6.6 Nota van beantwoording zienswijzen geanonimiseerd
Tekst van het document
Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan ‘Stedelijk gebied - herziening De Weesperschool’
Mei 2021
Inhoudsopgave
Blz.
1. Inleiding 2. Behandeling zienswijzen 2.1 Formele aspecten zienswijzen 2.2 Inhoudelijke behandeling zienswijzen 3. Conclusie
3 3
30
Bijlage 1: zienswijzen Bijlage 2: Memo spoorweglawaai, METAFYS Bijlage 3: Stikstofdepositie, SWECO
2
1. Inleiding Het ontwerpbestemmingsplan ‘Stedelijk gebied - herziening De Weesperschool’ heeft vanaf 24 september 2020 tot en met 4 november 2020 ter inzage gelegen. Er zijn 127 zienswijzen ingediend. In hoofdstuk 2.2 van deze nota zijn deze zienswijzen samengevat en voorzien van een antwoord. De zienswijzen zijn als bijlage opgenomen. Er is één zienswijze ingediend, zonder adressering en uit de handtekening is de adressant niet te herleiden, waardoor deze niet ontvankelijk is. 2. Behandeling zienswijzen 2.1 Formele aspecten Van de volgende adressanten zijn zienswijzen ontvangen op het ontwerpbestemmingsplan. nr. 1. 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33
Adressant Pro Rail Stichting Univé Rechtshulp
Vos en Vennoten advocaten
Adres
datum ontvangst 13 oktober 2021 29 oktober 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 2 november 2021 3 november 2021 3 november 2021 3 november 2021 3 november 2021 3 november 2021 3 november 2021 3 november 2021 3 november 2021 3 november 2021 3 november 2021 3 november 2021 3 november 2021
3
34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81
3 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021
4
82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127
4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021 4 november 2021
5
2.2 Inhoudelijke behandeling zienswijzen 2.2.1
Algemeen
Er zijn honderzevenentwintig zienswijzen ingekomen. Over het algemeen komen in de zienswijzen veelal dezelfde onderwerpen terug. Er is daarom ervoor gekozen om de zienswijzen per onderwerp samen te vatten en te beantwoorden. Hierbij is tevens aangegeven welke adressanten op het betreffende onderwerp gereageerd hebben. De zienswijzen hebben betrekking op de volgende onderwerpen: 1. Verlies van groen 2. (Woon-) beleid/behoefte 3. Bezonning 4. Water 5. Woningdichtheid, concentratie van jongeren 6. Waardevermindering 7. Verkeer en parkeren 8. Procedure, besluit- en planvorming 9. Stikstofdepositie 10. Spoorweglawaai 11. Zwerfafval 12. Levensloopbestendigheid woningen 2.2.2
Beantwoording per zienswijze
Ad 1. Verlies groen 1.1 Zienswijze: Adressanten 2, 14, 17, 23, 30, 31, 32, 33, 37,40, 51, 52, 58, 60, 72, 73, 86, 98, 99, 107, 111, 116, 119, 120, 121,122 en 125 zijn van mening dat het verdwijnen van groen door de in het ontwerpbestemmingsplan opgenomen ontwikkelingen in strijd is met beleid van de gemeente. Bedoeld worden de Structuurvisie, het groenbeleidsplan en ook het bomenbeleidsplan. Volgens de structuurvisie mag de wijk Hogewey netto niet meer verdichten. Compensatie van het groen is onduidelijk. Reactie gemeente De locatie "Jan Woudsma" wordt in de Structuurvisie genoemd als een van de locaties in de wijk Hogewey waar een herschikking van groen en "stenen" zou kunnen plaatsvinden. Verder wordt het volgende in de visie aangegeven. Door bijvoorbeeld op de ene plek wat aan groen in te leveren en op een andere plek meer groen te creëren, ontstaat de mogelijkheid om de groenbeleving in de wijk een positieve impuls te geven. Ook kan dat door op bepaalde plekken het groen anders in te richten en robuuster te maken. Met robuust wordt ondermeer bedoeld dat er geen sprake hoeft te zijn van meer vierkante meters groen, maar dat bestaand groen duurzaam en weerbaar wordt ingericht, het bijdraagt aan natuurwaarden, verblijfs- en belevingskwaliteit en op een goede manier te beheren is. Dit kan tevens buiten het plangebied worden voortgezet.
Deze uitleg is toegevoegd aan de toelichting in paragraaf 2.4.1. In de Structuurvisie is hierbij als uitgangspunt genomen dat zorgvuldig met de bestaande groene ruimtes wordt omgegaan en dat de wijk netto niet verder zal verdichten.
6
Het onderhavig plan voldoet aan het ruimtelijk kader ook met betrekking tot het punt groen en de compensatie daarvan. Vanuit de gemeente is aanvullend, een concept robuust groenplan voor de omgeving Sinnigvelderstraat opgesteld, waarbij gekeken wordt naar mogelijkheden om het verlies aan groen in de buurt, verder te compenseren door het overige groen in de buurt robuuster, aantrekkelijker en bruikbaarder te maken. Op basis van de huidige kwaliteiten, aandachtspunten en potenties van de bestaande groenstructuur wordt hierin beschreven welke concrete maatregelen genomen zouden kunnen worden om de kwaliteit van het groen te verbeteren en de situatie voor en samen met de bestaande omwonenden en de nieuwe bewoners te optimaliseren. Als projectgebied is de ruime omgeving van het bouwplan genomen, begrensd door de watergang langs Hogeweyselaan, De Gemeenschapspolderweg, De Waarschapsstraat en de Amstellandlaan. In mei 2020 heeft het college ingestemd met het concept robuust groenplan omgeving Sinnigvelderstraat en besloten deze nadat het bestemmingsplan voor de (her)ontwikkeling van de voormalige Jan Woudsmaschool-locatie onherroepelijk is geworden in een participatief traject met bewoners/omwonenden vast te stellen door de raad en ten uitvoer te brengen. Zienswijze De inhoud van het Groenbeleidsplan blijkt niet uit ter inzage gelegde stukken, omdat het Groenbeleidsplan ontbreekt.
Adressanten stellen dat het ontwerpbestemmingsplan in strijd is met Groenbeleidsplan, waarin veel waarde wordt gehecht aan het behoud van groen. De op de groenstrook geplande woningen zijn hiermee in strijd. Adressanten 17, 40 en 51 vinden bovendien dat niet wordt voldaan aan de boomnorm uit het bomenbeleidsplan Reactie gemeente: Het Groenbeleidsplan maakt geen onderdeel uit van het bestemmingsplan. Het is een opzichzelfstaand beleidsstuk dat door de gemeente Weesp is vastgesteld. Net als alle overige relevante beleidsstukken die van toepassing zijn op het plangebied, is het groenbeleidsplan aangehaald in de toelichting van het bestemmingsplan, maar wordt dat niet als bijlage bij de toelichting ter inzage gelegd. Om verwarring te voorkomen wordt benadrukt dat het Groenbeleidsplan en het bovengenoemd robuust groenplan 2 verschillende stukken betreft met ieder een andere status. Het ruimtelijk kader voor de ontwikkeling van de Weesperschool is in 2017 door de gemeenteraad vastgesteld. Het Groenbeleidsplan 2007-2017 lag hieraan ten grondslag. Het ruimtelijk kader is vertaald in het bestemmingsplan. In 2020 is het Groenbeleidsplan Weesp 2019 vastgesteld, welke in de plaats komt van het Groenbeleidsplan 2007-2017.
Het Groenbeleidsplan Weesp 2019 betreft een voortzetting van de koers die in het Groenbeleidsplan 2007-2017 is vastgelegd en legt tevens een nieuwe koers vast die aansluit bij het Amsterdamse Groenbeleidsplan. Het betreft hier onder andere het ontwerpen volgens het handboek Groen (Puccinimethode), de Hoofgroenstructuur ( HGS), ecologische structuur(ES) en de hoofdbomenstructuur (HBS). In essentie voldoet het bestemmingsplan aan beide Groenbeleidsplannen. Per abuis is in de toelichting van het bestemmingsplan nog het Groenbeleidsplan 2007-2017 aangehaald. De toelichting zal hierop worden aangepast. In het Groenbeleidsplan Weesp 2019 wordt aangegeven dat de verschillende wijken ieder hun eigen karakter hebben. Door de sterke punten uit de wijkopbouw te versterken (of te behouden) ontstaat er een duidelijke structuur. Voor de wijk Hogewey, waar het plangebied zich bevindt, gaat het vooral om grotere ‘kijkgroen-zones’ tussen hoogbouw. Kijkgroen kan meer gebruikt of beleefd worden door het meer als de ‘tuin van de hoogbouw’ te
7
benaderen. In het plangebied is dat als zodanig opgenomen. Met het bovengenoemd robuust groenplan wil de gemeente met de buurt verder verkennen aan welk soort groen meer behoefte is in de omgeving van het plangebied. Het bomenbeleidsplan vermeldt dat bij ieder project moet worden aangegeven hoeveel bomen er gekapt en geplant zullen worden. Indien negatief wordt afgeweken van de bomennorm (0,4 bomen per inwoner) moet dat worden gemotiveerd en dient een afweging door het college dan wel (afhankelijk van het kader) de raad te worden gemaakt . In het huidige plan worden alle te kappen bomen gecompenseerd. Er worden 19 bomen gekapt en evenveel komen terug in het plangebied. 1.2 Zienswijze: Bijna alle adressanten hebben bezwaar tegen het verlies aan groen en het hiermee gepaard gaande kappen van bomen. Niet alleen gaat het waardevolle uitzicht op groen verloren, maar ook de functie als ruimte voor ontspanning, sport en spel. Men vreest sociale en maatschappelijke gevolgen door het verlies aan groen en een vermindering van de leefbaarheid. Het wordt ook gezien als aantasting van de ‘groene long’ van de wijk. Reactie gemeente: Het uitzicht op het groen gaat voor een deel van de bewoners verloren. Het is begrijpelijk dat daartegen bezwaar wordt gemaakt.
In een stedelijke omgeving worden afwegingen zo zorgvuldig mogelijk gemaakt en daarbij kan in de afweging van de woonopgave en groen een deel van het uitzicht veranderen. De bebouwing past qua omvang en functie in de omgeving (woonwijk). Voor het verlies van groen vindt compensatie van groen plaats, zoals aangegeven in de beantwoording van 1.1 en zal de leefbaarheid van de wijk door het plan niet achteruit gaan. Hierbij worden ook functies van sport en spel meegenomen. 1.3 Zienswijze: Adressanten 9, 22 en 104 geven aan dat het grasveld bedoeld was als schuifruimte voor gebouwen en groen, nu is het alleen maar steen. Reactie gemeente: In het onderhavige plan wordt het grasveld voor een deel steen en blijft voor een deel groen. Het groen dat verdwijnt moet worden gecompenseerd volgens de Structuurvisie. In de beantwoording van 1.1. is aangegeven hoe de compensatie plaatsvindt. 1.4 Zienswijze: Adressanten 13,18, 21, 29, 30, 33, 42, 51, 56, 63, 65, 71, 75, 79, 80, 82, 96, 122 en 124 vinden dat het verlies aan groen onvoldoende gecompenseerd wordt. Bomen hebben jaren nodig om terug te groeien en de geplande pergola’s en groene parkeerplaatsen zijn niet genoeg. Daarnaast vindt men compensatie van het groen elders niet acceptabel. Het moet ter plaatse gecompenseerd worden.
Reactie gemeente: Door het onderhavig plan verdwijnt groen dat gecompenseerd moeten worden volgens de Structuurvisie. In de beantwoording van 1.1. is aangegeven hoe de compensatie plaatsvindt.
8
1.5 Zienswijze: Adressant 19 denkt dat de beperking groen voor meer overlast door hondenpoep op de resterende groenvlakken in de wijk zorgt. Reactie gemeente: Het probleem met hondenpoep heeft niets te maken met dit project. Het heeft wél te maken met het gedrag van mensen, die de hondenpoep niet opruimen, zoals het hoort. Dit is een kwestie van handhaving en niet van een bestemmingsplan. 1.6 Zienswijze: Adressanten 30, 31, 33, 41, 47, 49, 50, 93 en 121 maken zich zorgen over de nadelige gevolgen voor het milieu door het verdwijnen van het groen, niet alleen voor flora en fauna, maar ook voor de luchtkwaliteit (zuurstof/schone lucht). Reactie gemeente: Op grond van de Wet milieubeheer (Wm) is bepaald dat een project met minder dan 1.500 nieuwe woningen ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit plan voorziet nu in 88 woningen. Een groot deel van de woningen is ter vervanging van een maatschappelijke functie (school). Zoals bij de beantwoording bij 7.4 is aangegeven genereerd de nieuwe ontwikkeling 80 verkeersbewegingen meer dan de oude situatie. Dit betreft een geringe toename. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat de woningen niet voor een relevante verslechtering van de luchtkwaliteit zorgen. Er is onderzoek naar flora en fauna uitgevoerd. Geconcludeerd wordt dat zich geen beschermde dieren en planten in het gebied bevinden.
Bij de realisatie van het plan wordt de zorgplicht in acht genomen. Aangetroffen dieren die niet uit zichzelf het werkgebied kunnen verlaten, worden onder begeleiding van een ecoloog - in veiligheid gebracht en buiten het werkgebied weer uitgezet. Schuilplekken zoals bladhopen, hout- en steenstapels e.d. worden eerst gecontroleerd op schuilende dieren. In zijn algemeenheid dienen geschikte schuil- en overwinteringsplekken voor dieren buiten het werkterrein intact te worden gelaten. In de aanwezige bomen en begroeiing zijn algemene broedvogels niet uit te sluiten. Om verstoring te voorkomen worden de werkzaamheden buiten het broedseizoen - maart tot en met juli - van vogels gestart. Ad 2. (Woon-) beleid/behoefte 2.1 Zienswijze: Adressant 2 vindt dat het bestemmingsplan in strijd is met Woonvisie. Er wordt gemikt op jongeren, maar de woonvisie voorziet volgens adressant vooral in middendure en dure woningen op nieuwbouwlocaties. Men vindt dat het onvoldoende onderzocht is of er behoefte is voor de geplande woningen en types. Reactie gemeente: In de Woonvisie Weesp 2017 wordt het tekort aan woningen voor jongeren als grootste knelpunt betiteld en is de onderhavige projectlocatie concreet benoemd. Als ambitie is geformuleerd "Vraaggericht bouwen voor jongeren op de locatie van de Jan Woudsmaschool eventueel in combinatie met appartementen voor ouderen.".
De slaagkans voor een woning is
9
onder jongeren het laagst van alle leeftijdscategorieën. Jongerenwoningen bieden hen vrijwel de enige toegang tot de woningmarkt. Voorts is beschreven dat de doelstelling is jongeren in de stad houden, omdat zij deel uitmaken van een stabiele bevolkingsontwikkeling. Het beoogde programma bevat zowel jongeren woningen als woningen voor ouderen. Het beoogde programma is dus in overeenstemming met de Woonvisie 2017: vitale stad voor iedereen. Er is tevens een marktconsultatie uitgevoerd, waarvan de conclusie was dat er een ruimte vraag is naar woningen voor jongeren in Weesp in zowel de koop- en de huursector. In ieder geval 40 woningen voor jongeren worden in de sociale huursector gerealiseerd, maximaal 10 woningen in de sociale koopsector. Er zijn ook jongeren die op de genoemde leeftijd al een baan hebben met een salaris dat past bij de koopprijs van betreffende woningen. 2.2 Zienswijze: Adressant 3 is van mening dat hier alleen de noodzaak bestaat voor sociale huur en niet voor koopwoningen. Adressanten 38, 61, 74, 77, 78, 89, 108 en 126 vinden ook dat hier geen grondgebonden woningen horen. Duurdere rijtjeswoningen worden er genoeg gebouwd. Men vraagt zich af hoe sociaal is dit bouwproject eigenlijk is. Adressanten 12, 15, 24, 55, 66, 71, 94, 97, 105, 115, 118 en 124 vinden dan de doelgroep jongeren van 23 niet past bij de prijs van 140.000,-.
Men vraagt zich af welke jongeren dit kunnen betalen/financieren, behalve jongeren met financieel sterke ouders. Reactie gemeente: In de hele regio heerst een nijpend tekort aan woningen, zowel aan sociale woningen als grondgebonden woningen. In Weesp geldt dit ook voor grondgebonden woningen. Grondgebonden woningen zoals in het voorliggende plan opgenomen sluiten stedenbouwkundig goed aan op de omgeving. Daarnaast is het wenselijk om diverse woningtypes te mengen, zodat er gemengde woonwijken kunnen ontstaan. Hierdoor kunnen bewoners ook binnen de wijk doorstromen en ontwikkelt Hogewey zich evenwichtig. Het streven is om een gezellige en gemengde wijk te behouden, waar uiteenlopende mensen samen kunnen wonen. Dit is ook in overeenstemming met het ruimtelijk kader. Daarnaast is het wenselijk om diverse woningtypes te mengen, zodat er gemengde woonwijken kunnen ontstaan. Een concentratie van sociale woningen of dure woning is hier niet gewenst. Het streven is om een gezellige en gemengde wijk te behouden, waar uiteenlopende mensen samen kunnen wonen. Minimaal 75% van het programma bestaat uit sociale huur- en koopwoningen, met een maximale nominale huurwaarde van € 414,02, of een koopsom van maximaal € 140.000 v.o.n. (en een anti-speculatiebeding).
Er is een marktconsultatie uitgevoerd, waarvan de conclusie was dat er een ruimte vraag is naar woningen voor jongeren in Weesp in zowel de koop- en de huursector. In ieder geval 40 woningen voor jongeren worden in de sociale huursector gerealiseerd, maximaal 10 woningen in de sociale koopsector. Er zijn ook jongeren die op de genoemde leeftijd al een baan hebben met een salaris dat past bij de koopprijs van betreffende woningen. 2.3 Zienswijze: Adressanten 2, 18, 20 , 30, 31, 33, 39, 50 en 126 vinden dat er in de Bloemendalerpolder/ Weespersluis al voldoende (grondgebonden) woningen gebouwd worden en dat daar ook voldoende ruimte is. Men vraagt zich dan ook af waarom dit type woningen ook hier moet
10
komen. Adressant 17 vindt dat de 8 grondgebonden woningen in dit bestemmingsplan onvoldoende onderbouwd zijn en verwijst hierbij naar de ‘laddertoets’. Reactie gemeente: Zie beantwoording 2.2. Wat betreft de laddertoets merken wij op dat deze – hoewel niet expliciet zo benoemd – in de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan is opgenomen in paragraaf 2.3.1 “Regionale woonvisie / Regionaal Actieprogramma Gooi en Vechtstreek 20162020”. Naar aanleiding van de zienswijze is de plantoelichting aangevuld met paragraaf “2.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)” waarin het toetsingskader en de relatie met het Regionaal Actieprogramma Gooi en Vechtstreek 2016-2020 expliciet is gemaakt. 2.4 Zienswijze: Adressanten 5, 8, 15, 101 en 113 geven aan dat er geen doorstroming vanuit jongerenwoningen mogelijk is door gebrek aan mogelijkheden op de woningmarkt. Reactie gemeente: De woningmarkt moet ten aanzien van de doorstroming in zijn geheel worden bezien en niet alleen op het niveau van dit individuele project. De totale woningbouwproductie in Weesp en buurgemeenten is gericht op onder meer het toevoegen van woningen die doorstroming bevorderen. Juist projecten als dit geven door toevoeging van diverse woningtypen jongeren toegang tot de woningmarkt. Zonder de toevoeging van nieuwe woningen kan het genoemde probleem niet opgelost worden.
Doorstroming krijgt daarentegen vorm door woningen in het sociale en middendure segment te laten bouwen, zoals afgesproken in de regionale woonvisie 2016-2030. Ook gaat Weesp in de toekomst gebruik maken van de nieuwe woonruimteverdelingssystematiek van de stadsregio Amsterdam, die jongeren veel meer kans op woonruimte in Weesp en de regio gaat bieden. Het onderhavige project zorgt ervoor dat tegemoet gekomen kan worden aan een directe behoefte aan jongerenhuisvesting waarvoor het huidige aanbod te klein is. 2.5 Zienswijze: Adressanten 11, 26, 57, 68, 88 en 92 geven aan dat de gemeente 50 woningen wilde, geen 88. Men vindt dan ook dat de Gemeente zich hieraan moet houden. Adressanten 25, 36, 51, 90, 102, en 106 zijn van mening dat jongerenwoningen op het schoolterrein prima zijn, maar meer woningen op de groenstrook niet. Adressant 31 vindt dat 88 jongerenwoningen zonder ‘luxe’ woningen goed op het schoolterrein gerealiseerd kunnen worden, zonder het groen aan te tasten. Ook adressant 120 vindt de combinatie van dure grondgebonden woningen met jongeren woningen geen goed idee. Hij vindt dat op de locatie van de dure woningen ook 40 jongeren woningen gerealiseerd kunnen worden. Reactie gemeente: In het Ruimtelijk Kader is geen maximum aantal woningen voor het project bepaald.
In de tender is bepaald dat er ten minste 50 woningen gerealiseerd dienen te worden en is de verdeling van de woningtypes vastgelegd. Hieraan wordt voldaan. Zie ook beantwoording 2.2. 2.6 Zienswijze: Adressanten 30, 53, 76 en 83 geven aan dat het bestemmingsplan in strijd is met “operatie steenbreek”. Adressant 126 geeft aan dat groen ten koste gaat van woningbouw, terwijl de
11
gemeente de bewoners vraagt hun tuinen te vergroenen voor ander andere afwatering (Operatie Steenbreek is niet met toenaam genoemd, maar hier wordt wel op gedoeld). Reactie gemeente: Met de “operatie steenbreek” streeft de gemeente ernaar om tuinen te vergroenen. Dat neemt niet weg dat er ook woningen nodig zijn. Er zijn verschillende aspecten die van belang zijn, natuur, water en ook woonbehoefte van mensen. Er moet een balans gevonden worden. Het is dan ook niet in strijd met de “operatie steenbreek” om aan de ene kant (waar mogelijk) te vergroenen en om aan de andere kant voor bijvoorbeeld woningbouw verharding toe te voegen. Er wordt hier voldaan aan de watercompensatie eis. Daarnaast zal de openbare ruimte groen worden ingericht. Ad.3. Bezonning 3.1 Zienswijze: Adressanten 4, 18, 29, 122 vrezen dat er minder licht in de woningen valt en dat er minder zon in voortuinen valt met verpaupering van planten als gevolg.
Reactie gemeente: Ten behoeve van de beoordeling van de effecten op de bezonning is in januari 2019 een bezonningsstudie uitgevoerd (zie bijlage), waarin de situatie op basis van het geldende bestemmingsplan, het nieuwe bestemmingsplan en de situatie met bomen is weergegeven. Op een aantal momenten is er een toename van schaduw op de omliggende woningen, en op een enkel moment is er ook een afname in schaduw te zien ten opzichte van wat het geldende bestemmingsplan toelaat. 21 maart/september: 08:00 toename op de hoogbouw aan westzijde, Sinnigvelderstraat. Dit betreft garageboxen op de begane grond en galerijen op de verdiepingen. Van een relevant nadeel is geen sprake.
8:00
16:00 toename op woningen aan noordoostzijde, Sinnigvelderstraat en Waarschapsstraat. Het verschil in bezonning betreft een zeer beperkt deel van de gevel en in de vergelijking is uitgegaan van één kapverdieping op de vm. schoollocatie terwijl het bestemmingsplan een grotere hoogte toelaat. Van een relevant nadeel is daardoor geen sprake.
12
21 juni: 08:00 toename op hoekbebouwing van flat aan de zuidwestzijde, Sinnigvelderstraat. Deze hoekbebouwing bevat geen woningen maar een nutsvoorziening. Van een nadeel is geen sprake.
8:00
20:00 toename op woningen aan noordoostzijde, Sinnigvelderstraat en Waarschapsstraat. Het verschil in bezonning betreft een beperkt deel van de gevel en in de vergelijking is uitgegaan van één kapverdieping op de vm. schoollocatie terwijl het bestemmingsplan een grotere hoogte toelaat. Van een relevant nadeel is daardoor geen sprake.
20:00
21 december: 10:00 en 12:00 toename op woningen in de flat aan de Gemeenschapspolderweg. Dit betreft garageboxen op de begane grond en balkons/woonkamers/slaapkamers op enkele verdiepingen. De nieuwe schaduw is voor het grootste deel van de woningen die het aangaat maar kortdurend wat betreft de het aantal uren van de dag en periode van het jaar, maar de met rood omcirkelde woningen ondervinden de hele ochtend extra schaduw. Van enig relevant nadeel is in dit geval wel sprake, maar het betreft alleen de winterperiode, waarin direct zonlicht toch al weinig voorkomt.
13
12:00
14:00 toename op de woningen aan noordoostzijde, Sinnigvelderstraat. De nieuwbouw neemt in het begin van de middag meer zon weg van de betreffende woningen dan in de bestaande situatie – ook als van een (nog) hogere bouwhoogte van de vm. schoollocatie zou worden uitgegaan. Het betreft de voorgevel van de woningen, waar de woonkamers zijn gesitueerd. Van enig relevant nadeel is in dit geval wel sprake, maar het betreft alleen de winterperiode, waarin direct zonlicht toch al weinig voorkomt.
14:00
Geconcludeerd wordt dat er zich in de winterperiode in de ochtend enig relevant nadeel voordoet door toename van schaduw op enkele woningen in de lagere verdiepingen van de flat aan de Gemeenschapspolderweg. De nieuwe schaduw is voor het grootste deel van de woningen die het aangaat kortdurend wat betreft het aantal uren van de dag en periode van het jaar. De op voorgaande afbeelding met rood omcirkelde woningen ondervinden de hele ochtend extra schaduw. Het gaat hierbij alleen om de winterperiode, waarin direct zonlicht toch al weinig voorkomt. In het begin van de middag in de winterperiode is er ook enige relevante toename van schaduw op enkele woningen aan noordoostzijde (Sinnigvelderstraat). De nieuwbouw neemt in het begin van de middag meer zon weg van de woningen dan in de bestaande situatie – ook als van een (nog) hogere bouwhoogte van de vm. schoollocatie zou worden uitgegaan. Het betreft de
14
voorgevel van de woningen, waar de woonkamers zijn gesitueerd. Ook hier betreft het alleen de winterperiode, waarin direct zonlicht toch al weinig voorkomt. Het effect op de bezonning is dus beperkt en aanvaardbaar. Er bestaan in Nederland geen formele wettelijke normen en eisen ten aanzien van de bezonning voor bebouwing. Wel zijn er normen van TNO: de lichte norm en de strenge norm. De lichte norm Een gebouw voldoet aan de lichte norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Daarbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvind. De strenge norm Om te voldoen aan de strenge norm moet er in de periode van 21 januari tot en met 22 november bezonning mogelijk zijn gedurende drie uren per etmaal. Ook hierbij is het geen vereiste dat de bezonning aansluitend plaatsvind. Er wordt voldaan aan de strenge norm, waardoor de woningen minimaal drie uur per etmaal zon hebben. Met betrekking tot de voortuinen kan op grond van de schaduwstudie geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een relevante verslechtering van de bezonning. In maart/september is er tussen 14 en 16 uur sprake van meer schaduw, in juni is er pas vanaf 20 uur sprake van wat meer schaduw. In december is er op sommige momenten sprake van meer en op sommige momenten juist minder schaduw in de voortuinen, per saldo geen toename.
Er is geen sprake van een relevante verslechtering van de bezonning van tuinen. De situatie zal zeker niet leiden tot verpaupering door een gebrek aan bezonning. In de bezonningsstudie is overigens geen rekening gehouden met de schaduwwerking van de bestaande bomen. Als hiermee rekening was gehouden, dan was het verschil nog geringer geweest. Ad 4. Water 4.1 Zienswijze: Adressant 2 merkt op dat de compensatie van de toename aan verharding nog niet is uitgewerkt en dat dit nu wél al uitgewerkt dient te zijn. Reactie gemeente: In de referentiesituatie is de kavel deels bebouwd en verhard. Er is daarmee sprake van een toename van het bebouwde/verharde oppervlak met ca. 2.405 m2 waarvoor compensatie nodig is. In dat oppervlak zijn ook de halfverharde nieuwe parkeerplaatsen door het Waternet als 'verharding' gerekend en in is al rekening gehouden met de eventueel later aan te leggen extra 12 parkeerplaatsen. Tijdens het vooroverleg heeft Waternet aangegeven voor deze locatie een compensatie percentage te hanteren van minimaal 10%. Uitgaand van een toename van het totaal verhard oppervlak met circa 2.405 m2 betekent dit dat er minimaal 241 m2 gecompenseerd te moeten worden. Deze compensatie dient binnen hetzelfde peilgebied plaats te vinden én het liefst in dan wel in de directe nabijheid van het plangebied te worden gerealiseerd.
Aan de hand van het stedenbouwkundig plan en de vastliggende bouwopgave is er gezocht naar mogelijkheden om de vereiste watercompensatie binnen de toekomstige
15
openbare ruimte van de Weesperschool te realiseren. De watercompensatie wordt gerealiseerd middels een "waterbergende weg". Dit betreft een weg met daaronder een waterbergende fundatie. Vanuit deze fundering kan het water infiltreren dan wel gecontroleerd/gedoseerd via een hemelwater- / DT riool overlopen op het oppervlaktewater. Met deze oplossing kan worden voldaan aan de watercompensatie eis van Waternet. Zowel Waternet als de gemeente kunnen zich vinden in deze wijze van compensatie. De bestemmingsplantoelichting is met deze informatie aangevuld. 4.2 Zienswijze: Adressanten 3, 6, 10, 17, 29, 30, 31, 33, 46, 51, 59, 64, 103, 120, 121, 122, 126 geven aan dat de locatie door de voorziene ontwikkelingen en de hiermee gepaard gaande toename aan verharding een belangrijke functie voor wateropvang verliest. Ook de toepassing van halfverharding bij de parkeerplaatsen biedt hier geen voldoende oplossing. Bovendien is in het bestemmingsplan hiervoor geen verplichting opgenomen. In de huidige situatie is er al bij harde regenbuien sprake van wateroverlast. Door het project zal dit volgens adressanten erger worden. Dit geldt ook voor hitteoverlast. Groen kan hitte beter absorberen dan verharding. Door een toename aan verharding zal volgens adressanten ook de hittestraling toenemen. Reactie gemeente: Zie hiervoor de beantwoording onder 4.1. Ad 5.
Woningdichtheid, concentratie jongeren 5.1 Zienswijze: Adressanten 3,10, 17, 18, 19, 20,21, 27, 29, 30, 31, 32, 33, 35, 43, 50, 51, 54, 64, 81, 91,103 120, 121, 122, 123, 126 vinden dat er door een verdichting van de woonwijk door nieuwbouw tot leefbaarheidsproblemen kan zorgen. Er zal sprake zijn van geluidsoverlast, overlast door verkeer en een verslechtering van de luchtkwaliteit en andere vormen van leefbaarheid. Tenslotte verdwijnt hier een belangrijk stuk groen (zie ook zienswijzen onder 1). Reactie gemeente: Het project past qua omvang en aard op deze plek: een binnenstedelijke locatie in een gemengde woonwijk. Het is een normale, wenselijke praktijk dat sociale woningen en vrijesectorwoningen gemengd worden. Het is dan ook hier geen bijzondere situatie. De zienswijze suggereert dat men verwacht dat bewoners voor overlast zullen zorgen en dat er irritaties zullen ontstaan. Onduidelijk is waarop dit is gebaseerd. Dat heeft niets te maken met de aard, omvang of inpasbaarheid van dit project. Het gaat hier om een woonwijk met een gemengde bevolking, jong, oud, eenpersoonshuishoudens of gezinnen. Het is dan ook niet bijzonder om in een gemengde woonwijk ook woningen te realiseren voor verschillende doelgroepen. Daarom worden er ook sociale woningen, woningen voor ouderen en ook voor jongeren gerealiseerd.
Met betrekking tot verkeersaspecten verwijzen wij hier naar zienswijzen onder punt 7. Met betrekking tot groen wordt verwezen naar punt 1. Met betrekking tot luchtkwaliteit wordt verwezen naar het antwoord bij 1.6.
16
5.2 Zienswijzen: Adressanten 19, 29, 30, 33 en 49 voren aan dat de concentratie van met name jongeren tot overlast leidt en voor onveiligheid kan zorgen. Reactie gemeente: Waarom door dit project een onveilige situatie zou ontstaan of overlast te verwachten is, is niet duidelijk. Het gaat om een woningbouwproject. Dat een deel van de doelgroep bestaat uit mensen tot en met 23 jaar is geen aanleiding te veronderstellen dat er overlast of onveiligheid ontstaat. Het project wordt gerealiseerd in een woonwijk met uiteenlopende bevolking, jong, oud, eenpersoonshuishoudens of gezinnen. Het is dan ook niet bijzonder om in een gemengde woonwijk ook woningen te realiseren voor verschillende doelgroepen. Daarom worden er ook sociale woningen, woningen voor ouderen en voor jongeren gerealiseerd. Ad 6. Waardevermindering 6.1 Zienswijze: Adressanten 81, 91, 121, 122 vrezen een waardevermindering van koopwoningen in de omgeving door de beoogde concentratie van bebouwing en mensen, adressanten 30 en 33 vrezen een waardevermindering door de concentratie van in het bijzonder sociale woningen, met name voor jongeren. Adressant 67 vreest dat er met name voor de koopwoningen aan de Gemeenschapspolderweg, die tegen de betonmuur van de nieuwbouw aankijken een waardevermindering.
Reactie gemeente: In juli 2019 is door Van Riezen & Partners onderzocht of er effecten zijn op woningen in de omgeving van het bestemmingsplangebied, waardoor deze in waarde kunnen verminderen. Het gaat dan met name om bezonning en uitzicht, maar ook privacy of milieuhinder kan een rol spelen. In de analyse zijn de volgende objecten weergegeven met a tot en met f beoordeeld:
17
Afbeelding: nummering blokken (positie nieuwbouw schematisch)
Geconcludeerd werd dat vanuit de woningen van gebouw a zicht bestaat op het nieuwe gebouw 3, indien vanuit de woningen naar het zuiden wordt gekeken. De woonkamers zijn aan deze zijde van de woningen gesitueerd. Het zicht vanuit gebouw b in westelijke richting wijzigt significant, omdat daar op grond van het geldende bestemmingsplan bebouwing slechts in beperkte mate is toegelaten (speeltoestellen tot 3,5 meter, kunstwerken tot 10 meter) en daar nu een appartementengebouw van 13,5/14,5 meter wordt toegestaan. Vanuit de woningen van gebouw b t/m e is weliswaar zicht op de nieuwbouw van de gebouwen 1 en 2, maar op de plek van de nieuwbouw kon op grond van het geldende bestemmingsplan hogere bebouwing worden gerealiseerd: het bestemmingsplan begrenst immers alleen de goothoogte en niet de bouwhoogte op de vm. schoollocatie. Vanuit de woningen van gebouw f en g bestaat zicht op het nieuwe gebouw 3. Door de bomen is er weinig zicht op de nieuwbouw zolang de bomen blad dragen – in de winter is er wel zicht. Deze zijde van de gebouwen f en g bestaat uit de galerijen met de voordeur, het keukenraam en een slaapkamerraam van de woning. De woonkamers zijn aan de andere zijde van de woningen gesitueerd. Het effect is gering en de kans van een waardevermindering hierdoor dan ook nihil.
18
Met betrekking tot bezonning (zie ook onder punt 3) doet zich in de winterperiode in de ochtend enig relevant nadeel voor als gevolg van gebouw 3, door toename van schaduw op enkele woningen in de lagere verdiepingen van de flat aan de Gemeenschapspolderweg (gebouw a). In het begin van de middag in de winterperiode is er ook enige relevante toename van schaduw op enkele woningen aan noordoostzijde, Sinnigvelderstraat (gebouw b) als gevolg van gebouw 2. Voor het overige zijn er geen ruimtelijke effecten die een risico op waardevermindering hebben. Door de ontwikkelingen ontstaan nadelen, maar ook voordelen. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld ABRS, 2 maart 2005, 200406143/1) blijkt dat voor- en nadeel tegen elkaar kunnen worden afgezet. In de onderhavige situatie is daarvan sprake. Het geldende bestemmingsplan staat op de locatie van gebouw 1/ 2 een maatschappelijke voorziening toe, waarvan de omvang 3.000 m2 bvo of meer kan zijn. Dat kan leiden tot de vestiging van educatieve, sociaal-medische en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en daarmee gelijk te stellen sectoren, met ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen.
De planologische impact van dergelijke functie op de woonomgeving is potentieel veel nadeliger dan van de beoogde nieuwe woningen. Bovendien is de bouwhoogte binnen de bestemming ‘Maatschappelijk’ momenteel niet begrensd, slechts de goothoogte is gemaximeerd op 10 meter. Het vervallen van de bestemming ‘Maatschappelijke doeleinden’ in de directe omgeving van woningen kan worden gezien als planologisch voordeel. De geconstateerde nadelen die de gebouwen b, c en e kunnen ondervinden vallen weg tegen het voordeel dat de maatschappelijke bestemming komt te vervallen en dat de bouwhoogte nu eenduidig wordt geregeld. Het risico op waardevermindering wordt wat betreft de effecten van de gebouwen 1 en 2 op de gebouwen b, c en e daardoor volledig tenietgedaan. Dan resteert nog het effect van het nieuwe gebouw 3 op het uitzicht van de gebouwen a en b en het effect van het nieuwe gebouw 3 op de bezonning (zie ook 3. Bezonning) van gebouw a. Dit betreft de bouw van het woongebouw tot een hoogte van 13,5/14,5 meter op een afstand van 31 meter (gebouw a) resp. > 36 meter (gebouw b) waardoor vermindering van uitzicht en (in de winter) bezonning veroorzaakt. Gezien deze afstanden en de stedelijke ligging van het project is ook hier geen sprake van een onevenredig nadeel.
De nieuwe bebouwing past in de ruimtelijke structuur van het gebied en wordt een ruime afstand tussen de nieuwbouw en de gebouwen a en b aangehouden. De nieuwe woningbouw betreft een inbreiding die in Hogewey valt te beschouwen als een normale maatschappelijke ontwikkeling. Een eventuele waardevermindering tot 5% van de waarde van de onroerende zaak behoort in deze categorie gevallen in beginsel tot het normaal maatschappelijke risico van de aanvrager. De onderlinge afstanden die door het nieuwe bestemmingsplan ontstaan zijn geen bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt om van dat uitgangspunt af te wijken.
19
De afgelopen vijf jaren heeft zich in Weesp een drastische woningprijsstijging voltrokken. De wijken met het hoogste aandeel sociale woningen, zoals Hogewey kenden een sterkere stijging van de vierkante meterprijs dan elders in Weesp. De huidige vierkante-meter-prijs van woningen in wijken met sociale woningbouw ontloopt de overige wijken in Weesp opvallend weinig. Nieuwbouw verhoogt de vierkante-meter-prijs gewoonlijk. Ad 7. Verkeer en parkeren 7.1 Zienswijze: Adressanten 2 en 17 geven aan dat het afwijken van parkeernormen beargumenteerd wordt door doelgroep van de woningen, een doelgroep met een lager autobezit. Adressanten geven verder aan dat deze doelgroep niet in het bestemmingsplan is geregeld. Men is ook van mening dat extra parkeerplaatsen niet ten koste mogen gaan van het groen. Reactie gemeente: Het is juist, dat in het ontwerpbestemmingsplan de doelgroepen niet nader zijn vastgelegd. Er is een Realisatieovereenkomst met de ontwikkelaar gesloten, waarin dit wél is vastgelegd. Hierin is ook geregeld dat het groen, dat door dit project verloren gaat gecompenseerd moeten worden, dus ook het groen dat ten koste gaat van extra parkeerplaatsen.
7.2 Zienswijze: Adressanten 30, 31, 33, 49, 50, 93, 100, 114, 121, 122 en 126 vinden de huidige parkeerdruk al hoog (door bijvoorbeeld werknemers en bezoekers bedrijventerrein ‘Noord’ en Vivium Zorggroep) en vrezen dat dit door de vaststelling van dit bestemmingsplan nog erger zal worden. Reactie gemeente: In 2017 is door het verkeerskundig adviesbureau Bureau de Groot Volker onderzoek naar de parkeerdruk in Weesp uitgevoerd (rapport ‘FASE 1 Parkeerevaluatie Weesp’, 14 juni 2017). Door meerdere malen op een dag door het onderzoeksgebied te rijden met een scanauto ontstond een beeld van de parkeersituatie over de dag, konden uitspraken gedaan worden over het parkeermotief en ontstond inzicht in de herkomst (op postcodeniveau) van voertuigen. Een parkeerdruk van boven de 85% levert over het algemeen parkeerproblemen op, zoals zoekverkeer en foutparkeren, waardoor de veiligheid in het geding komt. Uit het onderzoeksrapport (pag. 23) blijkt dat in Hogewey Midden een parkeerdruk van veelal minder dan 60% voorkomt, alleen in de nacht is deze hoger maar ook dan nog onder 70%.
20
Om gedetailleerd de parkeerdruk inzichtelijk te maken, zijn visualisaties gemaakt. Deze kaarten geven twee zaken weer: de kleur van de lijnen (straatsecties) geeft de parkeerdruk weer en de taartdiagrammen op de lijnen geven de verdeling van de parkeermotieven weer. Zo is in één oogopslag te zien waar de drukke secties zijn, en welke gebruikers hier vooral parkeren.
21
Uit deze gedetailleerde visualisaties blijkt dat de parkeerdruk in de directe omgeving van het projectgebied in de nacht gemiddeld niet hoger is dan 85% en overdag daar ruimschoots onder. In een woongebied als dit is de parkeerdruk in de nacht maatgevend, aangezien bewoners dan thuis zijn. De toevoeging van nieuwe woningen met gelijktijdig de toevoeging van voldoende nieuwe parkeerplaatsen voor de nieuwe bewoners leidt niet tot een toename van de parkeerdruk. Er is dan ook sprake van een aanvaardbare parkeersituatie na realisatie van het project. 7.3 Zienwijze: Adressanten 2, 3, 5, 8, 10, 16, 17, 18, 20, 21, 30, 31, 33, 49, 50, 62, 64, 67, 100, 101, 113, 114, 120, 122 en 126 vinden dat er te weinig parkeerplaatsen zijn, o.a. ook omdat jongeren niet door kunnen stromen, hier blijven wonen en later wél een auto hebben. Daarnaast verdwijnen er parkeerplaatsen door het plan. Reactie gemeente: Het probleem op de woningmarkt is bekend en juist daarom is het van belang dat meer woningen voor verschillende doelgroepen worden gebouwd, zoals dat hier is gepland. Binnen de gemeente Weesp worden op diverse locatie woningen gerealiseerd, zodat in de toekomst een betere doorstroming mogelijk is. 7.4 Zienswijze: Adressanten 18, 19, 21, 30, 33 en 122 vinden dat er gevaarlijke situaties op wegen zullen ontstaan door de toename aan verkeer en de onvoldoende capaciteit van de wegen.
Reactie gemeente:
22
In de huidige situatie is er ter plaatse een maatschappelijke functie toegestaan. Hierbij gaat het om educatieve, sociaal-medische en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening en daarmee gelijk te stellen sectoren, met ondergeschikte horeca ten dienste van deze voorzieningen. De genoemde functies kennen deels een flinke verkeersproductie. Daarnaast zijn er geconcentreerde piekmomenten (brengen en halen kinderen) waar de verkeersdruk voor een bepaalde periode hoog op kan lopen. Bij de woonfunctie is het verkeer meer verspreid over de dag, zodat er minder gevaarlijke situaties ontstaan. De wegen kunnen deze hoeveelheid van het verkeer aan. Om een duidelijker beeld te kunnen schetsen is met behulp van de CROW-kencijfers voor verkeersproductie van functies berekend wat het bestemmingsplan voor de verkeersproductie betekent. Voor de sociale huurwoningen bedraagt de verkeersaantrekkende werking (uitgaande van het CROW-kencijfer dat hoort bij een huur etagewoningen (midden/goedkoop) in sterk stedelijk gebied/rest bebouwde kom van 3,2-4,0 per woning dus 3,6 per woning gemiddeld) 288 verkeersbewegingen per etmaal. Voor de 8 grondgebonden woningen (koop/duur) is dat rond 56,8. In totaal dus 345 verkeersbewegingen per etmaal, voor beide rijrichtingen.
In gelijksoortige ontwikkeling wordt uitgegaan bij de berekeningen in de spitstijden van 10% van het totaal van de verkeersgeneratie, dat is dus 35 mvt in de spitsperiode van 2 uur, wat neerkomt op 0,3 mvt per minuut oftewel 1 auto per 3 minuten. Jan Woudsma was een kleinschalig basisschool, daarom wordt uitgegaan van 8 groepen, dus per groep een klas en per klas 25 leerlingen. Op basis van CROW-normen ligt het percentage leerlingen dat wordt gebracht en gehaald tussen de 1% en 60%. Dit is onder meer afhankelijk van o.a. stedelijkheidsgebied, stedelijke zone en de gemiddelde afstand naar school. Gemiddeld ligt het percentage op: • Groepen 1 t/m 3: 30-60% (voor de berekening zullen wij het gemiddeld percentage hanteren, namelijk 45%) • Groep 4 t/m 8: 5-40% (In de berekening maken we onderscheid tussen groepen 4 t/m 6 en 7 t/m 8. Voor groepen 4 t/m 6 hanteren we een percentage van 40%, aangezien in groep 7 en 8 de meeste kinderen zelfstandig naar school kunnen fietsen, gaan we van een maximum percentage van maximaal 5%) Verkeersgeneratie bij brengen van kinderen
Kinderen worden over het algemeen tussen 08.00 en 08.30 uur naar school gebracht, het drukste moment is tussen 08.15 en 08.30 uur. Het brengen van kinderen naar school in de ochtend genereert ruim 4 verkeersbewegingen per minuut (32,5 ritten/30 minuten = 4,4 ritten per minuut), dit geldt ook voor de middaguren. Op basis van bovenstaande kunnen we concluderen:
23
• Door de nieuwe ontwikkelingen, ten opzichte van de huidige situatie waarbij de school gesloopt is, zullen het aantal verkeersbewegingen toenemen met 345 verkeersbewegingen per etmaal; • Door de nieuwe ontwikkelingen, ten opzichte van de oude situatie waarbij de school actief was, zullen het aantal verkeersbewegingen toenemen met 80 verkeersbewegingen per etmaal (345-265); • Door de nieuwe ontwikkelingen, ten opzichte van de oude situatie waarbij de school actief was, zullen het aantal verkeersbewegingen op het drukste moment afnemen met een factor 14. Met de toekomstige ontwikkelingen komt dit neer op 1 verkeersbeweging per 3 minuten en in de oude situatie was dit 4,4 verkeersbewegingen per minuut. De Sinnigvelderstraat is en blijft een verblijfsgebied met een snelheidsregime van 30km/uur. In dergelijke wegen worden intensiteiten gehanteerd tussen de 4.000 en 6.000 motorvoertuigen per etmaal. De huidige verkeersintensiteiten op de Sinnigvelderstraat zijn ca. 720 motorvoertuigen per etmaal (bron: verkeersmodel gemeente Amsterdam VMA3.1/2040AR). Door de toekomstige ontwikkeling zullen de intensiteiten toenemen met 345 motorvoertuigen per etmaal. Het totaal van 1.065 motorvoertuigen per etmaal (720+345) is ver onder de norm en past zeker binnen het wensbeeld van een 30km/uur gebied.
Belangrijk is ook dat op grond van het bestemmingsplan rond 3.000 m2 bvo aan maatschappelijke functies zijn toegestaan, waaronder ook een gezondheidscentrum, tandarts, KDV en fitnesscentrum. Deze functies kennen een veel grotere verkeersproductie dan de eerder bestaande school of de nu beoogde woningen.
24
7.5 Zienswijze: Adressanten 17, 21, 35, 51, 120 en 122 vrezen, dat de toename van het verkeer door dit project leidt door meer overlast, waaronder met name geluidsoverlast en ook meer luchtvervuiling door uitlaatgassen. Reactie gemeente: Ten opzichte van de oude situatie, waar bij de school in gebruik was, al een toename zijn van 80 verkeersbewegingen (345-265) per etmaal. Deze toename is zo laag dat nauwelijks sprake kan zijn van vervuiling of geluidoverlast. 7.6 Zienswijze: Adressant 17 vindt dat er te weinig rekening wordt gehouden met het verkeer dat zal ontstaan door de nieuwe ontsluiting van de A1 via de Hogeweyselaan in 2022. Reactie gemeente: Zoals onder 7.4 weergegeven is de verkeersafwikkeling van het woningbouwplan minder belasten voor de infrastructuur dan van een maatschappelijk / onderwijsprogramma. In het verkeersmodel dat ten grondslag ligt aan het akoestisch onderzoek is overeenkomstig de wettelijke rekenregels uitgegaan van een prognose met een horizon van 10 jaar, waarin ook de toekomstige verkeersstromen zijn betrokken. Ad 8. Procedure, besluit- en planvorming 8.1 Zienswijzen: Adressanten 21, 44, 48, 67 69, 70, 85, 120, 122, 127 betwijfeld dat rond de verkoop van de gronden alles integer is gegaan. De procedure gevolgd bij de verkoop van de grond is volgens hen onjuist geweest.
Men stelt vervolgens dat de grond zonder toestemming van de raad is verkocht, terwijl dat boven 7,5 ton niet mag. Men vindt dat snelle verkoop voor te lage prijs en andere zaken niet kloppen. Met begrijpt ook niet waarom twee andere projectontwikkelaars met goede plannen zijn afgewezen? Reactie gemeente: Vooropgesteld dient te worden dat nu niet de aanbestedingsprocedure, maar het bestemmingsplan onderwerp is waarop zienswijzen ingediend kunnen worden. De wijze waarop de aanbesteding heeft plaatsgevonden is niet relevant voor de beoordeling of de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening. 8.2 Zienswijze: Adressant 51 vindt dat er ernstige fouten bij besluitvorming zijn gemaakt, maar geeft verder niet aan welke. Reactie gemeente: Onduidelijk is wat adressant bedoeld. Er kan dan ook niet inhoudelijk gereageerd worden op deze zienswijze. De besluitvorming heeft plaatsgevonden binnen de wettelijke kaders en er heeft een zorgvuldig afweging van allee relevante aspecten plaatsgevonden.
25
8.3 Zienswijze: Adressanten 66 en 115 stellen voor om eerst te beginnen met één flatgebouw in plaats van direct alles volbouwen. Men weet volgens hem niet of zo’n groot project überhaupt komt. Is het betaalbaar voor jongeren? Reactie gemeente: Er is geen twijfel over dat er geen vraag is voor deze woningen, gezien het nijpende tekort aan woningen in de regio. Daarnaast is het bouwtechnisch en financieel niet realistisch om eerst een gebouw te realiseren en dan later de andere gebouwen (vooral als nu al bekend is dat de woningen nodig zijn). Dit zou ook voor meer overlast in de wijk zorgen om dat er dan jarenlang gebouwd zal worden. 8.4 Zienswijze: Adressant 67 vond de tekening misleidend, waarbij het plantsoen wordt meegenomen als ‘Weesperschool’. Reactie gemeente: Aan welke tekening adressant refereert is niet duidelijk. In zowel woord als beeld is immer duidelijk geweest op welke gronden de aanbesteding betrekking heeft en waarop het bestemmingsplan betrekking heeft. 8.5 Zienswijze: Adressanten 71, 84, 120, 122, 124 vinden dat de burgerparticipatie niet goed is gegaan. Omwonende en raad werden onvoldoende geïnformeerd en betrokken en er werd niet geluisterd naar wensen en meningen van belanghebbenden. Reactie gemeente: Vooropgesteld dient te worden dat nu niet de participatieprocedure, maar het bestemmingsplan onderwerp is waarop zienswijzen ingediend kunnen worden.
De wijze waarop de participatie heeft plaatsgevonden is niet relevant voor de beoordeling of de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening. Niettemin zal ter informatie hierna ingegaan worden op de naar voren gebrachte zienswijze. Zoals in paragraaf 8.5 van de toelichting van het bestemmingsplan is aangegeven is er meerdere malen over het plan geparticipeerd. De participatiereacties zijn geïnventariseerd. Ten aanzien van de reacties is een belangenafweging gemaakt, die al dan niet tot aanpassing van het plan hebben geleid. Participatie betekent echter niet dat iedere wens of bedenking kan worden gehonoreerd en leidt tot aanpassing van het plan. Hier ligt een belangenafweging aan ten grondslag. Deze belangenafweging heeft op een zorgvuldige wijze plaatsgevonden. 8.6 Zienswijze: Adressant 105 vraagt wie destijds het onderzoek naar jongeren uitgevoerd. Volgens hem BPD, terwijl dat volgens hem een neutrale partij had moeten zijn. Men vraagt zich af of dit onderzoek representatief en realistisch was.
26
Reactie gemeente: Vooropgesteld dient te worden dat nu niet de marktconsultatie, maar het bestemmingsplan onderwerp is waarop zienswijzen ingediend kunnen worden. De wijze waarop de marktconsultatie heeft plaatsgevonden is niet relevant voor de beoordeling of de in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening. Niettemin zal ter informatie hierna ingegaan worden op de naar voren gebrachte zienswijze. In paragraaf 2.3.1 van de plantoelichting is reeds gemotiveerd dat er in de regio een grote behoefte is aan woningen. In paragraaf 2.4.2 is voorts ingegaan op de gemeentelijke Woonvisie waarin de onderhavige projectlocatie concreet is benoemd om vraaggericht te bouwen voor jongeren eventueel in combinatie met appartementen voor ouderen. Voorts is beschreven dat de doelstelling is jongeren in de stad houden. De onderhavige projectlocatie werd in dat beleid al gezien als een geschikte locatie voor jongerenwoningen. Daarover is in de Woonvisie geschreven “Het wordt belangrijk gevonden dat op deze locatie vraaggericht wordt gebouwd. Daarom wordt met de jongeren uit Weesp gekeken welke woningen er gebouwd moeten worden.
Daarna worden ontwikkelaars gevraagd om samen met de jongeren een haalbaar plan uit te werken en te realiseren.” Er was dus in de Woonvisie al sprake van dat de ontwikkelaar met de jongeren in overleg treedt. Bovendien draagt ontwikkelaar BPD het risico van de ontwikkeling en heeft ze als geen ander belang bij een valide marktconsultatie. Er is geen aanleiding de ‘neutraliteit’ van het onderzoek te betwisten. 8.7 Zienswijze: Adressanten 107 en 119 geven aan dat het bestemmingsplan in strijd is met het bouwkader, zoals vastgesteld door raad op 2 mei 2017. Reactie Gemeente: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het (op 8 juni 2017) vastgestelde Ruimtelijk Kader, zoals is toegelicht in hoofdstuk 4 van de bestemmingsplantoelichting. Op welke onderdelen het plan strijdig zou zijn met het Ruimtelijk Kader wordt door adressanten niet geconcretiseerd. 8.8 Zienswijze: Adressant 122 is van mening dat met dit bestemmingsplan geen is van goede ruimtelijke ordening. De mogelijk gemaakte ontwikkeling past niet in de omgeving. Reactie gemeente: In de toelichting van het ontwerpbestemmingsplan wordt uitgebreid ingegaan op alle relevante aspecten. BPD heeft zorgvuldig een bouwplan opgesteld met een kwalitatief hoogwaardig product, dat voldoet aan alle wettelijke normen en eisen.
Het plan past zowel qua functie, doelgroep en bouwvolume binnen het gebied, een binnenstedelijke woonwijk met zowel hoogals laagbouw. Het voornemen is getoetst aan het beleid en aan de diverse relevante milieu- en omgevingsaspecten. Er heeft een zorgvuldige afweging van alle aspecten en belangen plaatsgevonden, zodat geconcludeerd kan worden dat hier sprake is van goede ruimtelijke ordening.
27
Ad 9. Stikstofdepositie 9.1 Zienswijze: Adressant 17 wijst erop dat de in het bestemmingsplan opgenomen stikstofberekening is uitgevoerd met een inmiddels verouderde rekentool (AERIUS Calculator 2019) en dat het onderzoek daarom niet meer bruikbaar is voor dit plan. Reactie gemeente: Sinds 15 oktober 2020 is een nieuwe rekentool voorgeschreven. Deze rekentool (AERIUS Calculator 2020) was niet eerder dan 15 oktober 2020 beschikbaar. Op dat moment lag het voorliggende ontwerpbestemmingsplan al ter inzage, namelijk vanaf 24 september 2020 tot en met 4 november 2020. Bij ter inzagelegging kon dan ook geen berekening op basis van de vernieuwde calculator zijn gevoegd. Kort na 15 oktober 2020, te weten op 27 oktober 2020, is het onderzoek door SWECO geactualiseerd (zie bijlage). De herberekening leidde niet tot andere conclusies. Geconcludeerd wordt, dat er in de gebruiksfase van de planontwikkeling geen toename is van de stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar in omliggende Natura 2000-gebieden. Ook voor de aanlegfase geldt dat er geen toename van de stikstofdepositie >0,00 mol/ha/jaar is. Hierbij dient wel met mobiele werktuigen te worden gewerkt die minimaal Stage klasse IV of schoner zijn, conform de uitgangspunten in deze notitie.
Op basis van deze memo is aangetoond dat het plan uitvoerbaar is zonder dat er effecten van stikstofdepositie optreden > 0,00 mol/ha/jaar optreden in omliggende Natura 2000-gebieden. Daarmee is het plan niet vergunningplichtig onder de Wet natuurbescherming. 9.2 Zienswijze: Adressant 17 vinden dat in het rapport belangrijke tekortkomingen zitten, zo ontstaat er in de bouwfase een toename van 0,02 mol/ha/jr. op het Naardermeer en 0,1 mol/ha/jr. op de Oostelijke Vechtplassen. Significante effecten kunnen op basis van beschikbare stukken niet worden uitgesloten. Een passende beoordeling van de gevolgen ontbreekt. Men is ook van mening dat de uitgangspunten van het onderzoek niet juist zijn. De werkelijke depositie is volgens adressant veel hoger. De depositie van de gebruiksfase wordt onderschat. Er wordt gerekend met gasloos bouwen, maar dat is niet als verplichting in het bestemmingsplan opgenomen. Ook wordt er geen rekening gehouden met andere emissiebronnen, zoals het gebruik van houtkachels. Bij het verkeer wordt alleen rekening gehouden met de directe omgeving. Zoals bij de bouwfase, dient ook hier met het verkeer op grotere afstand rekening worden gehouden. Adressant zet vraagtekens achter de gebruikte rekenmethode 2 (SRM2), waarbij geen rekening wordt gehouden met verkeer op grotere afstand (> 5km).
Tenslotte stellen zij, dat het onderzoek onvoldoende rekening houdt met cumulatie met andere plannen in Weesp.
28
Reactie gemeente: Zoals in vorige reactie is aangegeven, is inmiddels een nieuwe berekening uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van de actuele rekentool. Het model is het best beschikbare en meest gebruikte rekeninstrument op dit moment. AERIUS is positief beoordeeld in nationale (TNO en ECN) en internationale wetenschappelijke reviews. Men mocht daarom in beginsel uitgaan van de betrouwbaarheid van AERIUS voor uitvoeren van stikstofdepositieberekeningen. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft ook overwogen dat, ondanks dat AERIUS Calculator niet langer wettelijk voorgeschreven is, AERIUS Calculator wel degelijk kan worden gebruikt voor het bepalen van de stikstofdepositie door een project (ECLI:NL:RBGEL:2019:5188). Uit de berekeningen blijkt dat er zowel in de bouwfase als in de gebruiksfase geen sprake (meer) is van een toename aan stikstofdepositie in betreffende Natura2000-gebieden. In de notitie van Sweco die ter inzage is gelegd, staat reeds beschreven dat er enkel effecten groter dan 0,00 mol/ha/jaar worden berekend bij toepassing van enkel materieel in Stage-klasse IIIA. In de geactualiseerde berekening is tevens rekening gehouden met toepassing van materieel in de schonere stage-klasse IV. Daarmee worden geen effecten berekend groter dan 0,00 mol/ha/jaar en kunnen significante effecten dus worden uitgesloten.
Kritiek van appelanten richt zich specifiek op het gebruik van de Standaard Rekenmethode 2 (SRM2), waarbij de effecten van wegverkeer op een afstand groter dan 5 km vanaf de bron niet worden berekend. Het klopt dat dit onderdeel van de rekenmethode recent ter discussie is gesteld in een procedure bij de Raad van State. In rechtsoverweging 69.4 van de uitspraak over de VIA15 (ECLI:NL:RVS:2021:105) oordeelt de Afdeling dat onduidelijk is in hoeverre het tracé leidt tot stikstofdepositie op (rekenpunten in) Natura 2000-gebieden op meer dan 5 kilometer afstand. Belangrijk verschil tussen de VIA15 en onderhavig project is dat uit de AERIUSberekeningen van de VIA15 een toename aan depositie is berekend op Natura 2000-gebieden binnen 5km van wegen waarop sprake is van verkeerstoename. De onduidelijkheid bij de VIA15 bestaat erin of op gebieden op grotere afstand de depositie niet eveneens toeneemt. Deze onduidelijkheid is er voor onderhavig project niet. Het is daarom zeker niet vanzelfsprekend dat de procedure over de VIA15 consequenties heeft voor onderhavige procedure. Dat lichten we hieronder toe.
In de uitgevoerde stikstofberekening is de verkeersgeneratie ingevoerd als lijnbron in de AERIUS Calculator 2020, tot aan de N236 (Gooilandseweg), alwaar het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer op de betrokken weg (conform ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020’ van Bij12). De emissies als gevolg van het wegverkeer bedragen in totaal maximaal 68,16 kg NOx en 4,74 kg NH3 per jaar in de gebruiksfase. In de aanlegfase is er sprake van een emissie van maximaal 4,17 kg NOx per jaar en een emissie van < 1 kg NH3 per jaar. Uit deze berekeningen volgt dat er geen effecten worden berekend groter dan 0,00 mol/ha/jaar op de twee Natura 2000-gebieden in de nabije omgeving van het plangebied (binnen 5 km afstand gelegen): Oostelijke Vechtplassen en Naardermeer. Dit geldt zowel voor de gebruiksfase als de aanlegfase.