Bijlage 7. VNG handreiking milieuzonering nieuwe stijl (2023)
Tekst van het document
Bedrijventerreinen waar ook milieucategorie 4.2 en hoger zijn toegelaten zijn in de meeste gevallen geluid gezoneerde industrieterreinen met een eigen (wettelijke) geluidregeling die maatgevend is. Zie paragraaf 3.4. Om die reden is niet voorzien in specifieke geluidruimte die correspondeert met milieucategorie 4.2 en hoger uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. De normen zijn afgeleid van de gebiedsgerichte normen uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening en bijlage 5 van de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering: • 45 dB(A) etmaalwaarde voor een rustige woonwijk • 50 dB(A) etmaalwaarde voor een woonwijk in de stad/gemengd gebied. Deze normen zijn op de in onderstaande tabel aangeven wijze omgezet naar de normen per zone op een vaste afstand van 30 of 50 meter vanaf de terreingrens. In de tabel is ook aangegeven op welke afstand deze zones van het bedrijventerrein zich minimaal bevinden ten opzichte van de rustige woonwijk en het gemengd gebied in de omgeving van het bedrijventerrein. Zone
Richtafstand voor de zone
Passende norm
Vertaald naar
1
30 meter tot rustige woonwijk 10 meter tot gemengd gebied
45 dB(A) rustige woonwijk 50 dB(A) gemengd gebied
45 dB(A) op 30 meter vanaf terreingrens
2
50 meter tot rustige woonwijk 30 meter tot gemengd gebied
45 dB(A) rustige woonwijk 50 dB(A) gemengd gebied
45 dB(A) op 50 meter vanaf terreingrens
3
100 meter tot rustige woonwijk 50 meter tot gemengd gebied
45 dB(A) rustige woonwijk 50 dB(A) gemengd gebied
50 dB(A) op 50 meter vanaf terreingrens
4
200 meter tot rustige woonwijk 100 meter tot gemengd gebied
45 dB(A) rustige woonwijk 50 dB(A) gemengd gebied
55 dB(A) op 50 meter vanaf terreingrens
In zone 1 geldt een norm van 45 dB(A) op een afstand van 30 meter van de terreingrens. Zone 1 ligt op tenminste 10 meter afstand van gemengd gebied. Tussen die 10 meter en 30 meter kunnen woningen in gemengd woongebied zijn gelegen. Voor die woningen geldt op grond van het Activiteitenbesluit een geluidnorm van 50 dB(A). Het bedrijf moet aan beide normen voldoen. Voor zone 2 geldt een vergelijkbare situatie. Het werken met een vaste afstand van 50 meter vanaf de terreingrens is al bekend in het milieuspoor, zie artikel 2.17 lid 2 Activiteitenbesluit: “Indien de inrichting is gelegen op een gezoneerd industrieterrein gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) uit tabel 2.17a ook op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting.” De normen gelden voor de zogenaamde representatieve bedrijfssituatie (RBS), inclusief regelmatige
24
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
afwijkingen daarvan (ABS), als bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. De normen gelden niet voor incidentele bedrijfssituaties (IBS) als bedoeld in de genoemde handreiking. Uitgangspunt voor de toetsing van de geluidruimte in de zones is een situatie waarin geen bebouwing aanwezig is in het gebied tussen de terreingrens van het bedrijf en de afstand van 30 of 50 meter vanaf die grens. Er wordt dus gerekend in een zogenaamde ‘polder’situatie. Geur De normen voor geur zijn gebaseerd op wat volgens veel in Nederland gehanteerd geurbeleid aanvaardbaar is. Bijvoorbeeld het beleid van de provincies Noord- en Zuid-Holland. De strengste 3 waarden van 0,5 ouE/m of H=-0,5 gelden veelal als streef- of ambitiewaarde voor nieuwe situaties. De waarden gelden op een afstand van 30 meter van de terreingrens van het bedrijf. Het is, zeker in gemengd gebied, niet uitgesloten dat binnen die afstand al gevoelige objecten zijn gelegen. In dat geval geldt op grond van het milieuspoor de bepaling uit artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit dat geurhinder in beginsel moet worden voorkomen. Op een afstand van 50 meter van woongebieden (zowel rustig als gemengd) kan standaard van een beperkt grotere afstand vanaf de terreingrens worden uitgegaan. Ook voor deze zone 2 is uitgegaan van de waarden die in veel gevallen als streef- of ambitiewaarde worden aangehouden.
Pas in zone 3 op een afstand vanaf 100 meter van woongebieden (zowel rustig als gemengd) kan standaard uitgegaan worden van een ruimere normstelling, die geldt op een afstand van 50 meter van de terreingrens. Een geurbelasting van H=-1 als 98 percentiel geldt in veel gevallen als maximale waarde voor nieuwe situaties. Deze geurbelasting is echter pas toegestaan ruim buiten de woonomgeving (immers op 50 meter van de terreingrens in zones die zijn gelegen op tenminste 100 meter van de woonomgeving). Gemeenten kunnen uiteraard afwijkende normen of afstanden opnemen, bijvoorbeeld op basis van hun eigen geurbeleid.
Standaard geurruimte versus specifieke geurruimte
Bij de meeste bedrijven is geluid het maatgevende thema, slechts een enkel bedrijf is geurrelevant. Het gros van de bedrijven zal ruimschoots voldoende hebben aan bovenstaande standaard gebruiksruimten. Voor het enkele bedrijf dat daaraan niet voldoende heeft zal een omgevingsvergunning voor een bestemmingsplanactiviteit nodig zijn. Hierbij kan op maat worden afgewogen welke geurruimte kan worden toe gekend, al dan niet onder toepassing van gemeentelijk geurbeleid.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
25
A2 Opties voor regeling bij ligging bedrijf in meerdere zones bedrijventerrein Het kan zijn dat bedrijven op een bedrijventerrein in meer dan één zone voor geluid- of geurruimte liggen. Voor het bepalen van de geluid- en geurruimte van deze bedrijven zijn er twee opties, die beiden in de voorbeeldregeling zijn opgenomen. De opties zijn: OPTIE 1 Als het bedrijf in meer dan één zone ligt, geldt de laagste norm van deze zones voor het gehele bedrijf. OPTIE 2 Als het bedrijf in meer dan één zone ligt, geldt steeds de voor de betreffende zone geldende norm voor de het gehele bedrijf, waarbij de norm bij de grootste afstand telt. Optie 1 speekt voor zich. Als een bedrijf bijvoorbeeld deels in zone 1 is gelegen, dan geldt voor het gehele bedrijf voor geluid een norm van 45 dB(A) op 30 meter van de terreingrens. Deze benadering kan in de praktijk tot knelpunten bij bedrijven leiden en zal aanleiding geven tot mogelijk een aanzienlijk aantal procedures voor omgevingsvergunningen om van die normen af te wijken. Optie 2 verdient daarom de voorkeur. Optie 2 is op het oog ingewikkeld, maar uit onderstaande voorbeeldtekeningen wordt duidelijk dat het resultaat vrij overzichtelijk is. Bij ligging van het bedrijf in meerdere zones geldt bij optie 2 dat in eerste instantie per zone de norm wordt bepaald: elk zonedeel van het bedrijf krijgt een eigen contour: 1.
In beige de contour op 30 meter rondom het deel van het bedrijf dat ligt in zone 1. 2. In groen de contour op 30 meter rondom het deel van het bedrijf dat ligt in zone 2. 3. In blauw de contour op 50 meter rondom het deel van het bedrijf dat ligt in zone 3. 4. In rood de contour op 50 meter rondom het deel van het bedrijf dat ligt in zone 4. Daar waar de contouren elkaar overlappen, geldt steeds voor het hele bedrijf de grootste contour met de hoogste norm. Dat resulteert in de volgende omhullende contour, waarbij elke kleur een eigen norm heeft.
26
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
50 m
55-50-45 dB(A)
Zone 4
200m
50-45-40 dB(A)
Zone 3
100m Zone 2 50m 30m
Zone 1 45-40-35 dB(A)
0m
50 m
55-50-45 dB(A)
Zone 4
200m
50-45-40 dB(A)
Zone 3
100m Zone 2 50m 30m
Zone 1
0m
45-40-35 dB(A)
Wat deze voorbeelduitwerking laat zien is dat de beige contour van het deel van het bedrijf in zone 1 geheel omsloten wordt door de groene contour rondom het deel van het bedrijf dat is gelegen in zone 2: de beige contour komt in dit voorbeeld dan ook niet in de uiteindelijke contour terug. De betreffende contouren en bijbehorende normen worden niet vastgelegd in de verbeelding. De ligging en werking van de nromen volgen uit de regels en bewegen mee met de ligging van de bedrijven. Bovenstaande uitwerking geldt voor geluid. Voor geur werkt de uitwerking overeenkomstig.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
27
A3 Voorbeeld planregels bedrijventerrein en ander werkgebied Met het oog op de herkenbaarheid is voor onderstaande regels aansluiting gezocht bij de reguliere bestemmingsplanstructuur. Bestemmingsplannen verbrede reikwijdte kennen in de praktijk verschillende regelstructuren. Onderstaande regels moeten nog worden vertaald naar de voor het betreffende bestemmingsplan verbrede reikwijdte gekozen regelstructuur.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 2 Bedrijventerrein 2.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Bedrijventerrein’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. bedrijven12 2. ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - …’tevens voor een bedrijf…... met daaraan ondergeschikt: 3. …etc. met de daarbij behorende: 4. ….etc. Met uitzondering van: 5. Ippc-installaties 6. nieuwe activiteiten die genoemd zijn in onderdeel C en onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage, in de gevallen als genoemd in kolom 2 van die onderdelen, 7. activiteiten die op grond van in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht zijn aangewezen als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Wet geluidhinder, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, 8. risicovolle activiteiten in de zin van het Bevi. 2.2 Specifieke gebruiksregels geluid en geur 2.2.1 Algemeen a. Aan de specifieke gebruiksregels geluid en geur voor inrichtingen op een bedrijventerrein wordt voldaan door degene die de inrichting drijft. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de inrichting. b. Het is verboden een inrichting in gebruik te nemen zonder dit ten minste vier weken voor het begin er van te melden. c. Lid b. is niet van toepassing op activiteiten die in het Activiteitenbesluit zijn aangewezen als type A-inrichtingen. d.
Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de aanduiding van de activiteit; b. het adres waarop de activiteit wordt verricht;
12
28
In het overige deel van de planregels wordt gesproken over ‘inrichtingen’, omdat de normen voor geluid en geur niet alleen betrekking hebben op de bedrijvenfunctie, maar ook op eventuele andere inrichtingen die in het bestemmingsplan worden toegelaten. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat een gemeente ook functies als een sportschool of een bouwmarkt toelaat op het bedrijventerrein.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
c. de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht; d. de naam en het adres van degene die de activiteit verricht; e. de dagtekening; f. een onderbouwing dat kan worden voldaan aan de van toepassing zijnde regels voor geluid en geur. e. Het bevoegd gezag kan bij nadere eis bepalen dat extra gegevens en bescheiden worden verstrekt die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in het bestemmingsplan. 2.2.2 Geluid a. Voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, geldt dat wordt voldaan aan de in tabel …opgenomen normen. b. De normen gelden op de in de tabel vermelde afstand van 30 of 50 meter vanaf de grens van de inrichting. c. Bij de toepassing van het bepaalde onder a. en b. wordt geen rekening gehouden met het effect van bebouwing die aanwezig is in het gebied tussen de grens van de inrichting en de afstand van 30 of 50 meter vanaf die grens. d. De normen zijn niet van toepassing op incidentele bedrijfssituaties als bedoeld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. OPTIE 1 [voor inrichting die in meerdere zones ligt]: e.
Als de inrichting in meer dan één zone als bedoeld in tabel …ligt, geldt de laagste norm van deze zones voor de gehele inrichting. OPTIE 2 [voor inrichting die in meerdere zones ligt]: f. Als de inrichting in meer dan één zone als bedoeld in tabel …ligt, geldt de voor de betreffende zone geldende norm voor de gehele inrichting, waarbij de norm bij de grootste afstand telt. Tabel X Geluidruimte voor inrichtingen gelegen binnen de aanduiding
Afstand vanaf grens inrichting
07.00-19.00 uur
19.00-23.00 uur
23.00-07.00 uur
Geluidruimte zone 1
30 meter
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
Geluidruimte zone 2
50 meter
45 dB(A)
40 dB(A)
35 dB(A)
Geluidruimte zone 3
50 meter
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
Geluidruimte zone 4
50 meter
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
2.2.3 Afwijken van geluidnormen binnen specifieke aanduiding [Reservering voor afwijkende normen voor bestaande inrichtingen] Ter plaatse van de volgende aanduidingen gelden, in afwijking van artikel 2.2.3, voor het toelaatbare geluid de per aanduiding aangegeven normen: 1. …. 2. etc 2.2.4 geur a. Indien vanuit een inrichting emissies naar de lucht plaatsvinden, wordt voldaan aan de in tabel … opgenomen normen voor toelaatbare geur. b. De normen gelden op de in de tabel vermelde afstand van 30 of 50 meter vanaf de grens van de inrichting. c. De term H=-0,5 is gelijk aan een (uurgemiddelde) geurconcentratie in ouE/m3 die overeenkomt met een hedonische waarde van -0,5. De term H=-1 is gelijk aan een (uurgemiddelde) geurconcentratie in ouE/m3 die overeenkomt met een hedonische waarde van -1.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
29
OPTIE 1 [voor inrichting die in meerdere zones ligt]: d. Als de inrichting in meer dan één zone als bedoeld in tabel …ligt, geldt de laagste norm van deze zones voor de gehele inrichting. OPTIE 2 [voor inrichting die in meerdere zones ligt]: c. Als de inrichting in meer dan één zone als bedoeld in tabel …ligt, geldt steeds de voor de betreffende zone geldende norm voor de gehele inrichting, waarbij de norm bij de grootste afstand telt. Tabel X Geurruimte voor inrichtingen gelegen
Afstand vanaf grens inrichting
Als 98 percentiel
Als 99,9 percentiel
Binnen de aanduiding geurruimte zone 1
30 meter
0,5 ouE/m3 of H=-0,5
2 ouE/m3 of 4*H=-0,5
Binnen de aanduiding geurruimte zone 2
50 meter
0,5 ouE/m3 of H=-0,5
2 ouE/m3 of 4*H=-0,5
Binnen de aanduiding geurruimte zone 3
50 meter
1 ouE/m3 of 1*H=-1
4 ouE/m3 of 4*H=-1
2.2.5 Afwijken van geurnormen binnen specifieke aanduiding [Reservering voor afwijkende normen voor bestaande inrichtingen] Ter plaatse van de volgende aanduidingen gelden, in afwijking van artikel 2.2.4, voor de toelaatbare geur de per aanduiding aangegeven normen: 1. …. 2. etc 2.3 Nadere eis geluid en geur 2.3.1 Nadere eis geluidonderzoek Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan de normen als benoemd in de artikelen 2.2.3 of 2.2.4 wordt voldaan, bij nadere eis besluiten dat een rapport van een geluidonderzoek wordt overgelegd. Een geluidonderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai. 2.3.2 Nadere eis geuronderzoek Het bevoegd gezag kan, indien het redelijk vermoeden bestaat dat niet aan de normen als benoemd in de artikelen 2.2.5 en 2.2.6 wordt voldaan, bij nadere eis besluiten dat een rapport van een geuronderzoek wordt overgelegd. Een geuronderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de NTA 9065. 2.4 Afwijken van geluid- en geurnormen met een omgevingsvergunning 2.4.1 Afwijken van geluidnormen met een omgevingsvergunning a. Met een omgevingsvergunning bestemmingsplanactiviteit kan worden afgeweken van de normen in tabel X b. De vergunning wordt alleen verleend als: 1. onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de normen; 2.
andere maatregelen mogelijk zijn om de geluidbelasting zoveel mogelijk te verminderen: die andere maatregelen wel worden getroffen en 3. derden niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. c. Het bevoegd gezag verbindt aan de vergunning voorschriften over de normen, die maximaal 10 dB(A) hoger zijn dan de waarden, genoemd in tabel X
30
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
2.4.2 Afwijken van geurnormen met een omgevingsvergunning a. Met een omgevingsvergunning bestemmingsplanactiviteit kan worden afgeweken van de normen in tabel X b. De vergunning wordt alleen verleend als: 1. onevenredig ingrijpende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de normen; 2. andere maatregelen mogelijk zijn om de geurbelasting zoveel mogelijk te verminderen: die andere maatregelen wel worden getroffen en 3. derden niet onevenredig in hun belangen worden geschaad.
Voor andere werkgebieden (zoals meubelboulevards) kunnen overeenkomstige planregels worden opgenomen. Met dien verstande dat voor de standaard geluidsruimte in het algemeen kan worden volstaan met maximaal zone 2 en voor de standaardgeurruimte met zone 1: meer gebruiksruimte is voor de betreffende bedrijvigheid niet nodig.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
31
A4 Voorbeeld planregels gemengd gebied Met het oog op de herkenbaarheid is voor onderstaande regels aansluiting gezocht bij de reguliere bestemmingsplanstructuur. Bestemmingsplannen verbrede reikwijdte kennen in de praktijk verschillende regelstructuren. Onderstaande regels moeten nog worden vertaald naar de voor het betreffende bestemmingsplan verbrede reikwijdte gekozen regelstructuur.
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 Bedrijf een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen 1.2 Bedrijf geschikt voor functiemenging bedrijf, dat qua aard en invloed op de omgeving past binnen een gemengd gebied met wonen, ook indien gevoelige objecten zijn gelegen: a. direct naast het bedrijf; b. in hetzelfde gebouw of een aanpandig gelegen gebouw, indien in dat gebouw gevoelige objecten zijn toegelaten.
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 2 gemengd 2.1 Bestemmingsomschrijving De voor ‘Gemengd’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: 1. .. 2. .. 3. bedrijven geschikt voor functiemenging. 2.2 Specifieke gebruiksregels Voor het gebruik gelden de volgende regels: a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik worden in ieder geval gerekend: 1. activiteiten die op grond van artikel 2.1 lid 2 van het Besluit omgevingsrecht zijn aangewezen als vergunningplichtige inrichting; 2. nieuwe activiteiten die genoemd zijn in onderdeel C en onderdeel D van de bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage, in de gevallen als genoemd in kolom 2 van die onderdelen, 3. activiteiten die op grond van in artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevingsrecht zijn aangewezen als categorieën inrichtingen als bedoeld in artikel 41, derde lid, van de Wet geluidhinder, die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, 4. activiteiten, waarvan de in het Activiteitenbesluit met betrekking tot die activiteiten voorgeschreven afstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten, reiken tot gronden waar kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten zijn gelegen of op grond van het bestemmingsplan zijn toegelaten.
32
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
b het gebruik van een bedrijf geschikt voor functiemenging mag niet leiden tot geluid-, geur-, stof- of trillinghinder buiten dat bedrijf, met dienverstande dat: • het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidsniveau LAmax, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting, de niveaus op de in tabel X genoemde plaatsen en tijdstippen niet meer bedragen dan de in die tabel aangegeven waarden, waarbij in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur de in de tabel opgenomen maximale geluidsniveaus LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten; 07:00-19:00 uur
19:00-23:00 uur
23:00-07:00 uur
LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
Tabel … normen geluid
•
•
• •
•
trillingen, veroorzaakt door de tot de inrichting behorende installaties of toestellen alsmede de tot de inrichting toe te rekenen werkzaamheden of andere activiteiten, in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten, niet meer bedragen dan de trillingsterkte, genoemd in tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam, voor de gebouwfunctie wonen; de aangegeven geluid- en trillingwaarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden, indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluids- of trillingmetingen; de aangegeven geluid- en trillingwaarden niet gelden voor woningen behorende bij de betreffende inrichting; indien er binnen een afstand van 10 meter van de grens van het bedrijf geen gevoelige gebouwen zijn toegelaten, geldt dat op een afstand van 10 meter van de grens van het bedrijf wordt voldaan aan de genoemde normen voor geluid en trillingen; De normen voor geluid en trillingen niet van toepassing zijn op incidentele bedrijfssituaties als bedoeld in de Handleiding meten en rekenen industrielawaai.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
33
A5 Ontwikkeling in de integratie tussen milieu en ruimte In deze bijlage is jurisprudentie opgenomen over milieu in bestemmingsplannen en een korte toelichting op de Wro 2008. Deze geven een impressie van de ontwikkeling van de van oudsher strikte scheiding tussen het ruimtelijke spoor en het milieuspoor naar het opnemen van milieunormen en milieurandvoorwaarden in het bestemmingsplan wanneer deze ruimtelijk relevant zijn.
A5.1
Jurisprudentie onder de oude WRO Noodzaak milieu in bestemmingsplannen ABRvS 17 juli 2000, bestemmingsplan Velperpoort-Hoflaan, partiële herziening 1998-01 (Arnhem) Het bestemmingsplan biedt het juridisch-planologisch kader waarin ook de mogelijke gevolgen voor het milieu dienen te worden meegewogen. Ten minste dient aannemelijk te zijn dat ten aanzien van het milieu geen onoverkomelijke problemen zijn te verwachten. Doorwerken milieu en milieunormen in bestemmingsplannen van oudsher KB 17 december 1987, AB 1988, 388 (Hefshuizen) De WRO biedt geen grondslag voor niet rechtstreeks op gebruik van gronden en gebouwen, c.q. het uitvoeren van werken en werkzaamheden gerichte normen, die veeleer betrekking hebben op het oprichten, in werking brengen en in werking houden van eventueel op de grond en in de gebouwen te vestigen bedrijven en de uit hoofde van andere wettelijke regelingen daarvoor vereiste vergunningen. Een zoneringssysteem waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende soorten industriële bestemmingen, met elk een eigen regime voor de toelaatbaarheid van bedrijven, is in beginsel wel aanvaarbaar. In deze uitspraak werd destijds een geluidimmissienorm niet als ruimtelijk relevant geacht.
ABRvS 25 juni 2003, AB 2003, 380 (Heerhugowaard) Het stemgeluid van bezoekers van het buitenbad voor peuters valt buiten de reikwijdte van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich voor de omgeving geen ernstige geluidhinder als gevolg van het buitenpad voor peuters met terras zal voordoen. Daarbij wordt neemt de Afdeling in aanmerking dat het bestemmingsplan een geluidsnorm voor de gevelbelasting van omliggende woonbebouwing vanwege een peuterbad bevat. Het betreffende voorschrift dient behalve als weigeringsgrond voor de bouwaanvraag voor het peuterbad tevens als gebruiksvoorschrift. ABRvS 16 juli 2003, nr 200205582 (Westerschelde Containerterminal) en ABRvS 22 maart 2006, 200502510/1, (Linderveld) De realisatie van milieumaatregelen die uit het MER blijken moeten zijn zeker gesteld (in de planregels van het bestemmingsplan of op een andere manier) bij het vaststellen van het ruimtelijk besluit. 13 Dit kan aan de hand van het opnemen van een randvoorwaardelijke verplichting.
A5.2
Wro 2008 De Wro, die de oude WRO per 1 juli 2008 heeft vervangen, kent meer ruimte voor het opnemen van (milieu-)kwaliteitsnormen dan zijn voorganger en voorziet in de behoefte naar een betere afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu. Artikel 3.1, lid 1 van de Wro bevat de centrale norm voor de inhoud van een bestemmingsplan: een
13
34
O.a. ABRvS 16 juli 2003, nr 200205582 Westerschelde Containerterminal, 22 maart 2006, 200502510, Linderveld
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
goede ruimtelijke ordening. In een bestemmingsplan worden bestemmingen aangewezen voor zover dit ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening nodig is. In het bestemmingsplan dient een goede ruimtelijke onderbouwing te worden verschaft. Op basis daarvan worden alle relevante sectorale belangen (waaronder het milieubelang) integraal afgewogen. In de Memorie van Toelichting is hierbij onder andere aangegeven dat: • De redactie van artikel 3.1 het ook mogelijk maakt een betere relatie te leggen tussen de ruimtelijke ordening en het beleidsterrein van milieu. Hierbij wordt ook gewezen op de ontwikkeling in de jurisprudentie, waaruit blijkt dat in een bestemmingsplan ruimte is voor milieubelastingnormen14; • De regering het denkbaar acht dat in bestemmingsplannen wettelijke (milieu-)kwaliteitsnormen worden opgenomen, die op grond van de wet of de jurisprudentie (vrijwel) volledig bindend zijn15. Aan de hand daarvan kan de toelaatbaarheid van bepaalde vormen van gebruik van de grond en/of bouwwerken worden getoetst.
Milieukwaliteitseisen in bestemmingsplannen16 In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat, voor zover de resultaten van het onderzoek ex artikel 3:2 van de Awb niet al worden beschreven in een milieueffectrapportage, in de plantoelichting ten minste een beschrijving moet zijn neergelegd van de wijze waarop krachtens hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer vastgestelde milieukwaliteitseisen bij het plan moeten worden betrokken. Het betreft hier de richtwaarden en normen die in een algemene maatregel van bestuur, al dan niet ter uitvoering van een EG-richtlijn, of in een provinciale milieuverordening kunnen worden vastgelegd. De milieukwaliteitseisen moeten dan worden vertaald in een adequate toekenning van bestemmingen aan de desbetreffende gronden. Te denken valt aan milieueisen in verband met geluid, stank, bodem en dergelijke. Een bestemmingsplanregeling kan dus betrekking hebben op de bescherming van milieuaspecten. Daarbij is een voorwaarde dat de milieuaspecten ruimtelijk relevant zijn (vanwege de reikwijdte van artikel 3.1 van de Wro).
Milieukwaliteitseisen kunnen op twee manieren doorwerken in bestemmingsplannen: • Direct: door milieukwaliteitseisen op te nemen in een bestemmingsplan; dit heeft tot gevolg dat de toelaatbaarheid van bouwwerken en het gebruik van de grond en/of de bouwwerken rechtstreeks aan deze eisen dienen te worden getoetst; • Indirect: door milieukwaliteitseisen te vertalen in een bestemmingsplan, bijvoorbeeld door milieubelastende en gevoelige functies zodanig ten opzichte van elkaar te situeren dat aan de eisen wordt voldaan.
A5.3
Jurisprudentie na de Wro 2008 Doorwerken milieu en milieunormen in bestemmingsplannen ABRvS 2 december 2010, nr. 201003178/1/R3 (Geluidsscherm bij kinderdagverblijf in Oisterwijk) Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat – om aan de geluidseisen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer te kunnen voldoen – een geluidsscherm van minimaal 2 meter hoog nodig is. De Afdeling bepaalt dat onvoldoende is verzekerd dat deze akoestische maatregel wordt getroffen nu dit niet bijvoorbeeld als voorwaardelijke verplichting is opgenomen. ABRvS 16 maart 2011, nr. 201006022/1/R1 (kern Bodegraven) Om een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat te kunnen realiseren blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de woningen met een vliesgevel dienen te worden uitgevoerd. Zonder het treffen van deze maatregelen kan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de appartementen worden
14 15 16
Verwezen wordt naar o.m. H.J.A.M. van Geest en P.J. Hödl in «Wetsvoorstel 25 311», M&R, 1998/6, pag. 144 Verwezen wordt naar het onderzoeksrapport «Bestemd voor kwaliteit; onderzoek naar de juridische beperkingen en mogelijkheden van directe doorwerking van kwaliteitsnormen naar bestemmingsplannen», Spaans/Struiksma, september 2002, pagina 27 e.v. De inhoud van deze tekst is mede gebaseerd op M.N. Boeve en N.S.J. Koeman, ‘Milieukwaliteitsnormen in het bestemmingsplan onder de nieuwe Wro’, Milieu & Recht, jaargang 32, nummer 7.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
35
gerealiseerd vanwege de geluiduitstraling van het bedrijf. Nu het plan voor de gronden waarop de appartementen zijn voorzien evenwel geen voorschrift bevat op grond waarvan de geluidbelasting op de gevel van de appartementen vanwege het bedrijf maximaal 50 d(B)A mag bedragen, de geluidwaarde die door de raad maximaal aanvaardbaar wordt geacht, wordt niet gewaarborgd dat ter plaatse van de appartementen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. ABRvS 4 februari 2015, nr 201308203/1/R3 (Papendrecht bedrijventerrein Oosteind) Het vastleggen van de geluidverkaveling van gezoneerde industrieterreinen (conform Wet geluidhinder) in bestemmingsplannen is ruimtelijk relevant. Dit komt doordat deze regeling beoogt een doelmatige verdeling van de beschikbare geluidruimte te waarborgen, en daarmee een doelmatig grondgebruik. Gelet op deze ruimtelijke relevantie staat artikel 3.1 eerste lid van de Wro, noch de milieuwet- en regelgeving, er aan in de weg dat het geluidverdeelplan in het bestemmingsplan wordt opgenomen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.1 eerste lid van de Wro, volgt dat de redactie van artikel 3.1 van de Wro het mogelijk maakt een relatie te leggen tussen de ruimtelijke ordening en het beleidsterrein van milieu.
Wel moeten de door de gemeenteraad vastgestelde normen voor de verdeling van de geluidruimte af te leiden zijn uit het bestemmingsplan [dit betekent dat opname in planregels en verbeelding hierbij noodzakelijk is].
36
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
A6 Emissie- en immissienormen Inleiding In het milieuspoor komen zowel emissienormen als immissienormen voor. In het ruimtelijk spoor is het niet gebruikelijk om emissienormen op te nemen. In de praktijk bestaat vaak spraakverwarring over wat als emissienorm en wat als immissienorm kan worden gezien. Dit zorgt voor onduidelijkheid in discussies over planregels en het reguleren van milieubelasting. Het is daarom belangrijk om goed onderscheid te kunnen maken tussen emissienormen en immissienormen. In deze bijlage is een nadere uitleg gegeven.
Emissienormen, geldend voor de veroorzaker Via emissienormen kunnen beperkingen worden opgelegd aan de bron, veelal op basis van BBT (Beste beschikbare technieken). De immissie (bij de ontvanger) is een resultaat van de emissie bij de bron. Afhankelijk van (vooral) de afstand tot de bron zal de immissie hoger of lager zijn. Lucht en water worden doorgaans door emissieregels in het milieuspoor beschermd. Het milieu als zodanig is immers de ontvanger, de effecten kunnen veel verder reiken dan lokaal.
Immissienormen, geldend voor de veroorzaker Immissienormen gaan uit van de belasting bij de ontvanger. In de meeste gevallen gaat het om normen die gelden voor degene die de immissie veroorzaakt. De veroorzaker is in dat geval gehouden om aan de gestelde norm te voldoen (dit wordt ook wel ‘normadressaat’ genoemd). Om aan de gestelde immissienormen te kunnen voldoen, kan het nodig zijn om aan de bron (of bronnen) die de immissie veroorzaken, maatregelen te treffen. Bij een grote afstand tot de bron zal doorgaans met BBT (Best Beschikbare Technieken in het milieuspoor) ruimschoots aan de immissienormen voldaan kunnen worden. Bij een beperkte afstand kunnen aanvullende maatregelen nodig zijn die verder gaan dan BBT. Bij een grote afstand tussen bron en ontvanger wordt de toegelaten belasting ook wel gereguleerd door ontvangerpunten (immissiepunten) vast te leggen op een vaste afstand van de bron. Dit gebeurt nu al in het milieuspoor. Bijvoorbeeld geluid door bedrijven die vallen onder het Activiteitenbesluit die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein: standaard geldt per bedrijf een norm van 50 dB(A) op een afstand van 50 meter van de terreingrens van het bedrijf. Dit is een immissienorm (want de norm geldt op een ontvangerpunt), maar die werkt in feite als een verkapte emissienorm.
De toegelaten immissie op 50 meter afstand uit het voorbeeld zal, afhankelijk van onder meer de afstand tot een geluidgevoelige ontvanger (op meer dan 50 meter) resulteren in een bepaalde (niet direct gereguleerde) immissie bij de woningen. Met dezelfde systematiek wordt in deze uitgave de gebruiksruimte van bedrijven begrensd.
Immissienormen, geldend voor de ontvanger Het komt ook voor dat er normen gelden voor de ontvanger. Op grond van de Wet geluidhinder bijvoorbeeld is het in de buurt van gezoneerde industrieterreinen niet toegelaten om woningen te projecteren als niet worden voldaan aan de standaard normen of nog vast te stellen hogere normen.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
37
A7 Voorbeeld regeling gemengd gebied met een plus: Delft Schieoevers A7.1
Inleiding In paragraaf 4.3.1 is de regeling voor functiemenging toegelicht. Deze regeling biedt een goede basis voor het toelaten van bedrijfsactiviteiten in gemengde gebieden. Er zijn echter ook andere oplossingen mogelijk die ruimer zijn dan de basisregeling. Een goed voorbeeld hiervan is het gebiedsontwikkelingsproject Schieoevers Noord in Delft. Het voorkomen van hinder is bij dit project in een vroeg stadium als randvoorwaarde meegenomen bij de stedenbouwkundige opzet van het gebied en de bouwkundige eisen die aan gebouwen worden gesteld. Door een goede combinatie van brongerichte, gebiedsgerichte en bouwkundige maatregelen is een grotere menging van functies mogelijk dan waarvan de basisregeling uitgaat, zonder dat dit afbreuk doet aan de kwaliteit van de leefomgeving. In deze bijlage wordt beschreven hoe functiemenging in dit gebied vorm krijgt.
A7.2
De ambities voor Schieoevers: geschikt maken voor functiemenging Het gebied Schieoevers Noord in Delft is een bestaand industrieterrein tussen de historische binnenstad van Delft, de campus van de TU Delft, de zuidwestelijke Delftse woonwijken en buitengebied van Midden-Delfland. Het gebied valt binnen de invloedsfeer van twee treinstations en ligt in de nabijheid van provinciale en rijkswegen. Daarnaast stroomt de Schie door het gebied. De strategische positie van Schieoevers Noord biedt perspectief voor nieuwe vormen van stedelijk gebruik. Delft heeft de ambitie om het bedrijventerrein te transformeren naar een levendig stedelijk gebied met een optimale mix van wonen en werken waarin beide functies in gelijkwaardige verhouding aanwezig zijn en zorgen voor levendigheid en dynamiek. Delft, stad van innovatie
Delft ademt kennis en technologie. Een derde van de beroepsbevolking is hoog opgeleid, de concentratie aan kennisinstellingen is de dichtste van heel Nederland en de aanwezige kennisbedrijven zitten bijna zonder uitzondering aan de top in hun sector. Delft is een motor van innovatie, met zijn (techniek)studenten aan de TU Delft, de Haagse Hogeschool, Inholland en ROC Mondriaan. Door de investeringen van Delft in een innovatief klimaat is een bijzonder netwerk gevormd waardoor jong ondernemend talent de ruimte krijgt zich te ontplooien. De gemeente Delft wil ook in letterlijke zin ruimte bieden aan start-ups en scale-ups, door in de nabijheid van de TU Schieoevers te ontwikkelen tot een intensief stedelijk gebied met ruimte voor maakindustrie in een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. Dergelijke bedrijven kenmerken zich door in beginsel kleinschalige bedrijvigheid met veelal kantoorachtige faciliteiten, maar ook een beperkte vorm van ’maken’ door bijvoorbeeld assemblage en ’prototyping’.
38
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
A7.3
Bron: plangebied Schieoevers Noord uit MER Schieoevers Noord
Hoe deze ambities dichterbij te brengen? In een levendig gemengd stedelijk gebied vraagt de kwaliteit van de leefomgeving om extra aandacht. Functiemenging en levendigheid leidt tot bijzondere kwaliteiten in een gemengd stedelijk gebied, maar kan ook leiden tot overlast en hinder. Dit is ook het geval bij de maakindustrie die in het gebied is voorzien. De activiteiten die daarbij horen kunnen zeer uiteenlopend zijn, van lichtere activiteiten tot activiteiten met meer milieuhinder (bijvoorbeeld beperkte productie waarbij metaalbewerking plaatsvindt). Om een goede leefomgevingskwaliteit te bereiken, is een integrale gebiedsgerichte benadering noodzakelijk. Bij het plan wordt daarom uitgegaan van een combinatie van brongerichte, gebiedsgerichte en bouwkundige maatregelen. Deze combinatie van maatregelen zorgt ervoor dat voldaan kan worden aan de beoogde milieunormen, die in eerste instantie gebaseerd zijn op de basisregeling voor gemengde gebieden die in deze VNG-uitgave is opgenomen. De brongerichte maatregelen zijn afhankelijk van de maakindustrie die zich in het gebied gaat vestigen en zijn altijd een oplossing op maat. Bij de gebiedsgerichte en bouwkundige maatregelen gaat het om de inrichting van het gebied en de gebouwen die in het gebied komen te staan.
Deze gebiedsgerichte en bouwkundige maatregelen zijn uitgewerkt in een aantal ontwerpprincipes die worden opgenomen in het stedenbouwkundig ontwikkelplan (DOP Schieoevers Noord) dat voor de transformatie wordt gemaakt. Dit ontwikkelplan is het stedenbouwkundig raamwerk dat de basis vormt voor het bestemmingsplan. In deze bijlage wordt de opzet van de stedenbouwkundige principes en een eerste aanzet van de bestemmingsplanregeling voor de beoogde functiemenging geschetst, inclusief aanvullende beleidsregels. Dit samenspel van principes, planregeling en beleidsregels zorgt ervoor dat de beoogde functiemenging ook daadwerkelijk mogelijk is. Ontwerpprincipes Bij de ontwerpprincipes wordt uitgegaan van een combinatie van diverse maatregelen. Het gaat hierbij onder meer om het scheiden van verkeersstromen, functiescheiding bij meer hindergevende functies en bouwkundige maatregelen. Een aantal van de principes wordt hieronder besproken.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
39
Scheiding verkeersstromen en functiescheiding zwaardere bedrijven Een belangrijke oorzaak van hinder van bedrijven is het vrachtverkeer op de weg en het laden en lossen. In het ontwikkelplan is er daarom voor gekozen om de routes voor het woonverkeer en de logistieke route voor bedrijven te scheiden. De hinder kan op deze manier voorkomen of aanzienlijk worden beperkt. Aan de logistieke route (langs het spoor) kan ook de wat zwaardere bedrijvigheid zich vestigen die niet op voorhand geschikt is voor menging in of naast woongebouwen.
De bestaande hoofdontsluiting (rode lijn in linker figuur, zijnde de bestaande situatie) wordt langs het bestaande spoor gelegd (rode lijn in rechter figuur). Hierdoor wordt een bundeling van infra-geluid gecreëerd en een deel van het gebied vrijgespeeld van verkeerslawaai van logistiek. Toegevoegd wordt een ontsluiting voor lokaal verkeer (oranje lijn) dat in het gebied moet zijn. Hierdoor ontstaat een driedeling in het gebied in zogenaamde zones voor “Rust”, “Ruis” en “Reuring.
40
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Maatregelen voor invulling op gebouwniveau voor bedrijvigheid Voor het voorkomen van hinder van bedrijven die in of naast woongebouwen inpasbaar zijn, zijn bouwkundige maatregelen mogelijk. Een aantal daarvan is te zien op de afbeeldingen hieronder. De maatregelen zijn onder meer gericht op het voorkomen van hinder van installaties, het scheiden van de ontsluiting voor wonen en werken en het voorkomen van geluidhinder.
Maatregelen voor aantrekkelijke woonomgeving (op stedenbouwkundig niveau en gebouwniveau) Het ontwikkelplan voorziet ook in het creëren van een aantrekkelijke fysieke leefomgeving. Het is niet zo dat bewoners ‘te gast’ zijn bij de bedrijven. Voor een aantrekkelijke fysieke leefomgeving wordt onder meer gedacht aan woningen met één of meer geluidluwe buitengevels en daaraan gesitueerde buitenruimten, aantrekkelijk openbaar gebied, inclusief verkeersluwe delen door het scheiden van verkeersstromen en zones met groen, water en uitzicht. Het gaat hierbij nadrukkelijk niet alleen om maatregelen om hinder te voorkomen of te beperken, maar ook om andere maatregelen die een aantrekkelijke woonomgeving bevorderen, Al deze maatregelen maken onderdeel uit van de goede ontwerpprincipes, die ook in de regels van het bestemmingsplan worden geborgd.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
41
A7.4
Communicatie over bewuste mix wonen & werken regelen in het bestemmingsplan Het hanteren van goede ontwerpprincipes voor zowel de bedrijven als het wonen laat onverlet dat er sprake is van interactie tussen beide functies. Het betreft immers een gebied met functiemenging. Toekomstige bewoners moeten er derhalve rekening mee houden, dat er in het gebied ook ruimte is voor bedrijvigheid. Sterker: juist die aanwezigheid van diverse type van bedrijvigheid en voorzieningen kan worden gezien als één van de kernkwaliteiten van het gebied. Andersom geldt ook dat de bedrijven er rekening mee moeten houden dat er in het gebied ook gewoond wordt. Het is belangrijk om goed met alle toekomstige gebruikers van het gebied te communiceren over deze bewuste mix van wonen en werken. Het voornemen is dan ook om deze communicatie in de planregels van het bestemmingsplan terug te laten komen.
A7.5
Milieunorm als vangnet (en flexibiliteit daarbij) Milieunorm als vangnet Om te borgen dat de mix aan maatregelen effect heeft worden in het bestemmingsplan met verbrede reikwijdte milieunormen voor de bedrijvigheid opgenomen. De normen hebben een vangnetfunctie en leggen de maximale gebruiksruimte voor de bedrijven vast. Mocht het in de praktijk tot klachten komen, dan zal getoetst (en indien nodig gehandhaafd) gaan worden aan deze normen. Het thema geluid is daarbij maatgevend. Hierbij vormt de standaardgeluidbelasting uit het Activiteitenbesluit van 50 dB(A) de basis (net zoals dat het geval is voor de basisregeling voor gemengd gebied). In bijlage 1 zijn de uitgangspunten voor geluid uitgewerkt. De uitgangspunten worden uitgewerkt bij het ontwerpen van de bouwplannen voor gebouwen voor functiemenging. Daarnaast zal bij het opstellen van de bestemmingsplannen en het inpassen van concrete bedrijven rekening worden gehouden met deze uitgangspunten. Tevens kan daarbij worden nagegaan of het nodig is om voor de vestiging van een concreet bedrijf vooraf een geluidonderzoek uit te voeren om te bepalen of aan de normen voor geluid kan worden voldaan. Flexibiliteit Het is uiteraard de intentie dat in alle gevallen voldaan wordt aan de standaardnormen. Het kan echter voorkomen dat ondanks alle maatregelen soms de standaardnormen niet worden gehaald.
Het is dan goed om over een instrument te beschikken dat kan voorzien in enige flexibiliteit. Hierdoor zijn de standaardnormen niet in beton gegoten. In het huidig recht bestaat deze flexibiliteit als instrument ook al. Het Activiteitenbesluit biedt immers de mogelijkheid om met een maatwerkvoorschrift afwijkende normen vast te stellen. In het bestemmingsplan wordt dan ook de mogelijkheid gecreëerd om eventueel te toetsen aan maximaal 5 dB hogere normen, voor zover die hogere norm met een maatwerkvoorschrift wordt toegelaten. Dit betekent een verruiming ten opzichte van de geluidnormen uit de basisregeling als beschreven in paragraaf 4.3.1 en bijlage A4. Deze verruiming kan als volgt kan worden verwerkt: Voorbeeldregeling flexibiliteit c. Voor de toepassing van de normen voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau of het maximale geluidniveau op de gevel van gevoelige gebouwen in tabel X kan van maximaal 5 dB(A) hogere waarden worden uitgegaan, voor zover daarvoor een maatwerkvoorschrift is vastgesteld. Toelichting bij de voorbeeldregeling Bij het toepassen van de flexibiliteitsbepaling met een maatwerkvoorschrift op grond van het Activiteitenbesluit zal een belangenafweging plaatsvinden. Verhoging van de norm zal alleen plaatsvinden indien en voor zover redelijkerwijs niet aan de standaardnorm kan worden voldaan.
Bovendien zal het optreden van eventuele cumulatie bij de belangenafweging worden betrokken. Bij deze cumulatie wordt met name gedoeld op eventuele al eerder verleende
42
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
maatwerkvoorschriften, waardoor op één woning geluidniveaus van meerdere bedrijven op kunnen treden die hoger zijn dan de standaardnorm. Een belangrijk argument voor het opnemen van de mogelijkheid om een hogere geluidnorm vast te stellen dan de basisregeling, is dat er andere kwaliteiten in het gebied tegenover staan (zie onder ontwerpprincipes). Door de nieuwe regeling, aangevuld met de ontwerpprincipes die een stedenbouwkundige uitwerking hebben gekregen, is het voor bedrijven in de maakindustrie mogelijk om te ondernemen en geeft het bewoners de gewenste kwaliteit passen in een gemengd stedelijk werk-woongebied. Hierdoor is er ondanks de hogere geluidnorm van het bedrijf per saldo nog altijd sprake is van een goede fysieke leefomgeving. Van belang hierbij is dat die andere kwaliteiten in de planregels zijn geborgd. Voor het vaststellen van een maatwerkvoorschrift in Schieoevers zal separaat beleid in het milieuspoor worden opgesteld. De expliciete mogelijkheid in het bestemmingsplan om dit flexibiliteitsinstrument in te zetten wordt gezien als onderdeel van het bieden van comfort aan de bedrijven en het bieden van duidelijkheid aan zowel bedrijven als bewoners.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
43
Bijlage 1 - Uitgangspunten geluid Inleiding Hieronder zijn de uitgangspunten voor geluid uitgewerkt. Bij het ontwerpen van bouwplannen voor gebouwen in dit functiemengingsgebied en bij het inpassen van concrete bedrijven dient met deze uitgangspunten rekening worden gehouden. Tevens kan daarbij worden nagegaan of het nodig is om voor de vestiging van een concreet bedrijf vooraf een geluidonderzoek uit te voeren om te bepalen of aan de normen voor geluid kan worden voldaan.
Installatiegeluid buitenruimten • • •
•
•
De geluidsproductie van luchtbehandelingsinstallaties vertoont een grote variatie. We gaan uit van een afstand van 5 meter tot de gevel van de dichtstbijzijnde woning (bijvoorbeeld een appartement dicht bij een dakinstallatie). Eén of meerdere kleine airco-units voor kantoren zal/zullen op deze afstand geen overschrijding van de geluidsnormen veroorzaken, mits het gebruik beperkt is tot de dag- en avondperiode én andere geluidsbronnen van het betreffende bedrijf geen belangrijke bijdrage leveren aan het geluidsniveau bij de woning. Koelmachines, condensorbanken e.d. ten behoeve van de luchtbehandeling van bijvoorbeeld cleanrooms zullen niet aan de geluidsnormen kunnen voldoen, ook niet op hoger gelegen gevels. Afscherming is voor die woningen geen realistische optie. Een oplossing zou kunnen zijn dat ook de bedrijfsgebonden installaties op het dak van het woongebouw worden geplaatst.
Verkeersbewegingen •
•
Het rijden met personenauto’s zal in het algemeen geen overschrijding van de geluidsnormen veroorzaken, tenzij het in de vroege ochtend (vóór 7.00 uur) en in de avond zou gaan om vele tientallen passages. Een punt van aandacht is echter het optreden van piekgeluiden, bijvoorbeeld ten gevolge van het sluiten van portieren. Dit laatste zal niet alleen beheerst moeten gebeuren, maar in de vroege ochtend ook zo ver mogelijk van de dichtstbijzijnde woningen (≥10 m), omdat anders het ten hoogste toelaatbare maximale geluidsniveau zal worden overschreden. Overdag vormen zeer rustig rijdende c.q. manoeuvrerende vrachtwagens nabij woningen geen probleem.
Dak en gevel(openingen) bedrijven •
Onderstaande geldt voor ruimten waarin geluidsintensieve werkzaamheden plaatsvinden. Het gemiddelde binnenniveau bij lichte productieactiviteiten bedraagt 70 à 75 dB(A). • Relevante geluidsafstraling via het dak en de gevels kan worden vermeden met een voldoende isolerende, gesloten constructie. Dat betekent in ieder geval geen lichtstraten. Indien het dak/ de gevels niet (deels) massief is/zijn − zie hierna onder ‘Scheidingsconstructies tussen bedrijven en woningen’ − kan worden gedacht aan een met steenwol geïsoleerde constructie van niet-geperforeerde staalplaten: in de gevel 2 × staalplaat, op het dak steenwol met een dichte persing (150 kg/m3). Andere oplossingen zijn natuurlijk mogelijk. • Een overheaddeur die tijdens de werkzaamheden openstaat, kan bij een woning aan de overkant van de straat een geluidsniveau van 55 à 60 dB(A) veroorzaken. Als dit openstaan beperkt blijft tot momenten waarop goederen worden doorgelaten, zal dit overdag geen aanleiding geven tot overschrijding van de geluidsnormen. Als andere geluidsbronnen geen belangrijke bijdrage leveren, kan de deur enkele uren geopend zijn. ’s Avonds kan de deur tijdens de werkzaamheden kortstondig (zeg: een kwartier) geopend zijn, eveneens op voorwaarde dat andere geluidsbronnen geen belangrijke bijdrage leveren.
44
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
Scheidingsconstructies tussen bedrijven en woningen • •
•
De interne geluidwering is geregeld in het Bouwbesluit 2012; de betreffende eisen zijn onafhankelijk van het zendniveau. De scheidingsvloer en de daarop aansluitende opgaande wanden moeten voldoende zwaar zijn. Ter indicatie: met 250 mm beton (600 kg/m2) wordt een iets betere geluidwering gerealiseerd dan is voorgeschreven in het Bouwbesluit. Overdracht van contactgeluid naar de bovenliggende woningen is van ondergeschikt belang, op voorwaarde dat loopkranen niet tegen het plafond worden bevestigd.
Vereniging van Nederlandse Gemeenten
45
Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 2514 JS Den Haag +31 70 373 82 00 info@vng.nl mei 2019
vng.nl