Bijlage 3.4 RAAP-rapport 4584 "Vrij, maar niet stuurloos"
Tekst van het document
RAAP-RAPPORT 4584
'Vrij, maar niet stuurloos'
Een cultuurhistorische analyse en waardenstelling van het Rijnlands Lyceum te Wassenaar
Colofon Opdrachtgever: Stichting Het Rijnlands Lyceum Titel: 'Vrij, maar niet stuurloos'. Een cultuurhistorische analyse en waardenstelling van het Rijnlands Lyceum te Wassenaar Versie: 08-10-2020 Auteur: Marcel IJsselstijn, MA Autorisatie: ir. Luuk Keunen Projectcode: WALY Bestandsnaam: RAAPrap_4584_WALY_20201008
ISSN: 0925-6229
RAAP Leeuwenveldseweg 5b
Telefoon: 0294-491 500
1382 LV Weesp
E-mail: raap@raap.nl
Postbus 5069
Website: www.raap.nl
1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2020 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen.
2
Samenvatting In verband met voorgenomen planvorming voor uitbreiding van het Rijnlands Lyceum in Wassenaar is een analyse uitgevoerd naar de cultuurhistorische waarde van het perceel en de gebouwen en de stedenbouwkundige en landschappelijke inbedding daarvan binnen het voormalige landgoed Backershagen. In het rapport wordt de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied beschreven en worden de bestaande kwaliteiten en karakteristieken van het Rijnlands Lyceum in kaart gebracht. Uit de waardenstelling blijkt dat het plangebied een hoge algemene cultuurhistorische waarde heeft. Tevens wordt een aantal knelpunten vastgesteld, met name aan de oostzijde van het terrein. De aanbevelingen die tot slot in dit rapport worden gedaan , kunnen in de actuele planvorming gebruikt worden om de bestaande cultuurhistorische kwaliteiten van het Rijnlands Lyceum te beschermen en mogelijk zelfs te versterken door een aantal van de geconstateerde knelpunten aan te pakken.
3
Inhoud Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1 Kader .................................................................................................................................................. 5 1.2 Historische situering ............................................................................................................................ 6
2 Ontwikkelingsgeschiedenis ............................................................................................................... 8 2.1 Buitenplaats Backershagen (1681-1938) ............................................................................................... 8 2.2 Het Rijnlands lyceum (1938-heden) .....................................................................................................15
3 Analyse .......................................................................................................................................... 32 4 Waardenstelling.............................................................................................................................. 38 5 Aanbevelingen................................................................................................................................ 43 Literatuur .......................................................................................................................................... 46 Overzicht van figuren ........................................................................................................................ 47 Bijlage 1. Fotoreeks huidige situatie ………………………………………………………………………….... 50
4
1 Inleiding 1.1 Kader In opdracht van Stichting Het Rijnlands Lyceum heeft RAAP in juni 2020 een cultuurhistorische analyse en waardenstelling uitgevoerd in verband met voorgenomen planontwikkeling op het terr ein van het Rijnlands Lyceum te Wassenaar. Het onderzoeksgebied is gelegen aan de Backershagenlaan 3 -5 en vormt een rechthoekig perceel dat in noordwest-zuidoostelijke richting georiënteerd is (figuur 1). Deze cultuurhistorische analyse en waardenstelling hebben tot doel de bestaande kwaliteiten en karakteristieken van de plek in kaart te brengen en in het verlengde daarvan input te leveren voor de voorgenomen planontwikkeling.
Figuur 1. Aanduiding plangebied. Inzet: ligging in Nederland (ster).
5
1.2 Historische situering Het plangebied is centraal gelegen binnen de gemeente Wassenaar . Tot het midden van de negentiende eeuw was Wassenaar verdeeld in twee ambachten, Wassenaar en Zuidwijk. De Zijlwetering, die het perceel van het Rijnlands Lyceum aan de noordwestzijde begrenst, vormde de grens tussen beide ambachten. Enigszins verwarrend is dat Zuidwijk, met daarin het dorp Wassenaar, ten noorden van de Zijlwetering gelegen was en Wassenaar, met daarin het kasteel Zuidwijk, ten zuiden ervan (figuur 2). De Zijlwatering is in de middeleeuwen gegraven om het lager gelegen gebied tussen twee strandwallen, waar zich veen had gevormd, te ontwateren richting de Rijn (figuur 3).
1
Figuur 2. Het plangebied op een uitsnede van de Kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland (1642 -1646) van de landmeters Jan Jansz. Dou en Steven van Broeckhuysen . De Zijlwetering (‘De Gemeene Zyl’) vormt de grens tussen de middeleeuwse ambachten Zuidwijk (bruin) en Wassenaar (groen).
1
Kroes et al., 2013, 38. 6
Figuur 3. Het plangebied geprojecteerd op de paleogeografische kaart van 1500 (Vos et al., 2012). De donkergeel gekleurde vlakken zijn de hoger gelegen delen van de strandwallen, de lichtgele vlakken de daartussen gelegen strandvlakten waarin zich veen had gevormd.
Ten zuiden van het plangebied loopt, over het hogere deel van de strandwal, de Rijksstraatweg (N44), een eeuwenoude route tussen Den Haag en Leiden.
7
2 Ontwikkelingsgeschiedenis 2.1 Buitenplaats Backershagen (1681-1938) Lange tijd heeft het plangebied onderdeel uitgemaakt van het landgoed Backershagen, één van de grootste en voornaamste buitenplaatsen in de strandwallenzone van Wassenaar. Hist orisch onderzoek 2
door Aschman (2016) heeft de ontwikkeling van het landgoed Backershagen inzichtelijk gemaakt. Het oudste deel van het landgoed komt voort uit een boerenhofstede die in mei 1681 in het openbaar werd geveild en gekocht door Johannes van Wassenaar (1637-1681). Johannes overleed reeds enkele maanden later, waarna zijn weduwe Elisabeth de Moor (1637 -1723) eigenaresse werd. Zij gebruikte het noordoostelijke deel van de boerderij als buitenverblijf. Na Elisabeths dood kwam de hofstede toe aan drie van haar kleinkinderen. Eén van die kleinkinderen, Maria Clara van der Hagen, kocht met haar man Cornelis Backer de anderen in 1726 uit en werden zo volledig eigenaar. In 1728 breidde Backer hun grondbezit naar het noorden uit en begon hij met de aanleg van een geometrische parkstructuur in de vorm van lanen rond akkers en weiden. Onderdeel daarvan was een nieuwe oprijlaan met hek vanaf de heerweg (dit hek bestaat nog steeds aan de Rijksstraatweg). Hij kreeg bovendien toestemming om langs de heerweg bomen aan te planten, die beheerd moesten worden als hakhout. Vanaf 1731 bouwden Cornelis en Maria Clara een nieuw buitenhuis tegen de oostgevel van de oude boerderij met herenkamer. De oude boerderij werd bij het hoofdhuis getrokken, en aan de westzijde verrees een nieuwe boerderij. Het complex kreeg de naam Backershagen , naar de achternamen van beide echtelieden.
Het nieuwe huis lag excentrisch in de zuidwesthoek van het park : ten noorden van de herenkamer en het nieuwe buitenhuis lag de oude tuin , daaromheen ten noorden en oosten het grotendeels jonge park, en ten westen en zuiden de boerderij met erf en de weilanden. Deze opzet met een ‘showzijde’ naar de Rijksstraatweg en een achterzijde als dienstterrein met boerderij heeft Backershagen gehad totdat in 1877 de boerderij werd afgebroken. De twee kinderen van Cornelis en Maria Clara kochten in 1772 ook de twee zuidelijke hofsteden aan, waarmee het landgoed tot aan de Korte Kerkdam (nu Rust en Vreugdlaan) werd uitgebreid. In dit nieuw aangekochte deel werd vervolgens een park aangelegd in vroege landschapsstijl met slingerende wandel- en rijpaden, een hertenkamp, hermitage en een hoge koepel op een opgehoogde duintop (figuur 4). De enig overgebleven dochter van Cornelis, Clara Elisabeth, kocht in 1798 nieuwe gronden aan ten noorden van het landgoed, waarmee het zich sindsdien uitstrekte tot aan de Schouwweg. Met haar overlijden in 1818 stierf de oude tak van de familie uit en werd de buitenplaats verkocht. Tot 1846 was Backershagen achtereenvolgens in eigendom bij Henricus Gelissen en Jan Harmen van Wensen (1818 1820), Christiaan Paulus van Beresteyn (1820-1837) en Jan de la Bassecour Caan (1837-1846).
2
Het navolgende is ontleend aan deze studie. 8
Figuur 4. Het plangebied (rood) op het kadastrale minuutplan van 1822. Me t de blauwe stippellijn is de grens van landgoed Backershagen aangegeven, met bij 1) het landhuis en de boerderij, 2) de oudste tuinaanleg (late 17e eeuw), 3) het 18e-eeuwse park in vroege landschapsstijl. De lichtblauwe contour geeft de vaarroute over de Zijlwetering weer, die op Backershagen sinds de 18e eeuw een omweg maakte om een onbevaarbaar deel van de wetering ten zuiden van de boerderij De drie papegaaien te mijden. Nog altijd heeft deze vaartsloot ten zuidwesten van het Rijnlands Lyceum een breed profiel.
Onder Caan werd tussen 1837 en 1844 het oude, geometrische deel van het huispark heringericht in late landschapsstijl naar ontwerp van J.D. Zocher jr., waarbij wel enkele oudere geometrische onderdelen van het oude park behouden bleven. In 1846 kwam Backershagen in handen van prins Frederik (1797-1881), zoon van koning Willem I, die al meerdere landgoederen in de omgeving bezat. Het hoofdhuis van Backershagen werd in 1857 voorzien van een nieuwe entreepartij aan de zuidwestzijde. De parkaanleg werd aangepast door de Duitse tuinarchitect C.E.A. Petzold, hoewel zeker niet alles van zijn plan uit 1854-1855 is uitgevoerd. Achter het hoofdhuis stond nog de oude boerderij. Prins Frederik liet de stallen en woning in 1877 afbreken. Hierdoor kon ook het achterterrein bij de buitenplaats betrokken worden. Dit betekent dat 9
Backershagen ook ten tijde van prins Frederik nog lang een agrarische buitenplaats is geweest , met een buitenplaatsvoorzijde en een boerderijachterzijde. Deze tweedeling was ook in het land schap tot 1855 duidelijk zichtbaar; tussen de Rijksstraatweg en het huisterrein lag het park, tussen het huisterrein en de Schouwweg lagen de uitgestrekte weiden met in het midden de Zijlwatering. Dit scherpe contrast tussen park en weiden was verminderd d oordat Petzold het weidelandschap in een parklandschap had herschapen, met een slingerende parkdreef naar Groot Haesebroek en grote boomgroepen (figuur 5).
Figuur 5. Het plangebied op de Topografische kaart van 1879. Met de bl auwe stippellijn is de grens van landgoed Backershagen aangegeven, met bij 1) het landhuis, 2) de oudste tuinaanleg ( late 17e eeuw), heringericht door J.D. Zocher jr. tussen 1837 en 1844, 3) het 18e-eeuwse park in vroege landschapsstijl en 4) het parkgedeelte aangelegd door C.E.A. Petzold, 1854-1855. De lichte gedeelten, waaronder het plangebied, zijn weilanden.
Tussen 1879 en 1885 bleef Backershagen in gebruik als buitenhuis voor Marie van Pruisen (18551888), de weduwe van prins Hendrik. In mei 1885 hertr ouwde zij met Albert von Sachsen-Altenburg (1843-1902) en verhuisde naar Duitsland, waarna het huis Backershagen leeg stond tot circa 1910. In die vijftien jaar werd het park op hoofdlijn onderhouden. De gedetailleerde parkopzet, vooral van het vroeg-landschappelijke deel met onder meer de hertenkamp en de hermitagegrot, verwilderde echter 10
tot algemeen parkbos. Prinses Marie, de dochter van prins Frederik, had haar vaders Wassenaarse bezittingen geërfd na zijn dood in 1881. Rond de eeuwwisseling stootte zij verschillende delen van het uitgestrekte landgoed af (waaronder in 1903 De Horsten aan haar achternichtje koningin Wilhelmina) maar behield het complex Backershagen-De Pauw tot aan haar dood in 1910. Het hoofdhuis Backershagen, met een strook park en weid en tussen de Rijksstraatweg en de Zijlwatering, werd in 1910 verkocht aan mr. Allart G.N. Swart (1867). In 1911 liet Swart het huis verbouwen. Ook met de buitenruimte hield hij zich bezig, met name met het weideperceel tussen het huis en de Zijlwetering. Prins Frederik had in 1877 al de boerderij achter het huis laten slopen, maar voor zover op kaarten zichtbaar had het terrein geen nadere tuininvulling gekregen. Het perceel tussen het landhuis en de Zijlwetering bestond nog steeds uit weiland. Swart gaf Ba ckershagen een entree aan de net aangelegde Backershagenlaan, evenwijdig aan de Zijlwatering (figuur 6).
Figuur 6. Het plangebied op de Topografische kaart van 1916. Kort daarvoor is ten noordwesten de Backershagenlaan aangelegd, die evenwijdig aan de Zijlwetering loopt.
11
Voor het weideperceel langs de nieuwe entree liet Swart in 1926 een parkontwerp maken door tuinarchitect L.A. Springer (1855-1940). Het ontwerp is niet bewaard gebleven. In hoeverre het uitgevoerde parkje het ontwerp van Springer volgt is daarom niet bekend. De vormgeving van het achterpark van Springer is zichtbaar op de topografische kaart van 1934 en een luchtfoto uit 1933 (figuur 7en figuur 8). Rond een groot open grasveld kwam een rondgaande dreef, waarlangs bomen en (grote) boomgroepen werden geplaatst, met de nieuwe entree in de zuidwesthoek van het perceel. Centraal in het grasveld werd een slingervijver aangelegd, die aan de noordwestzijde verbonden werd met de grenssloot. Voor het graven van de vijver is gebruik gemaakt van een bestaande s loot midden door het perceel. Aan weerszijden van dit achterpark bleef een rechthoekig weideperceel gehandhaafd. Het achterpark heeft een duidelijke eigen opzet en is niet door zichtlijnen verbonden met het oude park.
Figuur 7. Het plangebied op de Topografische kaart van 1934. De nieuw aangelegde entree vanaf de Backershagenlaan is weergegeven, evenals het daarnaast aangelegde achterpark van L.A. Springer.
De zuidelijke weide langs het achterpark van Springer is in 1938 verkocht aan de organisatie die hier het Rijnlands Lyceum stichtte, waarover meer in het volgende hoofdstuk.
12
Vanaf begin jaren 1930 woonde Swart in Parijs en verhuurde hij de buitenplaats aan Arthur Hartog (1891-1985) en zijn gezin. Hartog liet Backershagen tussen 1932 en 1934 verbouwen en kocht de buitenplaats daarna van Swart. Vlak voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog vluchtte de familie Hartog naar Frankrijk en vandaar een jaar later naar de VS. Vanaf 1950 verhuurde Hartog Backershagen aan de Republiek Indonesië die het huis als ambtswoning van de ambassadeur gebruikte. Vier jaar later werd het gekocht door de Rijksgebouwendienst die het doorverkocht aan de Republiek Indonesië. Het oostelijke voorpark, met de entree aan de Rijksstraatweg , werd verkocht aan de gemeente. Vanaf dat moment werd de entree aan de Backershagenlaan de hoofdentree tot het huis. De oude hoofdentree aan de Rijksstraatweg verloor hiermee haar functie en werd een zijingang.
Figuur 8. Het plangebied op een luchtfoto uit 1933 (Collectie WUR). De parkaanleg van Springer met de slingervijver te midden van een groot grasveld is goed zichtbaar. Het restant van deze zogenaamde Springervijver vormt tegenwoordig de noordoostelijke begrenzing van het plangebied.
In de jaren 1960 kwam Backershagen na verschillende keren te zijn doorverkocht in handen van de NV Mij voor Stadsontwikkeling te ’s-Gravenhage, een werkmaatschappij van projectontwikkelaar Reinder Zwolsman. Hij liet het pand dichttimmeren, waarna het zo’n tien j aar leeg stond. Het omringende park 13
werd niet onderhouden en onderdelen verdwenen of werden verwijderd, zoals de geometrische tuinen aan de zuid- en westzijde van het huis, de tennisbaan en de moestuinen. In januari 1974 brandde het oude hoofdhuis uit, waarna het nog ruim tien jaar als ruïneus karkas bleef staan en het terrein verwilderde. De ruïne met bijbehorend perceel tot aan de Backershagenlaan werd in 1976 gekocht door ir J. Poort. Hij had het plan het huis te renoveren, in exclusieve appartementen te splitsen en achter het huis nieuwe flatgebouwen te plaatsen. Dit plan liep vertraging op door instorting van de woningmarkt. Uiteindelijk is pas tussen 1985 en 1987 het huisrestant afgebroken en circa tien meter naar het oosten in oude vorm geheel nieuw opgetrokken. Op het vroegere achtererf werd aan weerszijden van het nieuwe binnenplein een flatgebouw geplaatst met in totaal 32 appartementen. Het vernieuwde hoofdhuis werd ingericht voor drie appartementen (figuur 9).
Figuur 9. Het tegenwoordige hoofdhuis van Backershagen met rechts daarvan een van de twee appartementencomplexen, gebouwd in 1985-1987 (foto RAAP).
14
2.2 Het Rijnlands lyceum (1938-heden) Het weiland ten zuidwesten van het achterpark van Springer werd in 1938 verkocht aan de stichting die enkele jaren daarvoor het Rijnlands Lyceum had opgericht. Enkele hoogleraren van de Leidse universiteit waren in Engeland enthousiast geraakt over het daltononderwijs en spanden zich in om deze nieuwe onderwijsstroming, met de nadruk op keuzevrijheid, sa menwerking en zelfstandigheid, ook in Nederland te introduceren. Na eerst enkele jaren te zijn gehuisvest in een dubbele villa aan de Backershagenlaan 26-28 kon in 1940 het nieuwgebouwde schoolgebouw betrokken worden.
2.2.1
Eerste bouwfase: A-vleugel (1938-1940)
Het gebouw is een ontwerp van architect Jan Piet Kloos (1905-2001), een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Nieuwe Zakelijkheid, een architectuurstroming waarbij de doelmatigheid van het ontwerp centraal staat wat betreft situering, constructie , vormgeving en materiaalgebruik en 3
niet in de eerste plaats de wens van de architect om iets groots of moois te ontwerpen. Voor Kloos was dit zijn eerste grote ontwerpopdracht. De onderwijskundige principes van het Rijnlands Lyceum en de architectuuropva ttingen van Kloos komen samen in het ontwerp van het schoolgebouw, dat van begin af aan gepland was om in twee fasen te worden gebouwd. Tot de eerste bouwfase behoren een langwerpige vleugel met een gymnastiekzaal/aula en conciërgewoning en de haaks daarop staande lokalenvleugel van twee bouwlagen (figuur 10). Deze lokalenvleugel heeft een taps toelopende vorm doordat de centrale gang naar het einde toe smaller wordt. Verschillende lokalen komen hiermee gunstiger op het zuiden te liggen. Omdat alle lokalen op de centrale gang uitkomen is niet alleen een goed overzicht op de gehele verdieping mogelijk maar ontstaat bij het wisselen van lesuren ook de vanuit het dalton-gedachtegoed gewenste gemeenschapszin doordat leerlingen elkaar veel zien en ontmoeten. Een lange ‘dalton-gang’, waar de kinderen kunnen overblijven of zelfstandig kunnen werken, verbindt de lokalenvleugel met de gymnastiekzaal. Het ingangsportaal van de school werd gesitueerd aan de oostkant omdat men ervan uitging op korte termijn het schoolterrein naar de noordoostzijde te k unnen uitbreiden.
Op dit aan te werven terrein werd zelfs de bouw van een kleine schouwburg voorzien, die zowel voor de school als voor het dorp Wassenaar een functie zou hebben (figuur 14). De daadwerkelijke uitbreiding van het terrein zou echter nog duren tot de jaren 1970 en de schouwburg is nooit gebouwd. De constructie van de oudste bouwfase bestaat uit een betonskelet met p uien van geelgrijze baksteen en staal met veel glas. Kenmerkend zijn verder de overstekende dakranden van beide vleugels om het regenwater van de gevels af te houden en de inspringende betonsokkel waarop het gebouw staat, waardoor het als het ware van de grond wordt opgetild.
3
Bock & Somer, 1985, 20-21. 15
Figuur 10. Plattegrond van de eerste bouwfase van het Rijnlands Lyceum (1938 -1940), tegenwoordig aangeduid als de A-vleugel (Bock & Somer, 1985, 21).
Aanvankelijk wilde Kloos aan de korte, noordwestelijke zijde van het perceel een lokalenvleugel van twee verdiepingen bouwen (figuur 11), maar dat werd door de schoonheidscommissie afgewezen. In het uitgevoerde plan is deze vleugel teruggeschoven tot halverwege het perceel. De vleugel met de gymnastiekzaal, die tevens als aula diende, heeft in verschillende voorontwerpen steeds drie geheel glazen wanden. Na uitvoerige berekeningen is in het uiteindelijke ontwerp met name de noordoostgevel van het gebouw relatief gesloten gehouden, om stookkosten te beperken. Belangrijk voor Kloos was dat het gebouw naast licht, lucht en ruimte ook beschutting aan de kinderen moest bieden. Voor de constructie van de betonnen kolommen liet Kloos uitrekenen welke afmetingen en doorsneden deze minimaal moesten hebben om niet al teveel aandacht op te eisen. Wel liet hij conform zijn ontwerpopvattingen de constructie mede de vorm van het gebouw bepalen. Op verschillende plaatsen in de lokalenvleugel dienen bijvoorbeeld de doorgetrokken betonnen vloerplaten als bordes of balkon.
16
Figuur 11. Niet-uitgevoerd ontwerp voor de eerste bouwfase van het Rijnlands Lyceum. Architect Kloos had oorspronkelijk het idee om de lokalenvleugel dichterbij de Backershagenlaan te situeren, maar heeft deze na kritiek van de schoonheidscommissie in zuidelijke richting verplaatst (Bock & Somer, 1985, 42).
17
Figuur 12. Het Rijnlands Lyceum gezien vanaf de Backershagenlaan in 1949 (collectie Rijnlands Lyceum).Te zien is dat de gymnastiekzaal links destijds direct grensde aan de toegangslaan naar het huis Backershagen en het parkontwerp van Springer.
18
Figuur 13. De oudste bouwfase van het Rijnlands Lyceum gezien vanuit het zuiden in 1941 (collectie Rijnlands Lyceum). Rechts ligt het Springerpark en bovenaan is de brug over de Zijlwetering naar de Backershagenlaan zichtbaar.
Het motto van de school ‘vrij, maar niet stuurloos’ wordt door Kloos architectonisch vertaald met beeldverwijzingen naar een schip. Zo doen de contouren van de gymnastiekvleugel denken aan de boeg van een schip, met het ronde raam en de opvallende schoorsteen als karakteristieke details (figuur 15).
19
Figuur 14. Situatieschets voor een beoogde uitbreiding van het Rijnlands Lyceum en de bouw van een schouwburg op een aan te werven deel van het voormalige landgoed Backershagen, 1944 (collectie Het Nieuwe Instituut/archief Kloos).
20
Figuur 15. Het ingangsportaal van het Rijnlands Lyceum met de karakteristieke schoorsteen die doet denken aan de schoorsteen van een schip (collectie Rijnlands Lyceum).
2.2.2
Tweede bouwfase: B-vleugel (1950-1952)
Door een snelle stijging van het leerlingenaantal moest de geplande tweede bouwfase groter worden uitgevoerd dan aanvankelijk gedacht. Omdat men er bovendien van uitging dat er nadien geen wijzigingen meer nodig waren, werd de tweede bouwfase tussen 1950 en 1952 economischer uitgevoerd met overal dragende muren en scheidingswanden en houten ramen in de gevels. Voor de verbinding met de oudere bouwfase werd gebruik gemaakt van dezelfde geelgrijze baksteen.
4
Ten zuiden van de taps toelopende A-vleugel kwam een nieuwe lokalenvleugel van drie bouwlagen. Aan de zuidkant van de nieuwe vleugel, op het zuidwestelijke deel van het perceel werd een tweede gymnastiekzaal gebouwd, die via een gang met de lokalenvleugel verbonden was. De gangen werden, net als in het oudere bouwdeel, breder uitgevoerd dan wettelijk noodzakelijk was. Hiermee werd ruimte geboden om leerlingen volgens het dalton-gedachtegoed zelfstandig te laten werken.
4
Bock & Somer, 1985, 67. 21
Figuur 16. Het Rijnlands Lyceum met links de oudste bouwfase van 1938 -1940 en rechts en rechtsonder de uitbreiding van 1950-1952, tegenwoordig aangeduid als de B-vleugel. Het perceel wordt begrensd door restanten van het Springerpark (boven) en het Petzoldpark (onder). Linksboven de Zijlwetering en de Backershagenlaan.
2.2.3
Derde bouwfase: C-vleugel (1977-1979)
Vanaf het einde van de jaren 1960 kreeg de school te kampen met ruimtegebrek. Nadat aan het begin van de jaren 1970 eerste enkele houten noodlokalen aan lange zuidwestzijde van het perceel waren gebouwd (figuur 20), werd tussen 1977 en 1979 een forse uitbreiding aan de andere zijde van het terrein gerealiseerd. Daartoe werd een deel van het voormalige landgoed Backershagen aangekocht en bij het perceel getrokken (figuur 17). Een deel van het Springerpark verdween en de slingervijver kwam hierdoor aan de rand van het park te liggen, tegen de perceelsgrens met de school. Ook kwam er een nieuwe toegangsbrug tot het schoolterrein over de Zijlwetering, die iets ten noordoosten van de oude brug lag (figuur 19). Deze nieuwe brug is tegenwoordig de enige hoofdtoegang tot het schoolterrein. Bij het ontwerp was het bureau van Kloos opnieuw betrokken, al werd het ontwerp ditmaal in samenwerking met Grossman Partners gemaakt en heeft Kloos zelf zich waarschijnlijk minder nadrukkelijk met het project bezig gehouden. Op het aangekochte deel van het perceel verrezen twee rechthoekige systeembouwvolumes die door smalle dwarsgangen met elkaar en het bestaande schoolgebouw verbonden zijn (figuur 21). In het ontwerp werd opnieuw, net als in 1938, rekening gehouden met de bouw van een theater/aula in een latere fase. Deze aula zou bovenop de school moeten verrijzen .
Voorstudies tonen dat gedacht werd aan een zeer in het oog springend bouwvolume, dat qua vormgeving sterke overeenkomsten vertoont met de aula van de Technische Universiteit Delft, die enige jaren eerder (1966) was gebouwd naar ontwerp van Jo van den Broek en Jaap Bakema (figuur 22).
22
Figuur 17. Op deze ongedateerde foto is de situatie van het schoolterrein voorafgaand aan de laatste nieuwbouwfase in 2008 goed te zien. Het terrein is in 1977-1979 naar het noordoosten uitgebreid en bebouwd met een lokalenvleugel en fietsenstalling. Rechtsboven het huis en de appartementencomplexen van Backershagen uit 1987.
23
Figuur 18. Het plangebied op de Topografische kaart van 1975. Ten zuidwesten van het bestaande schoolgebouw (in rood) zijn de nieuwgebouwde lokalen (in zwart) weergegeven. Ook de schaatsvijver in het Petzoldpark is goed herkenbaar.
24
Figuur 19. Het plangebied op de Topografische kaart van 1986. Het schoolterrein is naar het noordoosten uitgebreid en bebouwd met de C-vleugel. Deze uitbreiding ging ten koste van een deel van het Springerpark.
25
Figuur 20. Bouwtekening uit 1970 voor een van houten noodlokalen aan de zuidwestzijde van het schoolterrein (collectie Rijnlands Lyceum).
Figuur 21. Situatieschets voor de bouw van de C-vleugel en de inrichting van het schoolplein uit 1977 (collectie Rijnlands Lyceum). Rechts is de nieuwe toegangsbrug over de Zijlwetering ingetekend. Onderin is de slingervijver van Springer zichtbaar.
26
Figuur 22. Voorontwerp voor de bouw van een aula, bedoeld als latere toevoeging aan de uitbreiding v an de jaren 1970 (collectie Het Nieuwe Instituut/archief Kloos).
2.2.4
Vierde bouwfase: sloop van de C-vleugel en nieuwbouw (2008)
Aan het begin van het nieuwe millennium had het gehele complex te kampen met achterstallig onderhoud en zijn er plannen gemaakt om het complex te slopen en te vervangen voor een beter passend en modern geoutilleerd gebouw. De plannen moe sten echter gewijzigd worden nadat de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in 2005 de oudste twee bouwfasen van het lyceum als rijksmonument aanwees. Er werd een stichting opgezet die met behulp van sponsoring en fondsenwerving de financiering van een renovatie van het oude monumentale deel van de school en een nieuwe uitbreiding daarvan mogelijk maakte. Op basis van de toenmalige leerlingenprognose en de slechte bouwkundige staat van het C-gebouw is besloten deze vleugel te slopen en gedeeltelijk door nieuwbouw te vervangen. De nieuwe uitbreiding is gerealiseerd in 2008 naar een ontwerp van Jaap van Es van architectenbureau Van den Berg Kruisheer Elffers uit Rotterdam. De nieuwe lokalen, gymzaal en theaterzaal werden gesitueerd aan de zuidoostkant van het perceel en zijn via een groot atrium met stalen kozijnen verbonden met de tweede bouwfase uit 1950 -1952 (figuur 24). Beoogd is op deze manier een eigentijdse samenhang te bereiken met de monumentale bouwdelen.
Het nieuwe atrium en het bouwdeel uit 1950-1952 zijn daarbij opgevat als het nieuwe, 3-laagse hoofdgebouw met het sportgebouw en het bouwdeel uit 1938-1940 als zijvleugels (figuur 23). Ook door differentiatie in bouwmassa’s, materialisatie en balans tussen open en gesloten is gestreefd naar een samenhangend concept.
27
Figuur 23. Visualisatie van de samenhang tussen de verschillende bouwdelen van het Rijnlands Ly ceum ten behoeve van de nieuwbouwfase in 2008 (Van den Berg Architecten).
28
Figuur 24. Leerlingen voor de in 2008 gerealiseerde nieuwbouw met rechts het atrium dat het nieuwe gebouw verbindt met de oudere bouwdelen (foto Rijnlands Lyceum).
De zijde aan het schoolplein en sportveld is nagenoeg volledig in glas uitgevoerd waardoor hier een maximale relatie tussen binnen en buiten is ontstaan. De zijden grenzend aan het perceel van het voormalige landgoed Backershagen zijn vrij gesloten gehouden. Naast functionele redenen (het is voor gebruik en klimaat ongewenst om de gymzalen erg open uit te voeren) en de toenmalige wens van de buren om visueel en fysiek afgeschermd te zijn van de reuring van de school, is hier vooral beoogd dat het sportgebouw beschutting aan de leerlingen biedt op het sportveld en plein aan het nieuwe atrium. Het gesloten beeld aan de achterzijde wordt verder versterkt doordat het aangrenzende deel van de buitenruimte niet is ingericht (figuur 25). Op het belendende perceel van voormalig landgoed Backershagen heeft men het groen hoog doen opgroeien om de gevels van de nieuwbouwfase zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken. Hiermee is op deze plaats ook een visuele verbinding tussen het schoolterrein en het aangrenzende perceel van het voormalige landgoed Backershagen grotendeels geblokkeerd. Deze situatie staat in scherp contrast met die aan de zuidwestzijde van het schoolterrein, waar in de vormgeving van de oudere bouwfasen van het lyceum een veel betere aansluiting op het naastgelegen Petzoldpark tot stand gebracht is.
Dit effect wordt nog versterkt doordat aan deze zijde oorspronkelijk, voor de uitbreiding van het perceel, de buitenruimte van de school gesitueerd was, waardoor een opener overgang naar de omgeving tot stand gekomen is (figuur 26).
29
Figuur 25. De gevels aan de zij- en achterkant van de nieuwbouwfase uit 2008 (foto’s RAAP).
30
Figuur 26. Aanzicht van de oudste bouwfasen van het Rijnlands Lyceum vanuit het Petzoldpark in het zuidwesten (foto’s RAAP).
31
3 Analyse Voor een indruk van de huidige situatie op het perceel, zie de fotoreeks in Bijlage 1.
3.1.1
Perceel
Uit de hierboven beschreven ontwikkelingsgeschiedenis van het schoolcomplex van het Rijnlands Lyceum te Wassenaar blijkt dat het huidige perceel oorspronkelijk deel uitmaakte van het uitgestrekte landgoed Backershagen. Aan drie zijden heeft het schoolterrein nog een herkenbare historische begrenzing uit deze tijd (figuur 27). De oudste en meest waardevolle begrenzing is de middeleeuwse Zijlwetering aan de noordwestzijde. De brede sloot aan de zuidwestzijde dateert vermoedelijk uit de achttiende eeuw en maakte deel uit van een vaarroute over landgoed Backershagen waardoor een onbevaarbaar deel van de Zijlwetering kon worden omzeild. De smalle sloot aan de zuidoostzijde is aangelegd in het laatste kwart van de 19e eeuw, nadat de oude boerderij van Backershagen in 1877 was gesloopt. De begrenzing van het schoolterrein aan de noordoostzijde wordt weliswaar gevormd door een historisch waardevolle structuur, de slingervijver uit de parkaanleg van Springer uit 1926, maar is pas tot stand gekomen bij de uitbreiding van het schoolterrein in 1977 -1979, waarbij een flink deel van het bijbehorende park, waarvan de vijver het middelpunt vormde, is verdwenen.
32
Figuur 27. Analysekaart van het Rijnlands Lyceum en omgeving, met een fasering van de verschillende gebouwen en aanduiding van de relevante cultuurhistorische structuren en ele menten. Onder de categorie water vallen: 1) vaarsloot (18e eeuw), 2) Zijlwetering (middeleeuws), 3) sloot (na 1877), 4) Springervijver (1926), 5) schaatsvijver (jaren 1960), 6) sloot (jaren 1980).
3.1.2
Gebouw
Het tegenwoordige gebouwencomplex van het Rijnlands Lyceum is het resultaat van drie bouwfasen (figuur 27). De oudste twee delen, gerealiseerd in 1938-1940 en 1950-1952, zijn gebouwd naar ontwerp van architect J.P. Kloos (1905-2001) in de functionalistische stijl van de Nieuwe Zakelijkheid en beschermd als Rijksmonument. Voor Kloos was dit zijn eerste grote ontwerpopdracht. Het Rijnlands Lyceum was opgericht voor het geven van daltononderwijs, waarbij keuzevrijheid, samenwerking en zelfstandigheid centraal staan. Gemeenschapszin stond hoog in het vaandel met veel contact tussen leraren en leerlingen en tussen leerlingen onderling. Typerend voor de architectuur van daltonscholen zijn de heldere gebouwen met veel lichtinval en een brede ‘daltongang’, waar leerlingen elkaar tussen de lessen ontmoeten of tijdens de lessen zelfstandig aan taken kunnen werken.
33
Figuur 28. De trapeziumvormige daltongang uit het bouwdeel van 1938 -1940 (Collectie Het Nieuwe Instituut/archief Kloos).
De architectonische kenmerken van daltonscholen zijn ook in het ontwerp van het oudste bouwdeel van Kloos aanwezig, die bestaat uit een L-vormige plattegrond met twee vleugels: een lokalenvleugel met een brede, trapeziumvormige daltongang en een vleugel m et gymzaal/aula, portierswoning en overblijfgang (figuur 10). Door de trapeziumvormige daltongang werd niet alleen een goed overzicht over de lokalen mogelijk maar kwamen verschillende lokalen tevens gunstiger te liggen ten opzichte van het zuiden. Het bouwdeel is uitgevoerd met een betonconstructie, gevels van geelgrijze baksteen en stalen kozijnen en deuren. Via de grote raampartijen in beide vleugels komt niet alleen volop daglicht binnen maar is ook de draagconstructie van betonnen pijlers zichtbaar. Verder heeft Kloos, indachtig het motto van de school ‘vrij, maar niet stuurloos’, enkele verwijzingen naar scheepsarchitectuur verwerkt, zoals een schoorsteen en een rond raam.
34
Figuur 29. De aansluiting tussen het bouwdeel uit 1938-1940 en 1950-1952, gezien vanuit het oude bouwdeel (Collectie Het Nieuwe Instituut/archief Kloos).
Vanaf het begin was reeds voorzien in een gefaseerde bouw van de school. De tweede bouwfase werd door het uitbreken van de oorlog echter pas in 1950-1952 gerealiseerd, wederom naar ontwerp van Kloos. Het nieuwe bouwdeel sloot aan de zuidoostzijde aan op het oudere bouwdeel (figuur 29). De plattegrond van de nieuwe vleugel bestond uit twee trapeziumvormige delen aan de noord - en zuidzijde, verbonden door een rechte gang met lokalen. Vanuit het zuidelijke trappenhuis was via een (later gesloopte) gang de rechthoekige gymzaal bereikbaar. Qua architectonisch concept zijn opnieuw de brede daltongang en de grote raampartijen die zorgen voor veel lichtinval kenmerkend. Wat betreft constructie en materiaalgebruik is het tweede bouwdeel om economische redenen echter anders uitgevoerd. De constructie bestaat uit dragende wanden en is daardoor minder flexibel in te delen. De kozijnen en deuren zijn niet van staal maar van hout en aan de zuidzijde later vervangen door aluminium. In de gevels is wel dezelfde geelgrijze baksteen gebruikt als in het oudere bouwdeel. Het jongste bouwdeel is gebouwd in 2008 naar ontwerp van architect Jaap van Es van architectenbureau Van den Berg Kruisheer Elffers. Deze uitbreiding is gerealiseerd na de sloop van een in 1977-1979 gerealiseerd bouwdeel, waarbij Kloos eveneens was betrokken.
De lokalen, gymzaal en theaterzaal van de nieuwste bouwfase zijn gesitueerd aan de zuidoostkant van het perceel en via een groot atrium met stalen kozijnen op een reversibele wijze verbonden met de tweede bouwfase uit 1950-1952. Functioneel zijn het nieuwe atrium en het bouwdeel uit 1950-1952 opgevat als een 3-laagse hoofdgebouw met het sportgebouw en het bouwdeel uit 1938 -1940 als lagere zijvleugels. De gevel aan het schoolplein en sportveld is nagenoeg volledig in glas uitgevoerd. De gevels grenzend aan het perceel van het voormalige landgoed Backershagen zijn om functionele redenen sterk gesloten gehouden.
35
3.1.3
Inbedding in het landschap
Over de oorspronkelijke inbedding van het schoolgebouw in het bestaande landschap zijn bij het archiefonderzoek geen nadere gegevens aangetroffen. Er zijn geen inrichtingsplannen voor de buitenruimte of ontwerpen van een landschapsarchitect bekend. In de stukken die wel bewaard gebleven zijn, ontbreken bovendien aanwijzingen dat dergelijke plannen of ontwerpen e r wel geweest zijn. In de toelichtingen en uitbreidingsstudies van architect Kloos komt naar voren dat vooral het bouwprogramma, de vorm van de beschikbare kavel en de directe context van het landgoed/park bepalend zijn geweest voor de bouwmassa’s en mogelijke uitbreidingen daarop. De Springervijver, het landgoed Backershagen of een relatie in bredere zin daarmee zijn noch in de toelichtingen noch in de tekeningen als overweging opgevoerd. Uit de beschikbare stukken wordt wel duidelijk dat Kloos het liefst vanaf het begin de beschikking had gehad over een breder perceel om het bouwprogramma van de school te realiseren. De verwachting was ook dat binnen korte tijd na de eerste bouwfase uitbreiding van het perceel naar het noordoosten zou kunnen plaatsvinden. Deze uitbreiding van het perceel werd echter pas ver in de jaren 1970 gerealiseerd.
In de schoolkrant schreef Kloos destijds over de ‘prachtige expansiemogelijkheid’ die daarmee was ontstaan om ‘het toekomstige gebouw met al zijn geledingen nu eindelijk ee ns (…) die meer zichtbare ruimtewerking [te] bieden dan bij dat vrij smalle en diepe stuk grond langs de 5
Backershagenlaan mogelijk was.’ Dat juist met deze uitbreiding een flink deel van het Springerpark van het voormalige landgoed Backershagen verloren g ing, was voor hem kennelijk van minder belang. De landschappelijke ligging van het schoolterrein in de parkachtige omgeving van het voormalige landgoed Backershagen is echter wel zeer bepalend voor de cultuurhistorische waarde van het Rijnlands Lyceum (zie hoofdstuk 4). De monumentale gebouwdelen van Kloos zijn niet aan de randen van het perceel geplaatst, maar wat terug gelegen. De gevels naar de aangrenzende percelen met restanten van het voormalige Petzoldpark zijn zeer open vormgegeven met veel glas waa rdoor een maximale verbinding tussen binnen en buiten is ontstaan , zelfs in de gymzaal/aula (figuur 30). Deze situatie staat in scherp contrast met de sterk gesloten gevels aan de zij - en achterkant van de gymzalen van het bouwdeel uit 2008. Het gesloten beeld wordt hier nog verder versterkt doordat het aangrenzende deel van de buitenruimte niet is ingericht. Op het belendende perceel van voormalig landgoed Backershagen heeft men het groen hoog doen opgroeien om de school zoveel mogelijk aan het zicht te onttrekken. Hiermee is op deze plaats ook een visuele verbinding tussen het schoolterrein en het aangrenzende perceel van het voormalige landgoed Backershagen grotendeels geblokkeerd.
5
Archief J.P. Kloos, Het Nieuwe Instituut. 36
Figuur 30. De gymzaal/aula in het bouwdeel van 1938 -1940 tijdens een gymles voor meisjes. De uitbundige lichtinval door de pui van staal en glas valt op (Collectie Het Nieuwe Instituut/archief Kloos).
37
4 Waardenstelling Op basis van vijf criteria is de waarde van het plangebied van het Rijnlands Lyceum bepaald. Daarbij is vooral gekeken naar de architectuurhistorische, stedenbouwkundige en landschappelijke waarde van het schoolterrein met de gebouwen in relatie tot de directe omgeving (figuur 31). Er is gescoord op een schaal van 1 tot 5, variërend van zeer laag tot zeer hoog. Bij het bepalen van de score is uiteraard relevant welk aspect gescoord is en ten opzichte van welke context gewaardeerd wordt. Dat wordt in de score uitgesplitst en in de onderbouwing zo goed mogelijk aangeven.
Criterium
Score
Onderbouwing
Gaafheid
4 (perceel)
Aan drie zijden heeft het schoolterrein nog een herkenbare historische begrenzing. De oudste en meest waardevolle begrenzing is de middeleeuwse Zijlwetering aan de noordwestzijde. De brede sloot aan de zuidwestzijde dateert vermoedelijk uit de achttiende eeuw en maakte deel uit van een vaarroute over landgoed Backershagen waardoor een onbevaarbaar deel van de Zijlwetering kon worden omzeild. De smalle sloot aan de zuidoostzijde is aangelegd in het laatste kwart van de 19e eeuw, nadat de oude boerderij van Backershagen in 1877 was gesloopt. De begrenzing aan de noordoostzijde wordt weliswaar gevormd door een historisch waardevolle structuur, de slingervijver uit de parkaanleg van Springer uit 1926, maar is pas tot stand gekomen bij de uitbreiding van het schoolterrein in 1977-1979, waarbij een flink deel van het bijbehorende park is verdwenen.
5 (bebouwing)
Wat betreft de schoolgebouwen zijn de twee oudste bouwfasen van architect Kloos goed bewaard gebleven en beschermd als rijksmonument. De nieuwbouwfase uit 2008 is op een reversibele wijze tegen de bouwfase uit 1950-1952 aan gezet.
Zeldzaamheid
4 (bebouwing)
De oudste, monumentale bouwdelen van het Rijnlands Lyceum zijn als specifiek voor het daltononderwijs ontworpen gebouwen van belang, waarbij bovendien is gestreefd naar een goede stedenbouwkundige en architectonische inpassing in de parkomgeving van het voormalige landgoed Backershagen. De nieuwbouwfase uit 2008 mist een dergelijke verbinding met de omgeving door het gesloten karakter van de zij- en achtergevels en het ontbreken van een passende inrichting van de buitenruimte, wat afbreuk doet aan de zeldzaamheid 38
van het schoolterrein. Het schoolterrein met zijn historische begrenzingen 4 (perceel)
aan drie zijden en goed herkenbare ligging in de parkachtige omgeving van de voormalige buitenplaats Backershagen heeft een hoge zeldzaamheidwaarde.
Kenmerkendheid
4 (perceel)
Doordat het schoolterrein aan drie zijden nog door een historische wetering en sloten wordt begrensd, is de oorsprong van het perceel als weiland in de lager gelegen strandvlakte nog afleesbaar. Ook de kenmerkende ligging van het terrein binnen het voormalige landgoed Backershagen is nog af te lezen. Wel is bij de uitbreiding van het schoolterrein in de jaren 1977-1979 een deel van het door Springer ontworpen achterpark van Backershagen verdwenen, waarbij de centrale slingervijver uit het park weliswaar behouden is gebleven maar niet meer in de oorspronkelijke context van een open park beleefd kan worden.
5 (bebouwing)
De oudste, monumentale gebouwdelen van de school zijn kenmerkend voor de functionele architectuur van de Nieuwe Zakelijkheid, waarvan architect J.P. Kloos in Nederland een van de voornaamste representanten was. Het Rijnlands Lyceum kan gerekend worden tot zijn vroege werken. Door enkele subtiele verwijzingen naar de scheepsarchitectuur heeft Kloos het motto van de school ‘vrij, maar niet stuurloos’ op een kenmerkende wijze in het ontwerp laten terugkomen.
Herinneringswaarde
4 (bebouwing)
Als uitdrukking van een van de vernieuwende onderwijsstromingen uit de eerste helft van de twintigste eeuw hebben de oudste gebouwdelen van het Rijnlands Lyceum een hoge herinneringswaarde. Door de kenmerkende ligging van het schoolterrein
4 (perceel)
en de architectonische en stedenbouwkundige inpassing van de oudste gebouwdelen van de school, is er tevens sprake van een hoge herinneringswaarde aan de voormalige buitenplaats Backershagen, ondanks het feit dat een deel van het landgoed is verdwenen door de uitbreiding van de school in 1977-1979.
Ensemblewaarde
4
Voor een groot deel van het terrein is sprake van een bijzondere samenhang tussen met name de oudste, monumentale bouwdelen van het Rijnlands 39
Lyceum en de parkachtige omgeving van het voormalige landgoed Backershagen. De nieuwbouwfase uit 2008 mist deze ensemblewaarde, niet alleen door het gesloten gevelbeeld aan de zijen achterkant van het bouwdeel maar ook door het feit dat het schoolterrein al in 1977-1979 aan deze zijde was uitgebreid, waarbij een deel van het naastgelegen Springerpark verloren ging. Daarbij is aan de noordoostzijde een harde overgang ontstaan tussen het schoolterrein en de buren op het voormalige landgoed Backershagen met hekwerken, hoog opgroeiend groen en de grotendeels aan het zicht onttrokken, ‘contextloze’ slingervijver.
Wanneer bovenstaande scores gemiddeld worden, komt er een totale score uit van 4,2 wat neerkomt op een hoge algemene cultuurhistorische waarde voor het terrein als geheel. In het laatste hoofdstuk zullen enkele aanbevelingen gedaan worden hoe, met het oog op de actuele planvorming, de vastgestelde cultuurhistorische waarde geborgd en zo mogelijk versterkt kan worden.
40
Figuur 31. Het plangebied van het Rijnlands Lyceum op een recente luchtfoto. Ten zuidoosten ervan het vernieuwde hoofdhuis en de appartementsgebouwen van Backershagen, ten noordoosten de toegangslaan tot Backershagen met het resterende deel van het Springerpark, ten noordwesten de Zijlwetering met de Backershagenlaan en ten zuidwesten het oorspronkelijk door Petzol d ontworpen deel van het park van landgoed Backershagen, met daarin de in de jaren 1960 aangelegde schaatsvijver.
41
Figuur 32. Waarderingskaart van de gebouwen en waterstructuren.
42
5 Aanbevelingen De sterke groei van de internationale afdeling van het Rijnlands Lyceum maakt dat de school, twaalf jaar na opening van de nieuwbouw, opnieuw te kampen heeft met ruimtegebrek. Gekeken wordt daarom naar de mogelijkheden voor een nieuwe uitbreiding van de school. De architect van de nieuwbouw uit 2008, Jaap van Es van architectenbureau Van den Berg, heeft daartoe een eerste voorstudie gedaan (figuur 33).
Figuur 33. Voorstudie van mogelijke uitbreiding van het Rijnlands Lyceum door Van den Berg Architecten.
Uit de voorstudie blijkt dat gedacht wordt een bouwvolume van maximaal drie bouwlagen aan te bouwen aan de oostzijde van het perceel en aansluitend het atrium van de bouwfase uit 2008 te vergroten. Ten noorden van de gedachte nieuwbouw moet een nieuw sportveld komen en ruimte voor een grotere fietsenstalling. De nadruk van het programma ligt daarmee duidelijk op de oostzijde van het scho olterrein. Zoals uit de cultuurhistorische waardenstelling blijkt, valt er juist aan die zijde van het terrein nog het een en ander te verbeteren. Door de uitbreiding van het schoolterrein in de jaren 1977 -1979 is een deel van het Springerpark uit 1926 verloren gegaan en is de centrale slingervijver min of meer op de 43
perceelsscheiding met de buren van voormalig landgoed Backershagen komen te liggen. De nieuwbouw van de school uit 2008 is met sterk gesloten zij - en achtergevels uitgevoerd en de aangrenzende buitenruimte is niet op een bij de omgeving passende manier ingericht. De buren op hun beurt hebben getracht door het hoog op laten groeien van bomen en struiken aan hun zijde van de perceelsgrens de school aan het zicht te onttrekken. Deze situatie aan de oostzijde staat in scherp contrast met de veel betere architectonische en stedenbouwkundige inpassing van de school aan de westzijde. De oudere, monumentale bouwdelen gaan door hun wat teruggelegde, geschakelde ligging in zowel de lengte - als de breedterichting van het perceel en de open vormgeving van de gevels een logische visuele verbinding aan met het naastgelegen parkdeel van voormalig landgoed Backershagen. Wanneer gekozen wordt om deze cultuurhistorische kwaliteit ook aan de oostzijde van het terre in tot uitgangspunt te maken bij de planvorming kan het terrein als geheel erop vooruit gaan. Indachtig het motto van de school ‘vrij, maar niet stuurloos’ kunnen daartoe de volgende aanbevelingen wellicht van dienst zijn: -
De keuze om het nieuwe bouwprogramma te realiseren aan de oostzijde van de school is begrijpelijk en aan te bevelen, gezien de grote cultuurhistorische waarde van de oudbouw aan de westzijde.
-
Voor een nieuw bouwvolume aan de oostzijde is een maximale bouwhoogte van twee bouwlagen aan te bevelen in combinatie met een meer teruggelegde ligging op het perceel. Daarmee kan worden voorkomen dat de reeds ingezette tendens van een harde scheiding tussen het schoolterrein en het voormalige landgoed Backershagen verder wordt doorgezet.
-
Voor de te schrappen derde bouwlaag aan de oostzijde zou aansluiting op het middendeel van de school met het atrium onderzocht kunnen worden. Dit deel behoort reeds tot het hoogste deel van de school en kan door een zorgvuldig vormgegeven verbreding wellicht extra programma opvangen zonder dat de balans in het bouwvolume van de school verstoord wordt.
-
Ook de geplande fietsenstalling dient bij voorkeur verder teruggelegd te worden op het perceel.
-
Wanneer het nieuwe bouwvolume lager en meer teruggelegd wordt uitgevoerd en ook de nieuwe fietsenstalling meer op het perceel gesitueerd wordt , komt er ruimte beschikbaar om op de oostgrens van het schoolterrein een groene buitenruimte aan te leggen die de verbinding aangaat met het naastgelegen, resterende deel van het Spring erpark en de daarbij behorende slingervijver.
-
De overgang tussen gebouw en buitenruimte kan versterkt worden door met name de begane grond van de beoogde uitbreiding open uit te voeren. De vanzelfsprekende relatie tussen binnen en buiten die kenmerkend is voor de zuidzijde van monumentale bouwdelen (met per lokaal te openen deuren in de glaspui) zou hier, passend bij de Internationale Scho ol, een vervolg kunnen krijgen.
-
Het verdient aanbeveling om bij de planvorming ook de gesloten zij - en achtergevels van de nieuwbouw uit 2008 te betrekken. Wanneer er programmatisch oplossingen gevonden worden, kunnen de gevels wellicht opnieuw vormgegeven worden om een betere verbinding met de omgeving tot stand te brengen.
-
De inrichting van de buitenruimte langs het nieuwbouwdeel uit 2008 is zo mogelijk nog belangrijker. Indien het aanpassen van de gevels niet haalbaar is kan door een groenere inrichting van de buitenruimte alsnog een meer geleidelijke overgang naar het naastgelegen landgoed tot stand gebracht worden.
44
-
Een integrale oplossing voor de indeling van de buitenruimte langs zowel de nieuwbouw uit 2008 als de nieuw geplande uitbreiding aan de oostzijde heeft de voorkeur. Daarbij zou gebruik gemaakt kunnen worden van het feit dat de perceelssloot aan de zuidzijde v an het schoolterrein in verbinding staat met de slingervijver van Springer aan de oostzijde. Deze verbinding loopt nu grotendeels onder de grond maar kan veel zichtbaarder gemaakt worden bij een herinrichting van het terrein. Samenwerking met de buren van voormalig landgoed Backershagen is daarbij aan te bevelen. Wanneer in goed overleg gekomen kan worden tot een gedeeld idee om het overgangsgebied tussen beide percelen opnieuw in te richten tot een parkachtige omgeving rond de slingervijver, komt dit de ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteit van beide percelen ten goede.
-
Tot slot is het aan te bevelen de planvorming te starten vanuit een integrale visie op zowel de monumentale delen van de school, de meest recente uitbreiding uit 2008 en de (groene) buitenruimte van het perceel, inclusief de ruimtelijke inpassing van de fietsenstalling. Het terrein en de gebouwen van het Rijnlands Lyceum kennen een lange en bijzondere geschiedenis waarvan nog veel waardevolle sporen zichtbaar zijn. Dit rapport heeft inz icht willen geven in de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis en de waarde van de diverse sporen uit het verleden op en rond het schoolterrein. Op deze manier draagt het rapport tevens bouwstenen aan om te komen tot een dergelijke samenhangende visie op de ruimtelijke ontwikkeling van de school in het verleden, het heden en de toekomst.
45
Literatuur Aschman, K., 2016. Buitenplaats Backershagen. Deel 1. Tuinhistorisch onderzoek en waardestelling van de beschermde parkaanleg.
Bock, M. & K. Somer, 1985. Architect JP Kloos. De ethiek van de constructie. Amsterdam.
Kroes, R.A.C., K. Wink, J. Sprangers & G.H. de Boer e.a. , 2013. Gemeente Leidschendam-Voorburg, Voorschoten en Wassenaar; een archeologische verwachtings - en beleidsadvieskaart. RAAP-rapport 2636. Weesp.
Schrauwen, L. & J. Dekking, 2011. RLW 75. 75 jaar Rijnlands Lyceum Wassenaar, 1936-2011. Wassenaar.
Vos, P., M. van der Meulen, H. Weerts & J. Bazelmans, 2012. Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. Amsterdam.
46
Overzicht van figuren Figuren: Figuur 1. Aanduiding plangebied. Inzet: ligging in Nederland (ster).
5
Figuur 2. Het plangebied op een uitsnede van de Kaart van het Hoogheemraadschap van Rijnland (16421646) van de landmeters Jan Jansz. Dou en Steven van Broeckhuysen. De Zijlwetering (‘De Gemeene Zyl’) vormt de grens tussen de middeleeuwse ambachten Zuidwijk (bruin) en Wassenaar (groen).
6
Figuur 3. Het plangebied geprojecteerd op de paleogeografische kaart van 1500 (Vos et al., 2012). De donkergeel gekleurde vlakken zijn de hoger gelegen delen van de strandwallen, de lichtgele vlakken de daartussen gelegen strandvlakten waarin zich veen had gevormd.
7
Figuur 4. Het plangebied (rood) op het kadastrale minuutplan van 1822. Met de blauwe stippellijn is de grens van landgoed Backershagen aangegeven, met bij 1) het landhuis en de boerderij, 2) de oudste tuinaanleg (late 17e eeuw), 3) het 18e-eeuwse park in vroege landschapsstijl. De lichtblauwe contour geeft de vaarroute over de Zijlwetering weer, die op Backershagen sinds de 18e eeuw een omweg maakte om een onbevaarbaar deel van de wetering ten zuiden van de boerderij De drie papegaaien te mijden. Nog altijd heeft deze vaartsloot ten zuidwesten van het Rijnlands Lyceum een breed profiel.
9
Figuur 5. Het plangebied op de Topografische kaart van 1879. Met de blauwe stippellijn is de grens van landgoed Backershagen aangegeven, met bij 1) het landhuis, 2) de oudste tuinaanleg (late 17e eeuw), heringericht door J.D. Zocher jr. tussen 1837 en 1844, 3) het 18e-eeuwse park in vroege landschapsstijl en 4) het parkgedeelte aangelegd door C.E.A. Petzold, 1854-1855. De lichte gedeelten, waaronder het plangebied, zijn weilanden.
10
Figuur 6. Het plangebied op de Topografische kaart van 1916. Kort daarvoor is ten noordwesten de Backershagenlaan aangelegd, die evenwijdig aan de Zijlwetering loopt.
11
Figuur 7. Het plangebied op de Topografische kaart van 1934. De nieuw aangelegde entree vanaf de Backershagenlaan is weergegeven, evenals het daarnaast aangelegde achterpark van L.A. Springer.
12
Figuur 8. Het plangebied op een luchtfoto uit 1933 (Collectie WUR). De parkaanleg van Springer met de slingervijver te midden van een groot grasveld is goed zichtbaar. Het restant van deze zogenaamde Springervijver vormt tegenwoordig de noordoostelijke begrenzing van het plangebied.
13
Figuur 9. Het tegenwoordige hoofdhuis van Backershagen met rechts daarvan een van de twee appartementencomplexen, gebouwd in 1985-1987 (foto RAAP).
14
Figuur 10. Plattegrond van de eerste bouwfase van het Rijnlands Lyceum (1938-1940), tegenwoordig aangeduid als de A-vleugel (Bock & Somer, 1985, 21).
16
Figuur 11. Niet-uitgevoerd ontwerp voor de eerste bouwfase van het Rijnlands Lyceum. Architect Kloos had oorspronkelijk het idee om de lokalenvleugel dichterbij de Backershagenlaan te situeren, maar heeft deze na kritiek van de schoonheidscommissie in zuidelijke richting verplaatst (Bock & Somer, 1985, 42). 17 Figuur 12. Het Rijnlands Lyceum gezien vanaf de Backershagenlaan in 1949 (collectie Rijnlands Lyceum).Te zien is dat de gymnastiekzaal links destijds direct grensde aan de toegangslaan naar het huis Backershagen en het parkontwerp van Springer.
18
Figuur 13. De oudste bouwfase van het Rijnlands Lyceum gezien vanuit het zuiden in 1941 (collectie Rijnlands Lyceum). Rechts ligt het Springerpark en bovenaan is de brug over de Zijlwetering naar de Backershagenlaan zichtbaar.
19
47
Figuur 14. Situatieschets voor een beoogde uitbreiding van het Rijnlands Lyceum en de bouw van een schouwburg op een aan te werven deel van het voormalige landgoed Backershagen, 1944 (collectie Het Nieuwe Instituut/archief Kloos).
20
Figuur 15. Het ingangsportaal van het Rijnlands Lyceum met de karakteristieke schoorsteen die doet denken aan de schoorsteen van een schip (collectie Rijnlands Lyceum).
21
Figuur 16. Het Rijnlands Lyceum met links de oudste bouwfase van 1938-1940 en rechts en rechtsonder de uitbreiding van 1950-1952, tegenwoordig aangeduid als de B-vleugel. Het perceel wordt begrensd door restanten van het Springerpark (boven) en het Petzoldpark (onder). Linksboven de Zijlwetering en de Backershagenlaan.
22
Figuur 17. Op deze ongedateerde foto is de situatie van het schoolterrein voorafgaand aan de laatste nieuwbouwfase in 2008 goed te zien. Het terrein is in 1977-1979 naar het noordoosten uitgebreid en bebouwd met een lokalenvleugel en fietsenstalling. Rechtsboven het huis en de appartementencomplexen van Backershagen uit 1987.
23
Figuur 18. Het plangebied op de Topografische kaart van 1975. Ten zuidwesten van het bestaande schoolgebouw (in rood) zijn de nieuwgebouwde lokalen (in zwart) weergegeven. Ook de schaatsvijver in het Petzoldpark is goed herkenbaar.
24
Figuur 19. Het plangebied op de Topografische kaart van 1986. Het schoolterrein is naar het noordoosten uitgebreid en bebouwd met de C-vleugel. Deze uitbreiding ging ten koste van een deel van het Springerpark.
25
Figuur 20. Bouwtekening uit 1970 voor een van houten noodlokalen aan de zuidwestzijde van het schoolterrein (collectie Rijnlands Lyceum).
26
Figuur 21. Situatieschets voor de bouw van de C-vleugel en de inrichting van het schoolplein uit 1977 (collectie Rijnlands Lyceum). Rechts is de nieuwe toegangsbrug over de Zijlwetering ingetekend. Onderin is de slingervijver van Springer zichtbaar.
26
Figuur 22. Voorontwerp voor de bouw van een aula, bedoeld als latere toevoeging aan de uitbreiding van de jaren 1970 (collectie Het Nieuwe Instituut/archief Kloos).
27
Figuur 23. Visualisatie van de samenhang tussen de verschillende bouwdelen van het Rijnlands Lyceum ten behoeve van de nieuwbouwfase in 2008 (Van den Berg Architecten).
28
Figuur 24. Leerlingen voor de in 2008 gerealiseerde nieuwbouw met rechts het atrium dat het nieuwe gebouw verbindt met de oudere bouwdelen (foto Rijnlands Lyceum). Figuur 25. De gevels aan de zij- en achterkant van de nieuwbouwfase uit 2008 (foto’s RAAP).
29 30
Figuur 26. Aanzicht van de oudste bouwfasen van het Rijnlands Lyceum vanuit het Petzoldpark in het zuidwesten (foto’s RAAP).
31
Figuur 27. Analysekaart van het Rijnlands Lyceum en omgeving, met een fasering van de verschillende gebouwen en aanduiding van de relevante cultuurhistorische structuren en elementen. Onder de categorie water vallen: 1) vaarsloot (18e eeuw), 2) Zijlwetering (middeleeuws), 3) sloot (na 1877), 4) Springervijver (1926), 5) schaatsvijver (jaren 1960), 6) sloot (jaren 1980).
33
Figuur 28. De trapeziumvormige daltongang uit het bouwdeel van 1938-1940 (Collectie Het Nieuwe Instituut/archief Kloos).
34
Figuur 29. De aansluiting tussen het bouwdeel uit 1938-1940 en 1950-1952, gezien vanuit het oude bouwdeel (Collectie Het Nieuwe Instituut/archief Kloos).
35
Figuur 30. De gymzaal/aula in het bouwdeel van 1938-1940 tijdens een gymles voor meisjes. De uitbundige lichtinval door de pui van staal en glas valt op (Collectie Het Nieuwe Instituut/archief Kloos). Figuur 31. Het plangebied van het Rijnlands Lyceum op een recente luchtfoto. Ten zuidoosten ervan het vernieuwde hoofdhuis en de appartementsgebouwen van Backershagen, ten noordoosten de toegangslaan tot Backershagen met het resterende deel van het Springerpark, ten noordwesten de Zijlwetering met de Backershagenlaan en ten zuidwesten het oorspronkelijk door Petzold ontworpen 48
37
deel van het park van landgoed Backershagen, met daarin de in de jaren 1960 aangelegde schaatsvijver.
41
Figuur 32. Waarderingskaart van de gebouwen en waterstructuren.
49
42
Bijlage 1. Fotoreeks huidige situatie Onderstaande fotoreeks geeft een beeld van het Rijnlands Lyceum door middel van een rondwandeling tegen de klok in, startend in het oosten. De bruine lijntjes in de inzetkaartjes geven de zichtlijn van de foto’s aan. Op alle foto’s rust copyright van RAAP.