Advies XPEX visie en strategie Museum Weesp
Tekst van het document
MUSEUM WEESP STRATEGISCH ADVIES
1
INHOUDSOPGAVE Inleiding Vragen Proces Betrokkenen Ambities en uitgangspunten Museum Weesp in Amsterdam De positie van Museum Weesp De richting voor Museum Weesp Het bedrijf Museum Weesp Beheersorganisatie Gebouw Financieel Bezoekpotentieel Voor wie Hoeveel bezoekers Wie zijn de bezoekers Samenvatting bezoekpotentieel De toekomst van Museum Weesp, samenvatting Ontwikkelstappen
3
5 6 7 8 9 13 15 20 29 30 33 37 41 42 48 53 58 59 61
INLEIDING Museum Weesp gaat een nieuwe fase tegemoet. Door de ambtelijke fusie van Weesp met Amsterdam, en het voornemen tot bestuurlijke fusie enkele jaren later, verhuist de verantwoordelijkheid voor collectie, gebouw, personeel en beleid van de (dan voormalige) gemeente Weesp naar de gemeente Amsterdam. Wat betekent dat voor de manier waarop het museum nu opereert en hoe kan het zich voorbereiden op zijn nieuwe positie? Daarnaast timmert Museum Weesp geestdriftig aan de weg. Het museum wordt zichtbaarder en actueler, de bezoekcijfers stijgen. De behoefte aan een uitgestippelde koers waarop gestuurd kan worden doet zich voelen; de Adviescommissie Museum Weesp heeft een inhoudelijk plan ontvouwd, de Conservator werkt aan een meerjarenplan, ter secretarie wordt aan een beleidsplan gewerkt. Maar welke ambities daarin nagestreefd worden, en onder welke condities dit beleid zou kunnen worden uitgevoerd, ligt nog niet vast. Om meer greep te krijgen op wat Museum Weesp kan worden, wat het kan betekenen in de nieuwe constellatie en met welke partijen kan worden ontwikkeld, met name met het oog op de totstandkoming van een meerjarenplan en een beleidsplan, is aan Ernst Veen en XPEX gevraagd om strategische advisering.
5
VRAGEN Met het oog op de veranderende context waarin Museum Weesp bestuurlijk opereert, wil het zich beraden op de beste positionering en bestuurlijke identiteit, zodat het museum, al dan niet als gemeentelijke dienst of in een meer verzelfstandigde vorm, zijn inhoudelijke en publieksgerichte ambities op de meest passende manier kan nastreven. Om het museum daarover te adviseren hebben we ons vooral gericht op de volgende vragen: •
Welke rol meet het museum zich aan binnen de Metropoolregio? Welke bestuurs-/organisatievorm past daar bij?
•
Welke rol meet het museum zich aan als bewoner van het stadhuis en beheerder van de collectie? Bij wie ligt het eigenaarschap (de facto en bestuurlijk)?
•
Wat verandert er (wezenlijk) aan de financiering van het museum? Is een vorm van verzelfstandiging wenselijk c.q. een realistische optie?
•
Wie zijn/ worden de belangrijke stakeholders in de ontwikkeling van programma’s? Met wie sluit het museum allianties/ samenwerkingsverbanden en wat moet dat opleveren?
•
Hoe definiëren we succes? Hoeveel bezoekers hebben we voor ogen? Welke bezoekers willen we graag bereiken/ denken we te kunnen bereiken?
•
Wat is het museum, waar gaat de bezoeker naar toe? Hoe kun je dit in 1 zin voor een bezoeker omschrijven?
6
PROCES In het voortraject hebben we de aanpak besproken met een adviesgroep bestaande uit de directeur, de conservator en een vertegenwoordiger van de vrijwilligers. Bij het startgesprek was de verantwoordelijk wethouder aanwezig. Met de adviesgroep is een vijftal stakeholders/gesprekspartners geïdentificeerd, met wie interviews zijn gehouden over hun kijk op de toekomstige situatie van het Museum. Er is deskresearch verricht op het gebied van inhoud, bestuursvorm, financiële positie en publiekspotentieel. De uitkomsten van de interviews en de deskresearch zijn besproken, verdiept en verscherpt in een visiegesprek met de adviesgroep, aangevuld met de voorzitter van Adviescommissie Museum Weesp. De resultaten hiervan zijn nader gedetailleerd en uitgewerkt tot de adviezen in dit rapport. Dit proces is niet bedoeld om te leiden een volledig ‘Masterplan’, een bedrijfsplan of een gedetailleerd museaal concept voor Museum Weesp. Daarvoor is een veel uitgebreider en intensiever traject noodzakelijk. We concentreren op enkele strategische hoofdlijnen.
7
BETROKKENEN Opdrachtgever: Bert de Vries, directeur Stadsarchief Amsterdam, directeur Museum Weesp Gedelegeerd opdrachtgever: Lisette Zijp, conservator Museum Weesp Adviesgroep •
Bert de Vries
•
Lisette Zijp
•
Rogier de la Rive Box (vrijwilliger)
•
Lejo Schenk (voorzitter Adviescommissie Museum Weesp)
Gesprekspartners/ stakeholders •
André Wierper (Weesp Marketing)
•
Cees Pfeiffer (Historische Kring Weesp)
•
Rogier de la Rive Box (Adviescommissie Museum Weesp)
•
Bert de Vries (directeur stadsarchief Amsterdam)
•
Olga Leijten (directeur Kunst en Cultuur, Amsterdam) en Brigitte van Dijk (beleidsmedewerker Kunst en Cultuur Weesp)
8
AMBITIES EN UITGANGSPUNTEN Cultuurnota Weesp 2017-2021: “Wij beschouwen als basisfuncties voor Weesp Cultuurstad: 1. Een historisch stadsmuseum, waarin de geschiedenis van Weesp samenkomt en getoond wordt en verbonden wordt met de actualiteit. Het museum moet in de toekomst ook een knooppunt worden voor de cultuurhistorische verenigingen.” “Er is een groot aantal verenigingen en organisaties actief op het gebied van de cultuurhistorie. Zij belichten ieder een apart onderdeel van de Weesper cultuurhistorie. Om Weesp Cultuurstad te profileren moeten deze onderdelen verbonden worden tot één verhaal: het verhaal van Weesp. Daarin wordt de geschiedenis van Weesp, van de waterlinie tot de cacao, van de molens tot de tweede wereldoorlog in een doorlopende lijn verteld en verbonden met de actualiteit. Het verhaal van Weesp vormt de basis voor de ontwikkeling van zowel educatief aanbod als toeristisch aanbod. Met Museum Weesp in het stadhuis hebben wij een prachtige locatie waar de historie van Weesp belicht wordt en van waaruit bijzondere exposities ontwikkeld worden. Een belangrijke taak die wij voor de uitvoeringsorganisatie van Museum Weesp zien is de verdere ontwikkeling als spin in het web van de Weesper cultuurhistorie.
Museum Weesp wordt daarmee een knooppunt waar alle onderdelen van het verhaal van Weesp samenkomen en de historie verbonden wordt met de actualiteit.” “De gemeente Weesp kent op dit moment geen Beeldende Kunst beleid. Het ontbreekt op dit moment ook aan middelen om een Beeldende Kunst beleid te ontwikkelen.”
9
“Het huidige cultuuraanbod bedient een grote groep Weespers. Wij constateren ook dat jongeren en Weespers met een migratieachtergrond minder participeren in het huidige aanbod. Wij willen stimuleren dat iedereen kan deelnemen en dat er ruimte is voor een verbreding en vernieuwing van het cultuuraanbod”. Het Verhaal van Weesp. Een toekomstvisie voor Museum Weesp voor de periode 2018-2028, aangeboden door de Adviescommissie Museum Weesp: “Resumerend zien wij reële kansen voor het museum als hét culturele centrum van Weesp. Wij willen dat bereiken door ons te richten op drie voor Weesp relevante hoofd- thema’s. Het thema ‘Industriële cultuur’ biedt kansen voor thematische tentoonstellingen, het thema ‘Waarde van Water’ kan in het kader van de Stelling van Amsterdam bijdragen aan het toeristisch spreidingsbeleid van de hoofdstad, met het thema ‘Democratisch Innovatie’ plaatsen we ons in de realiteit van de toekomst en hopen we een select publiek naar de stad te trekken”. “Strategisch denken we dat we met de drie hoofdthema’s op termijn een voldoende basis hebben voor een gezond en relevant museum. We denken dan aan een combinatie van museale opstellingen, restauratieve voorzieningen, evenementen en symposia. Dit in combinatie met het huidige gebruik van het stadhuis als openbaar gebouw en trouwlocatie. Die functie kan versterkt worden door de beoogde restauratieve voorzieningen.”
10
Naast de geciteerde documenten hebben we rekening te houden met de wens van opdrachtgevers en stakeholders om de continuïteit van het museum te waarborgen en liefst te verbeteren. Dat wordt vertaald in meer bezoek, meer geld, meer ruimte, maar ook in meer zelfstandigheid, meer draagkracht. Met andere woorden, de toekomst van Museum Weesp hangt samen met de financiële armslag die het op eigen kracht weet te verwerven. Tegen deze achtergronden hebben we onze gesprekken gevoerd en onze strategische adviezen geformuleerd.
11
MUSEUM WEESP IN AMSTERDAM
13
De Magistraat, of het stads bestuur van Weesp’ door Gijsbert Jansz. Sybilla (1652). Op tafel liggen de plannen voor vestingstad Weesp.
14
DE POSITIE VAN MUSEUM WEESP De Weesper identiteit Museum Weesp is sterk verbonden met de lokale identiteit. Het beheert en presenteert het Weesper erfgoed en het heeft de prominentste locatie die je als stadsmuseum kunt hebben: het functionerende monumentale stadhuis, de zetel van het stadbestuur midden in het historische centrum. De organisatie maakt integraal deel uit van de gemeentelijke organisatie. Tegelijkertijd is er een actieve, loyale groep Weespers bereid om als vrijwilliger hun bijdrage te leveren aan het museum. Museum Weesp ‘zit diep’, en het is niet verbazend dat er gesproken wordt over het museum als hoeder en promotor van de Weesper identiteit. Binnen de zelfstandige gemeente Weesp was dat een duidelijke positie, zij het dat ook in deze situatie al de vraag opdoemde naar de toekomstbestendigheid. Als onderdeel van de gemeente Amsterdam is deze positie minder vanzelfsprekend houdbaar. Weesp heeft te maken met instroom van Amsterdammers, de stad zal ‘Amsterdamser’ worden onder Amsterdams bestuur. Het oude Weesp wordt een monumentale kern, een stedelijke oase, maar de stad verandert van karakter. Is er dan nog steeds zo’n sterke band tussen bewoners en geschiedenis dat dat als een gezamenlijke identiteit gevoeld wordt? De positie die Museum Weesp kiest moet, in deze context, bepaald worden door de toekomst, niet alleen door het verleden.
Onze Weesper gesprekspartners willen niet dat Weesp en het museum het Weesper karakter verliezen: ze willen geen ‘dependance’ van iets Amsterdams worden. Onze Amsterdamse gesprekspartners staan daar bedaard in: het museum moet dat zelf bepalen, Amsterdam voert geen beleid om hierin iets af te dwingen. Maar tegelijkertijd ziet men hier ook ruimte voor andere benaderingen.
15
Museum Weesp zou een thematisch speerpunt kunnen kiezen, of een deelcollectie van Amsterdam kunnen tonen die in Weesp goed tot zijn recht zou komen. Het zou kunnen profiteren van kansen om een gevarieerder aanbod te doen, te kunnen mikken op behoeften van een Amsterdams cultuurpubliek en/of toeristisch publiek. Dat sluit ook aan bij ambities die in Weesp worden ontwikkeld. Voor het museum ligt er het advies ‘Verhaal van Weesp’, dat een breder perspectief schetst, waarin het water in de omgeving, vestinggordel en zelfs de vernieuwingen in democratische processen worden betrokken. Het water speelt ook een belangrijke rol in de plannen van Weesp Marketing voor een aanbod van fiets-, wandel en vaartochten. Deze gedachten overlappen elkaar deels en verschillen van insteek en nadruk op andere punten. Wat ze gemeen hebben is de aandacht voor de stad en zijn omgeving als samenhangend geheel. Dat kun je aan identiteit koppelen, maar in het grotere beeld van Weesp als historische kern in een rijk buitengebied aan de rand van Amsterdam zijn het eerder het totaalplaatje en de losse verhalen die beklijven dan zoiets als ‘identiteit’. We adviseren Weesp en het museum dan ook om zich niet te veel blind te staren op een identiteit, maar te focussen op de bundel verhalen die samen de identiteit inkleuren en haar ook deden en doen veranderen.
Weesp speelde in de geschiedenis verschillende rollen, tot het moment van nu waarop het een monumentaal ‘dorps’gezicht (in vergelijking met Amsterdam) en een groene oase aan de rand van de stad wordt. Dat is de rol van Weesp in de stedelijke agglomeratie. En daarvan kan het museum het brandpunt zijn. Niet ‘het verhaal van Weesp’ dus, maar ‘de vele verhalen van Weesp’.
16
De identiteit van het museum Museum Weesp is bescheiden van omvang, maar heeft een heel grote jas aan: het Stadhuis. Het hele vraagstuk rond de toekomst hangt daarmee samen, want het is de makkelijkst te communiceren ‘identiteit’ en de trots van de collectie. Binnen de collectie en presentaties is het Stadhuis de drager van de betekenis als ‘Weesper trots’, ‘rijkdom verworven door handel’, ‘zelfstandig, eigen karakter’, ‘bloeitijd’ en dergelijke. De Adviescommissie Museum Weesp stelt voor dat aspect ook door te trekken naar vernieuwende democratische processen en ziet het Stadhuis deels ook als ‘agora’, als platform voor uitwisseling tussen burgers. Dat is een benadering die aan het gebouw te koppelen is, maar niet zo makkelijk aan de objectencollecties. Dat hoeft geen probleem te zijn als het museum zichzelf ook gaat ontwikkelen als platform voor alle verhalen van Weesp. Daarmee bedoelen we: ook de verhalen die op straat en buiten de wallen liggen. De geschiedenis van Weesp, de verhalen van Weesp- die vind je op straat. Het museum tilt een tipje van de sluier op, focust op bijzonderheden, concentreert zich op iets dat alleen hier, nu, getoond kan worden maar kan vooral de vertrekhal zijn voor alle verhalen van Weesp- van vroeger en nu.
Dat impliceert dat het museum zichzelf als knooppunt en wegwijzer ziet, als platform ook; maar in zijn presentaties de bijzonderheid opzoekt en niet zozeer de breedte. Of dat moet impliceren dat het museum zich ook op de rol van democratische vernieuwer stort hoeft niet nu besloten te worden. Het museum zou zich eerst moeten willen (en kunnen) ontwikkelen tot bespeler van het Stadhuis en van de stad- het zou het centrale vertrekpunt kunnen worden voor de vele verhalen die Weesp te vertellen heeft en de vele vormen die de verhalen kunnen aannemen.
17
Het Stadhuis houdt zijn politieke identiteit natuurlijk altijd. Er is sprake van dat het een aantal functies van Burgerzaken zou moeten blijven accommoderen. Dat lijkt een gouden kans voor het bezoekersaantal en de worteling in de gemeenschap, maar het is niet erg logisch om die functie in het Stadhuis onder te brengen. Het ambtelijk apparaat wordt eerder Amsterdams van signatuur en doet niet zoveel voor de functie van het historische stadhuis als platform. Als plek van samenkomst is het Stadhuis wel logisch- burgers die samen werken aan de oude en nieuwe verhalen, aan veranderende identiteit. Dat past goed bij een hedendaags museumconcept, dat niet alleen zendt maar ook bemiddelt en mogelijk maakt, een cultuurhuis en niet alleen een toonzaal.
18
Weesper porselein, Gravin van Gronsveld en haar bediende Cocquamar Crenequie, jeneverfles, affiche Van Houten
19
DE RICHTING VOOR MUSEUM WEESP Wanneer het over de inhoud van Museum Weesp gaat, wordt er impliciet of expliciet gesproken over een ‘historisch museum’: een museum dat de geschiedenis en identiteit van de eigen stad boekstaaft en presenteert, daar voorwerpencollecties voor aanlegt en tentoonstellingen over maakt. Waar het zwaartepunt dan moet liggen verschilt enigszins: waar de een het meest ziet in het herkenbare industriële verleden (Van Houten, Anker, Magneet, Viking) stelt de ander liever het vesting-aspect centraal, als meer onderscheidend en belangrijker voor de landsgeschiedenis. Er zijn ook wel suggesties gedaan voor concentratie op de 18de eeuw. De Adviescommissie ziet een toekomstige rol als nationaal museum van de industriële cultuur als mogelijke ambitie. Het Weesper porselein wordt nauwelijks genoemd als onderscheidend en kansrijk zwaartepunt. Eerder is het een niche, een liefhebbersonderwerp met grote waarde maar beperkt potentieel. In alle opties wordt het Stadhuis beschouwd als de natuurlijke plek. Een vorm van programmering voor routes langs vesting en Vecht als ‘buitenmuseum’ wordt in het algemeen logisch gevonden. Niet genoemd worden opties als een exclusief chocolademuseum, een porseleinmuseum, museum voor beeldende kunst, een ‘experience’, een gemeenschapsmuseum.
De conclusie zou dus eenvoudig kunnen zijn: maak van Museum Weesp een historisch museum over Weesp en de streek eromheen, maar dan wat groter dan nu zodat het meer armslag heeft, meer kan laten zien en het hele Stadhuis vult. In samenwerking met andere Amsterdamse musea kan de collectie worden aangevuld met relevante voorwerpen om de verhalen meer gewicht te geven, en de ruimtes die het Stadhuis rijk is kunnen bijvoorbeeld thematischchronologisch gevuld worden. Bier en jenever (bevoorrading voor Amsterdam en de VOC brengt rijkdom); porselein, koffie en cacao (rijkdom vraagt om luxegoed; slavernij-aspect), stoom en ijzer (Van Houten fabriek, Magneet en andere industrialisatie). Een aparte zaal kan dan aan de stadontwikkeling gewijd worden, bijvoorbeeld met een maquette of
20
21
een film. Tenslotte een ruimte die wordt toegewezen aan tijdelijke tentoonstellingen, zodat de verschillende verhalen van Weesp allemaal hun accent kunnen krijgen op een gelegen moment. Toch adviseren we om deze richting niet te snel in te slaan. Het museum gaat lijken op talloze kleinere historische musea. Het onderscheidend vermogen is beperkt en de scope regionaal. Het is het type musea dat worstelt om voort te bestaan, moeilijk toegang vindt tot subsidiestromen, fondsen en sponsors. Gevangen in een vicieuze cirkel die de ambities klein houdt en de risico’s groot. Het magische paleis De richting voor Museum Weesp moet zich rekenschap geven van de nieuwe context waarin het gaat opereren, en gebruik maken van de kans om iets nieuws te doen. We denken dat Museum Weesp in het Stadhuis (Museum Stadhuis Weesp?) bijna helemaal op programmering moet mikken, en niet op vaste collectie. Per seizoen of tijdvak zou Museum Stadhuis Weesp het Stadhuis tot achtergrond/ podium van meer omvattende presentaties kunnen maken, die unieker zijn en meer uitstraling hebben en waaraan ook meer partijen kunnen meewerken. Het Stadhuis is te gebruiken als entourage en locatie voor herinrichting door en met andere musea, kunstenaars, verzamelaars, historici, zelfs commerciële partijen- maak er het theater dat een functionerend Stadhuis in de 18de eeuw ook was.
Daarmee verdwijnen de thema’s die voor Weesp belangrijk zijn niet naar de achtergrond, maar ze worden beurtelings belicht in een verrassende, vernieuwende, tijdelijke vorm. Soms artistiek, soms participatief, soms voor toeristen en soms voor grachtengordelbewoners. Natuurlijk moet je je er rekenschap van geven dat er een aantal dierbare of belangrijke objecten toch ergens een vaste plaats verdienen, en dat het verhaal ‘van Wesepa tot Stadsdeel Weesp ergens
22
samenvattend wordt gepresenteerd, maar ook dat kan een meer monumentale en/of onderscheidende vorm aannemen dan de gebruikelijke vitrine met tekstpaneel. Museum Stadhuis Weesp kan dankzij dat Stadhuis een theatrale erfgoedlocatie worden, die zich onderscheidt van andere stadsmusea en voor Amsterdam en haar bezoekers ook iets nieuws te bieden heeft. Een magisch stadspaleis, een plek waar verbazende dingen gebeuren in een verbazende entourage, en waar je naar terugkeert voor de volgende verrassing. Hoe groot het beslag op het gebouw is moet worden onderzocht in een ontwerpverkenning: hoe meer de bezoeker zich kan laten ‘onderdompelen’, hoe effectiever het is, maar niet iedere ruimte zal dezelfde intensiteit hebben. Hoe vaak de wisseling van inrichting plaats heeft moet nader onderzocht worden in het programmeringsconcept en de marketingstrategie. Het kan voordelen hebben om eerst de aandacht van de kunst- en cultuursector op de nieuwe koers te vestigen: de samenwerking met kunstenaars en theatermakers opent deuren naar een netwerk en verschillende subsidiestromen. Zo’n installatie kan bijvoorbeeld staan in het ‘theaterseizoen’ september-december, waarna, in de offseason-periode tot aan de paasvakantie, de beurt aan de Weespers is.
In deze periode is de actieve rol van de Weesper samenleving heel goed op te nemen: wintertentoonstellingen van, met en voor Weespers zouden zomaar het resultaat kunnen zijn van, of de aanleiding voor, stadsdebatten, bewonerswensen, inburgeringstrajecten en dergelijke. Van de paasvakantie tot en met de zomervakantie is het dagrecreatie/familiebezoek de belangrijkste drijfveer en kan de inrichting zich aan dat type bezoek wijden, bijvoorbeeld door een ‘Wonderkamer’-achtige of biografische benadering. Dit staat allemaal geenszins in de weg dat het Stadhuis ook het vertrekpunt moet zijn voor het gedachte
23
‘buitenmuseum’. Het is een logische gedachte om op de begane grond een toeristisch informatieknooppunt te vestigen, van waaruit het Museum Stadhuis de stadswandelingen, fietstochten, rondvaarten en evenemententickets verkoopt die in en om Weesp worden georganiseerd, samen met de partners die daaraan bijdragen.
24
VOORBEELDEN
Voorstelling, Alabama Museum of Natural History: theater in centrale museumhal
25
Tentoonstelling bloemkunst, Kasteel Groeneveld Baarn: opstelling zonder interieur-ingrepen
Het Wonder van Delft, Kunstmuseum Den Haag: wand van spiegelglas legt extra nadruk op rijke interieur
26
De rode kerk, lichtkunstwerk/raamfolies, Oude Kerk Amsterdam: transformatie door (uitsluitend) gekleurd daglicht
The enchanted palace, Kensington Palace: theatrale, vertellende styling in elk van 7 zalen
27
David Zalben, My Room: ruimtelijke tekening vertelt verhaal maar laat interieur ongemoeid
28
Participatieve tentoonstelling: workshops leiden tot nieuwe zelfgemaakte stadsmaquettes. Wijzigt na elke workshopsessie
HET BEDRIJF MUSEUM WEESP
29
BEHEERSORGANISATIE Museum Weesp functioneerde nog als een ambtelijke dienst. Amsterdam kent dat model niet meer en heeft de museumorganisatie ondergebracht bij het Stadsarchief. Er zijn nu drie opties: •
Opgaan in een bestaande organisatie, waarbij het Stadsarchief en het Amsterdam Museum als meest voor de hand liggend worden genoemd
•
Een nieuwe stichting oprichten waarin de activiteiten worden ondergebracht
•
Een samenvoeging van verwante organisaties
Het eerste model heeft het grote voordeel dat de twee werknemers van Museum Weesp in een grote, ervaren organisatie worden opgenomen en kunnen profiteren van alle deskundigheid en faciliteiten die ze daarin kunnen mobiliseren. Als vestiging ‘in de periferie’ voldoet Museum Weesp aan het streven van het Amsterdam Museum om de stadgenoten op te zoeken waar ze zijn en de dialoog met hen aan te gaan in hun eigen omgeving. Er hoeft niets te worden ‘opgetuigd’. Voor de exploitatie van Museum Weesp moet dan een beheermodel worden afgesproken. Nadeel van dit model kan zijn dat Museum Weesp niet voldoende aandacht krijgt in een periode waarin het Amsterdam Museum aan zijn eigen koers werkt en het Burgerweeshuis grootscheeps verbouwd wordt, maar anderzijds: met Museum Weesp heeft het er dan een locatie bij waar collectie getoond kan worden. Voor het Stadsarchief geldt hetzelfde, met dat verschil dat de collectie een andere aard heeft, en dat het Regionaal Historisch Archief ook een gebouw heeft in Weesp. Het Museum Stadhuis kan daar de presentatiefunctie mede voor vervullen, maar de vraag is of dan de scheiding in gebouwen wel logisch is (blijft) en of het Museum Stadhuis Weesp niet meer een museum is dan een archief.
30
Het tweede model heeft het grote voordeel dat Museum Weesp op eigen benen blijft, eigen fondswerving kan verrichten en zelf bepaalt hoe dicht het op de Weesper samenleving zit. In deze vorm kan het nog steeds vergaande verbintenissen aangaan, bijvoorbeeld door de back office te delen met een andere organisatie (het Amsterdam Museum, andere musea in Amsterdam, maar ook het Stadsarchief of de OBA). Nadeel van dit model is vooral het veel grotere risico: bij (sterk) achterblijvende resultaten houdt het museum op te bestaan. Het is daarom geen optie om het gebouw in eigendom over te dragen aan de stichting, deze blijft ‘gebruiker’. De collectie (het beheer ervan) moet wel bij de Stichting worden ondergebracht omdat anders de Museumregistratie vervalt, maar het feitelijke eigendom van de stukken kan bij de gemeente Amsterdam blijven. Het lijkt voor alle partijen zinvol om de depots van het Stadsarchief en/of het Amsterdam Museum te gebruiken voor verantwoorde opslag. Het derde model biedt de mogelijkheid om organisaties met een vergelijkbare rol in het maatschappelijke leven bijeen te brengen als een Weesper ‘cultuurcluster’. We denken dan naast het museum aan het RHC, de Historische Vereniging, Weesp Marketing en mogelijk de Openbare Bibliotheek. Zo’n samenwerking krijgt pas echt vaart als ze het gebouw kunnen delen; dat veronderstelt weer meer dan alleen het Stadhuis.
Het activeren van zo’n samenwerkingsverband moedigen we sterk aan, maar het heeft tijd nodig. Ook moeten de partners liefst enigszins in evenwicht zijn, en daarvoor is een stevige, zelfstandige museumorganisatie eigenlijk vereist. We adviseren om een Stichting op te richten. Belangrijkste argument daarvoor is juist de ambitie: Museum Weesp wil vooruit. Om dat mogelijk te maken zal er budget toegewezen moeten worden, maar vooral ook fondswerving moeten plaatsvinden. Dan is er een stichting nodig die als gesprekspartner en ontwikkelaar optreedt en die fondsen kan gaan
31
werven. Museum Weesp kan zich dan op eigen kracht op zijn eigen ambities richten. Omdat de Stichting niet het eigendom over gebouw en collectie overneemt gebeurt er voor de gemeenschap niets onomkeerbaars; en samenwerking met een organisatie als het Stadsarchief, Amsterdam Heritage Museums of een Weesper Cultuurcluster kan nog altijd verstrekkend zijn of worden.
32
GEBOUW Het Stadhuis komt in eigendom van de gemeente Amsterdam, tenzij Weesp het zelf nog voor de formele fusie zou overdoen aan een derde partij (niet de sjiekste manoeuvre). Voor een derde partij zijn verschillende opties denkbaar; zo zou een monumentenbeheersstichting geïnteresseerd kunnen zijn, of een projectontwikkelaar. In alle drie de gevallen –gemeente, monumentenstichting, projectontwikkelaar- blijft de maatschappelijke en culturele bestemming van het Stadhuis onverlet. De vraag is of hetzelfde moet gelden voor het aanpalende Sint Bartholomeus Gasthuis en welke rol dat moet krijgen. Het is ingericht als kantoorgebouw, met enkele doorbraken verbonden met het Stadhuis. Het is weer af te splitsen en zou een niet-openbare bestemming kunnen krijgen. Over de ratio van de ene keuze ten opzichte van de andere, in het licht van het belang van het museum, is weinig te zeggen zolang de gemeente Weesp de kosten van museum (exploitatie) en gebouw (exploitatie en langjarig onderhoud) niet heeft ontvlecht uit de gemeentelijke begroting. Anders gezegd: wij hebben geen inzicht verkregen in wat het museum in het Stadhuis nu kost. Het is daarom onverantwoord iets te adviseren over de exploitatie van het Stadhuis, geheel of gedeeltelijk, of zelfs het hele ensemble, voor een museale taak omdat we geen beeld hebben van financiële consequenties voor de exploiterende organisatie.
In algemene zin kunnen we het volgende aanbevelen. Het basisscenario moet zijn dat Museum Weesp het Stadhuis, of het grootste deel daarvan, huurt van de gemeente Amsterdam. Dat geeft een garantie voor het ononderbroken onderhoud van het gebouw, terwijl het museum ervoor zorgt dat de maatschappelijke bestemming en openstelling geborgd zijn. De huurprijs kan als subsidie worden ‘teruggeploegd’ of zodanig laag worden vastgesteld dat er althans voor de eerste 10 jaar een redelijke mate van zekerheid bestaat dat het museum deze kan opbrengen. Wat de gemeente met het Gasthuis doet is hiermee nog niet
33
vastgelegd: dat lijkt voor het museum, in ieder geval in aanloop naar een veel ruimere exploitatie, een te grote opgave. Maar het is een optie om het hele gebouw te gebruiken om verwante organisaties bijeen te brengen: het ‘cluster’ RHC, historische vereniging, toeristische informatie, Weesp Marketing en/of de vestiging van de Openbare Bibliotheek zouden van het gebouw een cultuurhuis van belang en kruisbestuiving maken. Het Stadhuis wordt dan Museum, maar ook symbool voor het hele Weesper erfgoeddomein. Het meest uitdagende scenario is verkoop van het hele ensemble aan een projectontwikkelaar, onder de conditie dat het Stadhuis een openbare, museale functie heeft. De projectontwikkelaar moet de exploitatie dan vooral baseren op het Gasthuis, omdat het museum geen commerciële huurprijs mag en kan betalen. Er zijn voorbeelden van deze constructie in den lande en ze kunnen beslist verantwoord uitpakken, al liggen ze politiek soms gevoelig. Voordeel van de constructie is natuurlijk dat de verkoop een aanzienlijk bedrag op kan leveren, en dat de kosten van onderhoud en openstelling niet langer op de gemeentebegroting drukken.
Een substantieel deel van de koopsom wordt door de gemeente gestort in een Vernieuwingsfonds ten gunste van de Stichting Museum, die daarmee een vliegende start krijgt; een ‘bruidsschat’ om mee te investeren en fondsen en sponsors over de streep te trekken voor cofinanciering. Een tussenvorm is de overdracht van het Stadhuis of het hele ensemble aan een monumentenstichting. De gemeente Amsterdam staat dit in sporadische gevallen toe en heeft dan een voorkeur voor Stadsherstel, dat nu al eigenaar is van de Van Houtenkerk in Weesp. Ook hier staat positieve exploitatie voorop, maar is de commerciële insteek minder leidend. Toch zal ook hier de gebruiker van het Stadhuis met een huurprijs geconfronteerd worden. Om een grote stap voorwaarts te maken zouden we willen adviseren om als eerste de mogelijkheid van een projectontwikkelaar te onderzoeken. Het aantrekken van particulier geld is op dit moment zeer wel mogelijk, terwijl de
34
De blauwe lijn geeft scheiding aan tussen Stadhuis en Gasthuis
35
gemeente Amsterdam strak budgetteert om de begroting op de rails te houden. Wanneer het onderzoek naar een goed gezinde projectontwikkelaar niet tot resultaat leidt kan de stap naar gemeente en/of Stadsherstel altijd nog volgen.
36
FINANCIEEL De begroting van Museum Weesp is heel bescheiden. De gemeentebegroting geeft alleen inzicht in de personeelslasten, een activiteitenpost van 10.000 euro en een incidentele dotatie voor de toekomstvisie. Structureel staat het museum daarmee op de gemeentebegroting voor ongeveer 100.000 euro, maar andere kosten zoals energie, onderhoud gebouw, bewaking, verzekeringen, afschrijvingen etc. vallen buiten het zicht. Dat maakt het onmogelijk om uitspraken te doen over een toekomstige exploitatie, verzelfstandigd of niet. Investeren Wat we kunnen vermoeden is dat, op een totale cultuurbegroting van iets meer € 600.000 in Weesp, de vooruitzichten voor forse financiële injecties niet rooskleurig zijn. De fusie met Amsterdam gaat ook geen potten met goud ontsluiten: Amsterdam heeft een bezuinigingsopdracht. Er is natuurlijk veel meer buffer, en een veel rijkere infrastructuur, maar er liggen niet zomaar miljoenen op een bestemming te wachten. Maar Museum Weesp kan weinig beginnen zonder substantiële verbetering van de financiële draagkracht. Zelfs cultuurfondsen blijven buiten bereik als er geen matching funds beschikbaar zijn voor een aanvraag. De inkomsten zullen nu bestaan uit ongeveer € 10.000 euro aan de kassa, en enkele duizenden uit winkel en koffieautomaat.
Natuurlijk kan dat heel anders worden, met (veel) meer bezoekers ziet de omzet er al kansrijker uit; de vraag is hoe Museum Weesp van de ene naar de andere situatie kan groeien. De gemeente kan besluiten tot een ‘bruidsschat’ bij de oprichting van een stichting. Dat verschaft de Stichting werkkapitaal om op gang te komen en fondsen mee te werven. De Stichting Vrienden kan ook een rol spelen, vooral door de leden aan te moedigen in hun netwerk naar ‘sponsors’ te zoeken die als founders kunnen optreden.
37
Bij een ‘fusie’ met andere instellingen kan de gezamenlijke buffer worden aangesproken en zijn er meer adressen waaraan verzoeken om ondersteuning gericht kunnen worden. Natuurlijk is er alle reden om deze paden tegelijkertijd te bewandelen, maar o.i. is het het kansrijkst om •
Een deel van het vernieuwingsbudget in te zetten als eigen inbreng bij een subsidieaanvraag voor een ontwikkelplan en haalbaarheidsstudie (de Mondriaan Stichting kent zo’n subsidie)
•
Een fondswervingstraject te beginnen waarbij op zoek gegaan wordt naar particulier geld, mogelijk in de vorm van donaties, maar vooral in de vorm van projectontwikkeling
•
Een presentatieproject van belang (omvang, impact, vernieuwing) te ontwikkelen dat representatief is voor de nieuwe ambities en dat voor subsidie in aanmerking komt (niet een kleine tentoonstelling, maar een grote manifestatie met bovenregionale uitstraling)
Uit de haalbaarheidsstudie moet een schets komen van het potentieel, een presentatie/programmeringsconcept en een opzet voor (exploitatie)begroting. Exploiteren Over de contouren die de exploitatiebegroting zou kunnen krijgen is, zowel we vaststelden, niets te zeggen zolang de gebouw- en andere kosten niet bekend zijn. We zouden de kosten en opbrengsten kunnen inschatten van bepaalde activiteiten bij bepaalde bezoekersaantallen, maar dat is betekenisloos voor de exploitatie zolang we de kosten van huisvesting niet in beeld hebben. Belangrijk om te onthouden is, dat de reguliere kaartverkoop in musea maar een deel
38
van de opbrengst levert- andere activiteiten zijn noodzakelijk en reëel. Winkel en horeca zijn daarbij van belang, maar de opbrengsten daarvan zijn vaak niet zo heel hoog. Gemiddeld mag € 0,75 tot € 1,- omzet per bezoeker in een museumwinkel verwacht worden; bij een horecavoorziening als ‘koffie en appeltaart’ komt er een soortgelijk bedrag in de boeken. De marges zijn klein en de inzet van vrijwilligers is onontbeerlijk. Een ‘echte’ horecavoorziening (lunchcafé of meer) in het Stadhuis kan onderzocht worden, mogelijk ziet een uitbater kansen, maar dat vereist dan vrij ingrijpende aanpassingen aan het gebouw. Een voor musea steeds belangrijker bron van inkomsten is locatieverhuur en organisatie van evenementen. Een gebouw als het Stadhuis valt in de categorie ‘exclusieve locaties’ en daarin is veel activiteit. In de Gooi- en Vechtstreek is vraag naar locaties voor 300 tot 500 personen, waaraan het Stadhuis zou kunnen voldoen, zeker in samenwerking met de Laurenskerk. In Amsterdamse context kan dit anders komen te liggen, maar dergelijke exploitatie levert goede omzetten op, mede door afdracht van de cateraar. Tenslotte zijn ook de rondvaarten, stadswandelingen etc. een bron van inkomsten. Aan de kostenkant zijn het, naast de huisvestingslasten, -meestal- de personeelslasten die de grootste kostenpost vormen.
Een professioneel museum met de ambitie om te groeien moet, naast algemene leiding en bedrijfsvoering, tenminste beschikken over voldoende mankracht voor inhoudsontwikkeling, organisatie van activiteiten, marketing en verkoop, en (technisch)onderhoud. Hoe dat georganiseerd en ingericht wordt verschilt per museum, maar bij een capaciteit van minder dan ongeveer 4 Fte is het niet realistisch om van het museum meer te verwachten dan ‘de boel draaiend houden’. Daarbij komen dan de projectkosten voor activiteiten, die deels voor externe/ tijdelijke krachten kunnen worden aangewend, al naar gelang behoefte. Ook het gebouw wordt al snel een molensteen als er teveel van de
39
verdienvermogen van het museum wordt verwacht. Daarom werken veel musea in een constructie waarbij de gebruikskosten van het gebouw wel voldaan worden aan bijvoorbeeld een afdeling Vastgoed, maar die grotendeels via langjarig convenant gesubsidieerd krijgt door de gemeente. De publieke functie van het gebouw is daarmee gewaarborgd. In constructies met projectontwikkelaars wordt het museumdeel (of cultuurdeel) vaak tegen minimale vergoeding ter beschikking gesteld, maar wordt een ander deel van gebouw of terrein aangewezen voor commerciële ontwikkeling. Welke situatie er ook ontstaat: een te bescheiden museum is bijna niet te financieren. Daarom moet de ambitie niet te klein gemaakt worden. Een bezoekersaantal van ca. 20.000 en een omzet van tenminste 250.000 tot 300.000 euro moet het minimale doel zijn. Bij die cijfers moet er vanuit gegaan worden dat een subsidiebehoefte van 50 tot 60% van de omzet marktconform is.
40
BEZOEKPOTENTIEEL
41
VOOR WIE In dit onderdeel onderzoeken we het potentieel bezoek waarop het museum zich kan richten. We brengen in kaart wat er bekend is over de huidige bezoekersstromen, wat de kansen in en buiten het verzorgingsgebied zijn, en op welke publiekssegmenten een aanbod zich het best kan richten. We gaan er daarbij van uit dat het museum zich qua onderwerp binnen de doelstelling blijft bewegen maar dat het zijn vorm kan aanpassen aan de vraag/doelgroep. Het huidige museum hanteert in zijn beleid de volgende segmentatie : • •
Inwoners van Weesp volwassenen Inwoners van Weesp jongeren/jeugd
• •
Regionale museumbezoekers volwassenen Regionale museumbezoekers jongeren/jeugd
•
Vrijwilligers (als deelnemers)
Er zijn geen gedetailleerde bezoekersgegevens. Op web en social media zijn weinig vermeldingen van het museum te vinden. Ze zijn wel vrijwel zonder uitzondering gematigd tot zeer positief. Vaak genoemd worden het vriendelijke personeel, de geschiedenis-onderwerpen (Van Houten, Magneet) en het mooie gebouw (meestal met de kerkers als aanrader). Het overgrote deel van de reacties op Google en Tripadvisor komt van bewoners van Weesp of de onmiddellijke omgeving. ‘Local guides’ zijn nogal zichtbaar als promotoren. Hierna brengen we in kaart wat de belangrijkste gegevens over bezoek aan de regio ons leren; rapportages van BMC en Amsterdam Marketing (tegenwoordig Amsterdam&Partners geheten) zijn daarvoor specifieke bronnen.
42
BEZOEKERSSTROMEN CULTURELE INSTELLINGEN GOOI EN VECHTSTREEK
ANALYSE BEZOEKERS
BEZOEKERSSTROMEN CULTURELE INSTELLINGEN GOOI EN VECHTSTREEK
Instituut voor Beeld en Geluid waar 74% van de bezoekers uit overige delen van
x
Nederland komt. Slechts 9% van de bezoekers aan Beeld en Geluid komt uit de De minste bezoekers trekken het Museum Hofland (5.000), het streekarchief Gooi en Vechtstreek. Ook het Singer Museum, het Muiderslot en Vestingmuseum Gooi en Vecht (2.500) en het gemeentearchief Gooise Meren-Huizen (1.300) en Naarden ontvangen relatief veel bezoekers van buiten de regio. De overige musea de Gooise Muziekschool (1.000) . Bezoekersstromen Culturele instellingen Gooi en Vechtstreek, BMC 2016: (zoals het Museum Hilversum, Comenius Museum, Huizer Museum) trekken vooral x In de onderstaande figuur is het aantal bezoekers per gemeente weergegeven bezoekers uit de eigen regio. In Museum Hilversum is 58% van de bezoekers (exclusief bibliotheken). afkomstig uit de regio Gooi en Vechtstreek. Figuur 3.1
Herkomst bezoekers
Musea
Theater/podium
Filmhuizen
Bibliotheken
TOTAAL
0%
Profiel van de bezoeker x Veruit de meeste bezoekers (60%) zijn afkomstig uit de Gooi en Vechtstreek. 43Bezoekers van buiten de regio komen grotendeels uit de omringende plaatsen zoals Amsterdam, Utrecht, Almere, Baarn, Soest, Eemnes, en Stichtse Vecht. Ongeveer één op de vijf bezoekers komt van verder weg, dat wil zeggen van buiten de provincies Noord Holland, Utrecht en Flevoland of uit het buitenland. x Tussen de culturele instellingen zijn wel verschillen. Bibliotheken trekken vooral lokale bezoekers: 95% van de bezoekers is afkomstig uit de ‘eigen’ gemeente. De theaters, poppodia en filmhuizen trekken naast lokale bezoekers ook veel
10%
20%
30%
40%
50%
60%
Vestigingsgemeente
Gooi en Vechtstreek
Overig Nederland
Buitenland
70%
80%
90% 100%
Overig Noord Holland
De meeste bezoekers die buiten de Gooi en Vechtstreek wonen zijn afkomstig uit Amsterdam (4%), gevolgd door Utrecht (3%) en Almere (2%), Baarn (1%) en Stichtse Vecht (1%).
22/35
Archieven/ vereniginge n Musea
Theaters/ Podia
Filmhuizen
Bibliotheke n
TOTAAL
Ja, meer dan 10 keer
-
48%
82%
76%
40%
14%
Aan de bezoekers is gevraagd of ze naast het museum, (film)theater of bibliotheek (in de afgelopen 12 maanden) ook nog andere culturele instellingen in de Gooi en Vechtstreek hebben bezocht. Hierop is door twee derde van de respondenten met ‘ja’ geantwoord. Het meest genoemd is het Singer Museum in Laren (217 keer), gevolgd door het Filmhuis Hilversum (190 keer), Spant! in Bussum (131 keer) en het Nederlandse Instituut voor Beeld en Geluid (105 keer). Het minst genoemd zijn de cultuurhistorische verenigingen en de bibliotheken in Loosdrecht, Muiden, Kortenhoef, Nederhorst den Berg en Blaricum. Gemiddeld zijn de bezoekers in het afgelopen jaar (inclusief het laatste bezoek) vier keer naar een culturele instelling in de Gooi en Vechtstreek geweest. Bezoekers uit Hilversum zijn het vaakst naar een culturele instelling geweest en blijven hiervoor ook het vaakst in hun eigen gemeente. In Hilversum is dan ook het meeste cultuuraanbod. Ook bezoekers uit Weesp en Laren bezoeken regelmatig een culturele instelling in hun eigen gemeente. Bezoekers uit de Wijdemeren, Blaricum, Muiden en Naarden gaan het vaakst hun eigen gemeente uit om een tentoonstelling, voorstelling, concert of bibliotheek te bezoeken. In onderstaande tabel is het cultuurbezoek in de eigen gemeente naar type instelling weergeven.
BEZOEKERSSTROMEN CULTURELE INSTELLINGEN GOOI EN VECHTSTREEK
BEZOEKERSSTROMEN CULTURELE INSTELLINGEN GOOI EN VECHTSTREEK
Bezoekersstromen Culturele instellingen Gooi en Vechtstreek, BMC 2016:
Langeveld14 bijvoorbeeld concludeert dat 75% van het publiek binnen een straal van 17 kilometer van het theater/podium woont. Alleen voor specifiek theateraanbod zijn bezoekers bereid ver te reizen, maar zelfs dan is de reisbereidheid relatief beperkt. Voor het Concertgebouw in Amsterdam reist 75% van het publiek maximaal 46 kilometer.
de respondenten een museum, een filmhuis of een poppodium/theater bezocht heeft.
Tabel 3.4
Tabel 3.7
Gemiddelde afstand en reistijd bezoekers
Theaters/ Podia
Filmhuizen
Bibliotheken
14%
Musea
20%
102
Archieven/ verenigingen
146
Bezoek aan muziekvoorstelling
TOTAAL
Bezoek aan film
Aantal respondenten
30%
% woonachting binnen 15 kilometer
%
224
Gemiddelde tijd in minuten
Gemiddeld afstand in kilometers
Absoluut Bekijken van tentoonstelling in het museum
Bezoek culturele instellingen in de eigen gemeente als percentage van het totale aantal culturele bezoeken in de Gooi en Vechtstreek
Musea
50,5
46,3
27%
Boeken lenen of terugbrengen
51
7%
Bussum
46
44%
-
n.v.t.
56%
78%
80%
- Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid
69,0
63,2
11%
Bezoek aan cabaretvoorstelling
37
5%
Hilversum
152
73%
-
63%
70%
94%
91%
- Singer Museum
59,4
52,2
24%
Bezoeken van een cultureel evenement in het museum
25
3%
Huizen
78
42%
-
25%
32%
n.v.t.
86%
- Vestigingsmuseum Naarden
45,5
45,6
25%
Bezoek aan toneelvoorstelling
13
2%
Laren
18
52%
-
76%
43%
n.v.t.
62%
- Muiderslot Museum
45,4
39,1
11%
Bezoeken van een cultureel evenement
10
1%
Weesp
70
66%
-
19%
84%
n.v.t.
97%
- Kasteel Sypesteyn
39,3
43,7
23%
Bezoeken van een culturele avond, bijvoorbeeld een lezing
10
1%
Wijdemeren
27
12%
-
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
33%
- Museum Hilversum
26,8
29,2
61%
Bekijken van historisch erfgoed in buitenplaats of fort
10
1%
Overig (Blaricum, Muiden, Naarden)
36
8%
-
19%
n.v.t.
n.v.t.
11%
- Overige Musea
13,9
15,5
71%
Gebruikmaken van faciliteiten, zoals computer of leestafel
8
1%
Archieven/verenigingen
-
-
-
Gebruikmaken van faciliteiten, zoals restaurant of museumcafé
5
1%
Podia
9,2
12,1
83%
Bekijken van archiefstukken in het archief
5
1%
- De Vorstin
15,5
17,9
63%
Bezoek aan musical
4
1%
- Spant
10,2
13,3
84%
Anders, namelijk
90
13%
- De Boerderij
10,0
13,3
- Theater City Wesopa
4,1
7,2
90% 3.7 92%
- Overige theaters/podia
6,0
9,0
89%
Filmhuizen
7,2
10,4
90%
Bibliotheken
2,7 26,5
5,3
100%
26,3
61%
TOTAAL
TOTAAL
24/35
Bibliotheke n
C. Langeveld, Publiek reist beperkt naar podiumkunsten (2011)
Heeft u deze culturele instelling eerder bezocht? Filmhuizen
14
Tabel 3.8
Theaters/ Podia
44
Combinatiebezoek Uit de volgende tabel blijkt dat het bezoek aan een culturele instelling in de meeste gevallen op zichzelf staat, dat wil zeggen dat bezoekers het bezoek niet combineren met een andere activiteit. Bezoekers aan een museum combineren hun bezoek het
Bezoekfrequentie Voor ongeveer een kwart van de bezoekers (28%) is het de eerste keer dat ze het museum, (film)theater of bibliotheek hebben bezocht. 15% bezocht de instelling voor de tweede, derde of vierde keer en 58% heeft de instelling meer dan vier keer bezocht. De filmhuizen hebben de meeste vaste bezoekers; 82% heeft het filmhuis zelfs meer dan 10 keer bezocht, gevolgd door bibliotheken waar 76% de bibliotheek meer dan 10 keer heeft bezocht. Nieuwe bezoekers komen vooral voor in de musea.
Archieven/ vereniginge n Musea
Aan de bezoekers die buiten de Gooi en Vechtstreek wonen is gevraagd hoe lang zij in de Gooi en Vechtstreek verblijven. Uit de antwoorden blijkt dat de meeste bezoekers dagjesmensen zijn: 85% blijft één dag of korter, 7% blijft 2 tot 3 dagen en 8% blijft langer dan 3 dagen. 3.5
Tabel 3.9
Wat is de belangrijkste reden voor uw bezoek?
Nee
43%
-
21%
3%
3%
28%
Ja, 1 keer
10%
-
1%
0%
0%
5%
Ja, 2-3 keer
15%
-
10%
3%
3%
10%
Een kwart van de bezoekers heeft in het afgelopen jaar een bezoek gebracht aan een cultureel evenement in de Gooi en Vechtstreek. 27/35
Amsterdam Marketing, Bezoekersprofiel 2016, Gooi- en Vechtstreek:
45
ANALYSE De cijfers van BMC en Amsterdam Marketing komen natuurlijk niet precies overeen, beide onderzoeken baseren zich op steekproeven. Maar de trend is niet verschillend. Het huidige bezoek aan Weesp komt voor ongeveer 75% uit de regio. Dat is een zeer hoog percentage; het lokale karakter van Museum Weesp sluit hierbij aan. De regionale bevolkingsomvang is relatief bescheiden (250.000) dus grote sprongen zijn hier niet te verwachten, maar toch lijkt de regionale markt voor Museum Weesp nog genoeg kansen te bieden. Een deelname van 3.750 (75% van het totale bezoek) op 250.000 regiobewoners is slechts 1,5%. We vermoeden dat het vooral Weespers zijn die het museum bezoeken: deelname van 3.750 op 20.000 inwoners is bijna 19%, wat meer in de buurt komt van gebruikelijke cijfers. Het komt ook precies overeen met de uitkomst van de steekproef van BMC (tabel 3.9 op p. 44). Als dat zo is, liggen de groeimogelijkheden voor het museum maar beperkt in de eigen stad. Een aanzienlijk deel van de dagrecreanten komt voor een museum; in Naarden bijvoorbeeld tussen 25 en 47% (waarvan 40% specifiek voor het Vestingmuseum). 70% maakt een stadswandeling, maar winkelen komt er weinig van (slechts 12%). Meer dan de helft van de dagrecreanten in de regio komt in familieverband (met kinderen).
46
Internationaal bezoek Er is weinig bekend over internationaal toerisme in de Gooi- en Vechtstreek. Amsterdam&Partners noemt een aandeel van 24% op het totaal (vooral uit Duitsland en Azië), maar de steekproef is erg klein en de internationale bezoekers blijken vooral het Muiderslot ‘mee te pikken’. De instellingen in het Gooi rapporteren verder een gering aantal buitenlandse bezoekers. Weesp past binnen het toerisme-beleid van NBTC en Amsterdam&Partners in de verhaallijn Castles & Gardens (die op de hele Gooi- en Vechtstreek en Amstelland van toepassing is). Maar de verhaallijn is zwak ontwikkeld en blijft achter in afnamecijfers. Ontwikkelen en aanhaken kan alleen succesvol worden in grote combinaties (Amsterdam + het hele Gooi) en op basis van een vervoersconcept. De toeristische organisaties in het Gooi zijn er nog niet aan toe om hierin grote trekkracht te ontwikkelen, maar de fusie met Amsterdam zou hier de sleutel kunnen zijn voor Weesp. De stad Amsterdam spant zich immers ook in om het toerisme binnen de stadsgrenzen te spreiden. Dat vereist een goede positionering van Weesp als bestemming binnen Amsterdam. De OV-verbinding is er al (en zal in de loop der jaren wel uitgebreid worden). Toch is het raadzaam om hier niet op korte termijn wonderen van te verwachten: de perifere musea in Amsterdam profiteren wel van het beleid, maar de verschillen zijn nog niet groot.
47
HOEVEEL BEZOEKERS Museum Weesp heeft de afgelopen jaren laten zien dat groei wel degelijk mogelijk is. Het huidige bezoekersaantal spoort al bijna met dat van het (zeer vergelijkbare) museum te Nijkerk. Maar kan het verder gaan? Als Museum Weesp een specialistenmuseum zou worden (bijvoorbeeld rond het porselein) is Sypesteyn het dichtstbijzijnde doel. Kiest men voor een meer algemene stadshistorische insteek, dan wordt bijvoorbeeld Museum Katwijk een relevante vergelijking, al ’scoort’ dat ook met kwalitatief hoogwaardige tentoonstellingen van beeldende kunst uit de periode 1600 – 1940. In grotere gemeenten lopen de bezoekersaantallen voor stadshistorische musea gaandeweg op, maar er is een duidelijke drempel rond de 30.000 bezoekers: wat daarbovenuit stijgt heeft vaak een sterk kunstprofiel (zoals Harderwijk, Schiedam, Zutphen, Alkmaar: tussen 45 en 65.000). Uiteraard zijn er grote verschillen, en als museum in groot-Amsterdam zouden de benchmarks kunnen veranderen. Dan komen musea als het centraal gelegen Cromhouthuis (38.000) of Willet Holthuysen (52.000) en het meer perifere Museum Het Schip (43.000) in beeld – musea die vooral hun monumentenstatus uitdragen.
Thematische musea buiten Amsterdam Centrum verschillen nog meer: waar het Dolhuys in Haarlem 41.000 bezoekers trekt (tegen Museum Haarlem, het historisch museum, 18.000), blijft het stevig aan de weg timmerende Uitvaartmuseum Tot Zover (Watergraafsmeer) steken op 4.000. Een niet te negeren voorbeeld is het Zaans Museum, dat weliswaar het monumentale gebouw mist maar de levensmiddelenindustrie, waterthema’s en interieurkunst met Museum Weesp deelt. Daar kwamen in 2019 200.000 mensen op af. De ligging naast de Zaanse Schans is zijn vruchten gaan afwerpen toen het Zaans Museum zich in 2017 profileerde als een soort poortgebouw van de Zaanse Schans en zijn marketing en activiteiten volledig richtte op de
48
internationale bezoekers daarvan, en ook locaties op de Schans ging programmeren (in 2010 kwamen er ongeveer 20.000 bezoekers; de ‘Verkade Experience’ voegde daar 50.000 aan toe). Zo’n ontwikkeling is in Weesp niet op korte termijn te verwachten omdat de context ontbreekt. Maar als museum van bovenregionale betekenis in een monumentaal gebouw zou geleidelijke groei tot 25.000 – 30.000 bezoekers mogelijk moeten zijn. Meer is denkbaar, maar dan moeten we werken aan een onderscheidender profiel en komt de keuze voor een spectaculaire aanpak of voor beeldende kunst snel in beeld. Hoe dan ook is het aanbevelenswaardig om deze vergelijkingen in het licht te blijven zien van de inspanningen die stads-breed worden gedaan om publiek te trekken. Het stadhuis/museum alléén is niet groot genoeg om een dagtocht te rechtvaardigen; wanneer de hele stad en omgeving zich profileren als bestemming wordt de aantrekkingskracht groter.
49
BENCHMARK AANTALLEN Beeld en Geluid
200.000
2018
Museum Hilversum
40.000
2018
Singer Laren
200.000
2018
Muiderslot
140.000
2017
Kasteel Museum Sypesteyn
8.000
2017
Vestingmuseum
23.000
2018
Stedelijk Museum Kampen
25.000
2018
Museum Nijkerk
5.500
2018
Katwijks Museum
20.000
2017
Museum Harderwijk
45.000
2018
50
* 15.500 voor betaalde bovenverdieping, 30.000 gratis begane grond
KANSEN Juist musea in de regio trekken een bovenregionaal publiek, maar nog niet in Weesp. Groei is vooral te verwachten uit (boven)regionaal bezoek (max. 1 uur reistijd). Dat veronderstelt een bredere positionering. Met het bijzondere stadhuis en onderscheidende activiteiten kan landelijk publiek bereikt worden; participatieve evenementen stimuleren herhaalbezoek uit de regio. De stad kan beter worden ontwikkeld als bestemming waardoor de aantrekkelijkheid voor dagrecreatie toeneemt. Het aandeel buitenlandse toeristen is nog verwaarloosbaar, maar op termijn kan aansluiting bij de Amsterdamse infrastructuur voor groei zorgen als er een krachtige positionering voor Weesp wordt gevonden.
51
Museum Weesp kan zich de komende jaren kansrijk richten op (boven)regionaal Nederlands bezoek. Het ziet er naar uit dat het familiesegment hierin ontwikkeld kan worden: dit vormt een meerderheid in de dagrecreatie maar nog een minderheid in de bezoekers van het museum. Vanaf 2025 komt de internationale toerist in beeld.
SEGMENTATIE LANDELIJK De ‘Leisure Leefstijlen’ zoals hier geciteerd zijn eind 2018 geactualiseerd en hernoemd. Met die nieuwe segmentatie, die overigens veel overlap vertoont met de oude, bestaat nog niet zoveel ervaring. Voor de regio zijn ze nog niet ingezet, en zijn geen procentuele verdelingen beschikbaar. Daarom houden we nog even de oude aan. Voor de keuzes die we voorstellen voor Museum Weesp hebben de verschillen tussen het oude en het vernieuwde model geen grote impact.
52
WIE ZIJN DE BEZOEKERS Om een idee te krijgen van de potentiële bezoekers waarop Museum Weesp zich zou kunnen richten, hebben we een analyse gemaakt op basis van leefstijl-segmentaties die breed gebruikt worden in de recreatieve en culturele sector. Bestaande metingen en inventarisaties zijn er in overvloed, ook in het verzorgingsgebied van Museum Weesp. Zij geven bruikbare handvatten om te bepalen op wie je je het best kunt richten om (een instelling als) Museum Weesp te laten aanhaken bij de wensen van nieuwe doelgroepen. We richten ons hierbij zowel op het recreatieve verzorgingsgebied in een straal van 1 uur reistijd, als op het Gooi en de Stichtse Vecht en Ronde Venen. Het grootste deel van de dagjesmensen komt van buiten de regio. Maar regionaal bezoek komt makkelijker tot herhaalbezoek, en biedt daardoor een stabielere basis aan de bezoekcijfers - zij kunnen de fans van het museum worden en bijdragen aan een breder en jonger profiel. Het leefstijlmodel (BSR-model) is gebaseerd op een indeling in gedrag en behoeften van recreanten: richten ze zich op zichzelf of op groepsgevoel, gedragen ze zich eerder passief of juist heel actief. Dat levert een schema op zoals op pagina 52. De leefstijlen, die als kernachtige samenvattingen gelden, verschijnen in het schema op de positie waarin ze zich het meest onderscheiden.
De percentages van de bevolking die tot de leefstijl behoren en dit recreatieve gedrag vertonen zijn weergegeven.
53
SEGMENTATIE REGIO Gemeente De Ronde Venen De leefstijlkaart Op de kaart is per straat de meest voorkomende leefstijlkleur weergegeven. De andere leefstijlkleuren zijn in de meeste gevallen ook wel aanwezig, maar deze zijn minder sterk vertegenwoordigd. De leefstijlkaart geeft daarmee een indruk van de meest voorkomende leefstijl in een wijk of buurt. De exacte verhoudingen voor de zeven leefstijlen zijn in de factsheets weergegeven. Omdat niet elke buurt evenveel inwoners heeft, en alleen de meest voorkomende kleur is weergegeven, kunnen de percentages afwijken van de indruk die aan de hand van de kaart naar voren komt. De factsheets zijn altijd leidend, de kaart geeft een impressie.
De leefstijlkaart Op de kaart is per straat de meest voorkomende leefstijlkleur weergegeven. De andere leefstijlkleuren zijn in de meeste gevallen ook wel aanwezig, maar deze zijn minder sterk vertegenwoordigd. De leefstijlkaart geeft daarmee een indruk van de meest voorkomende leefstijl in een wijk of buurt.
De exacte verhoudingen voor de zev leefstijlen zijn in de factsheets weergegeven. Omdat niet elke buurt evenveel inwoners heeft, en alleen de meest voorkomende kleur is weergegeven, kunnen de percentages afwijken van indruk die aan de hand van de kaart naar voren komt. De factsheets zijn altijd leidend, de kaart geeft een impressie.
Gooi
Leefstijlatlas dagrecreatie provincie Noord-Holland
Ronde Venen
1
Leefstijlatlas dagrecreatie provincie Utrecht
54
1
Gemeente Stich
De leefstijl
Op de kaart i voorkomende weergegeven De andere le meeste geva maar deze zi vertegenwoo De leefstijlkaa indruk van de leefstijl in een
De exacte ve leefstijlen zijn weergegeven Omdat niet e inwoners hee voorkomende kunnen de pe indruk die aa naar voren ko De factsheets de kaart geef
Leefstijlatlas dagrecreatie provincie Utrecht
Stichtse Vecht
55
1
TOM
GERARD
DAAN
JOYCE
VERBINDINGSZOEKER
INZICHTZOEKER INGETOGEN AQUA
HARMONIEZOEKER GEZELLIG LIME
AVONTUURZOEKER ONDERNEMEND PAARS
Vrije tijd is samen
Samen of klein gezelschap
Tijd met het gezin
Klein gezelschap
Rust en privacy
Vermaak voor iedereen
Zelfontwikkeling
Zelfontwikkeling
Plezier en gezelligheid
Leren en ervaren
Geborgenheid en gastvrijheid
Klein gezelschap Gezelligheid Ontspanning Actief en sportief Sociaal geëngageerd Vrijwilligerswerk Kunst en natuur Theater en musea
Wandelen Inspiratie
Sociaal
Bedachtzaam en doelgericht
Luxe en gemak
Ambitie en daadkracht
Veel faciliteiten
Kunst en cultuur
Moderne eigentijdse activiteiten
Musea
56
Rust en ontspanning
Parken en musea
Inspiratie Vrijheid Ongeplande activiteiten Authenticiteit Sociaal geëngageerd Ondernemend Kunst en cultuur Moderne musea
CONCLUSIE De kerndoelgroep voor de meeste musea en erfgoedlocaties is ‘ingetogen aqua’. Voor wat betreft de dagrecreatie, die in overwegende mate van buiten de regio wordt aangetrokken, zien we de meeste kansen in het focussen op Ingetogen aqua als kerndoelgroep en Gezellig lime als nieuw te verwerven doelgroep. (samen 41% van de bevolking) De directe achterban, waaruit herhaalbezoek en draagvlak kan ontstaan, biedt nog groeimogelijkheden. Hier zijn Ingetogen aqua, Gezellig lime en Ondernemend Paars sterk vertegenwoordigd (samen 45%). Dit veronderstelt een museaal concept dat verschillende lagen verenigt: •
Een typisch cultureel profiel dat de betekenis van de monumentale en historische omgeving uitdiept
•
Een dagrecreatie-profiel dat focust op (gezins)activiteiten, consumptie en manifestaties
•
Voor Ondernemend Paars zijn periodieke evenementen met een ‘uniek’ karakter erg belangrijk
57
SAMENVATTING BEZOEKPOTENTIEEL In dit deel van het onderzoek is een aantal uitgangspunten onderzocht en geformuleerd •
Bezoekpotentieel: 10.000 in 2025, 25.000 na transformatie tot nieuwe programmering in hele Stadhuis
•
Doelgroepen dagrecreatie, 1 uur reistijd:
•
•
58
–
Ingetogen aqua als basis (16,7% van de bevolking) (volwassenen en familiebezoek, cultureel/historisch belangstellend, authentieke ervaringen)
–
Gezellig lime als nieuw te verwerven doelgroep (24,2% van de bevolking) (gezinnen, gezamenlijke ervaringen, mensgericht, goed verzorgd, hedendaagse benadering)
Doelgroepen lokaal (herhalingsbezoek, draagvlak) –
Segmenten als in dagrecreatie, +:
–
Ondernemend paars (19% in regio)(stellen en vrienden, 30-50, A-locaties, ongewone en trendy evenementen, kunst/theater, comfort)
Doelgroepen onderwijs: –
Lokaal, fietsafstand, regionaal secundair
–
USP = Pruikentijd, Slavernij, industrialisatie, maatschappijleer)
–
Primair onderwijs groep 7,8 (meest genegen tot museumbezoek)
–
Voortgezet onderwijs onderbouw
DE TOEKOMST VAN MUSEUM WEESP SAMENVATTING •
•
•
Museum Stadhuis Weesp –
Propositie: het Magische Stadhuis vertelt verhalen van hier
–
Cyclische herinrichting met ‘installaties’
–
Programmeren voor dagrecreatie (seizoen): stads- en streektochten, rondvaart, proeverijen
–
Programmeren voor Weespers (buiten seizoen): burgerschaps-onderwerpen, participatieve projecten, lokale geschiedenis, lokale kunst
–
Sterk gecondenseerde vaste collectie, als ‘hoogtepunten’ gedistribueerd over historische ruimtes
–
Begane grond = toeristisch informatiepunt
Zelfstandige Stichting om Museum Stadhuis Weesp te exploiteren –
Optie: opgaan in Amsterdam Museum of Stadsarchief
–
Optie: opgaan in Stichting Cultuurhuis
–
Collectie onderbrengen in depot Amsterdam Museum/ Stadsarchief
Huur stadhuis –
•
•
59
Optie: incl. Gasthuis: ‘Cultuurhuis’ met bibliotheek, RHC, Weesp Marketing
Eigendom Stadhuis –
Blijft bij gemeente
–
Optie: verkopen aan projectontwikkelaar/ Stadsherstel, opbrengst deels als startkapitaal voor museum
Potentieel 25.000 bezoekers of meer
ONTWIKKELSTAPPEN •
Publieksonderzoek/ marketinggegevens genereren; kan misschien met Amsterdam&Partners, of met studenten HvA
•
Onderhoudskosten stadhuis uitrafelen, staat van onderhoud in kaart (kan bijv. met RCE, Monumentenzorg of Bureau Monumenten en Archeologie), waardevaststellling
•
Begroting activiteiten uitrafelen
•
Stichting oprichten, convenant over subsidie en gebruik Stadhuis met gemeente
•
Eigendomssituatie gebouw vaststellen, evt. huurovereenkomst uitwerken
•
Eigendomssituatie collectie: overdragen aan gemeentelijke collecties (AM of Stadsarchief?), Stichting beheert
•
Personele overgang van gemeente naar Stichting
•
Subsidie haalbaarheidsstudie aanvragen
•
Masterplan/ haalbaarheidsstudie: –
Museaal model vaststellen en schetsconcept/ vlekkenplan
–
Meerjarenprogrammering ontwerpen
–
Plan van Aanpak maken incl. stakeholdermanagament en burgerparticipatie
–
Exploitatiebegroting en fondswervingsplan maken
•
Experimenteren met nieuwe opstellingen en evenementen in Stadhuis
•
Fondswervingsstrategie gericht op experimentele opstellingen/evenementen in 2021-2025 (subsidies, fondsen)
•
Netwerkontwikkeling Amsterdamse musea, AfK