Bijlage 3.6 RAAP-rapport 5213 Plangebied uitbreiding Rijnlands Lyceum Wassenaar verkennend booronderzoek
Tekst van het document
RAAP-RAPPORT 5213
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te Wassenaar Gemeente Wassenaar Archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Colofon Titel: Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te Wassenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) Versie: 21-06-2021 Auteur: dr. D. Peeters Projectcode: WALY2 Bestandsnaam: RAAPrap_5213_WALY2_20210621 Autorisatie: drs. J.H.F. Leuvering
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2021 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. Er is geen verklaring ontvangen van het bevoegd gezag omtrent goed - of afkeuring van het rapport.
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Samenvatting In opdracht van Stichting Het Rijnlands Lyceum heeft RAAP in mei-juni 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te Wassenaar. Het onderzoek vond plaats in het kader van een voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan. De plannen bestaan uit de uitbreiding van het Rijnlands Lyceum met een nieuwe vleugel. Hiervoor zijn drie principemodellen opgesteld voor een plangebied van circa 1.800 m 2 . Circa 80% van het plangebied wordt bebouwd. Een strook aan het water, in de noordoosthoek van het plangebied, wordt niet bebouwd. De exacte diepte van de voorgenomen graafwerkzaamheden is nog niet bekend. Waarschijnlijk wordt de nieuwbouw op funderingspalen geplaatst. Bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek werd verwacht dat het plangebied op de flank van een strandwal ligt, waardoor een middelhoge archeologische verwachting voor de periode neolithicum-Romeinse tijd is opgesteld in het geval dat in het plangebied een goeddeels intacte bodemopbouw met ontkalkte en/of humeuze niveaus in Oude Duin- of Strandafzettingen aanwezig is. Op basis van het bureauonderzoek is gereconstrueerd dat in het plangebied in ieder geval in de periode voorafgaand aan de vroege middeleeuwen C veenvorming heeft plaatsgevonden.
Direct ten noorden van het plangebied is bij bouwwerkzaamheden in de jaren ’50 een handboog met menselijke resten uit de periode 750-900 na Chr. op en in het veen aangetroffen. Waarschijnlijk betreft dit echter een ‘toevalsvondst’ en in principe bestaat voor deze drassige milieus een lage archeologische verwachting voor bewoning en andere vormen van intensief landgebruik. In het geval met veen met een veraarde top was mogelijk sprake van een verbeterde ontwatering. Indien het geval, bestaat zeker ook gezien de vondst van deze resten direct ten noorden van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor archeologische resten uit de vroege middeleeuwen. Ondanks de ligging van het plangebied op voormalige grond van buitenplaats Backershagen, worden op basis van de geraadpleegde historische kaarten niet direct overblijfselen van gebouwen uit de nieuwe tijd (16e -19e eeuw) in het plangebied verwacht. Mogelijk waren op basis van het bureauonderzoek wel nog resten van de toegangsweg uit de 19e-vroege 20e eeuw in het plangebied te verwachten. Verkennend booronderzoek Op basis van de verkennende boringen blijkt de ondergrond in het noordelijk deel van het plangebied tot 120-170 cm –mv verstoord (boringen 1, 2 en 6). De verstoringen reiken tot in de Oude Duinafzettingen.
Lagen veen, getijdeafzettingen van het Laagpakket van Walcheren en mogelijk Jonge Duinafzettingen blijken niet (meer intact) in deze boringen aanwezig. Op basis van deze waarnemingen en de diepteligging van de bovenkant van deze lagen (circa 0,2 -0,7 m lager in NAP dan in duinafzettingen met een intacte top in de omgeving) lijkt het Oude Duinlandschap in boringen 1, 2 en 6 afgetopt. In de duinafzettingen, alsmede in de hieronder gelegen mogelijke strandwal - en strandafzettingen, zijn geen humeuze lagen of andere tekenen voor de aanwezigheid van potentiële archeologische niveaus aanwezig. Daarnaast zijn geen lagen aangetroffen die i n verband kunnen worden gebracht met antropogene aanwezigheid (anders dan de verstoringen boven de Oude
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[3]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Duinafzettingen). Hoewel dieper gelegen (overstoven) potentiële archeologische niveaus in duinafzettingen niet altijd als dusdanig door bodemvorming te herkennen zijn, zijn tijdens het veldonderzoek geen lagen met een verhoogde kans op archeologische sporen of resten aangetroffen. Hierdoor lijkt de kans relatief klein dat in het plangebied archeologische sporen of resten uit de periode neolithicum-Romeinse tijd aanwezig zijn. Er zijn geen lagen aangetroffen waarvoor een archeologische verwachting bestaat voor in situ resten uit de periode vroege middeleeuwen-nieuwe tijd. Hoewel de exacte diepte van de graafwerkzaamheden voor de uitvoering van een van de dr ie principemodellen nog niet duidelijk is, bestaat er wel een kans dat (plaatselijk) intacte Oude Duinafzettingen (vlakdekkend) worden geroerd. Feitelijk kunnen op basis van het veldonderzoek geen uitspraken worden gedaan over de natuurlijke bodemopbouw in de zone waar de C-vleugel van de school in het verleden is opgetrokken: alle vijf boringen die hier zijn uitgevoerd zijn op puin gestuit. Op basis van oude bouwtekeningen blijkt dat de funderingen van deze vleugel echter tot 80 cm –mv op funderingspalen waren geplaatst, terwijl kruipruimtes met een laag schoon zand tot 95-120 cm –mv zijn aangelegd. In boring 3 (de diepst doorgezette gestuite boring) is de bodem minimaal tot 150 cm –mv verstoord.
Op basis van deze informatie zal de bodemopbouw op zijn minst tot op hetzelfde niveau zijn verstoord dan in boringen 1, 2 en 6 en wellicht (op zijn minst plaatselijk) dieper. Advies Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt de kans relatief klein dat in het plangebied archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumente nzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden (onverwacht) toch archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Dit rapport geeft (selectie)adviezen. Het is aan de bevoegde overheid , de gemeente Wassenaar, deze al dan niet over te nemen in de vorm van een (selectie)besluit.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[4]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 5 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 6 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 6 1.2 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 8 1.3 Doel- en vraagstelling .......................................................................................................................... 8
2 Bureauonderzoek ........................................................................................................................... 10 2.1 Methode ............................................................................................................................................ 10 2.2 Aardkundige situatie .......................................................................................................................... 10 2.3 Archeologische gegevens ................................................................................................................... 13 2.4 Historische situatie ............................................................................................................................ 18 2.5 Huidige situatie .................................................................................................................................. 23 2.6 Toekomstige situatie .......................................................................................................................... 24 2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting ...................................................................................... 25
3 Veldonderzoek ............................................................................................................................... 27 3.1 Methode ............................................................................................................................................ 27 3.2 Resultaten ......................................................................................................................................... 28 3.3 Archeologische relevantie .................................................................................................................. 33
4 Conclusies en advies ...................................................................................................................... 35 4.1 Conclusie .......................................................................................................................................... 35 4.2 Advies ............................................................................................................................................... 35 4.3 Tot slot .............................................................................................................................................. 36
Literatuur .......................................................................................................................................... 37 Overzicht van figuren, tabellen en bijlagen ......................................................................................... 39
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[5]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
1 Inleiding 1.1 Kader Aanleiding In opdracht van Stichting Het Rijnlands Lyceum heeft RAAP in mei-juni 2021 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te Wassenaar in de gemeente Wassenaar (figuur 1). Het onderzoek vond plaats in het kader van een voorgenomen wijziging van het bestemmingsplan. De plannen bestaan uit de uitbreiding van het Rijnlands Lyceum met een nieuwe vleugel. Hiervoor zijn drie principemodellen opgesteld voor een plangebied van circa 1.800 m 2 . Circa 80% van het plangebied wordt bebouwd. De strook direct aan het water, in de noordoosthoek van het plangebied, wordt niet bebouwd. De exacte diepte van de voorgenomen graafwerkzaamheden is nog niet bekend. Waarschijnlijk wordt de nieuwbouw op funderingspalen geplaatst. Juridisch en beleidskader Het uitgangspunt voor dit onderzoek wordt gevormd door het wettelijk en beleidsmatig kader voor de ruimtelijke ordening en monumentenzorg. De gemeente is de bevoegde overheid die een besluit zal nemen over hoe om te gaan met de eventueel aanwezige archeologische waarden. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Wassenaar ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting.
Het beleid voor deze zone schrijft voor dat er bij bodemingrepen groter dan 100 m 2 en dieper dan 30 cm -mv een archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd. Deze voorschriften zijn verankerd in het paraplubestemmingsplan Cultureel Erfgoed Wassenaar – Panden, objecten en archeologie (Waarde – Archeologie 3). De omvang van het plangebied bedraagt circa 1.800 m 2 (waarvan circa 80% wordt bebouwd) en de maximale diepte van de werkzaamheden zal dieper dan 30 cm –mv bedragen. De ingrepen zijn daarmee groter dan de vrijstellingsgrens. Een archeologische onderbouwing met betrekking tot de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden is daarom verplicht conform het vigerend beleid. Kwaliteitsborging De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), is door de minister aangewezen als norm. Voorafgaand aan het onderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld en ter goedkeuring aan de bevoegde overheid voorgelegd. Dit PvA is goedgekeurd (op 20-05-2021). Dit PvA diende als uitgangspunt voor het onderzoek.
Het onderzoek is bovendien uitgevoerd conform de geldende aanvullende richtlijnen van de bevoegde overheid.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[6]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van Eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen p roefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems). Zie bijlage 1 voor de dateringen van de in dit rapport genoemde archeologische perioden.
Figuur 1. Aanduiding plangebied (rood kader). Inzet: ligging in Nederland (ster).
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[7]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
1.2 Administratieve gegevens Type onderzoek
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Opdrachtgever
Stichting Het Rijnlands Lyceum
Bevoegde overheid
Gemeente Wassenaar
Plaats
Wassenaar
Gemeente
Wassenaar
Provincie
Zuid-Holland
Centrumcoördinaten (X/Y)
86.740/460.950
Toponiem
Rijnlands Lyceum
Kadastrale gegevens
WSN01, F, 10063
Oppervlakte plangebied
Circa 1.800 m²
Afbakening onderzoeksgebied
Tijdens onderhavig (bureau)onderzoek is het plangebied inclusief een zone van 500 m rondom het plangebied onderzocht.
Onderzoeksperiode
Mei-juni 2021
Uitvoerder
RAAP West
Projectleider
dr. D. Peeters
Projectmedewerkers
J.A. Wolzak MSc
RAAP-projectcode
WALY2
ARCHIS-onderzoeksmeldingsnummer
5059263100
Beheer en plaats documentatie
RAAP regio West te Leiden en op termijn het provinciaal Depot, ARCHIS en E-Depot.
Tabel 1. Administratieve gegevens.
1.3 Doel- en vraagstelling De doelstelling van het archeologisch vooronderzoek is het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein, dan wel de archeologische vindplaats. Daartoe wordt informatie verzameld over bekende en verwachte archeologische resten teneinde een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiertoe is een aantal onderzoeksvragen geformuleerd: Bureauonderzoek 1.
Welke gegevens met betrekking tot aardkundige en archeologische waarden en gegevens met betrekking tot bodemverstoringen zijn reeds over het plangebied bekend?
2.
Wat is de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied?
3.
Is op basis van deze verwachting een vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) aan de orde? En zo ja, welke onderzoeksstrategie wordt aanbevolen?
Inventariserend veldonderzoek (verkennende fase) 4.
Hoe ziet de geologische/geomorfologische/bodemkundige opbouw van het plangebied eruit?
5.
Wat is de verspreiding en diepte van (recente) bodemverstoringen, bijvoorbeeld als gevolg van de huidige inrichting, kabels en leidingen etc.? In hoeverre is de bodemopbouw nog intact?
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[8]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
6.
Wat is de verspreiding en de diepte van archeologisch interessante lagen? Met name: zijn Oude Duinafzettingen met een goeddeels intact bodemprofiel en tekenen van bodemvorming en/of een afdekkende veenlaag met een veraarde top in het plangebied aanwezig?
7.
Hoe verhouden deze (4 - 6) zich tot de voorgenomen werkzaamheden? Vormen de voorgenomen ingrepen een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologisch relevante lagen?
8.
Dient op basis van de resultaten van het veldonderzoek de gespecificeerde archeologische verwachting bijgesteld te worden?
Algemeen 9.
Is op basis van deze archeologische verwachting (8) in relatie tot de voorgenomen ingreep archeologisch vervolgonderzoek aan de orde in (delen van) het plangebied?
10. Welke methoden zouden bij het archeologisch vervolgonderzoek ingezet kunnen wor den? 11. Op welke manier dient bij eventuele graafwerkzaamheden met archeologische waarden te worden omgegaan?
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[9]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
2 Bureauonderzoek 2.1 Methode Het bureauonderzoek dient ervoor om – op basis van verschillende bronnen – inzicht te krijgen in de genese van het landschap, de bodemopbouw en de sporen die het menselijk gebruik in de loop van de tijd heeft achtergelaten. Met behulp van deze gegevens wordt een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Naast de conform de KNA verplichte bronnen is door de gebiedse xperts van RAAP een beredeneerde keuze gemaakt uit betrouwbare bronnen die voor de archeologische verwachting relevante informatie bevatten (zie bijlage 2 voor de motivering). Daarvoor is gebruik gemaakt van de landelijk en voor RAAP digitaal beschikbare archieven. Voor de beschrijving van de historische situatie is gebruik gemaakt van hiervoor relevante informatiedragers. Voor de actuele metadata van de verzamelde gegevens (gemeente, plaats, etc.) wordt verwezen naar het van toepassing zijnde data -archief.
2.2 Aardkundige situatie Landschappelijk gezien bevindt het plangebied zich in het kustgebied dat in oostelijke richting overgaat naar het West-Nederlandse veengebied: van kustbarrière met strandwallen naar strandvlakte. De landschappelijke vorming van de Hollandse kustbarrière is sterk gekoppeld aan de zeespiegelstijging in het Holoceen, circa 10.000 jaar geleden. Lange tijd was de huidige kustlijn vrij toegankelijk voor de zee. De toenmalige kust bestond voornamelijk uit zandige wadplaten waartussen een groo t aantal west-oost georiënteerde geulen lag. Rond 4.200 voor Chr. kwam er verandering in deze situatie. Op de zandige wadplaten ontstonden, parallel aan de kustlijn, de eerste strandwallen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort; Van der Valk, 1992; Pruissers & De Gans, 1988). Door (lokale) verstuiving ontstonden vervolgens op de strandwallen lage duinen, de zogenaamde Oude Duinen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Schoorl). Als gevolg van de grote zandaanvoer bouwde het strandwallensysteem zich verder uit in westelijke richting. De jongere en hogere strandwallen liggen daardoor aan de zeezijde. Achter de door strandwallen gesloten kust kon zich veen vormen (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop; Berendsen, 2004).
De Oude Duinen vormden zich voornamelijk op de hoger gelegen strandwallen, waar als gevolg van de hogere ligging van het maaiveld begroeiing plaatsvond en waar dus opgewaaid zand ingevangen kon worden, een proces dat zichzelf versterkt omdat de duinvorming tevens bijdroeg aan de hogere ligging van het maaiveld. Het voorkomen van duinen is echter niet beperkt tot de strandwallen. Als gevolg van verstuiving hebben zich ook duinen gevormd in de met veen overgroeide strandvlakten en zelfs achter de zone van strandwallen, in het zeeklei-getijdengebied. Uit onderzoek is bekend dat dergelijke iets hoger gelegen en zandige bodems in de prehistorie aantrekkelijke bewoningsplekken zijn geweest. Zo zijn in Schipluiden op een dergelijke duin bewoningsresten uit het neolithicum aangetroffen (Louwe Kooijmans & Jongste, 2006). Het plangebied ligt op basis van de gaande paleogeografische reconstructies tussen twee strandwallen, die voorafgaand aan circa 2.750 voor Chr. zijn gevormd (Vos & De Vries, 2013). De vorming van deze landschapsvorm resulteerde in een sterke vermindering van de mariene invloed,
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[10]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
zeker gezien het feit dat het grootste deel van omgeving boven gemiddeld hoogwater kwam te liggen. Hoewel de mariene invloed achter de ontstane strandwallen verminderde, kon het zeewater via enkele openingen in de kustbarrière (zoals de monding van de Rijn) nog in het achterland doordringen. Mogelijk zijn strand(wal)afzettingen in het plangebied hierdoor bedekt geraakt met mariene klei. De geologische-, geomorfologische- en bodemkaart Op de geologische kaart ligt het plangebied in een zone met een bodemopbouw die bestaat uit duin - en strandzand (Laagpakket van Schoorl/Zandvoort; Na1). Het plangebied is volgens de geomorfologische kaart deel van een ingesloten strandvlakte, al dan niet bedekt met kust- en stuifzandduinen. Mogelijk zijn deze lagen vervlakt onder invloed van natuurlijke processen (M76). Op basis van de archeo-landschappelijke kaart, die bij de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is bijgevoegd, ligt een deel van het plangebied op de strandwalflank (afgedekt met veen of klei) en zijn in het noordwestelijk deel van het plangebied waarschijnlijk strandwalafzettingen aanwezig (Kroes e.a., 2013; figuur 3). Op het afdekkende veen of de klei kunnen stuifzandlagen aanwezig zijn. De bodem in het plangebied is op de bodemkaart geclassificeerd als beekeerdgrond, d ie wordt gevormd door leemarm en zwak lemig zand.
De minerale eerdlaag is tussen 15 en 50 cm dik (pZg21). Maaiveldhoogte en grondwaterstand Het maaiveld in het plangebied ligt rond 0,4-0,6 m NAP (https://www.ahn.nl/ahn-viewer). Het schoolterrein, alsmede delen van de voormalige buitenplaats ten zuidoosten van het plangebied, liggen circa 0,5-0,7 m hoger dan delen van de omgeving (figuur 2). Waarschijnlijk is de bouw en uitbreiding van het scholencomplex door de jaren heen gepaard gegaan met ophogingen van het maaiveld. Mogelijk is eerder ook grond opgebracht in het kader van de ontwikkeling van de tuin en het park in de omgeving (zie paragraaf 2.4). Het is echter ook mogelijk dat delen van de omgeving zijn afgegraven ten behoeve van de zandwinning. Voor het plangebied zijn hier overigens geen aanwijzingen voor op basis van het AHN> De grondwaterstand in het plangebied is geclassificeerd als trap IIb. De gemiddelde hoogste grondwaterstand ligt tussen 25 en 40 cm –mv. De gemiddelde laagste grondwaterstand tussen 50 en 80 cm –mv. Eventueel aanwezige organische (archeologische) resten zullen hiermee in het algemeen vanaf circa 50-80 cm –mv goed bewaard zijn gebleven. DINOloket Drie geologische boringen op het scholencomplex zijn in het DINOloket opgenomen ( figuur 2). Deze verschaffen in het algemeen weinig gedetailleerde informatie over de bodemopbouw.
In boring B30G4046 bestaat de bodemopbouw tot de einddiepte van de boring (2 m –mv) uit fijn zand (maaiveldhoogte 0,4 m NAP). In boring B30G4033 is tot 0,6 m –mv matig humeus zand aanwezig (maaiveldhoogte niet gespecificeerd). Hieronder is tot 1,5 m –mv minder humeus uiterst fijn zand aangetroffen. In boring B30G4034 is tot 1,7 m –mv voornamelijk fijn zand aangeboord (maaiveldhoogte niet gespecificeerd). Alleen tussen 1,35 en 1,38 m –mv is een zeer dun veenbandje beschreven. Alle bovengenoemde zandlagen zijn aan de Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Schoorl toegeschreven.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[11]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 2. Maaiveldhoogten in het plangebied en de omgeving en de in de tekst besproken DINOboringen.
Milieukundig booronderzoek Tijdens milieukundig onderzoek dat deels het plangebied besloeg zijn in 4 b oringen op dieptes tussen 0 en 120 cm –mv lagen puinfragmenten aangeboord, die waarschijnlijk de aanwezigheid van geroerde grond illustreren (Van Leeuwen, 2006).
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[12]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
2.3 Archeologische gegevens Archeologische gegevens opgenomen op de archeo -landschappelijke kaart van de gemeente Wassenaar Direct ten noorden van het plangebied is op de gemeentelijke archeo -landschappelijke kaart de (losse) vondst van een handboog uit de vroege middeleeuwen C opgenomen (vindplaats 105; figuur 3). Daarnaast zijn ten zuidoosten van het plangebied twee losse vondsten uit de bronstijd -ijzertijd (vindplaatsen 68 en 134) en een nederzetting uit de late middeleeuwen B -nieuwe tijd C. Op basis van de in Archis opgevoerde gegevens kunnen deze vindplaatsen nader worden beschreven.
Figuur 3. De directe omgeving van het plangebied op de archeo -landschappelijke kaart van de gemeente Wassenaar (Kroes e.a., 2013). Zonering: lichtgeel – Oude Duinen en strandwallen, groengeel – strandwalflank, geel: strandvlakte. Symbolen: lichtgroene cirkel – losse vondst uit de vroege middeleeuwen, blauwe cirkel – losse vondst uit de prehistorie, groen huis – nederzetting uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[13]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Vondstlocaties in Archis3 Binnen 500 m van het plangebied zijn vier vondslocaties in Archis gemeld (tabel 2; figuur 5). De aangetroffen vondsten dateren uit verscheidene perioden. De oudste vondsten betreffen vuurstenen schrabbers uit het neolithicum-vroege ijzertijd, die circa 105 m ten zuidoosten van het plan gebied bij landgoed Backershagen zijn gevonden. Deze vondsten hangen waarschijnlijk samen met prehistorische bewoning of andere activiteit op de strandwal en in nabijgelegen strandvlaktes. Direct ten noorden van het plangebied is een houten boog uit de vroege middeleeuwen (750-900 na Chr.) op een veenpakket aangetroffen (figuur 4), terwijl in het veenpakket menselijke botten van een oudere man zijn gevonden. Deze vondst illustreert waarschijnlijk dat de voormalige (ingesloten) strandvlaktes, waar veengroei plaatsvond, in deze periode werden gebruikt voor de jacht. Tijdens een opgraving op landgoed Backershagen zijn daarnaast vondsten uit de late middeleeuwen -nieuwe tijd aangetroffen, die waarschijnlijk verband houden met dit landgoed.
Figuur 4. Tekeningen van de nabij het plangebied gevonden handboog (Appelboom, 1954).
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[14]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Zaakidentifi-
Ligging
Datering
Materiaal
Beschrijving
Diepte
catienr. 2960342100
Verzamelwijze
5-10 m ten
Vroege
Hout
Houten handboog. Lengte:
Circa 2,75 m –
noorden
middeleeuwen
(essen)
circa 1,5 m (oorspronkelijk
mv (4 Ned. El).
C (750-900 na
1,75-1,8 m). Op ongeveer
Onder duinzand
Chr.)
dezelfde locatie in het veen
op een veenlaag
Onbekend
is een menselijke schedel en andere botten gevonden van een relatief oud (mannelijk) persoon (Appelboom, 1954). De boog is in 1856 aan het Rijksmuseum van Oudheden geschonken en onder inventarisnummer ‘SvD 1’ opgenomen in de collectie 1 2786703100
3152085100
105 m ten
Neolithicum-
zuidoosten
bronstijd
105 m ten
Late bronstijd-
zuidoosten
vroege ijzertijd
Vuursteen
Schrabber
Onbekend
Opgraving
Vuursteen
Schrabber, ‘afkomstig uit
Onbekend
Opgraving
Onbekend
Opgraving
het bovenste talud van een voormalige sloot en is zeer waarschijnlijk van de naastgelegen strandwal afkomstig (naar beneden gegleden)
2786696100
105 m ten
Late bronstijd-
Vuursteen,
Vuurstenen schrabber.
zuidoosten
vroege ijzertijd
steen, bot,
Keramiek: Siegburgs
(schrabber),
hout, glas,
steengoed, ongeglazuurde
late
keramiek
plavuis, baksteen. Dierlijk
middeleeuwen
bot: spatel. Glas: W ijnfles
B-nieuwe tijd
met hoge hals. Steen:
(rest)
Wijwaterbak van Delfts blauw. De context van deze vondsten is onbekend, maar onder hetzelfde zaaknummer is een greppel/sloot uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd gemeld
Tabel 2. Overzicht van archeologische vondsten nabij het plangebied.
Eerder in de omgeving uitgevoerd onderzoek volgens ARCHIS3 Binnen 500 m zijn vijf archeologische onderzoeken in Archis gemeld (tabel 3; figuur 5). 2 Deze onderzoeken geven inzichten in de landschappelijke situering van de omgeving en de hieraan gekoppelde archeologische verwachting en/of potentie. In al deze (veld)onderzoeken zijn naast strandafzettingen, veen en klei (typische afzettingen voor een strandvlakte) ook Oude Duinafzettingen
1
https://www.rmo.nl/collectie/collectiezoeker/collectiestuk/?object=152275 . De onderzoeken gemeld onder zaakidentificatienummers 2960342100, 3152085100, 2786696100 en 2786703100 bevatten geen nieuwe informatie en dezelfde informatie als onder de eerder besproken vondstmeldingen. 2
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[15]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
waargenomen, die illustreren dat op zijn minst plaatselijk duinvorming in/op deze ingesloten strandvlakte heeft plaatsgevonden. De bodemopbouw blijkt regelmatig tot op enige diepte te zijn verstoord door recente (bouw)activiteiten of oudere vergravingen uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd. Waarschijnlijk heeft, op basis van het onderzoek gerapporteerd in Conradi (2018), in de omgeving ook Jonge Duinvorming in de late middeleeuwen-nieuwe tijd plaatsgevonden.
Zaakidenti-
Ligging
Type onderzoek
Resultaat/advies
240 m west
Karterend
Bodem tot gemiddeld 0,6 m –mv verstoord. Hieronder zijn Oude
booronderzoek
strandafzettingen aangetroffen. In 2 boringen is tussen de
ficatienr. 2102649100
verstoorde lagen en het strandzand nog een dunne laa g veen- of klei aanwezig. In een enkele boring is direct onder een verstoring mogelijk een duinopduiking in de strandvlakte aangeboord. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Advies: geen vervolgonderzoek (Kruidhof, 2005) 2441748100
335 m noord
Verkennend
In het oostelijke en meest westelijke deel van het plangebied is een
booronderzoek
opgebracht/verstoord pakket op Oude Duinafzettingen op Oude Strandafzettingen afzettingen aangetroffen. In het centrale deel van het plangebied zijn deze afzettingen afgedekt door Hollandveen en getijdenafzettingen van het Laagpakket van W alcheren. Hiermee wordt de verwachting dat het plangebied in de strandwalvlakte ligt, bevestigd. Voor de aangetroffen kalkloze Oude Duinafzettingen kan de hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de periode neolithicum t/m late middeleeuwen gehandhaafd blijven. Advies: geen graafwerkzaamheden dieper dan 0,5 m -mv (circa 0,55 m -NAP). Advies: proefsleuvenonderzoek (Sprangers & W arning, 2014)
4010174100
335 m noord
Proefsleuven-
Onder de oude bebouwing zijn verstoorde lagen aangetroffen. In
onderzoek
delen waar de bodemopbouw in mindere mate is verstoord, waar duin- en strandafzettingen aanwezig zijn, zijn geen aanwijzingen voor een archeologische vindplaats aangetr offen (Louwe, 2017)
4859178100
430 m
Bureauonderzoek
zuidoost
Het plangebied ligt op een strandwal die vanaf het neolithicum geschikt was voor bewoning Het niveau bevindt zich vanaf circa 0,3 m NAP. Op dit niveau worden resten uit het neolithicum t/m nieuwe tijd verwacht. Advies: verkennend booronderzoek (Hekman e.a., 2020)
4037001100
460 m
Verkennend
De bodemopbouw bestaat uit Jong Duinzand op een rommelig
zuidwest
booronderzoek
pakket (in de late middeleeuwen waarschijnlijk vergraven) op Oud Duin- en of strandzand. In deze laatste lagen zijn humeuze niveaus aangetroffen (tussen 0,5 en 0,9 m –NAP), die plaatselijk zijn afgedekt door veen. Advies: planaanpassing of karterend booronderzoek (Conradi, 2018)
Tabel 3. Overzicht van eerder archeologisch onderzoek nabij het plangebied.
Bekende archeologische gegevens uit andere bronnen Op 3 mei 2021 is een verzoek gedaan aan de heer P. de Geus van de Stichting Historisch Centrum Wassenaar, werkgroep Archeologie voor aanvullende gegevens. Hierop is geen reactie gekomen.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[16]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 5. In Archis opgenomen archeologische gegevens voor de omgeving van het plangebied.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[17]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
2.4 Historische situatie Op basis van historische kaarten kan inzicht worden verkregen in het historisch gebruik van een gebied van na de late middeleeuwen tot begin 20e eeuw. In die periode was men veel meer dan nu gebonden aan de (on)mogelijkheden die het natuurlijke landschap bood voor bewoning en andere vormen van landgebruik. Het historisch gebruik zegt daarmee iets over de archeologische potentie van het gebied. Daarnaast kan het informatie leveren over eventuele bodemverstoringen die in het verleden hebben plaats gevonden. De Zijlwetering, die het perceel van het Rijnlands Lyceum aan de noordzijde begrensd, is in de middeleeuwen gegraven om het lager gelegen gebied tussen twee strandwallen, waar zich veen had gevormd, te ontwateren richting de Rijn (Kroes e.a., 20 13). Op historische kaarten uit de 17e en 18e eeuw is de exacte ligging van het plangebied weliswaar slechts te benaderen. Op Prins Maurits’ Kaart uit 1614 is geen bebouwing in de directe omgeving van het plangebied weergegeven ( figuur 6a). De dichtstbijzijnde gebouwen, die op een kaart uit het Kaartboek van Rijnland uit 1746 zijn gekarteerd, betreft bebouwing van landgoed Backershagen ten zuidoosten van het plangebied (figuur 6b). De ontwikkelingsgeschiedenis van het plangebied en de omgeving is uitgebreid beschreven in het door RAAP uitgevoerde cultuurhistorisch onderzoek (IJsselstijn, 2020).
Het plangebied was vanaf 1681 tot 1938 deel van buitenplaats Backershagen. Het landhuis en de boerderij lagen te n zuidoosten van het plangebied. Het plangebied was waarschijnlijk in gebruik als park van de buitenplaats. Een eerste detailbeeld van het plangebied wordt geleverd door de eerste kadastrale kaarten (figuur 6c). Het plangebied was op deze kaarten deel van een onbebouwde zone en kadastraal perceel 599. Op basis van de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels was dit perceel op het moment van opstellen van deze kaart in gebruik als weiland. In de vroege 20e eeuw is een entree aangelegd tussen het landhuis en de Backershagenlaan, die evenwijdig aan de Zijlwetering loopt. De toegangsweg liep door de zuidelijke punt van het plangebied (figuur 6d). Voor het weideperceel langs de nieuwe entree liet Swart in 1926 een parkontwerp maken door tuinarchitect L.A. Springer. Het ontwerp is niet bewaard gebleven. Het plangebied lag deels in dit achterpark, waar direct buiten het plangebied onder andere een slingervijver werden aangelegd. De zone ten zuidwesten van de toegangsweg (en het plangebied) werd in 1938 verkocht aan de stichting die enkele jaren daarvoor het Rijnlands Lyceum had opgerich t. Het plangebied is in de zogenaamde derde bouwfase van het complex bebouwd geraakt (1977 -1979) en deze vleugel (de C-vleugel) is op de topografische kaarten vanaf 1986 weergegeven (figuur 6e).
In 2008 is deze vleugel, gezien de slechte staat van deze bebouwing, gesloopt, waarna een nieuwe vleuge l ten zuiden/oosten van het plangebied is opgetrokken (figuur 6f).
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[18]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 6. Overzicht van historische en topografische kaarten.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[19]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 7. Uitsnede van de inrichtingstekening uit 1978 met hierop de twee vleugels die deels in het huidige plangebied waren opgetrokken (tekening naar het noordwesten georiënteerd).
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[20]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Op basis van bij het bouwarchief opgevraagde bouwtekeningen kan de funderingswijze van deze voormalige bebouwing worden besproken, hetgeen inzichten verschaft tot op welke diepte de bodem hier zal zijn geroerd. De meest oostelijk gelegen vleugel, waarvan de noordzijde in het plangebied was gesitueerd, werd gebruikt voor leslokalen en een gymlokaal ( figuur 7). De doorsnede van de noordzijde illustreert dat onder deze vleugel een kruipruimte tot circa 1,1 m –mv is aangelegd, met hieronder een afsluitende zandlaag van circa 10 cm dik (figuur 8). De funderingen reikten tot circa 0,8 m –mv en waren geplaatst op palen. De andere vleugel, die een groter deel van het plangebied besloeg, was in gebruik als garderobe en overblijflokaal. De funderingswijze van deze vleugel is v ergelijkbaar, alleen was onder deze vleugel een iets minder diepe kruipruimte aanwezig (tot 0,85 m –mv) met hieronder ook circa 10 cm schoon zand (figuur 9).
Figuur 8. Doorsnede van de noordzijde van de meest oostelijk gelegen vleugel.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[21]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Figuur 9. Doorsnede van de vleugel met het overblijflokaal en de garderobe.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[22]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
2.5 Huidige situatie Aan de hand van actuele gegevens van recente luchtfoto’s, Google Street View, locatiebezoek en navraag bij de opdrachtgever zijn de onderstaande zaken over de huidige situatie te melden. Huidig grondgebruik
Schoolplein (figuur 10)
Hoogteligging maaiveld
Rond 0,4-0,6 m NAP (https://www.ahn.nl/ahn-viewer)
Grondwatertrap of -stand
Trap IIb
Milieutechnische condities
In het plangebied zijn slechts plaatselijk licht verhoogde gehaltes zink en tetrachlooretheen aanwezig. In de meeste monsters zijn geen verhoogde gehaltes van onderzochte parameters aangetoond (Van Leeuwen, 2006)
Aanwezige constructies (funderingen, kelders e.d.)
Onbekend. Mogelijk zijn nog funderingsresten (of –palen) vleugels in het plangebied aanwezig
Locatie en diepte van kabels/leidingen
Zie figuur 10. Diepte: waarschijnlijk binnen 75 cm –mv. Op basis van door de opdrachtgever verstrekte informatie zijn in het plangebied en met name rondom het sportveld ook eigen kabels aanwezig
Tabel 4. Overzicht van de huidige situatie van het plangebied.
Figuur 10. Luchtfoto van het plangebied en de ligging van een in het plangebied aanwezige waterleiding.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[23]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
2.6 Toekomstige situatie Uit navraag bij de opdrachtgever is het volgende gebleken over de toekomstige situatie: Aard
Nieuwbouw vleugel
Omvang en diepte
Er zijn drie principemodellen opgesteld voor een plangebied van circa 1.800 m 2 (figuur 11). Circa 80% van het plangebied wordt bebouwd. De strook direct aan het water, in de noordoosthoek van het plangebied, wo rdt niet bebouwd. De exacte diepte van de voorgenomen graafwerkzaamheden is nog niet bekend. Waarschijnlijk wordt de nieuwbouw op funderingspalen geplaatst
Invloed op maaiveld en grondwater
Onbekend
Toekomstig gebruik
School
Toekomstige gebruiker
Ongewijzigd
Tabel 5. De toekomstige situatie.
Figuur 11. Inrichtingsplan met het bouwvlak, waarin een van de drie principeplannen wordt gerealiseerd (zuidoost georiënteerd).
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[24]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
2.7 Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verzamelde gegevens is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Deze geeft inzicht in de aard en de ouderdom (inclusief omvang en uiterlijke kenmerken), (diepte)ligging, en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten. Aard en ouderdom Het verspreidingspatroon van archeologische vindplaatsen is voor een groot deel gerelateerd aan de fysieke eisen die de mens stelde aan de leef- en woonomgeving. Het meest markant zijn de verschillen tussen jager-verzamelaars enerzijds en landbouwers anderzijds. In de steentijd (paleolithicum t/m neolithicum) leefden de mensen voornamelijk van de jacht, visvangst en het verzamelen van eetbare planten en vruchten. Deze zogenaamde jager -verzamelaars trokken door het landschap en verbleven alleen tijdelijk op een plek. Uit een ruimtelijke analyse blijkt dat hun kampementen in vrijwel alle gevallen waren gesitueerd op de overgang van nat naar droog. Nabij dergelijke gradiëntzones waren namelijk de meeste voedselbronnen voorhanden en was (drink)water bereikbaar. Gezien de landschappelijke situering van het plangebied en met name de v orming van strandwallen voorafgaand aan circa 2.750 voor Chr., kunnen in het plangebied archeologische resten uit het midden laat neolithicum en jonger aanwezig zijn.
Met de introductie van de landbouw (vanaf het neolithicum) werd de mate waarin gronden geschikt waren om te beakkeren een steeds belangrijker factor in de locatiekeuze van de mens en. De eerste akkergronden werden aangelegd op de van nature vruchtbaarste gronden. Bovendien moesten de gronden goed ontwaterd zijn. Het plangebied kenmerkt zich door zijn ligging op de flank van de strandwal en/of een ingesloten strandvlakte, waarin op zijn minst plaatselijk duinvorming lijkt te hebben plaatsgevonden . De strandwalcomplexen werden in de prehistorie intensief gebruikt voor bewoning en vaak tot op de randen/flanken ook voor de akkerbouw. Hierdoor worden wel archeologische resten vanaf de tijd vanaf de eerste landbouwers (late prehistorie) verwacht. Aangezien het plangebied hoogstens op de flank van een strandwal lijkt te liggen bestaat er een middelho ge archeologische verwachting vanaf het neolithicum in het geval van een goeddeels intacte bodemopbouw met ontkalkte en/of humeuze niveaus in Oude Duin- of Strandafzettingen. Zijn humeuze/ontkalkte niveaus in Oude Duin- of strandafzettingen afwezig, dan bestaat er een lage archeologische verwachting voor archeologische resten uit het neolithicum en later (tot grofweg de Romeinse tijd).
Met het verminderen van de mariene invloed in de ingesloten strandvlakte waarin het plangebied zich bevindt kon zich hier Hollandveen vormen en zullen plaatselijk waarschijnlijk relatief kleine kreeksystemen aanwezig zijn. De periode van veenvorming is op basis van de beschikbare bronnen uit de omgeving niet exact te bepalen. Deze veenvorming lijkt echter tot in de vroege midd eleeuwen te hebben plaatsgevonden. Uit deze periode is direct ten noorden van het plangebied op het veen een handboog uit de vroege middeleeuwen C gevonden, naast enkele botten van een oudere man in het veen. Appelboom reconstrueert dat op deze locatie een vermoeide, oudere jager in het drassige veengebied is gestorven, waarna zijn zwaardere lichaam in het veen is gezakt en de lichtere boog op het veen is blijven liggen (Appelboom, 1954). In principe bestaat voor deze drassige milieus een lage archeologische verwachting voor bewoning en andere vormen van intensief landgebruik en zijn de
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[25]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
aangetroffen archeologische resten waarschijnlijk een ‘toevalsvondst’. In het geval dat in het plangebied echter veen met een veraarde top aanwezig is, was mogelijk sprake van een verbeterde ontwatering waardoor het veen in ieder geval kortstondig geschikt zou kunnen zijn geweest voor bewoning (op een kleine schaal). Indien het geval, bestaat zeker ook gezien de vondst van deze resten direct ten noorden van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor archeologische resten uit de vroege middeleeuwen. Uit de Archis-melding van de vondst van deze boog (en uit onderzoek uit de omgeving) blijkt dat het Hollandveen is overstoven en dat er (waarschijnlijk in de late middeleeuwen) Jonge Duinvorming op enige schaal in de omgeving heeft plaatsgevonden. Ondanks de ligging van het plangebied op voormalige grond van buitenplaats Backershagen, worden op basis van de geraadpleegde historische kaarten niet direct overblijfselen van gebouwen uit de nieuwe tijd (16e-19e eeuw) in het plangebied verwacht. Mogelijk zijn in het plangebied wel nog resten van de toegangsweg uit de 19e -vroege 20e eeuw te verwachten.
(Diepte)ligging Mogelijk is in het plangebied sprake van een ophogings pakket aan het maaiveld, dat is opgebracht ten tijde van de bouw/uitbreiding van het Rijnlands Lyceum, waardoor eventueel aanwezige archeologische resten niet direct aan het maaiveld kunnen worden verwacht. De aan -/afwezigheid en eventuele dikte van dit pakket is echter niet duidelijk. Op basis van uitgevoerd milieukundig booronderzoek en met name de aanwezigheid van puinlagen (plaatselijk tot 120 cm –mv), reikt dit pakket mogelijk tot relatief diep onder het maaiveld. Op basis van onderzoek uit de omgeving kunnen direct onder opgehoogde of geroerde lagen vanaf circa 0,3-0,5 m –NAP (ongeveer vanaf 0,7-1,1 m –mv) echter archeologisch interessante lagen aanwezig zijn. Fysieke kwaliteit Indien Oude Duin- en strandafzettingen worden afgedekt door een veenpakk et is waarschijnlijk sprake van een goede conservering van archeologische resten (indien aanwezig). Hetzelfde is waarschijnlijk het geval voor de top van het veen. Ter plaatse van de handboog, die ten noorden van het plangebied is aangetroffen, blijkt dit niveau te zijn overstoven door een pakket Jonge Duinafzettingen. Mogelijk hebben in het plangebied en de omgeving in de late middeleeuwen -nieuwe tijd (zand)afgravingen plaatsgevonden, waardoor de bodemopbouw tot op bepaalde diepte kan zijn geroerd.
De aanwezigheid van bebouwing in een groot deel van het plangebied heeft waarschijnlijk tot diepere bodemverstoring in deze zone geleid. Op basis van de geraadpleegde tekeningen uit het bouwarchief zal de bodemopbouw hier tot minimaal 0,85-1,1 m –mv zijn verstoord en ter plaatse van de funderingspalen plaatselijk dieper. Ook onder deze geroerde lagen kunnen echter nog goeddeels intact potentiële archeologische niveaus aanwezig zijn. Waarschijnlijk is de bodemopbouw in het noordelijk deel van het plangebied, dat niet bebouwd was, tot minder diep verstoord.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[26]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
3 Veldonderzoek 3.1 Methode Het inventariserend veldonderzoek (IVO) bestond uit een verkennend booronderzoek. De gevolgde onderzoeksmethode voor het veldwerk is bepaald op basis van het door de bevoegde overheid goedgekeurde PvA (Peeters, 2021). Het veldonderzoek is uitgevoerd op 9 juni 2021. Het verkennend veldonderzoek had tot doel het verkrijgen van inzicht in de bodemgesteldheid, de mate van bodemverstoring en de diepteligging van het verwachte archeologisch e niveau in het plangebied. Daarmee wordt de gespecificeerde archeologische verwachting getoetst en waar nodig aangepast en kunnen uitspraken worden gedaan over de gaafheid van archeologisch relevante niveaus. Daartoe waren in het PvA 5 boringen zo optimaal mogelijk verspreid geplaatst. Twee van deze boringen lagen in zones die, op basis van topografische kaarten, in het verleden bebouwd zijn geweest (boringen 3 en 5). Op de locatie van boring 4 bleek een sportveld te liggen dat in gebruik was en waar niet kon worden geboord. Boring 4 is hierdoor verplaatst naar de rand van het plangebied ten westen van het sportveld, in een zone die in het verleden bebouwd was met de voormalige C-vleugel van de school (figuur 13). In deze zones met voormalige bebouwing (boringen 3, 4 en 5) waren in de ondergrond ondoordringbare puinlagen aanwezig, waardoor de boringen niet tot in de natuurlijke ondergrond konden worden uitgevoerd.
De extra boringen die in deze zones zijn uitgevoerd, zijn ook op puin gestuit (boringen 104 en 105). Dit puin houdt zeer waarschijnlijk verband met de voormalige schoolvleugel op deze locatie. Omdat er van de geplande boringen slechts twee boringen tot in de strandafzettingen konden worden gezet (boringen 1 en 2), is er een extra boring uitgevoerd om verdere inzichten in de natuurlijke bodemopbouw te verkrijgen (boring 6). Er is geboord tot maximaal 340 cm -mv met een Edelmanboor (7 cm), gutsboor (3 cm) en/of zuigerboor (5 cm). Gezien de aanwezigheid van nat zand zonder bijmenging vanaf circa 150 cm –mv is de zuigerboor ingezet om de boringen toch dieper te kunnen uitvoeren. De maximale boordiepte met de zuigerboor ter plaatse van boringen 1, 2 en 6 varieert tussen 285 cm en 340 cm –mv. Na het inzetten van de zuigerboor vallen boorgaten dicht. Er is gepoogd om boring 1 (maximale boordiepte zuigerboor: 285 cm –mv) met een gutsboor tot een vergelijkbare diepte als de an dere boringen (330-340 cm –mv) door te zetten, maar vanwege dit dichtvallen en de ligging van diepere zandlagen onder de grondwaterspiegel spoelt het zand uit deze boor en is hierbij geen sediment opgeboord.
De boringen zijn tijdens het veldwerk lithologisch conform NEN 5104 (Nederlands Normalisatieinstituut, 1989) digitaal beschreven in het boorbeschrijvingssyste em van RAAP (Deborah3 zie bijlage 3) en met behulp van RTK-GPS ingemeten. Van alle boringen, behalve boring 105, is de hoogte bepaald met behulp van RTK-GPS. Op de locatie van boring 105 was geen fixed GPS signaal aanwezig. De maaiveldhoogte ter plaatse van deze boring is benaderd op basis van het AHN en de hoogtemeting bij boring 5.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[27]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
3.2 Resultaten 3.2.1
Veldwaarnemingen
Het plangebied is onderdeel van het schoolterrein en omvat onder andere een sportveld, een deel van de fietsenstalling en een groenstrook in het noorden (figuur 12). Het plangebied ligt aanzienlijk hoger dan zones ten noordoosten hiervan (circa 0,5-0,7 m op basis van het AHN; figuur 2). Dit hoogteverschil wordt grotendeels veroorzaakt door de aanwezigheid van een tijdens het veldonderzoek aangetroffen ophogingspakket.
Figuur 12. Situatiefoto van het plangebied genomen vanaf boorpunt 2 in zuidelijke richting.
3.2.2
Geologie en bodem
De bodemopbouw in het plangebied blijkt aanzienlijk te zijn verstoord door graafwerkzaamheden in het verleden. Dit werd verwacht ter plaatse van voormalig bebouwde zones, maar ook de bodemopbouw ter plaatse van de boringen die ten noorden hiervan zijn uitgevoerd blijkt niet intact.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[28]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
Opgebrachte grond Direct onder het maaiveld is een pakket opgebrachte grond aanwezig. Het ophoogpakket bestaat uit zwak siltig, matig fijn-matig grof zand. De lagen kenmerken zich door hun rommelige karakter met zandbrokken en de aanwezigheid van puinfragmenten. In zones waar de voormalige C -vleugel was opgetrokken zijn erg veel puinfragmenten en grind aanwezig. Dit puin bestaat voornamelijk uit beton . Boringen 4, 5, 104 en 105 in de zuidelijke helft van het plangebied (en net hierbuiten) zijn binnen het ophoogpakket op geringe diepte op puin gestuit (15-30 cm –mv; figuur 13). In boringen 1, 2, 3 en 6, waar de basis van dit pakket is aangeboord, reiken opgebrachte lagen tot 5080 cm –mv. Dit was ongeveer de dikte die op basis van het hoogteverschil tussen het plangebied en de omgeving werd verwacht. Deze lagen zijn waarschijnlijk voorafgaand aan de bouw van het scholencomplex opgebracht. Verstoorde grond De bodemopbouw onder het opgebrachte pakket blijkt relatief diep te zijn verstoord in de boringen die tot dieper dan het opgebrachte pakket konden worden doorgezet (boringen 1, 2, 3 en 6). Ter plaatse van deze boringen reiken verstoorde lagen tot 120-170 cm –mv (figuur 13). De lagen verstoorde grond bestaan voornamelijk uit zwak-matig siltig, matig fijn zand. Deze lagen zijn vaak wat humeuzer van karakter (zwak-matig humeus) en bevatten zandbrokken en/of puinfragmenten.
Op zijn minst de bodemverstoring in boring 2 is relatief recent van aard op basis van de aanwezigheid van piepschuim op 65 cm –mv en beton op een dieper gelegen niveau (120-140 cm –mv). Mogelijk is de bodem hier na het opbrengen van grond (voorafgaand aan de bouw/uitbreiding van de school) tot relatief diep verstoord. In boring 6 zijn minder puinfragmenten in verstoorde lagen aangetroffen. In de laag verstoorde grond onder het ophoogpakket is een fragment niet-bewerkt vuursteen aangetroffen (tussen 80 en 100 cm –mv; zie paragraaf 3.2.3). Daarnaast valt op dat in deze boring, naast zandbrokken, ook veenbrokken zijn waargenomen en dat de diepst gelegen laag in het verstoorde pakket bestaat uit verstoord veen met zand- en kleibrokken (tussen 150 en 170 cm –mv). De aanwezigheid van vuursteen is opvallend, aangezien dit materiaal mogelijk als een archeologische indicator (in een verstoorde context) moet worden gezien. De aanwezigheid van veenbrokken en verstoord veen illustreert dat in het plangebied veen, conform de archeologische verwachting, aanwezig was, maar dat dit op zijn minst plaatselijk is verstoord en op andere locaties zal zijn vergraven.
Tijdens het booronderzoek zijn geen lagen intact veen waargenomen, waarin/waarop in het verleden direct ten noorden van het plangebied een houten boog en menselijke botten uit de vroege middeleeuwen zijn aangetroffen (zie paragraaf 2.3). De aanwezigheid van een diepe verstoring ter plaatse van boring 3 (minimaal tot 150 cm –mv; gestuit op puin) lag in de lijn der verwachting, aangezien ook deze locatie deel was van de C -vleugel (figuur 13). Opvallend is dat in de verstoorde lagen op deze locatie veel fragmenten betonpuin en wapeningsstaal zijn opgeboord. De exacte verstoringsdiepte in deze zone met voormalige bebouwing kon echter niet op basis van de boringen worden vastgesteld, omdat alle boringen op puin zijn gestuit. Mogelijk betreft het puinlagen of funderingen die nog in de grond aanwezig zijn. De aanwezigheid van geroerde grond tot relatief diep onder het maaiveld op de andere locaties kan mogelijk worden gerelateerd aan vergravingen rondom de voormalige schoolvleugel, het verwijderen van bebossing
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[29]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
voorafgaand aan deze bouw, vormen van agrarische grondbewerking en/of z andafgravingen in het verleden.
Figuur 13. Boorpuntenkaart verkennend booronderzoek.
Oude Duinafzettingen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort) In de boringen die tot in niet-verstoorde natuurlijke bodemlagen zijn doorgezet (boringen 1, 2 en 6) zijn direct onder de verstoorde lagen Oude Duinafzettingen waargenomen. Deze afzettingen bestaan uit zwak siltig, matig fijn en ontkalkt zand. Dit zand is gereduceerd en er zijn plantenresten in waargenomen. Verder is het zand vrij ‘schoon’ en bevat het geen tot weinig andere insluitsels.
RAAP-rapport 5213 / versie 21-06-2021
[30]
Plangebied Uitbreiding Rijnlands Lyceum te W assenaar, gemeente Wassenaar; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek)
De aanwezigheid van Oude Duinafzettingen toont aan dat de voormalige ingesloten strandvlakte ter hoogte van het plangebied is overstoven en/of dat hier plaatsel ijk duinvorming heeft plaatsgevonden. De duinafzettingen zijn vanaf 120-170 cm –mv aanwezig (vanaf 0,7-1 m –NAP). Het pakket duinafzettingen is relatief dun en in de boringen respectievelijk 65 cm (boring 1), 50 cm (boring 2) en 15 cm dik (boring 6). De diepteligging van de Oude Duinafzettingen in het plangebied komt grofweg overeen met de diepteligging van zulke lagen in de omgeving, waar vanaf circa 0,3 -0,5 m –NAP Oude Duinafzettingen zijn aangetroffen (paragraaf 2.3). Tijdens het onderzoek zijn geen Jonge Duinafzettingen aangetroffen. Indien aanwezig, zijn zulke lagen wellicht in het pa kket verstoorde grond opgenomen of vergraven. In de Oude Duinafzettingen zijn geen humeuze lagen waargenomen. Zulke lagen illustreren een bepaalde fase van stilstand van (eolische) sedimentatie, waardoor humusaanrijking en andere bodemvormende processen konden plaatsvinden. Ook het hoogste niveau waarop Oude Duinafzettingen zijn geïdentificeerd lijkt geen sporen van bodemvorming te vertonen, hetgeen illustreert dat de oorspronkelijke top van het duin (een potentieel archeologisch niveau) is afgetopt door vergravingen en mogelijk zandafgravingen.
Bovendien is de overgang van bovenliggende lagen naar Oude Duinafzettingen in het algemeen vrij abrupt. Strand(wal)afzettingen (Formatie van Naaldwijk, Laagpakket van Zandvoort) Onder de Oude Duinafzettingen, zijn kalkrijke lagen met meer schelpengruis of –fragmenten aanwezig. Deze lagen bestaan uit zwak siltig, matig fijn zand en de bovenste trajecten bevatten plantenresten. Tijdens het veldonderzoek zijn twee lagen onderscheiden: 1)
Mogelijke strandwalafzettingen. Direct onder de Oude Duinafzettingen is een laag kalkrijk zand met relatief veel schelpengruis en enkele plantenresten aanwezig. Deze laag vormt waarschijnlijk de op deze locatie gevormde strandwal, waarop later duinvorming kon plaatsvinden. De mogelijke top van de mogelijke strandwalafzettingen is tussen 185 -190 cm mv aangeboord (tussen 1,15-1,35 m –NAP) en deze laag is 40-85 cm dik. De overgang met de bovenliggende duinafzettingen is tijdens het veldonderzoek niet waargenomen, aangezien de overgang grofweg op de diepte zat tot waarop met de Edelmanboor kon worden geboord en door het natte zand de zuigerboor moest worden ingezet. In deze laag zijn geen humeuze niveaus waargenomen.