2021-08-23 Def. NvB zienswijzen 'Weesperwerf' anoniem met brieven anoniem
Tekst van het document
Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan ‘Weesperwerf’
23 augustus 2021
Inhoudsopgave
1. Inleiding 2. Behandeling zienswijzen 2.1 Formele aspecten zienswijzen 2.2 Inhoudelijke behandeling zienswijzen 3. Conclusie Wijzigingen n.a.v. zienswijzen
Blz.
3 4
47
2
1. Inleiding Het ontwerpbestemmingsplan ‘Weesperwerf’ heeft vanaf 29 oktober 2020 tot en met 9 december 2020 samen met het ontwerpbesluit Wet geluidhinder, Vaststelling hogere waarden geluid ter inzage gelegen. Van de ter inzagelegging is op 28 oktober 2020 kennisgegeven in de Staatscourant (2020, 5637328) en het Gemeenteblad (2020, 278303). Daarin werd vermeld dat gedurende bovengenoemde termijn van terinzagelegging eenieder zijn zienswijze over het ontwerpbestemmingsplan naar voren kon brengen bij de gemeenteraad van Weesp, naar keuze schriftelijk (waar de voorkeur naar uitgaat) of mondeling. De digitale weg voor het indienen van zienswijzen is niet opengesteld, zienswijzen konden dus niet per e-mail worden ingediend. Er zijn 9 zienswijzen ingediend. In hoofdstuk 2.2 van deze nota zijn deze zienswijzen samengevat en voorzien van een antwoord. Daarnaast is er in het kader van het ontwerpbesluit Wet geluidhinder, Vaststellen hogere waarden een aparte Nota van beantwoording opgesteld.
3
2. Behandeling zienswijzen 2.1 Formele aspecten Van de volgende adressanten zijn zienswijzen ontvangen op het ontwerpbestemmingsplan. nr. 1. 2 3 4 5 6 7 8 9
Adressant
datum ontvangst 7-12-2020 7-12-2020 9-12-2020 8-12-2020 8-12-2020 8-12-2020 9-12-2020 9-12-2020 10-12-2020
Zienswijze 9 van bewoner 3, gedateerd 7 december 2020, is buiten de termijn voor de terinzagelegging van het ontwerpplan, te weten op 10 december 2020, bij de gemeente ingekomen. Niet-ontvankelijk verklaring van de zienswijze kan slechts achterwege blijven indien de zienswijze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. Zoals de Afdeling in haar jurisprudentie heeft overwogen (zie de uitspraak van 17 augustus 2011 in zaak nr. 201011168/1/H3), hanteert de Afdeling als uitgangspunt dat een via PostNL verzonden poststuk in ieder geval wordt geacht tijdig ter post te zijn bezorgd als het de eerste of tweede werkdag na de laatste dag van de termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht is ontvangen, tenzij op grond van de vaststaande feiten aannemelijk is dat het later dan de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd. De zienswijze is de eerste werkdag na de laatste dag van de termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht ontvangen. De zienswijze wordt daarom geacht tijdig per post te zijn bezorgd en is ontvankelijk. 2.2.
Inhoudelijke behandeling zienswijzen
2.2.1
Algemeen
Er zijn 9 zienswijzen ingekomen. In het vervolg worden de zienswijzen per adressant samengevat en voorzien van een reactie van de gemeente. De zienswijzen hebben betrekking op de volgende onderwerpen:
4
2.2.2 Beantwoording zienswijze per adressant
Adressant 1 1.1 Zienswijze: Adressant wijst erop dat bij de ontwikkeling van de in het bestemmingsplan voorziene woonwijk rekening moet worden gehouden met de Spoorwegwet. Zonder vergunning kunnen geen activiteiten binnen de beheergrenzen van het spoor worden uitgevoerd. Deze mogen geen belemmering vormen voor het spoor. Adressant doelt op de geplande verbreding van de sloot langs het spoor. Daarnaast zijn er in de huidige situatie twee baantoegangen aanwezig. In verband met veiligheid en onderhoud moet de toegankelijkheid gewaarborgd blijven. Reactie gemeente: Het bestemmingsplan voorziet niet in de verbreding van de sloot. Dit besluit is genomen na overleg met Prorail en haar adviseur Royal Haskoning DHV in verband met het waarborgen van de stabiliteit van het baanlichaam. De verbeelding van het ontwerpbestemmingsplan laat duidelijk zien dat er met circa 32 meter een gepaste afstand is tussen spoor en talud en de woningen. Toegankelijkheid van de baantoegangen is hierdoor gewaarborgd en minimaal vergelijkbaar met de huidige planologische afstand van bebouwing. In de noordwesthoek neemt de afstand door het nieuwe bestemmingsplan zelfs met rond 15 meter toe. Hierbij zal afstemming plaatsvinden met adressant, zoals dat ook al in het kader van het vooroverleg met adressant is gedaan (3.1.1 overleg), waar adressant toen aangaf geen opmerkingen te hebben op het plan.
1.2 Zienswijze: Adressant geeft aan de plannen van gemeenten voor binnenstedelijke ontwikkelingen te ondersteunen en wijst erop dat gemeenten verantwoordelijk zijn om een goed leefklimaat te borgen. Men verwijst naar het akoestisch onderzoek van het weg- en railverkeerslawaai, waarin als uitgangspunt staat vermeld dat de railverkeersgegevens afkomstig zijn uit het geluidsregister van Rijkswaterstaat, maar dat dat gebaseerd moet zijn op het geluidsregister spoor. Adressant vraagt om het rapport op dit punt aan te passen. Daarnaast verwijst adressant naar een onderzoek vanuit het project ‘geluidscherm Weespersluis/Leeuwenveld, tussen de onderdoorgang Hogeweyselaan en Vechtbrug’, waarin onderzocht wordt wat de mogelijkheden zijn om een 3 meter hoog geluidsscherm te realiseren. Hierbij is ook de gemeente betrokken. Medewerking van adressant aan een geluidsscherm ter hoogte van het bestemmingsplangebied is volgens adressant niet uitgesloten. Realisatie van een scherm (of het verhogen hiervan) wordt echter op korte termijn (binnen 3 jaar) volgens ProRail zelf niet realistisch geacht. Adressant vindt de geluidssituatie problematisch en geeft aan dat toepassing van dove gevels niet zorgen voor een goed leefklimaat. Ook het geluidsniveau in de directe omgeving (bijvoorbeeld in de tuin) van de woningen draagt bij aan een goed leefklimaat.
5
Men vraagt om nogmaals kritisch te kijken naar nut en noodzaak van de woningbouw op deze plek. Er wordt afgeraden transparante geluidschermen toe te passen, omdat deze niet vandalismebestendig zijn. Reactie gemeente: Het akoestisch onderzoek met betrekking tot spoorweggeluid dient inderdaad gebaseerd te zijn op het geluidsregister spoor. De door adressant aangehaalde passage betreft een verschrijving in het rapport. Hier had moeten staan dat deze gegevens afkomstig zijn van het geluidregister spoor van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Gebruikt zijn de gegevens zoals gedownload van de site http://www.geluidregisterspoor.nl/geluidregisterspoor.html. Op pagina 45 onder tabel B1.2 van het akoestisch onderzoek is dit verder ook al aangegeven en in bijlage 2 zijn de gegevens opgenomen (de rail specifieke eigenschappen zijn hierbij uiteraard afkomstige uit het geluidregister spoor en niet uit het geluidregister van Rijkswaterstaat). Het akoestisch onderzoek ten behoeve van het spoorgeluid is derhalve uitgegaan van de juiste gegevens. Desalniettemin zal het akoestisch rapport worden aangepast door de verschrijving te herstellen. In het geluidsonderzoek is rekening gehouden met de reeds aanwezige geluidsschermen langs het spoor ter hoogte van Weesperwerf. Het scherm is meegenomen in de modellering en berekeningen.
In het kader van OV SAAL is het bestuurlijke besluit genomen tot verhoging van het bestaande geluidsschermen langs dit traject, dus ook langs het onderhavige plangebied. Pro Rail is gestart met de uitwerking van de plaatsing van de geluidsschermen. De gemeente Weesp is hierbij nauw betrokken. Zodra deze schermen verhoogd worden, zal dat uiteraard een positief effect hebben op de geluidbelastingen op het plangebied. Hier kan op dit moment echter nog niet op worden geanticipeerd omdat de verhoging van het geluidsscherm tot 3 meter hoog naar verwachting niet binnen 3 jaar is gerealiseerd. De opmerking van adressant over transparante geluidschermen nemen wij voor kennisgeving aan. Het al dan niet transparant uitvoeren van geluidschermen is echter geen onderwerp dat in het bestemmingsplan wordt / kan worden geregeld.
Op basis van het akoestische onderzoek is door de emeente Weesp na een zorgvuldige afweging geadviseerd om voor het onderhavige bestemmingsplan hogere waarden vast te stellen, omdat de voorkeurswaarden voor geluid ten gevolge van de Korte Muiderweg, de Stationsweg en het spoor, zoals aangegeven in de Wet geluidhinder, binnen het plangebied worden overschreden en omdat geluidsreducerende maatregelen aan de bron, in het overdrachtsgebied (anders dan het nu voorziene geluidsscherm van 2,2 meter over de lengte van het plangebied, aan de zijde van de Nijverheidslaan) of aan de ontvangstzijde onvoldoende doeltreffend en doelmatig dan wel bezwaarlijk zijn. Het scherm langs de Nijverheidslaan is in overleg met de bedrijven opgenomen in het plan, om de bedrijven tegemoet te komen. Het scherm is niet per sé nodig om aan de wettelijke normen te voldoen. Bij het vaststellen van een hogere waarde dient rekening te worden gehouden met de eis van geluidluwe zijdes conform het geluidbeleid van de gemeente. Dit waarborgt een goed woon-en leefklimaat. Daarnaast heeft de bouwkundige opzet van de nieuwe wijk een zoveel mogelijk afschermende werking van de eerstelijns bebouwing langs het spoor voor de rest van het plangebied, wat een goed woon en leefklimaat in bijvoorbeeld de tuinen bevordert.
Het bestemmingsplan is ook een de realisatie van een geluidsscherm in een opening tussen twee gebouwen opgenomen om het spoorweglawaai in de wijk te reduceren. Wat betreft nut en noodzaak weegt ook mee dat er volkshuisvestelijke doelstellingen meewegen waar dit plan aan tegemoet komt. Verder is op te merken dat in het vigerende bestemmingsplan op kortere
6
afstand reeds een woonbestemming aan de noordwestelijke zijde van het plangebied geprojecteerd is. Na een zorgvuldige afweging komen wij tot de conclusie dat woningbouw op deze plek aanvaardbaar is. 1.3 Zienswijze: Adressanten merkt op dat het trilling onderzoek niet recent genoeg is en vraagt daarom om het rapport te actualiseren. Hierbij dient gebruik te worden gemaakt van de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. Geadviseerd wordt om het uitgebreide onderzoek uitgebreid in paragraaf 5.5 op te nemen en door te laten werken in de planregels. Reactie gemeente: Het onderzoek dateert van voor het verschijnen van de “Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen”. De handreiking geeft een leidraad voor het behartigen van het aspect trillingen tijdens de planontwikkeling, maar geen concrete aanwijzingen over hoe een trillingsonderzoek uitgevoerd dient te worden. Wel kent de handreiking twee verdiepingsniveaus voor het uitvoeren van een trillingsonderzoek: de quickscan en het vervolgonderzoek, waarbij de laatste van toepassing is als uit de quickscan blijkt dat trillingen een risico vormen voor de planvorming. In het uitgevoerde onderzoek is op voorhand al besloten tot het uitvoeren van een onderzoek gebaseerd op metingen op locatie en een daaropvolgende prognose van trillingen in de geprojecteerde nieuwbouw.
Daarmee voldoet het onderzoek aan de in paragraaf 10.2 van de handreiking omschreven stappen voor het “vervolg trillingsonderzoek”, zoals nader uiteengezet in de paragrafen 10.3 t/m 10.7 (van de handreiking). Het onderzoek omvat metingen op de kavel met differentiatie naar verwachte variaties in trillingssterkte op het spoor en toenemende afstand tot het spoor. Het onderzoek bevat prognoses afgestemd op verschillende bouwwijzen van het plan en mede gebaseerd op door meting verkregen overdrachten van bodem naar gebouwfundatie. Daarmee is het onderzoek zeer zorgvuldig geweest. Tot slot bevat het onderzoek maatregelen om trillingen verder te beheersen. Het uitgevoerde onderzoek voldoet daarmee aan de hedendaagse beoordelingsmethodiek volgens de handreiking. Dat het onderzoek nu twee jaar oud is betekent niet automatisch dat het niet meer van toepassing is. Het onderzoek is specifiek uitgevoerd voor de voorliggende planontwikkeling en er zijn nog geen fysieke wijzigingen aan het spoor doorgevoerd die een hernieuwde meting zinvol maken. Het onderzoek is uitgevoerd vóór de Covid-19 pandemie, waarmee het spoorgebruik op het meetmoment eerder als representatief beoordeeld moet worden dan een herzien onderzoek op dit moment zou kunnen bieden.
Wel zijn er op het traject Schiphol/Amsterdam – Lelystad (SAAL) maatregelen getroffen om rijsnelheden te verhogen en de doorstroming te bevorderen. Voor zover dit de rijsnelheden van reizigerstreinen betreft heeft dit op het onderzoek nauwelijks invloed omdat de goederentreinen maatgevend zijn voor de trillingsbelasting op de kavel. Een significante wijziging van de rijsnelheid van goederentreinen kan wel invloed hebben op de conclusies van het onderzoek, maar de rijsnelheden van goederentreinen op dit spoorstuk bedragen in de huidige situatie al 80 km/u en daarop is slechts nog een beperkte toename mogelijk. Het effect van een snelheidstoename tot bijvoorbeeld 90 km/u is beperkt tot enkele procenten, zoals blijkt uit de diverse onderzoeken die hier recent naar zijn gedaan. Een herziening/actualisatie van het onderzoek zou dus niet tot andere conclusies leiden. Er wordt voor het grootste deel van het plangebied voldaan aan de SBR-B. In de eengezinswoningen op 32 meter afstand van het spoor, nabij de Vechtbrug, kunnen incidenteel kleine overschrijdingen optreden van de streefwaarde in de nachtperiode.
7
Afgaand op het huidige spoorgebruik (verdeling dag/nacht) zal dit hooguit 1 à 2 keer per week optreden. Dat is verwaarloosbaar. Het is dan ook niet nodig om trillingshinder verder te onderzoeken en in het bestemmingsplan te regelen.
Adressant 2 2.1 Zienswijze: Adressanten vindt dat het begrip ‘aan huis gebonden beroep en bedrijf’ in artikel 1.3 van de planregels niet goed is geformuleerd. In het artikel wordt verwezen naar de Wet milieubeheer, maar dat moet tegenwoordig de Wabo zijn. Verder vindt adressant het niet handig om een koppeling te leggen met de Wet milieubeheer, Activiteitenbesluit of de Wabo, omdat er binnenkort de Omgevingswet van kracht wordt. Reactie gemeente: De verwijzing is wel correct, het gaat om vergunnings- of meldingplichtige activiteiten in het kader van milieuhinder. Daarnaast is de plicht om een vergunning aan te vragen voor dergelijke bedrijven geregeld in de Wabo (2.1 lid 1 onder e). Ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan geldt de Omgevingswet (nog) niet en is verwijzing naar die wet niet mogelijk. 2.2 Zienswijze: Adressant geeft aan dat de ondernemers op het bedrijventerrein hun zorgen hebben geuit over de ontwikkeling van woningen op de nu beoogde plek en dat dit ook kenbaar is gemaakt aan de raad. Er wordt verwezen naar een brief van 1 november 2019 hierover. Ondanks enkele aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan zijn de zorgen niet minder geworden. Door de woningbouw heeft de gemeente de kans weggegeven om schaarse bedrijfsgronden te ontwikkelen. Hiermee wordt niet voldaan aan de ambitie van de gemeente om een woon- en werkgemeente te zijn.
Daar komt volgens adressant bij dat het bedrijventerrein Nijverheidslaan niet alleen bestemd is voor bedrijven maar ook zodanig in gebruik is. Volgens adressant is uit een recente analyse van de Regio Gooi- en Vechtstreken gebleken dat industriële bedrijven zijn aangewezen op monofunctionele bedrijventerreinen en dat deze bedrijven op termijn wegtrekken als er gemengd wordt met gevoelige woonfuncties. Reactie gemeente: Bedoeld wordt waarschijnlijk de brief van 1 november 2018, verzonden door mRO namens de belangengroep bedrijven. Deze brief (en andere) zijn door het college beantwoord. De voornemens tot ontwikkeling van de locatie dateren al van lang geleden. De grond is in 2002 door Achmea aangekocht met het doel om voor eigen belegging 19.000 m2 bvo kantoor te realiseren. Door het uitvallen van de vraag naar kantoren is afgezien van de realisatie van deze plannen. In de periode 2008 - 2015 was de kredietcrisis en viel de vraag naar kavels voor bedrijven weg. Al sinds 2006 richt het gemeentelijk beleid zich op de mogelijkheden tot transformatie op het bedrijventerrein (zie pagina’s 27 en 61 structuurvisie uit 2013).
In die periode zijn door de gemeente initiatieven ontplooid om het bedrijventerrein geheel dan wel gedeeltelijk te transformeren naar een woningbouwlocatie met commerciële voorzieningen, zoals ook beschreven in de plantoelichting onder verwijzing naar Raadsbesluit d.d. 24 februari 2016 (Z.52744/D.2693). Het bestemmingsplan is in 2016 vernieuwd en was gericht op de realisatie van bedrijfsruimten, omdat op dat moment leek dat transformatie naar wonen niet mogelijk was omdat er geen concrete marktinitiatieven waren. Een jaar later bleek daar wel een
8
haalbaar initiatief te zijn, waar het vorige initiatief (rond de crisis) niet haalbaar beek. Op 14 december 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden met adressant en initiatiefnemer. Adressant heeft toen geen principiële bezwaren geuit tegen woningbouwontwikkeling op de nu beoogde locatie. Wel zijn aantal aandachtspunten benoemd om in de planontwikkeling mee te nemen. In 2018 is door de gemeenteraad een ruimtelijk kader voor woningbouwontwikkeling vastgesteld. Voor bedrijfskavels zijn al die jaren geen initiatieven ontplooid. In november 2020 is door onderzoeksbureau Stec in het kader van het opstellen van de Omgevingsvisie 2050 (ontwerp heeft vanaf 11 februari tot en met 24 maart 2021 ter inzage gelegen) voor Weesp een analyse uitgevoerd van het vestigingsklimaat in Weesp en de vraag naar bedrijfsruimte in de nabije toekomst. ’). Hieruit is gebleken dat de vraag naar bedrijfsruimte verder toe zal nemen tot circa 25 hectare bedrijventerrein in 2040, naast een vraag naar ruimte voor kantoren en werk aan huis. Dit betreft alleen een behoefte die voortkomt uit de verwachte groei van de Weesper beroepsbevolking. Om de huidige verhouding tussen de werkzame beroepsbevolking en het aantal arbeidsplaatsen overeind te houden richting 2050, wordt in de toekomstige omgevingsvisie een stappenplan voorgesteld.
De belangrijkste mogelijkheid om arbeidsplaatsen te creëren ziet het college in het verder ontwikkelen van het stationsgebied van Weesp met meer bedrijvenlocaties en woningen. Deze bedrijvigheid betreft voornamelijk bedrijven met een lage milieu-impact, zoals kantoren en dienstverlenende bedrijven. Daarnaast is het streven om in samenwerking met de ondernemers van Weesp te komen tot een intensivering van het gebruik van de huidige bedrijventerreinen. De bedrijventerreinen in Weesp kennen, door diverse redenen als braakliggende grond en extensief gebruik, nog wel mogelijkheden om in te breiden of te intensiveren. Dit betekent dat er meer oppervlakte bebouwd kan worden dan nu het geval is, maar bijvoorbeeld ook door bestaande ruimte intensiever te gebruiken of bedrijfspanden hoger te bouwen (meerlaags). De schatting is dat er door intensiever gebruik nog ruimte is voor 20 hectare extra bedrijfsfuncties. Volgens het Stec rapport biedt het bedrijventerrein Nijverheidslaan een intensiveringspotentie van 3 ha door inbreiding. Hierbij is al rekening gehouden met de nu voorziene woningbouw. In de ontwerp omgevingsvisie Weesp 2050 is de onderhavige locatie opgenomen als woningbouwlocatie. Verder is opgenomen dat buiten de lopende transformaties geen nieuwe woningbouw op bedrijventerreinen plaats zal vinden.
Een menging van wonen met bedrijven is goed mogelijk. Dat hebben alle onderliggende onderzoeken uitgewezen. Bij uitbreiding of vestiging van nieuwe bedrijven uit hogere categorieën dient nu ook al rekening te worden gehouden met de reeds aanwezige woningen. Op de locatie Nijverheidslaan worden de vestigingsmogelijkheden van bedrijven uit hogere categorieën al beperkt door de aanwezige woningen, die zich op vergelijkbare afstand bevinden als de geplande woningen. 2.3 Zienswijze: Adressanten geeft aan dat het bestemmingsplan niet getoetst is aan het transformatiebeleid voor bedrijventerreinen. Vervolgens geeft adressant zelf aan dat dit beleid al sinds 2016 niet meer actueel is en dat per besluit van 24 februari 2016 niet langer werd ingezet op transformatie. Vervolgens komt de raad in 2018 weer terug op zijn besluit om te transformeren. Volgens adressant is de enige reden hiervoor het woningbouwplan, zoals nu opgenomen in het
9
ontwerpbestemmingsplan. Hierbij heeft ten onrechte geen afweging plaatsgevonden van het regionale beleid met betrekking tot bedrijventerreinen. Er wordt verwezen naar een onderzoek uit 2016 waaruit blijkt dat er degelijk vraag is naar bedrijventerreinen in de regio. Geadviseerd wordt om terughoudend om te gaan met transformatie. Reactie gemeente: De gemeente Weesp kent geen specifiek transformatiebeleid, anders dan het beleid dat is verwoord in de structuurvisie bedrijventerreinen 2010, structuurvisie Weesp 2013-2030 waarin de locatie aan de Nijverheidslaan altijd is benoemd als kansrijke locatie voor transformatie en in de ontwerp Omgevingsvisie 2050 voor Weesp. Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording onder 2.2. De raad heeft in de afgelopen jaren diverse kaderstellende besluiten genomen. Deze zijn gebaseerd op een zorgvuldige afweging van belangen. Voor meer details wordt verwezen naar paragraaf 2.4.1 van de toelichting. 2.4 Zienswijze: Adressant geeft aan dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat van groot belang is. Milieuzonering speelt hierbij een groot belang. Adressant merkt op dat ten onrechte gebruik wordt gemaakt van de term ‘gebied met functiemenging’ voor dit gebied.
Adressant vindt ook dat in het onderzoek van TAUW ten onrechte is uitgegaan van kleine richtafstanden van bedrijven tot woningen, omdat hier volgens adressant geen sprake is van een gemengd gebied, waar de kleinere richtafstanden van toepassing zijn. Hierbij wordt aangehaald, dat de beroepen en bedrijven aan huis zodanig beperkt zijn, dat geen sprake kan zijn van een gemengd gebied. Maar ook aan de richtafstand voor een gemengd gebied wordt niet voldaan, zo worden woningen op 35 meter afstand van een bedrijf uit categorie 3.2, waarvoor een richtafstand van 50 meter geldt, mogelijk gemaakt. Ook aan de andere afstand voor bedrijven uit de hogere categorieën wordt niet voldaan. Adressant vindt dat in het akoestisch onderzoek onterecht naar de huidige situatie van de bestaande bedrijven en niet naar de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt is gekeken. Zo is het lege kavel aan de Nijverheidslaan 3 ook niet betrokken bij de onderzoeken. Er wordt dan ook onvoldoende rekening gehouden met bedrijven die zich hier op grond van het bestemmingsplan kunnen vestigen. Dit geldt ook voor het perceel aan de Nijverheidslaan 1. Hier zijn volgens adressant bedrijven tot en met milieucategorie 5.3 toegestaan. Adressant vindt ook dat niet alleen geluid maar ook geur, stof en gevaar onderzocht had moeten worden.
Reactie gemeente: Wij onderschrijven dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat van groot belang is. Vooropgesteld dient te worden dat de richtafstanden geen wettelijke normen inhouden, waarbinnen woningen niet zijn toegestaan. Met de richtafstanden is niet gezegd dat bedrijven en wonen niet in elkaars nabijheid kunnen functioneren, maar dat zodra woningen en bedrijven in elkaars nabijheid worden gesitueerd er rekening moet worden gehouden met de uitstraling van de deze specifieke bedrijven. Daarom zijn in het kader van het bestemmingsplan alle relevante milieu(hinder)aspecten onderzocht en beoordeeld aan de hand van de daadwerkelijk ontplooide bedrijfsactiviteiten. Bij de richtafstanden is rekening gehouden met de bij de bedrijfscategorie horende richtafstand. Voor het bedrijf van adressant is dat 50 meter in gemengd gebied, behorend bij een categorie 3.2 bedrijf. Door middel van maatregelen is het mogelijk om binnen de richtafstanden ontwikkelingen door te voeren. Daarbij zal echter aangetoond moeten worden dat de maatregel de overlast beperkt.
10
Een gemengd gebied in de zin van de VNG brochure is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. In het akoestisch onderzoek wordt derhalve uitgegaan van een ‘gemengd gebied’. In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een gemengd gebied in de zin van de VNG brochure. Onterecht baseert adressant de conclusie over of het hier gaat om een gemengd gebied of niet alleen op de nieuwbouwlocatie. Dat is niet juist. Er moet gekeken worden naar het gebied en de directe omgeving waarbinnen de nieuwbouw plaatsvindt. In de directe omgeving zijn woningen, kantoren, bedrijven, wegen en spoorwegen aanwezig. Hierdoor is er sprake van een gemengd gebied. De opmerking van adressant dat niet gekeken is naar de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt is onjuist. Bij het bepalen van de richtafstanden is hiermee rekening gehouden. Bij de bedrijven waar een potentieel knelpunt ontstaat is gekeken naar het huidige gebruik van het kavel en de effecten hiervan op de voorgenomen woningbouw. Bedrijf van adressant betreft een categorie 3.2 bedrijf. Dit is ook onderzocht. Een hogere categorie is ter plaatse niet toegestaan. Wanneer het bestemmingsplan van de woningbouw onherroepelijk is geworden, dient ten slotte rekening te worden gehouden met de aanwezige woningen.
Voor de percelen aan de Nijverheidslaan 1 en 3 geldt dat al in de huidige situatie op vergelijkbare afstand reguliere woningen zijn gevestigd, waarmee bij de uitbreiding en vestiging van bedrijven rekening moeten houden. De afstand van het bedrijf aan de Nijverheidslaan 3 tot bestaande woningen is zelfs geringer dan tot de nieuwbouwwoningen, zodat de nieuwbouw niet maatgevend is voor de beperking van de bedrijfsvoering/uitbreidingsmogelijkheden. In de, bij het bestemmingsplan toegevoegde notitie ‘Bedrijven- en milieuzonering’ woningbouwontwikkeling Weesperwerf in Weesp’ is hier nader op ingegaan. Opgemerkt wordt dat op het kavel aan de Nijverheidslaan 1 geen specifieke categorie is vastgelegd in het bestemmingsplan. Dit is een omissie in het bestemmingsplan aangezien op alle kavels een aanduiding is opgenomen met de bijbehorende categorie en het, gelet op de afstand tot de bestaande woningen in de omgeving, niet wenselijk is om zeer zware bedrijvigheid op deze locatie te ontplooien. Momenteel is het pand in gebruik bij een autohandelaar.
De vestiging van een bedrijf in dergelijke hoge categorie is niet waarschijnlijk gelet op de omvang van het kavel en uitsluitingen in de bedrijfsbestemming voor bevi-bedrijven (waar dat niet is aangeduid, zoals hier), vuurwerkbedrijven, Wgh-inrichtingen en inrichtingen die zijn genoemd in bijlage C en D van het Besluit milieu-effectrapportage 1994. Daarnaast is er al een beperking door de aanwezigheid van bestaande gevoelige functies, (woonbestemming van Korte Muiderweg 10 op circa 3 meter en Korte Muiderweg 8 op circa 13 meter) in de directe nabijheid van het perceel. De bedrijfsactiviteiten op Nijverheidslaan 1 moeten wat betreft overlastgevende activiteiten aan de geldende wet- en regelgeving voldoen op de percelen aan de Korte Muiderweg. Dit zorgt ervoor dat de activiteiten die mogelijk zijn op Nijverheidslaan 1 begrensd worden en qua activiteiten globaal overeen moeten komen met de overige activiteiten die in de directe omgeving plaatsvinden. Bij de stedenbouwkundig opzet is rekening gehouden met de aanwezigheid van de bedrijven door een buffer te creëren tussen de bedrijven en de te realiseren woningen. In deze bufferzone zijn parkeerplaatsen gesitueerd. Overschrijding van de bedrijfshindercontour met deze niet gevoelige functie (parkeerterrein) is zondermeer mogelijk.
11
Daarnaast vindt overlap plaats met de eerste rij woningen binnen de richtafstand van 50 meter. Dit wordt veroorzaakt door de eerstelijns bebouwing van de aanwezige bedrijven. In het akoestisch onderzoek , zoals toegevoegd aan het ontwerpbestemmingsplan, zijn deze bedrijven daarom ook al nader beschouwd. Hieruit is geconcludeerd dat alleen voor het bedrijf De Groot Luchtkanalen een knelpunt op kan treden (zie ook 2.6). Dit bedrijf is op meer dan 50 meter van de woningen gelegen. Hierdoor wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Uit onderzoek is gebleken dat er door het bedrijf al in de huidig situatie een knelpunt aanwezig is vanwege de bedrijfswoning ten zuiden. Voor geluid is een bedrijfswoning, net als een reguliere woning, een geluidsgevoelige functie. Uitzondering hierop is de inrichting waar de bedrijfswoning bij hoort. Het bestemmingsplan maakt nu meer reguliere woningen mogelijk. Om een goed leefklimaat te waarborgen zal de gemeente maatwerkvoorschriften vast stellen. Het vaststellen van de maatwerkvoorschriften vanwege het nieuwbouwplan betreft vooral het toestaan van een hogere geluidbelasting in de dagperiode van 2 dB(A) en in de nachtperiode van 1 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau dan de grenswaarden in het Activiteitenbesluit vanwege het betreffende bedrijf.
Dit zorgt er dan voor dat de geluidvoorschriften zodanig zijn ingericht dat het bedrijf hieraan kan voldoen (zonder aanvullende maatregelen). Gezien de wettelijke vereisten voor de woningen ten aanzien van geluidwering gevels wordt zonder maatregelen voldaan aan de vereiste binnenwaarde. Omdat ook duidelijk is dat bij bestaande woningen niet wordt voldaan aan de geluidvoorschriften geeft dit ook aanleiding om maatwerkvoorschriften te stellen vanwege de geluidoverschrijding op de bestaande woningen op het bedrijventerrein Op de overige aspecten, geur, stof en gevaar is bij de notitie ‘Bedrijven- en milieuzonering woningbouwontwikkeling Weesperwerf in Weesp’ nader ingegaan. Geconcludeerd wordt dat de huidige bedrijven die een potentieel knelpunt vormen bedrijfsactiviteiten uitvoeren die enkel met betrekking tot geluid een nader onderzoek verlangen. 2.5 Zienswijze: Adressant vindt dat de regeling voor een geluidsscherm in het bestemmingsplan onvoldoende is, omdat er geen minimum bouwhoogte is opgenomen, maar alleen een maximumbouwhoogte. Hierdoor kan een lager scherm gerealiseerd worden die onvoldoende afscherming biedt. Reactie gemeente: Het scherm is n.a.v. het overleg met de ondernemers op het bedrijventerrein in het plan opgenomen om de ondernemers tegemoet te komen. Het scherm is niet per sé nodig voor de uitvoerbaarheid van het plan.
In de planregels zal bij vaststelling door de raad voor de realisatie van een scherm ook een minimumhoogte worden opgenomen van 2,2 meter. In artikel 6.2.2 van de regels is dit opgenomen als een voorwaardelijke verplichting voor de woningbouw. Dat betekent dat bij uitvoering voldoende afscherming geboden zal worden door juridische borging van de realisatie van het scherm. In het akoestisch onderzoek is dan ook rekening gehouden met een schermhoogte van 2,2 meter.
12
2.6 Zienswijze: Adressant vindt dat in strijd met de kaders voor woningbouw in het raadsbesluit van 19 november 2018 de huidige bedrijven belemmerd worden door de beoogde woningbouw. Men verwacht klachten door de nieuwe bewoners, zoals dat ook elders binnen de gemeente is gebeurd. Bij klachten van omwonende moet de gemeente vervolgens toetsen aan het Activiteitenbesluit of de SBR-richtlijn trillingen, waarbij de bedrijven dan moeten aantonen, dat zij hieraan voldoen. Daarnaast bieden de richtafstanden ook geen garantie dat wél of niet aan de milieuwetgeving wordt voldaan. Het gaat hierbij om gemiddelden en kan het in individuele gevallen anders uitpakken. Anders dan in de tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan wel is geopperd, kan in de koopovereenkomst niet bindend worden vastgelegd dat bewoners er zelf voor kiezen om naast een bedrijventerrein te gaan wonen en dus geen recht hebben om te klagen. Reactie gemeente: Het raadsbesluit waarnaar adressant verwijst betreft Raadsvergadering van 19 december 2018. In de kaders van het vastgestelde amendement van 11 juli 2018 staat onder 3. ”De bedrijvigheid op bedrijventerrein Nijverheidslaan moet niet onmogelijk gemaakt worden door deze ontwikkeling.” Daar wordt met het beoogde plan aan voldaan.
Het aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende onderzoek toont aan dat in de nieuwe situatie zal worden voldaan aan het Activiteitenbesluit. Bij de stedenbouwkundig opzet is rekening gehouden met de aanwezigheid van de bedrijven door een buffer te creëren tussen de bedrijven en de te realiseren woningen. In deze bufferzone zijn parkeerplaatsen gesitueerd. Overschrijding van de bedrijfshindercontour met deze niet gevoelige functie (parkeerterrein) is zondermeer mogelijk. Daarnaast vindt overlap plaats met de eerste rij woningen binnen de richtafstand van 50 meter. Dit wordt veroorzaakt door de eerstelijns bebouwing van de aanwezige bedrijven. Dit geldt echter ook al voor bestaande woningen in het gebied. In het akoestisch onderzoek , zoals toegevoegd aan het ontwerpbestemmingsplan, zijn deze bedrijven daarom ook al nader beschouwd. De Groot Luchtkanalen bevindt zich op meer dan 50 meter afstand van de woningen, maar is voor de volledigheid wel meegenomen in het onderzoek. Hieruit is geconcludeerd dat alleen voor het bedrijf De Groot Luchtkanalen een knelpunt op kan treden. Dit wordt echter door middel van een maatwerkvoorschrift opgelost. Hiervoor zijn in het akoestisch onderzoek twee oplossingsrichtingen aangedragen (gericht op de nieuwe woningen), te weten: 1.
Opstellen van verruimde maatwerkvoorschriften voor het bedrijf zodat de overschrijdingen op de nieuwe woningen juridisch toegestaan zijn. Afgewogen is hierbij ook dat de overschrijdingen van de standaard grenswaarden van het Activiteitenbesluit (van respectievelijk 2 dB in de dagperiode en 1 dB in de avondperiode) dermate klein zijn dat, ook de standaard eisen ten aanzien van de gevelwering van de nieuwe woningen in acht nemend, voldaan zal worden aan een binnenwaarde van 35 dB(A) etmaalwaarde bij de woningen. Dit betekent dat deze oplossingsrichting leidt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat én dat de benodigde geluidruimte van het bedrijf juridisch gewaarborgd blijft, of 2. Treffen van relatief eenvoudig haalbare geluidwerende maatregelen, te weten een strokenscherm. In dat geval wordt voldaan aan de standaard grenswaarden van het Activiteitenbesluit die van toepassing zijn. Dit betekent dat ook deze oplossingsrichting
13
leidt tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat én dat de benodigde geluidruimte van het bedrijf juridisch gewaarborgd blijft. Bij optie 1 zijn dus geen extra maatregelen nodig. Met het bedrijf was aanvankelijk overeengekomen (en per e-mail bevestigd door bedrijf) om optie 2 toe te passen. Nu wordt echter in eerste instantie ingezet op optie 1. In beginsel zullen met een maatwerkvoorschrift hogere geluidwaarden worden toegestaan, conform huidige bedrijfsvoering zoals in het akoestisch onderzoek is beschouwd. Het college is voornemens de omgevingsdienst te verzoeken om een maatwerkvoorschrift vast te stellen voor het bedrijf. Initiatiefnemer onderzoekt echter ook in overleg met het bedrijf of er afspraken kunnen worden gemaakt (ook over de kosten) over optie 2 als maatwerkvoorschrift. Het bedrijf kan zelf ook verzoeken om het maatwerkvoorschrift. Klachten kunnen op voorhand niet worden uitgesloten en zijn niet één op één te relateren aan het gegeven of er wel of (net niet) niet aan de standaard grenswaarden voldaan wordt. Wel bieden de gekozen oplossingen juridische borging voor het bedrijf, waardoor als er al klachten zouden zijn, dit onder de geschetste voorwaarden geen implicaties heeft voor de continuering van de bedrijfsvoering.
In nauw overleg met de adressant is een akoestisch onderzoek tot stand gekomen dat de geluidemissie van het bedrijf gedetailleerd inzichtelijk heeft gemaakt bij een worstcase bedrijfssituatie. Deze bedrijfssituatie is in overleg met adressant vastgesteld. Het akoestisch onderzoek is juist uitgevoerd omdat in dit specifieke geval gezien de aard van de activiteiten en de richtafstanden op voorhand niet uitgesloten kon worden dat er niet aan de geldende grenswaarden zou worden voldaan. Daarmee is voldoende maatwerk geleverd en afdoende rekening gehouden met dit individuele geval. De overige aspecten, geur, gevaar en stof, waarvoor de richtafstand geldt, zijn, gezien de daadwerkelijke bedrijfsactiviteiten, hier niet relevant. Voor de percelen Nijverheidslaan 1 en 5 geldt dat hier een autodealer gevestigd was (het bedrijf aan Nijverheidslaan 5 is overigens inmiddels verhuisd en dit pand staat momenteel leeg). Er is recentelijk een omgevingsvergunning verleend voor de vestiging van een kinderdagverblijf. De vergunning is echter nog niet onherroepelijk vanwege ingediende bezwaren. Deze bedrijfsvoering heeft geen effect op de toets aan genoemde hinderaspecten. Op de percelen Nijverheidsweg 3 en 9 is momenteel geen bedrijfsvoering aanwezig. Alleen het bedrijf De Groot Luchtkanalen kan in potentie een effect hebben op de aspecten geur, gevaar en stof.
Kijkend naar de Staat van Bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in het bestemmingsplan vallen de activiteiten van dit bedrijf onder de categorie ‘constructiewerkplaats (vervaardiging en productie van metalen)’. Hiervoor geldt voor alle drie de overige thema’s een richtafstand van 10 meter binnen gemengd gebied. Binnen deze afstand is geen woningbouw voorzien. Wanneer het bestemmingsplan voor de geplande woningbouwbouwontwikkeling onherroepelijk is, dient rekening te worden gehouden met deze woningbouw bij eventuele hervestiging van bedrijven. Belangrijk is hierbij dat zich reeds reguliere woningen op vergelijkbare afstand bevinden. Het gaat hierbij om vijf woningen aan de Korte Muiderweg 4 t/m 10 (even). Bij bedrijfsaanpassingen of vestiging van nieuwe bedrijven zijn deze bestaande woningen al maatgevend.
14
2.7 Zienswijze: Adressant geven aan dat de woningbouw voor bedrijven extra kosten betekent en tot planschade zal leiden. Planschadeclaims vallen volgens adressant vaak onder het normaal maatschappelijk risico en dus ten laste van schadeclaimers. Dit is reden genoeg om belangen beter af te wegen. Reactie gemeente: Een zorgvuldige belangenafweging vindt altijd plaats in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het belang van de woningbouw op deze locatie is afgewogen tegen de belangen van bedrijven in de omgeving. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan, die ruimtelijke onderbouwing vormt, valt op te maken dat deze belangenafweging plaatsvindt op basis van ruimtelijk relevante aspecten.
Voor het bedrijf zijn geen extra kosten te verwachten vanwege de geplande woningbouw. Bij de maatwerkvoorschriften gaat het in dit geval om het toestaan van een hogere geluidbelasting. Hieraan zijn geen extra kosten verbonden voor het betreffende bedrijf. Het is vaste rechtspraak van de ABRvS1 dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan c.q. de in dat kader uit te voeren beoordeling of er sprake is van een goede ruimtelijke ordening het onderdeel planschade in beginsel niet hoeft mee te wegen. Dit is slechts anders als de verwachting bestaat dat de planologische schade zodanig zal zijn dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet uitvoerbaar is. Alleen in een dergelijk geval kan een beroep tegen het plan met betrekking tot de financiële uitvoerbaarheid volgens de ABRvS leiden tot vernietiging van het vaststellingsbesluit van de raad. Uit de rechtspraak van de ABRvS volgt verder2 dat voor het financieel niet-uitvoerbaar zijn van het plan niet behoeft te worden gevreesd als een gemeente het risico van planschade in de zin van artikel 6.1 Wro op de voet van artikel 6.4a Wro heeft afgewenteld op de initiatiefnemer door het sluiten van een planschadeovereenkomst of anterieure overeenkomst.
Uit de rechtspraak volgt tenslotte dat indien het project waarin een plan voorziet een particulier initiatief betreft, er een planschadeovereenkomst is gesloten en (voldoening van) de exploitatiekosten door initiatiefnemer zijn verzekerd, het aan de initiatiefnemer is om te beoordelen of het project wel kan worden uitgevoerd en of dat rendabel is3. De gemeente(raad) heeft in dat kader dan dus geen rol van betekenis meer In dit geval is heeft de gemeente het planschaderisico afgewenteld op de initiatiefnemer door op 7 juli 2020 met Weesperwerf CV een anterieure overeenkomst te sluiten, waarin is overeengekomen dat Weesperwerf CV de planschade ex artikel 6.1 Wro voor haar rekening neemt. Aan het feit dat in het kader van de beoordeling van een eventuele planschadeclaim van reclamant mogelijk planschade (al dan niet gedeeltelijk) niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat deze onder het `normaal maatschappelijk risico` valt, komt gezien het voorgaande in het kader van deze bestemmingsplanprocedure geen betekenis toe. ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:448 ABRvS 17-04-2019 Oldebroek, ECLI;NL:RVS:2019:1258 3 ABRvS 01-08-2018 Alkmaar, ECLI:NL:RVS:2018:2544 1 2
15
2.8 Zienswijze: Adressant vindt de mechanische telling, die in het kader van het verkeersonderzoek is uitgevoerd onzuiver. De telling heeft van dinsdag 15 mei tot en met maandag 21 mei 2018 op de Korte Muiderweg plaatsgevonden. Binnen deze periode viel ook het Pinksterweekend en zijn de tellingen daardoor ook niet representatief genoeg. Adressant vindt het een gemiste kans, dat de Nijverheidslaan niet verbreed wordt om zo een vrij liggend fietspad te realiseren. Men vindt het verkeersrapport en de toelichting op dit onderwerp onduidelijk. Niet duidelijk is wat nu precies het effect is op het verkeer. Het is nu al druk en dat wordt volgens adressant alleen maar erger. Ook de vergelijken van de huidige bestemmingsplanmogelijkheden met de toekomstige 115 woningen is niet correct, omdat in het bestemmingsplan geen maximum aantal woningen is geregeld. Goudappel Coffeng concludeert volgens adressant dat de kwaliteit van de verkeersafwikkeling als gevolg van de woningbouwontwikkeling al goed is te beoordelen en dat de impact op het omliggende wegennet zeer beperkt is. Maar alleen als de Korte Muiderweg wordt afgewaardeerd en de nieuwe verbindingsweg rondom de nieuwe Bloemendalerpolder/ Rijksweg A1`is gerealiseerd. Dit kan nog duren en men vraagt zich af hoe het met de verkeersafwikkeling tot die tijd zit.
Reactie gemeente: Ten eerste moet worden gezegd, dat de maximale invulling van de locatie met bedrijven (conform het huidige bestemmingplan) ook tot een toename van verkeer zal leiden, met name ook vrachtverkeer. Het klopt inderdaad dat Pinksteren binnen de periode van 15 tot 21 mei 2018 viel, samenvallend met de verkeerstellingen. Ten behoeve van het onderzoek naar de kwaliteit van de verkeersafwikkeling zijn echter twee typen onderzoeken verricht: visuele verkeerstellingen op het kruispunt Korte Muiderweg – Nijverheidslaan en de rotonde Korte Muiderweg – Stationsweg – Leeuwenveldseweg en een mechanische telling op de Korte Muiderweg. In de visuele tellingen is het verkeer gedurende de ochtend- en avondspitsperiode op donderdag 17 mei naar rijrichting (afslagbewegingen) en voertuigcategorie (visueel) geregistreerd. Deze input is gebruikt in de analyse naar de kwaliteit van de verkeersafwikkeling. De mechanische telling is uitgevoerd met behulp van telapparatuur, waarmee 24/7 de verkeersintensiteit per uur naar rijrichting is geregistreerd. De mechanische telling is gebruikt om te beoordelen in hoeverre de verkeersintensiteit op donderdag, tijdens de visuele telling, overeen komen met de verkeersintensiteit op de andere dagen in de week.
De donderdag was een representatieve dag (buiten Pinksteren om) wat betekent dat de berekeningen voor de verkeersafwikkeling wel als representatief beschouwd kunnen worden. De opvatting dat sprake is van een gemiste kans wat betreft een vrijliggend fietspad langs de Nijverheidslaan delen wij niet. Op pagina 15 van het verkeersonderzoek valt te lezen dat de verkeersintensiteiten dusdanig laag zijn dat de veiligheid van fietsers niet in het geding is. Volgens de richtlijnen binnen Duurzaam Veilig zijn daarom geen aanvullende fietsvoorzieningen nodig. Het plan voorziet echter wel in een aparte ontsluiting voor fietsers die geen gebruik maken van de Nijverheidslaan.
16
In hoofdstuk 4.2 staat te lezen dat de verkeersgeneratie van 115 woningen resulteert in 790 motorvoertuigen extra per werkdagetmaal. Dit is dus de toename van verkeer als gevolg van de woningbouw. In bijlage 1 valt af te lezen dat op basis van de uitgevoerde verkeerstellingen circa 15.000 motorvoertuigen verwerkt worden op de Korte Muiderweg tussen de rotonde en de kruising met de Nijverheidslaan. Dit betekent een verwacht aantal van circa 15.790 motorvoertuigen op een gemiddelde werkdag, ofwel een beperkte toename van ongeveer 5%. In het ontwerp bestemmingsplan is het aantal woningen nog niet gemaximeerd. Dat zal bij vaststelling wel gebeuren, zodat in het plangebied maximaal 115 woningen gerealiseerd kunnen worden. In de ochtend- en avondspits is de verkeersgeneratie van de 115 woningen bekend, namelijk 80 motorvoertuigen. Dit betekent een toename van niet meer dan 2 auto’s per minuut, wat een relatief laag aantal is. De beoordeling of het te druk wordt is uitgedrukt in o.a. verliestijd en wachtrijlengte. Wanneer in bijlage 3 van het onderzoeksrapport variant 2 (toekomstig exclusief woningbouw) wordt vergeleken met variant 4 (toekomstig inclusief woningbouw) worden de volgende conclusies getrokken: De verliestijden voor sommige richtingen nemen toe als gevolg van de woningbouwontwikkeling.
In de gestelde grenswaarden zijn echter criteria opgenomen die weergeven wat de maximum verliestijden zijn. In geen van de gevallen overschrijdt de verliestijd de aangegeven grenswaarden. Hiermee wordt geconcludeerd dat de toekomstige verkeersafwikkeling binnen de gestelde grenswaarden blijft, en daarmee goed is. Bij de wachtrijlengtes is vastgesteld dat de grenswaarde bereikt wordt wanneer een andere rijrichting geblokkeerd wordt door de wachtrij. In geen van de gevallen wordt een dusdanig lange wachtrij voorzien, waarmee de verkeersafwikkeling goed te noemen is. In het verkeersonderzoek is geconcludeerd dat als gevolg van de infrastructurele ontwikkelingen binnen de gemeente Weesp (onder andere de inmiddels vastgestelde afwaardering van de Korte Muiderweg (deze wordt in de toekomst nog verder afgewaardeerd) en de nieuwe verbindingsweg rondom de Bloemendalerpolder/rijksweg A1) de verkeersintensiteiten op het omliggende wegennet afneemt ten opzichte van de huidige situatie. Dit is een realistische aanname, waarmee rekening kan worden gehouden. De nieuwe verbindingsweg is nog niet gerealiseerd, maar de nieuwe woonwijk ook nog niet. De realisatieverplichting van de weg is gekoppeld aan de oplevering van de woningen in de Bloemendalerpolder en geborgd in het exploitatieplan behorende bij het bestemmingsplan voor de Bloemendalerpolder.
Volgens de planning van het projectbureau ligt de realisatie van de verbindingsweg op schema. De westelijke ontsluitingsweg heeft een opleverdatum van eind mei 2022. De woningen in Weesperwerf zijn dan nog niet opgeleverd. Het is niet uit te sluiten, dat er vertraging kan ontstaan en dat de nieuwe verbindingsweg later gereed is dan de woonwijk, in dit geval wordt de wachtrij met drie auto’s langer. Dat is beperkt en aanvaardbaar. In de eindsituatie met woonwijk een aangepast wegennet zal het verkeer minder zijn. De kwaliteit van de verkeersafwikkeling als gevolg van woningbouwontwikkeling Weesperwerf is dan ook te beoordelen als goed. De impact op het omliggende wegennet is zeer beperkt. Er doen zich geen verkeerskundige knelpunten voor. Het parkeerterrein zal aan de Nijverheidslaan worden ontsloten. Hierdoor rijdt men aan het begin van de Nijverheidslaan in en aan het einde
17
van het parkeerterrein weer uit. Het parkeerterrein moet hierbij in één richting worden gebruikt. Belangrijk is hier ook om te noemen dat binnen het huidige bestemmingsplan de vestiging van een bedrijf met een grote verkeersproductie gewoon mogelijk is. 2.9 Zienswijze: Adressant vindt het ontbreken van een tweede calamiteitenontsluiting problematisch en wil graag van de brandweer toegelicht krijgen hoe hulpdiensten bij een ramp het terrein op kunnen en hoe mensen kunnen vluchten als de enige toegangsweg door paniek geblokkeerd raakt. Reactie gemeente: Het onderwerp externe veiligheid is voldoende onderzocht en beoordeeld door de brandweer. De geplande ruimtelijke ontwikkelingen hebben volgens de brandweer geen negatief effect op de mogelijkheden tot het bestrijden of beperken van een ramp. De ontvluchting van de bewoners is in voldoende mate van het risico af mogelijk. Ook het bluswater en de bereikbaarheid van de risicobronnen is in voldoende mate afgestemd en de brandweer zal namens de nood- en hulpdiensten aangesloten blijven. Een restrisico blijft altijd, maar dat wordt acceptabel geacht. Op 16 september 2020 heeft de Brandweer Regio Gooi en Vechtstreken een positief advies afgegeven voor de beoogde ontwikkeling. Op 16 maart 2021 heeft de Brandweer Regio Gooi en Vechtstreken n.a.v.
de verdere uitwerking van het plan aanvullend advies uitgebracht over waterblusvoorzieningen en opstelvakken. Ook dit advies was positief. Tenslotte is er in het advies van 17 mei 2021 nog een positief advies uitgebracht over de calamiteitenontsluiting. Ook is inmiddels het groepsrisico in voldoende mate verantwoord. De verantwoording zal bij vaststelling in de toelichting van het bestemmingsplan worden verwerkt. 2.10 Zienswijze: Adressant vindt dat voor vaststelling van dit bestemmingsplan eerst nieuw beleid voor de transformatie van bedrijventerreinen vastgesteld moet worden. Volgens adressant is de gemeente hiermee recentelijk begonnen. Dat is nodig omdat het eerdere beleid per raadsbesluit in 2016 buiten werking gesteld, zodat er op dit moment geen geldend beleid is. Wél ligt er volgens adressant een opdracht om nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor transformatie. Verder is uit een analyse van de Regio Gooi- en Vechtstreken gebleken, dat er een tekort is aan bruikbare bedrijventerreinen en dat transformatie dan ook terughoudend moet worden toegepast. De noodzaak voor een beleidswijziging wordt herkend. Men concludeert dat het bedrijventerrein aan de Nijverheidslaan goede perspectieven heeft voor een goed functionerend bedrijventerrein. Een homogene woonwijk vindt men niet passend. Enige menging met woon-werk units was wenselijk geweest.
Door de overlast en hinder door bedrijven is hier geen sprake van een goed en gezond woon- en leefklimaat. Reactie gemeente: Het bestemmingsplan is getoetst aan het actuele beleid van rijk, provincie, regio en gemeente. Het meest recente beleid van de gemeente ten aanzien van deze locatie is vastgelegd in de raadsbesluiten van 11 juli 2018, waarin de randvoorwaarden voor de ontwikkeling van woningen zijn neergelegd en 19 december 2018, waarin de kader van juli 2018 zijn aangepast. Hierbij werd door de raad een besluit genomen om de onderhavige locatie, zoals ook eerder was gepland, alsnog te ontwikkelen met woningen. Nieuwe inzichten en een veranderde marktsituatie hebben hiertoe geleid. Deze kaders vormen nu het uitgangspunt in de tussen initiatiefnemer en
18
gemeente op 7 juli 2020 overeengekomen anterieure overeenkomst. Op de regionale analyse waaraan wordt gerefereerd is al ingegaan in de beantwoording van de zienswijze onder 2.2. 2.11 Zienswijze: Volgens adressant is uit onderzoek gebleken, dat alleen door toepassing van maatregelen voldaan kan worden aan de normen zodat sprake is van een aanvaardbare situatie. Reactie gemeente: Het is op zich niet ongebruikelijk en ook niet bezwaarlijk dat maatwerkvoorschriften worden toegepast. Bovendien vloeien deze deels al voort uit de bestaande situatie met de aanwezige woningen. Het betreft hier alleen één bedrijf die net buiten de richtafstand valt. In de reactie onder 2.6 zijn de mogelijke oplossingsrichtingen verder behandeld. 2.12 Zienswijze: Adressant vindt dat de conclusie uit het akoestisch onderzoek A-point van TAUW, dat het bedrijf kan voldoen aan de standaard grenswaarden uit het Activiteitenbesluit op de rooilijnen van de geplande woningen dat er geen belemmeringen zijn voor de woningbouw of de bedrijfsvoering, niet houdbaar is, omdat: 1. Het piekgeluid ten gevolge van het wisselen van de afvalcontainer meegenomen moet worden in de beoordeling in het kader van een ruimtelijke beoordeling en 2. Het gebruik van de luchtsleutel niet meegenomen is in de berekening van de optredende piekgeluiden.
Reactie gemeente: Ten eerste wordt hier opgemerkt dat het bedrijf sinds oktober 2020 niet meer gevestigd is op deze locatie. Gemaakte opmerkingen zijn dan ook op dit moment niet meer relevant. Voor de volledigheid wordt hier wel nog op ingegaan om aan te tonen dat zorgvuldig te werk is gegaan. Met betrekking tot de piekgeluiden kan vermeld worden dat deze inzichtelijk gemaakt zijn in de beoordeling en ruimtelijke afweging. De beperkte frequentie van wisselen van de containers (volgens het bedrijf zelf 2 x per week) is hierbij wel van belang en is meegenomen in de afweging van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat. Deze veronderstelling dat de luchtsleutel niet is meegenomen is onjuist. Voor beide openstaande overheaddeuren is een geluidvermogen van 102 dB(A) ingevoerd in het rekenmodel. Dit is een representatief piekvermogen voor het gebruik van de luchtsleutels in de hal. De luchtsleutels worden immers niet in de deuropening gebruikt, maar achter in de hal waar de werkplaatsen en bruggen zicht bevinden. Door verstrooiing en afstandsdemping zullen de piekgeluiden die via de deuropening naar buiten treden dus aanzienlijk lager zijn dan de piekbronvermogens. De bronnen van 102 dB(A) zijn meegenomen in de berekening en beoordeling van de optredende piekgeluiden op de gevels van de nieuwbouw.
2.13 Zienswijze: Volgens adressant worden er te weinig sociale woningen gerealiseerd. Deze zijn bovendien niet in het bestemmingsplan gewaarborgd.
19
Reactie gemeente: Het is niet noodzakelijk om in een bestemmingsplan regels op te nemen ten aanzien van woningbouwcategorieën. De op 11 juli 2018 en 19 december 2018 door de raad van de gemeente Weesp vastgestelde ruimtelijk kaders vormen het vastgestelde beleid voor de ontwikkeling van de locatie. Daarin is de woningbouwprogrammering vastgelegd. Dit is ook vastgelegd in de op 7 juli 2020 getekende anterieure overeenkomst tussen de gemeente en ontwikkelaar en hierdoor voldoende geborgd.
Adressant 3 3.1 Zienswijze: Adressanten vindt dat het bestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat wordt voorzien in woningbouw op een bestaand bedrijventerrein, waar al jaren bedrijven in de hoogste milieucategorieën zijn gevestigd. Adressant is zelf eigenaar van een bedrijf in categorie 4.2. Dit gaat volgens adressant niet samen met woningbouw. Verwezen wordt naar de plantoelichting, waar onder anderen staat dat de aanwezigheid van bedrijven de kwaliteit van de leefomgeving kan beïnvloeden. Bedrijven kunnen geur, stof, geluid en gevaar veroorzaken. Voorkomen moet worden dat bedrijven hinder veroorzaken naar de omgeving, vooral indien het woongebieden of andere gevoelige bestemmingen betreft. Daarnaast moeten bedrijven zich kunnen ontwikkelen en eventueel uitbreiden. Om dit te bereiken is het van belang dat bedrijven en gevoelige bestemmingen ruimtelijk goed gesitueerd worden zodat de bedrijven zo min mogelijk overlast opleveren en woongebieden de bedrijven zo min mogelijk beperken in hun bedrijfsuitvoering. Hiermee wordt volgens adressant door de gemeente onderkend hoe belangrijk een ruimtelijke afweging van belangen is, maar vervolgens in het bestemmingsplan geen goede afweging heeft plaatsgevonden en dat daarom geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
Reactie gemeente: De geciteerde omschrijving uit de toelichting is een introductie op de werking van de Brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Daarmee is niet gezegd dat bedrijven en wonen niet in elkaars nabijheid kunnen functioneren, maar dat zodra woningen en bedrijven in elkaars nabijheid worden gesitueerd er rekening moet worden gehouden met de hinder van de deze specifieke bedrijven. Daarom zijn er in het kader van het bestemmingsplan alle relevante milieu(hinder)aspecten onderzocht en beoordeeld aan de hand van de daadwerkelijke bedrijfsvoering. Hierbij is geconcludeerd dat wonen en bedrijvigheid zoals nu gepland samengaan en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Overigens bevinden zich in de huidige situatie op kortere afstand (80 meter) aan de overzijde van de Vecht een twintigtal woonboten die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering en milieuhinder van adressant (zie ook reactie onder 2.4 en 2.6). 3.2 Zienswijze: Adressant is van mening dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet correct is toegepast voor dit bestemmingsplan. Er wordt volgens adressant onterecht geconcludeerd dat het bedrijventerrein aan de Nijverheidslaan een overbodig bedrijventerrein is. Hierbij wordt verwezen naar het Regionaal Actieprogramma Gooi- en Vechtstrook 2016-2020, waarin staat
20
dat nieuwe woningen gerealiseerd moeten worden door onder meer transformatie van overbodige bedrijventerreinen. Ook al ligt het terrein jaren braak, zou er volgens adressant veel animo zijn geweest voor de invulling van het terrein met bedrijfsfuncties, maar heeft de eigenaar hiervan afgezien. Men vindt dan ook dat hierdoor geen sprake is van goede ruimtelijke ordening. Reactie gemeente: De ladder voor duurzame verstedelijking is er niet om de behoefte aan de ene functie af te wegen ten opzichte van de behoefte aan een andere functie. De ladder vereist te motiveren dat behoefte is aan de nieuw te realiseren functie, niet of er behoefte is/was aan de oude functie. De ruimtelijke relevantie is dat een overaanbod kan leiden tot leegstand. De locatie ligt al meer dan 20 jaar braak en er zijn geen serieuze en kansrijke initiatieven voor een ontwikkeling met bedrijven geweest. In de toelichting wordt voldoende aangetoond dat er een grote behoefte is aan woningen. Ook wordt voldaan aan regionale afspraken, want de locatie is als potentiële woningbouwlocatie opgenomen in de regionale Planmonitor. 3.3 Zienswijze: Adressanten geeft aan dat in de Provinciale Omgevingsvisie de balans tussen economische groei en leefbaarheid voorop staan. Deze balans is in het ontwerpbestemmingsplan uit het oog verloren.
Zoals hiervoor aal aangegeven is onvoldoende gekeken naar de behoefte aan bedrijventerreinen en is het ontwerpbestemmingplan dan ook in strijd met de omgevingsvisie. Het ontwerp bestemmingsplan is tevens in strijd met de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Volgens adressant kan een bestemmingsplan op grond van artikel 5a van de verordening alleen voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen (zoals woningbouw), indien dit in overeenstemming is met regionale afspraken. Er is volgens adressant alleen gekeken naar regionale afspraken met betrekking tot woningbouw, maar niet naar afspraken over bedrijventerreinen. Reactie gemeente: Wij delen het standpunt niet dat het bestemmingsplan in strijd is met de provinciale omgevingsvisie. Omgevingsvisie is niet bindend voor de gemeente. Inmiddels is de PRV vervangen door de recentelijk vastgestelde Omgevingsverordening. Inhoudelijk wijzigt dit hierdoor niet voor de onderhavige locatie. De Omgevingsverordening is wel bindend voor de gemeente. Daarin is het gebied niet aangewezen als industrieterrein van provinciaal of regionaal belang. Er zijn evenmin andere belemmeringen voor de woningbouw in de Omgevingsverordening opgenomen. De ontwikkeling met woningen is dus niet in strijd met de verordening.
De bepaling met betrekking tot regionale afspraken gaat uitsluitend over afspraken met betrekking tot de beoogde nieuwe ontwikkelingen, niet over de inzet van braakliggend terrein voor andere bestemmingen. Ook op dit punt wordt voldaan aan het beleid. In de verordening staat "Omdat het Besluit ruimtelijke ordening via de Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) al regels stelt over 1) aantonen nut en noodzaak en 2) onderzoeken van binnenstedelijke mogelijkheden, zijn deze regels niet in de omgevingsverordening opgenomen. Daarmee staat de regionale afstemming in de omgevingsverordening centraal als het gaat om nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Regionale afstemming is niet in het Besluit ruimtelijke ordening via de Ladder geregeld en is daarom opgenomen in de omgevingsverordening.