CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.3 Eco-effectscan quickscan Flora en Fauna

Raadsvergadering Wassenaar 12 oktober 2021, gemeente wassenaarBij agendapunt: Verklaring van geen bedenking uitbreiding Rijnlands Lyceum5.257 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Eco-effectscan Rijnlands Lyceum te Wassenaar

Opdrachtgever Stichting Het Rijnlands Lyceum te Wassenaar

Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening

Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79 2671 MP Naaldwijk

Eco-effectscan Rijnlands Lyceum te Wassenaar

telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl

Opdrachtgever Stichting Het Rijnlands Lyceum te Wassenaar

Datum: Rapportnr.: Status:

1 mei 2020 20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage

IBAN: NL08 RABO 0368 1199 55

•

BTW: NL-8105.67878.B01

•

K.v.K. nr. 27240696

Milieu consultancy Watermanagement Ruimtelijke ordening

COLOFON Titel

: Eco-effectscan Rijnlands Lyceum te Wassenaar

Aqua-Terra Nova BV Zuidweg 79 2671 MP Naaldwijk

Opdrachtgever Contactpersoon

: Stichting Het Rijnlands Lyceum : dhr. L. Immerzeel

telefoon 0174 – 625246 e-mail info@aquaterranova.nl www.aquaterranova.nl

Projectteam Projectmanager Contactpersoon Auteur Veldwerk Kwaliteitsborger

: mw. J.M.A. de Jonge MSc : mw. J.M.A. de Jonge MSc : mw. L. van der Aar MSc : mw. L. van der Aar MSc : mw. L.J. van der Steeg BSc

Projectnummer

: 20045

Aqua-Terra Nova BV is lid van het Netwerk Groene Bureaus, de brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van groene adviesbureaus.

Datum vrijgave

Status

1 mei 2020

Definitief

Vrijgave auteur

Goedkeuring kwaliteitsborger

© 2020 Aqua-Terra Nova B.V. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

IBAN: NL08 RABO 0368 1199 55

•

BTW: NL-8105.67878.B01

•

K.v.K. nr. 27240696

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING ......................................................................................................... 5

2

METHODE............................................................................................................ 6

3

PLANGEBIED ....................................................................................................... 8

4

RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING............................................................... 10

5

RESULTATEN SOORTBESCHERMING .................................................................. 12

6

CONCLUSIES EN ADVIES ................................................................................... 15

7

REFERENTIES ................................................................................................... 18

1.1 1.2 1.3 1.4 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3.1 3.2 3.3 3.4 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

Aanleiding ............................................................................................................... 5 Doelstelling.............................................................................................................. 5 Leeswijzer ............................................................................................................... 5 Verantwoording ........................................................................................................ 5 Inleiding .................................................................................................................. 6 Projectbeschrijving ................................................................................................... 6 Wettelijk kader Wet natuurbescherming ...................................................................... 6 Beoordeling beschermde natuurgebieden .................................................................... 6 Aanwezigheid beschermde planten en dieren ............................................................... 6 Effectbeoordeling en toetsing ..................................................................................... 7 Ligging ....................................................................................................................

8 Bestaande situatie .................................................................................................... 8 Beoogde situatie en activiteiten .................................................................................. 9 Veldbezoek .............................................................................................................. 9

Natura 2000-gebieden ............................................................................................. 10 Ecologische verbindingszones ................................................................................... 11 Vaatplanten ............................................................................................................ 12 Vogels.................................................................................................................... 12 Grondgebonden zoogdieren ...................................................................................... 13 Vleermuizen ........................................................................................................... 13 Amfibieën ............................................................................................................... 13 Reptielen ................................................................................................................ 14 Vissen .................................................................................................................... 14 Overige beschermde soorten .................................................................................... 14 Gebiedsbescherming ................................................................................................

15 Soortenbescherming ................................................................................................ 15 Advies en vervolgstappen ......................................................................................... 16 Planning ................................................................................................................. 16 Geldigheid .............................................................................................................. 17

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

4

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding

1.2

Doelstelling

1.3

Leeswijzer

1.4

Verantwoording

Stichting Het Rijnlands Lyceum is voornemens het Rijnlands Lyceum te Wassenaar uit te breiden, in de vorm van een aanbouw. Voor dit project dienen onder andere de gevolgen van de ruimtelijke ingrepen op de aanwezige flora en fauna te worden weergegeven. In dit kader is de onderhavige Eco-effectscan uitgevoerd door Aqua-Terra Nova BV in opdracht van Stichting Het Rijnlands Lyceum.

De Eco-effectscan heeft als doel te inventariseren of het project mogelijk in strijd is met de Wet natuurbescherming of het Natuurnetwerk Nederland in de Wet ruimtelijke ordening. Hiertoe worden de effecten van de activiteiten op beschermde gebieden en soorten inzichtelijk gemaakt. Daarnaast wordt geadviseerd hoe te handelen in het kader van de natuurwetgeving 1.

In hoofdstuk 2 wordt de onderzoeksmethode en het toetsingskader van de Eco-effectscan beschreven. In hoofdstuk 3 worden het project en het plangebied beschreven. Mogelijke effecten op beschermde natuurgebieden en het Natuurnetwerk Nederland worden beschreven in hoofdstuk 4. De resultaten van de inventarisatie en mogelijke effecten op beschermde soorten worden in hoofdstuk 5 beschreven. Tot slot volgen in hoofdstuk 6 de conclusies en worden eventueel te nemen maatregelen geadviseerd. Bronvermeldingen zijn in de tekst met een nummer aangegeven, wat naar het desbetreffende nummer in de referentielijst verwijst.

Bij ecologische veldwerkzaamheden is een volledige garantie over de afwezigheid van soorten niet te geven. Door de inzet van ter zake kundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt onze onderzoekskwaliteit gewaarborgd.

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

5

2

METHODE

2.1

Inleiding

2.2

Projectbeschrijving

2.3

Wettelijk kader Wet natuurbescherming

In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de resultaten van de voorliggende rapportage tot stand zijn gekomen. Dit hoofdstuk dient tevens als onderbouwing van de conclusies. In het kort wordt weergegeven hoe de Wet natuurbescherming in het project wordt geborgd.

Het project wordt beschreven aan de hand van de door de opdrachtgever verstrekte informatie. Hiertoe wordt de omvang en ligging van het plangebied beschreven in relatie tot groenstructuren in de omgeving, wordt de bestaande situatie geschetst en worden de beoogde activiteiten omschreven.

In de Wet natuurbescherming zijn beschermde soorten en gebieden aangewezen1. Hierbij zijn beschermde soorten ingedeeld in drie regimes (respectievelijk art. 3.1, 3.5 en 3.10). Artikel 3.1-3.4 betreffen regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in de Europese Unie. Artikel 3.5-3.9 betreffen regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen. Artikel 3.10-3.11 betreffen regels ter bescherming van niet onder art. 3.5 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet. Alle in de Wet natuurbescherming genoemde soorten zijn strikt beschermd 1. De bescherming van soorten is met name gericht op instandhouding van populaties en verblijfplaatsen van individuen. Hierbij wordt het ‘nee, tenzij’-principe gehanteerd. Handelingen in strijd met de verbodsbepalingen zijn per definitie verboden. Uitzonderingen voor overtreding van de verbodsbepalingen kunnen worden verleend middels vrijstellingen en ontheffingen. Tevens is de zorgplicht te allen tijde van kracht voor alle planten en dieren.

2.4

Beoordeling beschermde natuurgebieden

2.5

Aanwezigheid beschermde planten en dieren

Op basis van provinciale en lokale kaartendatabases wordt de ligging van natuurgebieden in de omgeving van het plangebied inzichtelijk gemaakt. Het betreft gebieden uit de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden) en gebieden uit het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Indien dergelijke beschermde natuurgebieden binnen een straal van 5 km van het plangebied gelegen zijn of de ingreep een zodanig karakter heeft dat effecten op grotere afstand mogelijk zijn, wordt de wettelijke status beschreven. Daarnaast wordt beoordeeld of negatieve effecten op de gebieden uitgesloten kunnen worden, zowel door de werkzaamheden zelf als voor eventuele effecten van stikstofdepositie door de werkzaamheden op natuurgebieden.

Aan de hand van een veldbezoek, verspreidingsatlassen, overige naslagwerken en lokale waarnemingen wordt een lijst samengesteld van beschermde soorten behorend tot artikel 3.1, 3.5 en 3.10 welke in en in de nabije omgeving van het plangebied zijn waargenomen of potentieel aanwezig zijn. Deze lijst met soorten is een momentopname, is niet limitatief en kan aangevuld worden met beschermde soorten waarvan de aanwezigheid aannemelijk is. Voor deze soorten wordt op basis van het verkennend locatiebezoek de geschiktheid van biotopen in het plangebied beoordeeld. De beoordeling van de aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied resulteert in de vaststelling: Niet aanwezig c.q. afwezig; de soort is niet in de omgeving waargenomen of het plangebied vormt geen geschikt biotoop voor soort welke in de omgeving waargenomen is; de beoordeling van de afwezigheid wordt uitsluitend in uitzonderingen behandeld; soorten welke op de inventarisatielijst zijn opgenomen en niet worden behandeld, worden per definitie beoordeeld als niet aanwezig c.q.

afwezig; niet uit te sluiten; de soort is in de omgeving waargenomen of kan op basis van betrouwbare bronnen* verwacht worden en het plangebied vormt geschikt biotoop voor verblijfplaatsen of andere functionele onderdelen van de leefomgeving van de soort; aanwezig: de soort is tijdens het locatiebezoek waargenomen of de soort is in het plangebied waargenomen op basis van betrouwbare bronnen*. *Betrouwbare bronnen zijn minder dan 3 jaar oude gegevens van overige ter zake kundigen en de NDFF.

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

6

2.6

Effectbeoordeling en toetsing Voor de aanwezige beschermde soorten of beschermde soorten waarvan de aanwezigheid niet uitgesloten kan worden, worden de effecten van de voorgenomen handelingen beoordeeld en getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming en de zorgplicht. De toetsing is gericht op aantasting en verstoring van individuen en hun functionele leefomgeving en mogelijke effecten op nabijgelegen natuurgebieden. De toetsing is afhankelijk van de kwetsbare periode waarin handelingen een effect kunnen hebben. Vervolgens wordt beoordeeld of aantasting van individuen en hun functionele leefomgeving een effect heeft op de gunstige staat van instandhouding van de regionale of landelijke populatie. Per soortgroep worden de handelingen getoetst aan de verbodsbepalingen en de zorgplicht. Per beschermingscategorie worden hierbij verschillende toetsingskaders gehanteerd (zie tabel 2.1). Tabel 2.1. Toetsingskader per beschermingscategorie. Categorie Artikel 3.1-3.4 & Artikel 3.53.9 (Vogelrichtlijn & Habitatrichtlijn)

Artikel 3.10-3.11 (Nationaal beschermde soorten)

Alle planten en dieren (Zorgplicht)

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

Toetsingskader Effecten dienen te allen tijde voorkomen te worden. Indien effecten op beschermde vogelsoorten niet uitgesloten kunnen worden, dient de omvang van de mogelijke effecten inzichtelijk gemaakt te worden middels vervolgonderzoek. Voor handelingen in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling geldt een vrijstelling voor overtreding van de verbodsbepalingen, mits de handelingen uitgevoerd worden conform een goedgekeurde gedragscode. Indien het niet mogelijk is om conform een gedragscode te werken, dan dient ontheffing aangevraagd te worden. In het kader van de zorgplicht dienen schadelijke effecten zoveel als redelijkerwijs verwacht kan worden voorkomen te worden, beperkt te worden of ongedaan gemaakt te worden.

7

3

PLANGEBIED

3.1

Ligging

Het plangebied is gelegen aan de Backershagenlaan 5 te Wassenaar, in de gemeente Wassenaar in de provincie Zuid-Holland. Het plangebied betreft een deel van een middelbare school in een bosachtige omgeving. Zie figuur 3.1 voor de ligging en de begrenzing van het plangebied.

Figuur 3.1. Ligging en begrenzing van het plangebied Rijnlands Lyceum te Wassenaar (rood omkaderd).

Het plangebied is omgeving door landgoederen en parken. Ten noorden, oosten en zuiden van het plangebied ligt Landgoed Backershagen. Ten westen ligt de Backershagenlaan waarvan ten westen een woonwijk van Wassenaar ligt.

3.2

Bestaande situatie Het plangebied betreft een deel van het schoolgebouw. Het betreft een deel dat in 2008 is gebouwd, en welke is voorzien van een spouwmuur met open stootvoegen. Het gehele deel heeft een plat dak. De bebouwing is deels eenlaags en beschikt ook over een tweelaags gedeelte. Ten westen van dit deel is een glazen gang aanwezig. Het plangebied bestaat verder uit een klein sportveld, met kunstgras, waarvan ten noorden een aantal bomen, voornamelijk zomereiken, staan. Het lyceum is omringd door watergangen. Zie voor een impressie van het plangebied de afbeeldingen in figuur 3.2.

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

8

Figuur 3.2. Impressie van het plangebied. Linksboven: de westkant van het gebouw waaraan de uitbouw gerealiseerd wordt, met in de voorgrond het sportveld. Rechtsboven: de noordkant van het gebouw waaraan de uitbouw gerealiseerd wordt. Linksonder: de oostkant van het gebouw waaraan de uitbouw gerealiseerd wordt. Rechtsonder: het schoolplein met fietsenstalling, met in de verte het sportveld.

3.3

Beoogde situatie en activiteiten De activiteitenomschrijving is opgesteld aan de hand van plattegronden, ontwerptekeningen en de mondeling en schriftelijk door de opdrachtgever verstrekte informatie. Stichting Het Rijnlands Lyceum is voornemens om aan een deel van de huidige bebouwing een deel aan te bouwen. Een deel van het sportveld, en mogelijk een aantal jonge bomen, moeten hiervoor wijken. Deze activiteiten vormen de basis van de toetsing aan de Wet natuurbescherming.

Figuur 3.2. De huidige situatie in het grijs, en de te realiseren uitbouw in het paars.

3.4

Veldbezoek

Het plangebied is bezocht in de ochtend 17 april 2020. De weersomstandigheden tijdens dit oriënterend onderzoek waren droog, half bewolkt met een temperatuur van 10 °C, windkracht 4 Bft uit het noordoosten. Tijdens de inventarisatie zijn aanwezige natuurwaarden in het plangebied bekeken. Beschermde soorten worden alleen op basis van regionale verspreidingsgegevens en het ontbreken van geschikt habitat uitgesloten, anders worden ze meegenomen in de toetsing. 20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

9

4

RESULTATEN GEBIEDSBESCHERMING Onderstaand wordt bepaald wat de afstand is van het plangebied tot beschermde natuurgebieden of gebieden die behoren tot een ecologische verbindingszone en wordt getoetst of de geplande activiteiten mogelijk een negatief effect kunnen hebben op deze beschermde natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing noodzakelijk is/zijn.

4.1

Natura 2000-gebieden

Het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’ bevindt zich op circa 720 m afstand ten noordoosten van het plangebied, zie figuur 4.1. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand.

Figuur 4.1. Positie van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

Het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’ bestaat uit een brede duinstrook met een gevarieerd en uitgestrekt, kalkrijk duinlandschap, dat reliëfrijk en afwisselend is. Het landschap heeft een kenmerkende opbouw van evenwijdige duinenrijen met opeenvolgende hoge paraboolduinen en moerassige laagten met struweel, waarin grote valleien liggen zoals Kijfhoek, Bierlap en de vallei Meijendel. De werkzaamheden hebben vanwege de korte afstand en de aard van de werkzaamheden mogelijk negatieve effecten op het Natura 2000-gebied ‘Meijendel & Berkheide’. De meeste indirecte effecten zijn door de tussengelegen infrastructuur uit te sluiten. Stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied is echter niet uit te sluiten. Zie onderstaande paragraaf.

4.1.1

Stikstofdepositie Stikstofdepositie is de hoeveelheid stikstof, die in de vorm van NO X (stikstofoxiden) of NH3 (ammoniak), neerdaalt op de bodem. Verschillende bronnen, zoals bouwwerktuigen, verkeer en mest, hebben een stikstofuitstoot. In Nederland zijn in 118, van de 161 Natura 2000-gebieden, stikstofdepositie hoger bevonden dan ten minste één habitat aanwezig kan verdragen. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot ‘significante effecten’ op de beschermde natuurgebieden, wat alleen is toegestaan met een Wet natuurbescherming vergunning 1. Een stikstofdepositieberekening ten behoeve van de beoogde werkzaamheden is volgens Aqua-Terra Nova noodzakelijk. 20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

10

4.2

Ecologische verbindingszones Het plangebied is direct gelegen aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), zie figuur 4.2. Het betreft ‘Landgoed Backershagen’. Het NNN loopt in onderstaande afbeelding het schoolplein op, dit is niet correct. Het NNN wordt door de werkzaamheden niet aangetast en negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van gebiedsbescherming is noodzakelijk.

Figuur 4.2. Positie van het plangebied ten opzichte van het NNN.

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

11

5

RESULTATEN SOORTBESCHERMING In dit hoofdstuk worden eventuele effecten van de geplande werkzaamheden op aanwezige natuurwaarden uitgewerkt. Daarnaast wordt antwoord gegeven op de vraag of, en zo ja, in welke mate beschermde plant- en diersoorten, beschermd door de Wet natuurbescherming, door de beoogde activiteiten kunnen worden geschaad. Indien er schade op kan treden, dan wordt aangegeven of hiervoor aanvullende maatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is/zijn.

5.1

Vaatplanten

5.2

Vogels

5.2.1

Het plangebied is tijdens het uitvoeren van het oriënterend veldbezoek gecontroleerd op mogelijk aanwezige beschermde vaatplanten. Deze zijn niet aangetroffen. Zowel op basis van verspreidingsgegevens en het gebruik van het plangebied als schoolterrein, welk grotendeels verhard is, worden beschermde vaatplanten niet verwacht2. De aanwezigheid van beschermde flora kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten.

Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd. Daarnaast zijn rust- en verblijfplaatsen én de functionele omgeving van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd1. In het plangebied worden broedende vogels verwacht, zowel algemene als soorten uit categorie 5.

Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats

Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van het Rijnlands Lyceum de gierzwaluw en huismus behorend tot de categorie 1-4 (jaarrond beschermde vaste verblijfplaats) voorkomen3. De gierzwaluw nestelt in gebouwen, onder de dakgoot, achter de regenpijp, onder dakpannen, of in een gat in de muur en ook wel in neststenen. De huismus nestelt onder dakpannen, in gaten en kieren van gebouwen en in mussenkasten. Het plangebied is niet geschikt voor deze soorten, er zijn geen geschikte verblijfplaatsen aanwezig. De daken van de aanwezige bebouwing zijn plat en er zijn geen stenige holtes voor deze soorten. De aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen voor gierzwaluwen en huismussen kan daarom worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Binnen het plangebied zijn geen nesten aangetroffen. De directe omgeving van het plangebied is ook gecontroleerd op nesten, deze zijn ook hier niet aangetroffen. Er wordt jaarlijks rondom het plangebied onderzoek gedaan door de Haagse Vogelbescherming. Uit deze inventarisatierapporten blijkt dat er geen roofvogels, uit categorie 1-4, rondom het plangebied broeden4. Ook gezien het gebruik van het plangebied als schoolgebouw, waar veel menselijke verstoring is, wordt de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen van roofvogels binnen en direct aan het plangebied niet verwacht.

Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

5.2.2

Vogels uit categorie 5

5.2.3

Algemene (broed)vogels

Van de vogelsoorten met een verblijfplaats uit de categorie 5 zijn verschillende vogels binnen en rondom het plangebied te verwachten: bosuil, groene specht, ekster, blauwe reiger, boomklever, glanskop, koolmees, pimpelmees en zwarte kraai. Nesten van categorie 5-soorten zijn jaarrond beschermd wanneer specifieke ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen 1. In dit geval wordt het plangebied gebruikt als foerageergebied en voor sommige soorten als nestgelegenheid. In holtes in het groen binnen het plangebied nestelen naar verwachting kleine zangvogels als boomklever, glanskop, koolmees en pimpelmees. Uit de inventarisatierapporten van de Haagse Vogelbescherming blijkt dat rondom het plangebied bosuilen broeden. In 2018 is een paartje bosuil en één bosuil jong waargenomen. Rondom het plangebied broeden mogelijk eksters en groene spechten. Reigers gebruiken de watergangen om het plangebied als foerageergebied. Er worden tijdens de werkzaamheden mogelijk twee jonge bomen gekapt, waarin alle bovengenoemde soorten niet kunnen broeden, er zijn geen holtes en geen nesten aanwezig. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. In en rondom het plangebied zijn algemene vogelsoorten te verwachten zoals roodborst, winterkoning, houtduif, merel, knobbelzwaan, meerkoet en kauw.

Het groen en watergangen in en rondom het plangebied zijn geschikt als broedlocatie voor algemene vogels. Alle vogels zijn tijdens het broeden beschermd en mogen dan niet verstoord worden 1. Om verstoring op broedende vogels te voorkomen wordt aanbevolen om buiten het broedseizoen (grofweg van maart t/m juli) te werken.

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

12

5.3

Grondgebonden zoogdieren Op basis van verspreidingsgegevens is gebleken dat in de omgeving van het plangebied geen strikt beschermde grondgebonden zoogdieren voorkomen1,5. Het voorkomen van strikt beschermde zoogdiersoorten in het plangebied kan worden uitgesloten. Nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Het oriënterend onderzoek wijst uit dat de omgeving van het plangebied geschikt is voor nationaal beschermde zoogdiersoorten zoals dwergspitsmuis, bunzing, hermelijn, boommarter, bosmuis, veldmuis, huisspitsmuis en egel. Binnen het plangebied is het voorkomen van deze soorten door het gebruik van het plangebied en de verharding uitgesloten.

5.4

Vleermuizen

5.4.1

Verblijfplaatsen

Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming1. Vleermuizen maken binnen hun netwerk gebruik van vaste verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes. Deze vaste rust- en verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd, ook als de dieren op dat moment niet aanwezig zijn. Daarnaast is de functionele leefomgeving van vleermuizen beschermd. Dit zijn de vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden, die nodig zijn om een verblijfplaats te laten functioneren. Gebouwbewonende vleermuissoorten maken gebruik van allerlei ruimtes in gebouwen, zoals ruimte onder dakpannen en spouwmuren. In het gebouw in het plangebied zijn open stootvoegen waargenomen, welke vleermuizen kunnen gebruiken om in de spouwmuur te komen, zie figuur 5.1. Het voorkomen van gebouwbewonende vleermuizen, zoals gewone- en ruige dwergvleermuis, kan niet uitgesloten worden, nader onderzoek is noodzakelijk.

Figuur 5.1. De openstootvoegen in het pand waaraan de aanbouw komt.

Boombewonende vleermuizen maken gebruik van holtes of achter loshangend schors. De bomen in het plangebied zijn gecontroleerd op dit soort structuren. Deze zijn niet aangetroffen. Tevens worden er slechts twee jonge bomen gekapt. Nader onderzoek naar boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk.

5.4.2

Foerageergebied en vliegroute Het plangebied en de omgeving van het plangebied zijn geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Gezien de groengebieden in de buurt van het plangebied, betreft het hier geen essentieel foerageergebied. Sommige vleermuizen maken gebruik van lijnvormige structuren, zoals watergangen en bomenrijen, als vliegroute. Andere vleermuizen zijn minder afhankelijk van dit soort structuren6. Het plangebied bevat geen geschikte lijnvormige structuren die kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Nadere toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

5.5

Amfibieën

Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied de beschermde de boomkikker, de zandhagedis en de rugstreeppadvoorkomen7.

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

13

De boomkikker bevindt zich, in tegenstelling tot andere kikkers, voornamelijk op het land. De voortplanting vindt wel plaats in water. De kikkers bevinden zich tijdens de voortplantingstijd overdag wel op het land, waarbij ze tussen de oevervegetatie of in het aangrenzende struweel zitten. Overwintering vindt plaats, in de periode oktober tot april, tussen boomwortels, in muizenholen of tussen houtstapels. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat binnen het plangebied wordt het voorkomen van deze soort uitgesloten. De rugstreeppad komt in het duingebied van Meijendel voor. De rugstreeppad betreft een pioniersoort die zich snel kan vestigen op bouwterreinen met vergraafbare grond en bouwmaterialen om onder te schuilen. Rugstreeppadden kunnen afstanden tot wel 5 kilometer afleggen op zoek naar geschikt leefgebied. Hoewel het plangebied in huidige situatie niet over geschikt leefgebied beschikt, kunnen de geplande werkzaamheden het plangebied geschikt maken als leefgebied, in de vorm van vergraafbare grond en eventueel tijdelijke plassen/poelen die ontstaan. De rugstreeppad plant zich graag voor in ondiepe plassen die ontstaan zijn door het rijden met machines en materieel. In deze waterplassen is geen concurrentie van andere amfibieën en vissen. De plassen warmen snel op, zodat larven zich snel kunnen ontwikkelen.

Het plangebied ligt, gezien de geringe afstand van waarnemingen van rugstreeppadden in de omgeving, binnen bereikbare afstand voor rugstreeppadden die op zoek zijn naar nieuw leefgebied. Zie 6.3.3. voor de maatregelen die getroffen kunnen worden om te voorkomen dat deze soort zich in het plangebied vestigt. Verder zijn de groenstroken en watergangen rondom het plangebied zijn geschikt voor nationaal beschermde soorten, als bruine kikker, gewone pad, meerkikker, middelste groene kikker. Voor deze soorten geldt in de provincie Zuid-Holland een vrijstelling in het kader van de Wet natuurbescherming. De zorgplicht blijft echter wel van kracht.

5.6

Reptielen

5.7

Vissen

5.8

Overige beschermde soorten

Uit de landelijke verspreidingsgegevens komt naar voren dat in de omgeving van het plangebied de zandhagedis voorkomt7. De zandhagedis komt in het duingebied van Meijendel, te noorden van het plangebied voor. In Nederland is de zandhagedis sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. Hoewel sub/adulte dieren 2 tot 4 kilometer per jaar af kunnen kan het voorkomen van deze soort door het gebrek aan geschikt habitat uitgesloten worden

In het plangebied zijn geen watergangen of ander open water aanwezig. Negatieve effecten op vissen zijn uitgesloten. Nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk.

Van de ongewervelden zijn naast vlinders en libellen, enkele kevers (vliegend hert, brede geelrandwaterroofkever, gestreepte waterroofkever, heldenbok, juchtleerkever, vermiljoenkever), weekdieren (platte schijfhoren, Bataafse stroommossel) en een kreeftachtige (rivierkreeft), beschermd door de Wet natuurbescherming1,8,9.Het plangebied voorzien voor geen van deze soorten in geschikt habitat. Het voorkomen van beschermde ongewervelden kan hierdoor redelijkerwijs worden uitgesloten. Er is geen sprake van een nadere toetsing aan de Wet natuurbescherming.

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

14

6

CONCLUSIES EN ADVIES In opdracht van Stichting Het Rijnlands Lyceum heeft Aqua-Terra Nova BV een onderzoek uitgevoerd naar de consequenties van natuurwetgeving op de geplande werkzaamheden met betrekking tot het project Rijnlands Lyceum te Wassenaar. Op basis van een locatiebezoek en een literatuurstudie is geïnventariseerd welke beschermde soorten er in het plangebied aanwezig kunnen zijn. Aan de hand van de projectbeschrijving is getoetst of de geplande activiteiten in strijd kunnen zijn met de Wet natuurbescherming. De conclusie van de toetsing worden in dit hoofdstuk gegeven.

6.1

Gebiedsbescherming

6.2

Soortenbescherming

Op grond van dit onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken: • Het plangebied bevindt zich op circa 720 m van het dichtstbijzijnde Natura 2000-‘Meijendel & Berkheide’. De meeste indirecte effecten zijn door de tussengelegen infrastructuur uit te sluiten. Stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied is echter niet uit te sluiten en een stikstofdepositieberekening is voor dit project noodzakelijk; • Het plangebied bevindt zich direct aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN wordt echter niet aangetast en negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Een nadere toetsing is niet noodzakelijk.

In tabel 6.1 is per soortgroep de benodigde vervolgstappen conform de Wet natuurbescherming aangegeven. In tabel 6.2 wordt de betekenis van de kleurencode weergegeven. Tabel 6.1. Overzicht beschermde soorten Soortgroep

Wet

Geadviseerde vervolgstappen

Vaatplanten Beschermde soorten Algemene soorten Vogels Soorten met jaarrond beschermde verblijfplaats Categorie 5 soorten Algemene soorten

Wnb 3.5 of 3.10 Wnb 1.11

Aanwezigheid uitgesloten Werken conform zorgplicht.

Wnb 3.1

Aanwezigheid uitgesloten

Wnb 3.1 Wnb 3.1

Verstoring broedende vogels voorkomen. Verstoring broedende vogels voorkomen.

Beschermde soorten

Wnb. 3.5 en 3.10

Aanwezigheid uitgesloten

Algemene en vrijgestelde soorten

Wnb 1.11

Werken conform zorgplicht.

Grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen Verblijfplaatsen

Wnb 3.5

Foerageergebieden

Wnb 3.5

Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Uitstraling van licht voorkomen, i.e. werkzaamheden volledig bij daglicht uitvoeren.

Amfibieën Beschermde soorten Algemene en vrijgestelde soorten

Wnb 3.5

Voorkomen vestiging van rugstreeppad in het plangebied.

Wnb 1.11

Werken conform zorgplicht.

Wnb 3.5 of 3.10

Aanwezigheid uitgesloten

Reptielen Beschermde soorten Vissen Beschermde soorten Algemene soorten Overige soorten Beschermde soorten

Wnb 3.5 of 3.10 Wnb 1.11 Wnb 1.11, 3.5 of 3.10

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

N.v.t. N.v.t. Aanwezigheid uitgesloten

15

Tabel 6.2. Betekenis kleurencodes. Kleur Betekenis

6.3

Groen

Werkzaamheden kunnen uitgevoerd worden met inachtneming van de algemene zorgplicht. Verdere vervolgstappen zijn niet noodzakelijk.

Geel

Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits maatregelen genomen worden of conform een goedgekeurde gedragscode gewerkt wordt. Indien negatieve effecten niet uitgesloten kunnen worden is nader onderzoek noodzakelijk.

Rood

Nader onderzoek naar de aanwezigheid van beschermde soorten, functie van het plangebied voor de betreffende soorten en de invloed van het project op individuen en de gunstige staat van instandhouding van de soort is noodzakelijk. Indien uit het onderzoek blijkt dat betreffende soort aanwezig is en negatieve effecten niet uit te sluiten dan wel te voorkomen zijn dient ontheffing aangevraagd te worden.

Advies en vervolgstappen Stichting Het Rijnlands Lyceum is voornemens om aan een deel van de huidige bebouwing een deel aan te bouwen.

6.3.1

Vleermuizen

Nader onderzoek naar de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk. Zie paragraaf 6.4 voor de planning van het nader onderzoek. Na afronding van het nader onderzoek naar vleermuizen wordt geadviseerd de werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang uit te voeren om zo overvliegende en/of foeragerende vleermuizen niet te verstoren. Indien dit niet mogelijk is, dient uitstraling van verlichting naar de omgeving voorkomen te worden. Ook kan ervoor gekozen worden om in de periode te werken wanneer vleermuizen in winterslaap zijn. De winterslaap van vleermuizen duurt grofweg van november t/m maart, maar is afhankelijk van soort en weersomstandigheden. Indien er bij de werkzaamheden nieuwe verlichting wordt geplaatst, wordt aanbevolen om verlichting toe te passen die verstoring bij vleermuizen zoveel mogelijk beperkt. De lichthinder voor vleermuizen door verlichting kan aanzienlijk worden beperkt door amberkleurig UV-vrije LED-armaturen, lagere lichtmasten en een scherpe afsnede van de lichtinval toe te passen.

6.3.2

Rugstreeppad

6.3.3

Broedvogels

6.3.4

Zorgplicht

Wanneer de werkzaamheden in de periode van maart tot en met oktober uitgevoerd worden dient er rekening mee gehouden te worden dat de rugstreeppad binnen het plangebied verzeild kan raken. Het ontstaan van plassen en schuilmogelijkheden moet tijdens de werkzaamheden voorkomen worden. Ook kan er voor gekozen worden om het plangebied af te sluiten voor deze soort, met behulp van paddenschermen. Alle in Nederland broedende vogels en hun eventuele nesten zijn strikt beschermd en mogen tijdens het broeden niet verstoord worden. De meeste vogels broeden in de periode maart tot en met juli. Echter zijn vogels welke buiten deze periode broeden ook te allen tijde beschermd. Gezien de groene omgeving van het plangebied wordt geadviseerd om buiten het broedseizoen te werken, om broedende vogels in dit gebied niet te verstoren. Te allen tijde dient er rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 Wet natuurbescherming. Dit houdt in dat er altijd rekening met in het wild levende dieren en planten gehouden moet worden. Tijdens de werkzaamheden moet gelet worden op de aanwezigheid van planten en dieren en moet voorkomen worden dat deze onnodig gedood, verwond of aangetast worden. Alle dieren, ook de niet beschermde soorten, moeten de ruimte krijgen om te kunnen vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen.

6.4

Planning Onderzoeken naar de aanwezigheid van (strikt) beschermde soorten van 3.5 van de Wet natuurbescherming dienen conform goedgekeurde protocollen uitgevoerd te worden 10. Deze onderzoeksperiodes zijn afhankelijk van de soort, potentiele functie van het plangebied en soms ook weersomstandigheden. Indien bij onderzoek afgeweken wordt van de betreffende protocollen kan dit tot gevolg hebben dat een eventuele latere ontheffingaanvraag om deze reden afgewezen wordt.

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

16

In de tabel 6.3 worden de betreffende onderzoeksperiode per soort weergegeven. Hierbij dient rekening gehouden te worden dat een onderzoek bestaat uit meerdere bezoeken, verspreid over het onderzoekseizoen.

Vleermuizen

2021

Onderzoeksrapportage

December

November

Oktober

September

Augustus

Juli

Juni

Mei

April

Maart

Januari

Tabel 6.3. Onderzoeksperioden beschermde soorten.

Februari

Uit het onderzoek zal blijken of het noodzakelijk is de geplande activiteiten aan te passen en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aan te vragen.

2020 2021

Donkergroen: optimale onderzoeksperiode; Lichtgroen: weersomstandigheden; Wit: geen onderzoek mogelijk.

minder

geschikte

periode

en

afhankelijk

van

Indien verzekerd kan worden dat door het tijdig treffen van maatregelen voorafgaand aan de activiteit(en) geen verboden in het kader van de Wet natuurbescherming worden overtreden, is een ontheffing niet noodzakelijk. Indien een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming wel noodzakelijk is, moet rekening worden gehouden met een proceduretijd van circa twintig weken en in sommige situaties een gewenningstijd van enkele maanden met betrekking tot alternatieve verblijfplaatsen of vliegroutes.

6.5

Geldigheid

Afhankelijk van de tijd tussen dit onderliggende onderzoek en de werkzaamheden, kan een actualiserend of aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn. De conclusies van dit onderzoek zijn drie jaar geldig.

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

17

7

REFERENTIES

1. 2. 3. 4. 5. 6.

Ministerie van Economische zaken. Wet natuurbescherming. (2016). FLORON. Available at: www.floron.nl. SOVON. Available at: https://www.sovon.nl/nl. Haagse vogelbescherming. Inventarisatierapport 2018 Vogels in en om Den Haag. (2018). Zoogdiervereniging. Available at: https://www.zoogdiervereniging.nl. Limpens, H., Twisk, P. & Veenbaas, G. Met vleermuizen overweg. (Uitgave Dienst Weg- en Waterbouwkunde, delft, en de vereniging voor zoogdierkunde en zoogdierbescherming, 2004). RAVON. Available at: https://www.ravon.nl/. Vlinderstichting. Available at: www.vlinderstichting.nl. EIS kenniscentrum insecten en andere ongewervelden. Available at: http://www.eisnederland.nl/. Netwerk Groene Bureaus (werkgroep ’Standaarden en protocollen’). Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming. (2017).

7. 8. 9. 10.

20045/AQT301FF/LvdA Definitieve rapportage 1 mei 2020

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=61ee5784-dd35-4593-a589-0c0dac244321