan buurtuitvoeringsplan(WUP). In de volgende paragraven gaan we in op de verschillende oplossingsrichtingen. 1.3.1 Validatie van het onderzoeksbeeld Zoals uit het onderzoeksbeeld blijkt, zijn modelstudies niet feilloos en het onderzoeksbeeld is dat dus ook niet. Daarom is het onderzoeksbeeld per gemeente met de lokale werkgroepen gevalideerd. Dat wil zeggen: per buurt is bekeken of de uitkomst van het onderzoeksbeeld logisch, begrijpelijk en herkenbaar is. Bij die validatie zijn dus ook de vakspecialisten van de diverse partijen betrokken. Eventuele onlogische uitkomsten per buurt zijn samen met de vakspecialisten verklaard en gedocumenteerd. Deze overwegingen zijn meegenomen in het opstellen van de uiteindelijke transitiekaart. 1.4 Kengetallenoverzicht Deze paragraaf geeft een overzicht van alle energetische en financiële kengetallen en parameters. Deze kengetallen worden regelmatig herzien aan de hand van de nieuwste informatie die tot onze beschikking is. De genoemde bedragen kunnen in de praktijk hoger uitvallen. 1.4.1 Investeringskosten

45

Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005

Minimumniveau4 Min Max € 1.000 € 1.000 € 1.000 € 1.000

Basisniveau Min Max € 2.000 € 1.000 € 2.000 € 1.000 € 2.000 € 1.000 € 2.000 € 1.000

€ 2.000 € 2.000 € 2.000 € 2.000

Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005

€ 2.500 € 3.000 € 4.000

€ 3.500 € 4.000 € 5.000

€ 1.000 € 1.000 € 1.000

€ 7.000 € 7.000 € 9.500

€ 4.500

€ 5.500

€ 1.000

€ 11.500

Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990

€ 3.500 € 4.000 € 5.000

€ 13.500 € 20.500 € 25.000

€ 7.500 € 12.500 € 18.000

€ 14.500 € 28.000 € 35.000

€ 6.000

€ 32.500

€ 22.500

€ 47.500

Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975

€ 7.500 € 9.000 € 13.000

€ 14.500 € 22.500 € 27.500

€ 10.500 € 16.500 € 22.500

€ 17.500 € 28.500 € 33.500

€ 19.000

€ 39.500

€ 30.500

€ 48.000

Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950

€ 8.000 € 10.000 € 15.000

€ 26.000 € 37.500 € 43.000

€ 11.500 € 19.500 € 22.500

€ 31.500 € 46.000 € 55.000

€ 17.000

€ 57.500

€ 27.500

€ 74.500

Meergezinswoning < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920

€ 11.000 € 14.500 € 16.500 € 18.000

€ 26.000 € 37.500 € 43.000 € 56.000

€ 20.500 € 27.500 € 32.500 € 38.500

€ 31.500 € 46.000 € 55.000 € 72.500

Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005

Warmtenet Min Max € 5.500 € 13.000 € 18.000 € 18.000

Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005

€

5.500

€ € € €

All electric5 Min Max 10.500 € 17.000 18.000 € 18.000 23.000 € 24.000 23.000 € 25.000

€ € € €

24.000 25.000 31.000 32.000

€

10.500

€

24.000

€

17.000

46

Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005

€

13.000

€

18.000

€

18.000

€

25.000

€

18.000

€

23.000

€

24.000

€

31.000

€

18.000

€

23.000

€

25.000

€

32.000

Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990

€ €

5.500 13.000

€ €

10.500 18.000

€ €

17.000 18.000

€ €

24.000 25.000

€

18.000

€

23.000

€

24.000

€

31.000

€

18.000

€

23.000

€

25.000

€

32.000

Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975

€ €

5.500 13.000

€ €

10.500 18.000

€ €

17.000 18.000

€ €

24.000 25.000

€

18.000

€

23.000

€

24.000

€

31.000

€

18.000

€

23.000

€

25.000

€

32.000

Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950

€ €

7.500 15.000

€ €

12.500 20.000

€ €

17.000 18.000

€ €

24.000 25.000

€

20.000

€

25.000

€

24.000

€

31.000

€

20.000

€

25.000

€

25.000

€

32.000

Meergezinswoningen < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920

€ € € €

7.500 15.000 20.000 20.000

€ € € €

12.500 20.000 25.000 25.000

€ € € €

17.000 18.000 24.000 25.000

€ € € €

24.000 25.000 31.000 32.000

Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005

Warmtenet Min Max € 6.500 € 14.000 € 19.000 € 19.000

All electric Min Max € 12.500 € 18.000 € € 20.000 € 19.000 € € 25.000 € 25.000 € € 25.000 € 26.000 €

Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005

€ 8.000 € 16.000 € 22.000

€ 14.000 € 22.000 € 28.000

€ 22.500

€ 28.500

Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990

€ 9.000 € 17.000 € 23.000

€ 24.000 € 38.500 € 48.000

€ 24.000

Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975

€ 13.000 € 22.000

26.000 27.000 33.000 34.000

€ €

18.000 19.000

€ €

31.000 32.000

€ €

25.000 26.000

€ €

40.500 43.500

€ €

24.500 30.500

€ €

38.500 53.000

€ 55.500

€ €

42.000 47.500

€ €

66.000 79.500

€ 25.000 € 40.500

€ €

27.500 34.500

€ €

41.500 53.500 47

Twee-onder-een-kap ≥ 1950 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975

€ 31.000

€ 50.500

€ 37.000

€ 62.500

Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950

€ 15.500 € 25.000 € 35.000

€ 38.500 € 57.500 € 68.000

€ 37.000

Meergezinswoning < 1920 Rijwoning < 1920 Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920

€ 18.500 € 29.500 € 36.500 € 38.000

€ €

46.500 55.500

€ €

64.500 80.000

€ €

28.500 37.500

€ €

55.500 71.000

€ 82.500

€ €

46.500 52.500

€ €

86.000 106.500

€ 38.500 € 57.500 € 68.000 € 81.000

€ € € €

37.500 45.500 56.500 63.500

€ € € €

55.500 71.000 86.000 104.500

1.4.2 Onrendabele top

Meergezinswoning ≥ 2005 Rijwoning ≥ 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 2005 Vrijstaande woning ≥ 2005

Warmtenet Min Max € 8.000 € € 15.000 € € 20.000 € € 19.500 €

All electric Min Max 14.000 € 14.500 21.000 € 13.500 26.000 € 16.000 25.500 € 12.000

€ € € €

22.500 21.500 24.000 20.000

Meergezinswoning ≥ 1990 - 2005 Rijwoning ≥ 1990 - 2005 Twee-onder-een-kap ≥ 1990 2005 Vrijstaande woning ≥ 1990 - 2005

€ € €

9.000 17.000 22.500

€ € €

15.000 23.000 28.500

€ € €

13.500 11.500 13.500

€ € €

26.000 24.500 27.000

€

23.000

€

29.000

€

10.500

€

25.500

Meergezinswoning ≥ 1975 - 1990 Rijwoning ≥ 1975 - 1990 Twee-onder-een-kap ≥ 1975 1990 Vrijstaande woning ≥ 1975 - 1990

€ € €

10.000 18.000 23.500

€ € €

22.500 35.000 41.500

€ € €

18.500 18.500 22.000

€ € €

32.000 40.500 45.000

€

24.000

€

55.500

€

25.500

€

54.500

Meergezinswoning ≥ 1950 - 1975 Rijwoning ≥ 1950 - 1975 Twee-onder-een-kap ≥ 1950 1975 Vrijstaande woning ≥ 1950 - 1975

€ € €

10.500 16.000 25.000

€ € €

18.500 31.500 38.000

€ € €

16.000 17.000 23.500

€ € €

30.000 36.000 41.500

€

28.500

€

47.500

€

26.000

€

50.500

Meergezinswoning ≥ 1920 - 1950 Rijwoning ≥ 1920 - 1950 Twee-onder-een-kap ≥ 1920 1950 Vrijstaande woning ≥ 1920 - 1950

€ € €

12.500 17.000 23.500

€ € €

33.500 47.000 53.500

€ € €

16.500 17.000 20.000

€ € €

42.500 49.500 57.500

€

30.500

€

71.500

€

23.500

€

76.000

Meergezinswoning < 1920 Rijwoning < 1920

€ €

15.000 23.500

€ €

33.000 48.000

€ €

25.500 25.500

€ €

42.500 49.000 48

€ €

Twee-onder-een-kap < 1920 Vrijstaande woning < 1920

27.000 30.000

€ €

55.000 70.000

€ €

31.000 36.000

€ €

58.000 74.000

1.4.3 Technische en financiële parameters

Grootheid

Eenheid BTW

Waarde Bron / Toelichting

Tarieven

Variabel tarief warmte

Euro / GJ Incl.

Vastrecht warmte

Euro / jr. Incl.

Meetkosten warmte

Euro / jr. Incl.

Huur afleverset warmte

Euro / jr. Incl.

Kale aardgasprijs

Euro / Nm3 Euro / Nm3 Euro / Nm3 Euro / Nm3 Euro / jr.

Energiebelasting aardgas ODE aardgas Totale gasprijs Vastrecht gasaansluiting

Excl.

25,23 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 363,13 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 26,63 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 121,20 Gemiddelde 5 grootste leveranciers, geïndexeerd volgens CPI 0,2485 ACM 2020, geïndexeerd conform KEV 2019 (circa 2,1% per jaar) 0,3331 Belastingdienst, geïndexeerd conform Klimaatakkoord, daarna volgens CPI 0,0775 Belastingdienst, geïndexeerd volgens CPI

Incl.

0,7975

Incl.

185,95 Gemiddelde van 3 grootste regionale netbeheerders 62,82 ACM 2020

Excl. Excl.

Vastrecht energieleverancier Euro / jr. Incl. aardgas Tarief kale elektriciteit Euro / Excl. kWh Energiebelasting elektriciteit Euro / kWh ODE elektriciteit Euro / kWh Totale elektriciteitsprijs Euro / Nm3 Vastrecht Euro / jr. elektriciteitsaansluiting Vastrecht energieleverancier Euro / jr. elektriciteit

Excl.

0,0633 Gemiddelde van 3 grootste leveranciers d.d. 1/1/2020, geïndexeerd conform KEV 2019 (circa 2,1% per jaar) 0,0977 Belastingdienst, geïndexeerd conform Klimaatakkoord, daarna volgens CPI 0,0273 Belastingdienst, geïndexeerd volgens CPI

Incl.

0,2278

Incl.

212,79 Gemiddelde van 3 grootste regionale netbeheerders 42,00 Gemiddelde van 3 grootste energieleveranciers

Excl.

Incl.

Technische uitgangpunten warmteopties

COP warmtepomp kWh / ruimteverwarming kWh COP warmtepomp WTW kWh / bereiding kWh Jaarlijkse onderhoudskosten Euro warmtepomp Herinvesteringskosten Euro warmtepomp Levensduur warmtepomp Jaren

n.v.t. n.v.t. Incl. Incl. n.v.t.

4,0 Gemiddelde van lucht/ water en water/water warmtepomp 2,0 Gemiddelde van lucht/ water en water/water warmtepomp 200 Geïndexeerd volgens CPI 5.000 Geïndexeerd volgens CPI 15 49

Jaarlijkse onderhoudskosten Euro gasketel Herinvesteringskosten Euro gasketel Levensduur gasketel Jaren Rendement Hr-ketel* % Calorische bovenwaarde MJ/Nm3 aardgas

Incl. Incl. n.v.t. n.v.t. n.v.t.

100 Gemiddelde kosten van consument en woningcorporatie, geïndexeerd volgens CPI 1.600 Gemiddelde kosten van consument en woningcorporatie, geïndexeerd volgens CPI 18 87,01 ACM 2020 35,17 Op basis van calorische bovenwaarde aardgas

Financiële uitganspunten netto contante waarde

Consumentenprijsindex Disconteringsfactor vastgoedeigenaar Verdisconteringsperiode WACC warmtebedrijf Volloopsnelheid warmtenet Aansluitdichtheid warmtenet

% %

n.v.t. n.v.t.

2,0 3,0

Jaren % Jaren %

n.v.t. n.v.t. n.v.t n.v.t

30 8,5 5 Eigenaren sluiten binnen 5 jaar aan. 80 Meer dan 80% van de vastgoedeigenaren/ panden sluit aan.

50

Bijlage D: Warmtevraagbeperking, warmteopties en duurzaamheid Deze bijlage behandelt de technische achtergrond bij warmtevraagbeperking, warmteopties en duurzaamheid van warmteopties.

5.1. Beperken van de warmtevraag Bij een groot deel van de woningvoorraad, die gebouwd is voor de jaren ‘90, is het nodig om de warmtevraag van gebouwen en woningen te beperken. Enerzijds om woningen geschikt te maken voor duurzamere warmteopwekinstallaties, die doorgaans een lagere temperatuur leveren dan gasketels, en anderzijds om schaarse bronnen efficiënter te benutten (en dus meer woningen per bron mogelijk te maken). De warmtevraag voor ruimteverwarming van een woning, hierna uitgedrukt in kilowattuur per vierkante meter gebruiksoppervlak (kWh/m2), wordt bepaald door de mate van isolatie, kierdichting en het ventilatiesysteem. De temperatuur die een woning nodig heeft om op de koudste dag van het jaar comfortabel warm te krijgen hangt hier voor een groot deel mee samen. Hoe beter de isolatie, kierdichting en hoe efficiënter het ventilatiesysteem, hoe geschikter de woning is om met een lagere temperatuur te kunnen verwarmen. In bestaande woningen moeten daarnaast vaak radiatoren worden vervangen of toegevoegd om verwarming op een lagere temperatuur mogelijk te maken. Of dat nodig is kan niet op voorhand per woning(type) worden vastgesteld. De warmtevraag voor ruimteverwarming is sterk afhankelijk van het bouwjaar. In tabel 11 staat de gemiddelde warmtevraag voor eengezinswoningen en meergezinswoningen.

Deze tabel is gebaseerd op data over het werkelijke gasgebruik op postcodeniveau (Open Data Netbeheerders). Voor warmtapwater is de warmtevraag circa 20 kWh/m2. Met name bij de woningvoorraad gebouwd voor 1990 is er nog een grote besparingspotentie voor de warmtevraag. Onder eengezinswoningen wordt verstaan rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Meergezinswoningen zijn bijvoorbeeld galerijflats, portiekflats en portiekwoningen. Gemiddeld oppervlak m2

Gemiddeld gasverbruik m3

Gemiddelde warmtevraag ruimteverwarming kWh/m2

Eengezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw

170 135 125 130 145 155 120

2200 2100 1800 1500 1400 1200 -

95 110 100 85 65 50 35

Meergezinswoningen < 1920 ≥ 1920 - 1950 ≥ 1950 - 1975 ≥ 1975 - 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005 Nieuwbouw

85 80 75 70 90 90 70

1250 1200 1100 850 800 700 -

95 95 95 70 50 40 25

Nederlands gemiddelde

119

1310

84

De bestaande woningenvoorraad kunnen we grofweg opdelen in vier niveaus van isolatie:

51

1. Woningen met slechte of onvoldoende isolatie (80 kWh/m2 of hoger). Er is een hoge temperatuur van ongeveer 90°C nodig om op de koudste dagen deze woningen comfortabel warm te stoken. 2. Woningen, die een minimumisolatieniveau hebben bereikt (lager dan 80 kWh/m2). Deze woningen hebben reeds een aantal aanpassingen in de schil gekregen of hadden dit niveau al bij de bouw. Sommige woningen kunnen bij dit niveau al afdoende comfortabel worden verwarmd met 70°C op de koudste dagen, mits er voldoende radiatorvolume aanwezig is. Daarnaast is het afhankelijk van specifieke omstandigheden of de woning daadwerkelijk geschikt is voor verwarming met 70°C, zoals welke bouwdelen al zijn aangepakt en of de bewoners de ruimtes gebruiken die met dit niveau nog niet comfortabel warm worden op de koudste dagen. 3. Woningen, die een basisisolatieniveau hebben bereikt (lager dan 65 kWh/m2). Bij dit niveau is er maximaal nageïsoleerd in de bestaande schil. Bij een basisniveau kan de woning zowel comfortabel worden verwarmd met 70°C als met maximaal 55°C (laagtemperatuur). Voor laagtemperatuur moeten wel aanvullend radiatoren vervangen worden en mogelijk ook de cv-leidingen. De woning is daarmee toekomstbestendig en geschikt voor meerdere alternatieve verwarmingstechnieken. Woningen die op dit niveau zitten zijn woningen die grofweg gebouwd zijn in de periode 1990-2005.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10479213/1