Bijlage 2 - Redengevende omschrijving Berkheistraat 13-15
Tekst van het document
Berkheistraat 13 - 15 Adres
Berkheistraat 13 - 15
Plaats
Wassenaar
Naam object Kadaster
H 2548
Typologie
Dubbele dienstwoning
Complex
nee
Beschermd gezicht ja
De bescherming strekt zich uit tot de hoofdmassa en structuur van de dubbele woning met de eenlaags aanbouwen aan de achterzijde uit de periode 1907-1917. De aanbouwen van later datum zijn voor bescherming van ondergeschikt belang. Inleiding De dubbele VELDWACHTERSWONING is in 1907 in opdracht van de gemeente Wassenaar ontworpen in de stijl van de Overgangsarchitectuur en in 1917 aan de achterzijde uitgebreid. De aannemers/ontwerpers van de beide bouwfases waren de plaatselijke timmermannen Looyestijn in 1907 en J.J. Remmerswaal in 1917. Van de tweede fase zijn diverse ontwerpvarianten overgeleverd. De eenlaags uitbreiding betekende globaal een verdubbeling van de plattegrond en een toevoeging van een derde woning. Deze uitbreiding vertoont geen stilistische kenmerken of architectonische verbijzonderingen. Het oorspronkelijk ontwerp bestond uit twee gespiegelde tweelaags woningen op een rechthoekige plattegrond met een schuurtje. Door de uitbreiding uit 1917 ontstond op de begane grond een asymmetrische plattegrond, waarbij aan nummer 13 één kamer werd toegevoegd en aan nummer 15 een zelfstandige driekamerwoning met een gemeenschappelijke corridor. Met de uitbreiding kreeg nummer 15 een eigen kelder. Berkheistraat 13 werd als eerste bewoond door veldwachter De Jong. Het is niet bekend voor wie de dubbele woning op nummer 15 bestemd was.
Kenmerkend voor de kleine dorpsgemeenschap was dat de eenvoudige dienstwoningen zich in de directe nabijheid bevonden van de dienstwoning van de gemeentesecretaris, ook in de Berkheistraat nummer 4.
Toen in 1928 een nieuw politiebureau gebouwd werd, was de functie van de bewoner van nummer 13 ‘inspecteur van politie’. Na zijn vertrek naar het nieuwe bureau werd het pand verhuurd aan andere gemeenteambtenaren. Het pand kreeg ter gelegenheid van de minimale functiewijziging een schilderbeurt, waarbij de deuren volgens bestek gehout werden. Ook de vroegere bestekken geven interessante informatie over de oorspronkelijke afwerking van het pand. Zo dienen de plafonds van perklijsten en hoekornamenten voorzien te worden, te vergelijken met de secretariswoning, maar zonder middenornament. Van het bestek uit 1917 is bekend dat de aangebouwde woning een separatieschot had met vier kasten en schuifdeuren.
Stedenbouwkundige context De dubbele dienstwoning is binnen het van rijkswege beschermde dorpscentrum gelegen aan de westzijde van de flauwe kromming van de Berkheistraat, met de representatieve voorgevel aan de straatzijde. Door de vrij ligging is het pand zowel van straatzijde als vanaf de achterzijde (vanaf de openbaar toegankelijke begraafplaats) prominent aanwezig. Aan de beide kopse kanten is ruimte voor een achterom, waarbij aan de kant van nummer 15 een zichtlijn is op de kerktoren en op het hoogstammige groen van de begraafplaats. Aan deze zijde is tevens de ontsluiting van de achterwoning. Aan de zijgevel van nummer 13 is een éénlaags aanbouw geplaatst - uit de bouwtijd teruggezet ten opzichte van de rooilijn. Vanaf deze zijde is eveneens een zichtlijn, echter alleen op het hoogstammig groen. Aan de achterzijde is de strakke belijning van de voor- en zijgevels niet doorgezet. De éénlaags aanbouwen, zowel die uit 1917 als die uit later tijd, doorbreken het geordende bouwvolume dat alleen nog op de verdieping herkenbaar is. De Berkheistraat is één van de belangrijke historische uitvalswegen naar het Plein. De straat toont een overgang van meer aaneengesloten bebouwing binnen de oorspronkelijke dorpskern rond het Plein naar het overgebleven landschappelijke groen. De functie van de woningen, veldwachterswoningen, is daarmee gerelateerd aan de locatie.
De zichtrelaties vanaf het kerkhof op de meer ongestructureerde achterzijde van de woningen aan de Berkheistraat is even karakteristiek en even kenmerkend als de zichtlijn op de strakke rooilijnen van de voorgevel en genoemde zichtlijn naar
de begraafplaats. De klinkerbestrating in visgraatverband draagt in hoge mate bij aan de dorpse uitstraling van de straat.
Hoofdopzet en constructie De deels onderkelderde tweelaags bouwmassa met langgerekte, rechthoekige plattegrond wordt gedekt door een mansardekap, waarvan de nokrichting evenwijdig loopt aan de straat. De voorgevel kent een symmetrische gevelindeling en was daarbij geheel symmetrisch ingedeeld. De andere gevels vermoedelijk ook, maar hiervan zijn geen bouwtekeningen overgeleverd. Alleen aan de kant van nummer 13 was een kleine, éénlaags aanbouw onder een plat dak, uit de rooilijn. De plattegronden uit de eerste bouwfase worden gekenmerkt door een traditionele indeling met een lange rechte gang vanaf de voordeur, van waaruit de kamer en de keuken te bereiken waren, corresponderend met één respectievelijk twee vensterassen in de voorgevel. De tweede bouwfase wordt gekarakteriseerd door een enkele éénlaags kamer op nummer 13, te bereiken vanuit de gang. Deze uitbreiding van nummer 15 betreft een separate éénlaags woning, met de (gemeenschappelijke) gang als scheiding tussen de straatwoning en de achterwoning. De plattegrond van de achterwoning is samengesteld uit een kamer en suite aan de gang met op de kopse kant een kleine kamer, grenzend aan de uitgebouwde kamer van nummer 13. De aangebouwde achterwoning heeft een kleine, lagere uitbouw aan de lange achterzijde, eveneens uit 1917.
De entree is in de zijgevel, naar de gang, enigszins teruggezet ten opzichte van de oorspronkelijke bouwmassa. Opvallend is het hoogteverschil binnen de aangebouwde woning: de kleine kamer ligt lager dan de overige ruimtes. De gehele uitbreiding is onder platte daken. De aanbouwen van de serre en de éénlaags uitbouw van nummer 13 zijn uit de naoorlogse periode (en vallen buiten de bescherming). Architectonische uitwerking De fijngevoegde gevels zijn opgetrokken in kruisverband met grauwe baksteen. Oranje-rode verblendsteen is toegepast bij de sierbanden ter hoogte van de onder-, midden- en bovendorpel van de vensters en in de aanzet- en sluitstenen van de segmentbogen boven de gevelopeningen. Daarbij
zijn de hardstenen onderdorpels, de bovenlichten en de segmentbogen opgenomen in de horizontale belijning van de gevel. Deze wordt verder bepaald door een sierband bij wijze van fries, de gecementeerde plint en de eenvoudige houten bakgoot op klossen. De sierbanden worden voortgezet in de voor- en zijgevel van de uitbouw van nummer 15, en ook in de zijgevels van het hoofdvolume (met uitzondering van de banden ter hoogte van de bovenlichten) maar niet in de andere aanbouwen, of in de achterwoning. De vensters zijn voorzien van de originele schuiframen De voor de bouwtijd kenmerkende deuren zijn meer uitgewerkt in vierkante panelen, met diamantkoppen, snijwerk en een eenvoudig siersmeedijzeren traliewerkje voor de kijkvensters. In de halfsteens uitbouw van nummer 13, voorzien van een eenvoudig boeiboord en een plint, is een separate ontsluiting. De positionering van de gevelopeningen van de beide woningen is gespiegeld, met aan de buitenzijde de deur en een venster en daarboven, op de verdieping tussen deze twee in, één venster. Aan de binnenzijde zijn twee vensters, zowel op de begane grond als op de verdieping, recht boven elkaar. In de kap zijn dakkapellen opgenomen, één per woning. Deze dakkapellen hebben een flauw hellend dak, aangezet vanaf de knik in de mansardekap. De boeiboorden zijn in de uiteinden eenvoudig decoratief gezaagd.
De zijgevel van nummer 13 heeft een klein venster op de verdieping en tevens een iets groter exemplaar, dat later is geplaatst. De zijgevel van de éénlaags uitbouw heeft twee kleine vensters. De andere zijgevel van het hoofdvolume heeft op de begane grond en op de verdieping één klein venster. De achtergevel van het hoofdvolume is alleen op de verdieping waarneembaar. Het meest kenmerkende onderdeel is de aangemetselde hoge schoorsteen die hoog oprijst tegen de achtergrond van de met gesmoorde bouletpannen/kruispannen gedekte kap. Op de verdieping zijn later aangebrachte deuren zichtbaar, welke tamelijk grof gedetailleerd zijn (te zien op een foto van 1973). Op de begane grond wordt de achtergevel geheel ingenomen door de latere aanbouwen. Op nummer 13 is dat de éénlaags achterkamer met daartegen aan de uitgebroken serre en de latere aanbouw op de hoek, ook onder een plat dak. Op nummer 15 wordt de achtergevel op de begane grond aan het oog onttrokken door de zelfstandig aanbebouwde woning, waarvan de kleine kamer op dezelfde bouwhoogte en op dezelfde rooilijn is als de aangrenzende achterkamer van nummer 13. Deze kleine kamer is te herkennen aan een schuifraam tussen de serre en het bouwdeel met de kamer en suite van de achterwoning. Het metselwerk van het geheel - achterkamer en achterwoning - is halfsteens, met boven de schuiframen kantsteens metselwerk.
Ook andere details verschillen ten opzichte van het hoofdvolume. Het metselwerk is meer sober uitgevoerd. De onderdorpels zijn van hout. De schuifvensters zijn met uitzondering van genoemde verschillen vergelijkbaar met de ramen van het hoofdvolume. De plaatsing is schuin tegenover de (vernieuwde) voordeur en in de parallelle lange gevel (twee en in de lagere uitbouw één kleiner venster). In de kopse kant zijn in de woonkamer openslaande deuren geplaatst en in de uitbouw aan beide kopse kanten een eenvoudige deur. De zelfstandige woning heeft twee eigen rookkanalen, uitgemetselde schoorstenen.
Interieur Het interieur van nummer 13 is gedeeltelijk uitgebroken, dat van de aanbouw van nummer 15 ook, maar delen van de hoofdopzet zijn bewaard gebleven. Redengevende omschrijving De dubbele dienstwoning is lokaal van algemeen belang vanwege:
cultuurhistorische- en architectonische waarde als een (landelijk) zeldzaam voorbeeld van een gemeentelijke veldwachterswoning in de stijl van de Overgangsarchitectuur uit het begin van de 20ste eeuw;
typologische waarde vanwege de gaaf bewaard gebleven hoofdkenmerken van een eenvoudige veldwachterswoning, waarbij de dubbele dienstwoning is vergroot;
architectuurhistorische- en bouwkundige waarde vanwege de navolgbare wijze waarop de uitbreiding van de dienstwoning heeft plaatsgevonden en de vertrekken zijn ingepast, voorts vanwege de kenmerkende detaillering;
stedenbouwkundige waarde door de beeldbepalende ligging aan de historische Berkheistraat, op de overgang van de oude dorpskern naar het omringende groen;
De hoge mate van gaafheid van in het bijzonder het exterieur en wat betreft het interieur (delen van) de structuur van het pand.
Literatuur Robert van Lit, Carla Scheffer (red), Jong Monumentaal Wassenaar, Wassenaar 2002 Monumenten Inventarisatie Project Zuid Holland Gemeentearchief/BWT