Bijlage 2 Bestemmingsplan Stompwijckstraat - Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Stompwijckstraat, Wassenaar
Vaststelling Bestemmingsplan Stompwijckstraat, Wassenaar
Identificatie Kenmerk
: :
NL.IMRO.0629.BPSTOMPW2020-VG01 19112343/JLA/BP
Planstatus
:
Ontwerp Vaststelling
Contactpersoon:
[2 februari 2021] [14 juni 2021]
Dhr. J.C. Langeweg MSc
© IDDS b.v. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een geautomatiseerd bestand en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, elektronisch of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de uitgever.
INHOUDSOPGAVE
I.
TOELICHTING
II.
REGELS
III.
BIJLAGEN (APART BIJGEVOEGD)
IV.
VERBEELDING
I.
TOELICHTING
Inhoud toelichting 1. 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding .................................................................................................................... 7 Aanleiding .................................................................................................................. 7 Ligging van het projectgebied ..................................................................................... 8 Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................ 8 Leeswijzer ................................................................................................................ 10
2. 2.1 2.2 2.3
Beleidskader........................................................................................................... 11 Rijksbeleid................................................................................................................ 11 Provinciaal beleid ..................................................................................................... 12 Gemeentelijk beleid .................................................................................................. 15
3. 3.1 3.2
Planbeschrijving..................................................................................................... 18 Planvoornemen ........................................................................................................ 18 Verkeer en parkeren................................................................................................. 19
4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8
Milieuaspecten ....................................................................................................... 22 M.e.r.-beoordeling .................................................................................................... 22 Bedrijven en milieuzonering ...................................................................................... 24 Geluidhinder ............................................................................................................. 26 Luchtkwaliteit ........................................................................................................... 26 Stikstofdepositie ....................................................................................................... 30 Externe veiligheid ..................................................................................................... 32 Bodemgeschiktheid .................................................................................................. 34 Flora en Fauna ......................................................................................................... 36
5. 5.1 5.2 5.3
Watertoets .............................................................................................................. 38 Algemeen ................................................................................................................. 38 Beleid ....................................................................................................................... 38 Beoordeling planvoornemen ..................................................................................... 40
6. 6.1 6.2
Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................. 44 Archeologie .............................................................................................................. 44 Cultuurhistorie .......................................................................................................... 45
7. 7.1 7.2 7.3
Juridische aspecten ............................................................................................... 56 Inleiding ................................................................................................................... 56 Opzet van de planregels ........................................................................................... 56 Uitleg van de planregels ........................................................................................... 57
8. 8.1 8.2 8.3
Uitvoerbaarheid ...................................................................................................... 60 Maatschappelijk uitvoerbaarheid............................................................................... 60 Financiële uitvoerbaarheid........................................................................................ 63 Eindconclusie ........................................................................................................... 63
9.
Bijlagen ................................................................................................................... 64
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Woningbouwvereniging St. Willibrordus is van plan om de huidige woningvoorraad langs de Stompwijckstraat te vernieuwen. Rondom de huidige straat Stompwijckstraat in Wassenaar, is de woningbouwvereniging van plan om de huidige 10 woonblokken te vervangen voor nieuwe bouwwerken ten behoeve van sociale huurwoningen. De huidige 40 woningen zijn aan vervanging toe. De huidige Stompwijckstraat wordt opgeheven. Het programma voorziet in 86 sociale huurwoningen voor senioren van verschillende omvang. De kleinste woningen zijn circa 72 m2 en de grootste zullen circa 80 m2 zijn. Op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor bewoners voor zowel fietsen en scootmobielen als auto’s. Bezoekers kunnen in de straten rondom het plangebied parkeren. Ook voorziet het plan in een groene binnenplaats. Op de begane grond wordt de mogelijkheid onderzocht voor een maatschappelijke voorziening.
Tabel 1: Gegevens locatie Plaats
Wassenaar
Locatie
Stompwijckstraat e.o.
Perceel
7040, 7041 en 7042, sectie B, Wassenaar
Aanleiding onderzoek
Nieuwbouw appartementen
Oppervlakte onderzoeksgebied
Circa 7.198 m2
1.2
Ligging van het projectgebied
Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Wassenaar, in de wijk Groot Deijleroord en Ter Weer. Het plangebied ligt in de woonwijk, welke wordt begrensd door de Wassenaarsche Watering aan de oostzijde. De directe omgeving kenmerkt zich door de dorpse/stedelijke bebouwing met voornamelijk woningen. Verspreid door de wijk zijn groenvoorzieningen te vinden.
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het projectgebied is gelegen binnen het bestemmingsplan ‘Hofcamp 2013’ met codering NL.IMRO.0629.BPHOFCA2013-VG01. Het plangebied kent de volgende bestemmingen: • • • •
Enkelbestemming ‘Wonen - 3’; Enkelbestemming ‘Verkeer’; Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 5’ (reeds vervangen door een parapluplan) Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ (reeds vervangen door een parapluplan)
De bestemming ‘Wonen -3’ is voorzien van bouwvlakken op de locatie van de bestaande woningen. Volgens het paraplubestemmingsplan ‘Cultureel Erfgoed Wassenaar - Panden, objecten en archeologie’, vastgesteld op 28 april 2018, geldt voor de planlocatie (als vervanging van de bovenstaande dubbelbestemmingen) de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie 3’ en ‘Waarde – archeologie 4’. In dat kader is er onderzoek uitgevoerd naar de archeologische waarden van het perceel. In de paragraaf over archeologie in hoofdstuk 4 zijn daarvan de resultaten opgenomen.
Strijdigheid met het bestemmingsplan De voorgenomen plannen passen qua omvang en functie niet binnen het huidige bestemmingsplan. Er moet een nieuw bouwvlak komen om de gewenste positie van de gebouwen mogelijk te maken. De beoogde nieuwbouw van de appartementen en sociale voorziening past niet binnen de regels uit het huidige bestemmingsplan ‘Hofcamp 2013’. Op delen van het terrein geldt tot op heden de bestemming ‘Wonen – 3’. De huidige Stompwijckstraat en enkele inhammen in de Suykstraat zijn bestemd als ‘Verkeer’. Aangezien plannen niet binnen de huidige bouwvlakken vallen, is een afwijking nodig. Om de ontwikkeling van de nieuwe gewenste bebouwing en terreininrichting in juridischplanologische zin mogelijk te maken, dient er een nieuw bestemmingsplan voor de locatie opgesteld te worden. Dit document voorziet daarin.
1.4
Leeswijzer
Dit bestemmingsplan biedt een juridisch-planologische regeling, zodat binnen de kaders van dit plan enige flexibiliteit bestaat om de geplande ontwikkeling te realiseren. De toelichting voorziet in een nadere onderbouwing van de juridisch bindende stukken, de planregels en de verbeelding. De regeling geschiedt door middel van bindende planstukken, te weten de planregels en de verbeelding. Zij omvatten enerzijds een vertaling van de beleidsvoorwaarden (hoofdstuk 3) en anderzijds een juridisch kader voor de te realiseren ontwikkeling (hoofdstuk 5). De bindende planstukken worden nader onderbouwd met de toelichting op zowel de planregels als de verbeelding. Hoofdstuk 2 beschrijft het beleidskader met relevant beleid voor dit planvoornemen. Er wordt onder andere gekeken naar het Rijks-, provinciaal, regionaal en het gemeentelijk beleid. Hoofstuk 3 gaat in op het te realiseren plan met aandacht voor diverse specifieke onderdelen. Hoofdstuk 4 behandelt de relevante omgevingsaspecten en biedt verantwoording waarom dit plan ruimtelijk gezien passend is op deze locatie. Hoofdstuk 5 beschrijft de watertoets en hoofdstuk 6 gaat in op de onderdelen archeologie en cultuurhistorie. De juridische beschrijving en de uitvoerbaarheid worden behandeld in respectievelijk hoofdstuk 7 en 8.
De systematiek van de planopzet sluit aan bij de gangbare landelijke systematiek voor de standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP 2012).
2.
Beleidskader
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste en relevante beleidsstukken beschreven die raakvlakken hebben met het planvoornemen.
2.1
Rijksbeleid
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 2040 (SVIR) is in 2012 vastgesteld en vervangt onder andere de Nota Ruimte, de Nota Mobiliteit en de Mobiliteits Aanpak. Daarnaast vervangt de visie ook de ruimtelijke doelen en uitspraken in diverse landelijke beleidsdocumenten. Daarmee is de SVIR het totaaldocument voor de ruimtelijke- en mobiliteitsbeleid op Rijksniveau. Van belang in de SVIR, is de grote mate van decentralisatie. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten; decentralisatie is het sleutelwoord. Dit geldt ook voor het verstedelijkings- en landschapsbeleid. Enkele onderwerpen worden wel benoemd als nationaal belang. Die zijn geborgd in de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte. Deze AMvB is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Barro Het Barro richt zich op de doorwerking van het nationaal belang in de gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van de belangen. Ladder voor duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onder Artikel 3.1.6.
Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de beschikbare ruimte in stedelijke gebieden. De ladder houdt in dat de behoefte aan stedelijke ontwikkelingen op het gebied van wonen, kantoren, bedrijven en detailhandel moeten worden afgestemd binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van deze ontwikkeling en dat deze waar mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd moet worden. Vanaf 12 woningen is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dient er gekeken te worden naar de Ladder voor duurzame verstedelijking. Met de wijziging van de Laddersystematiek sinds 1 juli 2017 is het niet langer noodzakelijk in een ‘actuele regionale’ behoefte te voorzien (maar uiteraard wel nog steeds in een behoefte). Voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied geldt in vergelijking met de voorgaande Laddersystematiek een uitgebreidere motiveringsplicht. Toetsing aan de ladder De provincie heeft hier in de Verordening Ruimte nadere invulling aan gegeven.
Het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) definieert zij als “het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.” Nieuwe stedelijke ontwikkeling dient primair plaats te vinden binnen het BSD.
De onderhavige ontwikkeling wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De locatie maakt deel uit van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) van de gemeente Wassenaar. De noodzaak voor deze woningen volgt ook uit de Woonvisie van Wassenaar en de regionale prestatieafspraken. Meer hierover onder het gemeentelijk beleid. Nationale omgevingsvisie Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening. Er wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een Stedelijk Netwerk Nederland. Een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s waarbij het potentieel van heel Nederland benut wordt. Om de woningbouw een impuls te geven zijn 14 locaties benoemd waar overheden samen goed bereikbare grootschalige woningbouw gaan ontwikkelen. Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad.
Met deze aanpak van verstedelijking verbeteren we niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad. De belangrijkste keuzes die de rijksoverheid voorziet zijn: • Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit; • Ruimte voor overgang naar een circulaire economie; • Woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden; • Landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen. Gelet op de kleinschaligheid van dit project, spelen er geen nationale belangen. Wel sluit het plan aan bij de ambitie zoals hierboven beschreven, aangezien er wordt gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied én de woningen betaalbaar (sociale huur) zijn. Conclusie rijksbeleid De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige invloed op één van de onderwerpen van nationaal belang. Ook het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) doet geen specifieke uitspraken ten aanzien van het voorliggende projectgebied. Voor woningbouwontwikkelingen geldt dat deze vanaf 12 woningen Ladderplichtig zijn. Gelet op het feit dat er binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt, plus de hoge vraag naar sociale huurwoningen, vormt het beleid geen belemmeringen. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling geen strijdigheid vertoont met het nationale beleidskader
2.2
Provinciaal beleid
In het Omgevingsbeleid van de provincie Zuid-Holland is al het bestaande provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving samengevoegd in een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening. Beide documenten zijn op 20 februari 2019 vastgesteld. Deze oorspronkelijke documenten worden gebruikt ter beschrijving van het provinciaal beleid, tenzij een latere wijziging van toepassing is.
Omgevingsvisie De Omgevingsvisie bestaat in hoofdlijn uit de volgende onderdelen: - Een introductie op het omgevingsbeleid, waarin opgenomen de kaartbeelden en de beschrijving van de ruimtelijke structuur; - De ontwikkelrichting van het omgevingsbeleid met ambities en sturing. De provincie geeft hierin aan een uitnodigend perspectief te bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen; - Een beschrijving van de omgevingskwaliteit van Zuid-Holland, waaronder de provinciale inzet voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; - De samenhangende beleidskeuzes voor de fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie bevat de volgende wettelijk verplichte plannen: -
de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro); het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm); het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww); het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer; de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb).
Beoordeling planvoornemen De twee relevante provinciale opgaven vanuit de omgevingskwaliteit voor dit project zijn: -
-
Ruimte en verstedelijking, waarbij het zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied een speerpunt is, en: Wonen, waarbij het bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen van belang is.
Met onderhavig plan worden sociale woningen gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied. De bebouwde ruimte wordt hierdoor optimaal en beter benut door verdichting. De woningen worden gerealiseerd in een levendige woonomgeving, wat als een aantrekkelijke woon- en leefomgeving mag worden beschouwd. Het plan past binnen de wens van zowel de provincie als de gemeente om het bestaande tekort aan woningen terug te dringen. Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het plan goed aansluit op de bovengenoemde ‘opgaven omgevingskwaliteit’. Er is geen strijdigheid met het provinciaal beleid uit die Omgevingsvisie. De behoefte naar de woningen vloeit onder andere voort uit het gemeentelijk beleid (Woonvisie). Omgevingsverordening De beleidskeuzes uit de Visie, werken door naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. Het geheel aan bestaande beleidskeuzes, inclusief de doorwerking naar programma’s en verordening, vormt het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het plangebied is niet specifiek benoemd in één van de 17 kaarten van de verordening. Conclusie provinciaal beleid Als gevolg van de herinrichting binnen het plangebied, wordt de bestaande ruimte beter benut. Daarnaast is er binnen de provincie voldoende vraag naar dergelijke woningen. Hierdoor is er geen strijdigheid met het provinciaal beleid.
2.3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Wassenaar 2025 ‘Landgoed aan zee’ Op 22 maart 2017 heeft de gemeenteraad de structuurvisie Wassenaar 2025 ‘Landgoed aan zee’ vastgesteld. In deze nieuwe structuurvisie wordt op hoofdlijnen de ruimtelijke visie voor Wassenaar in 2025 geschetst. De ruimtelijke opgave voor de komende jaren richt zich op de instandhouding en versterking van deze ruimtelijke hoofdstructuur. Dit betekent onder andere dat Wassenaar niet verder wordt uitgebreid. Nieuwbouw in het dorp is mogelijk door vervanging van bestaande voorraad, herbestemming of op vrijgekomen locaties. De nieuwe ontwikkelingen moeten passen in maat en schaal bij het groene, kleinschalige en historische karakter van Wassenaar. Voor dit plan is er sprake van nieuwbouw binnen de bestaande bebouwde grenzen. Ook betreft het vervanging van bestaande voorraad. De gewenste ontwikkeling sluit aan bij de doelstelling uit de structuurvisie Wassenaar 2025 ‘Landgoed aan zee’. Woonvisie Wassenaar 2016-2021 De woonvisie is een document van de gemeente, waarin de gemeente verwoordt wat ze voor ogen heeft met het wonen in Wassenaar, wat zij daar zelf aan bijdraagt en wat van andere partijen wordt gevraagd. In de woonvisie beschrijft de gemeente Wassenaar het beleid voor het wonen in de periode 2016-2021. In de Woonvisie Wassenaar 2016-2021 wordt extra aandacht gevraagd voor het verduurzamen van de woningvoorraad.
Daarnaast gaat de Woonvisie in op de beschikbaarheid en betaalbaarheid van de huursector. Ook wordt er beschreven dat er weinig beschikbaar aanbod is op de sociale huurmarkt voor bijvoorbeeld starters. Verder is er ook ruimte nodig voor middeninkomens en lage inkomens. Ten slotte zijn er maatregelen voor betaalbaarheid nodig. Dit volgt ook uit de regionale prestatieafspraken (2015-2018). Aangezien er met dit project meer woonruimte bij komt in de sociale huurklasse, sluit het plan aan bij het woonbeleid. Het project is reeds benoemd in de prestatieafspraak die in december 2019 gemaakt is tussen de gemeente en coöperatie. De partijen hebben afgesproken betaalbare, beschikbare en duurzame woningen te realiseren voor de specifieke doelgroepen senioren en jongeren. Er is namelijk een groeiende vraag naar seniorenwoningen. De toevoeging van seniorenwoningen draagt bij aan de doorstroming in de woningmarkt. Hierdoor komen weer woningen vrij voor andere doelgroepen. Duurzaamheid In de geamendeerde woonvisie van de gemeente Wassenaar worden ambities uitgesproken over de verduurzaming van de woningvoorraad. Nieuwbouwwoningen moeten een energielabel A hebben. Voorts wil de gemeente dat er natuur-inclusief wordt gebouwd. Met de realisatie van het project Stompwijckstraat worden 40 gedateerde en energetisch zeer matige woningen vervangen door 86 hoogwaardige nieuwbouwwoningen.
De woningen worden gasloos opgeleverd.
De woningen gaan voldoen aan de nieuwste BENG eisen voor energiezuinigheid. (BENG = Bijna Energie Neutraal, Beng 1 < 65 KWh/m2, Beng 2 < 50 KWh/m2, Beng 3 >40%.). Aan deze eisen wordt voldaan door: • Hoogwaardige isolatie van begane grondvloer, gevels en dak. • De toepassing van triple glas in alle kozijnen • Het uiterst luchtdicht bouwen • De toepassing van laagtemperatuur verwarming met warmtepompen • De toepassing van ventilatie met warmteterugwinning. • Daarnaast heeft de woningbouwvereniging de ambitie om maximaal in te zetten op zonnepanelen. Dat is niet noodzakelijk om te voldoen aan BENG, maar de woningbouwvereniging wil de woonlasten voor de bewoners drukken, en zoveel mogelijk zelfvoorzienend zijn De landschapsarchitect geeft met de inrichting van de groenstrook rondom de blokken, de inrichting van de gemeenschappelijke tuin met de begroeiing van de gevel van de fietsenstalling en de begroeiing van de pergola’s invulling aan natuur-inclusief bouwen. Bestaande bomen in het plangebied blijven zoveel mogelijk behouden. Daarnaast zal de buitenruimte aan de straatzijden een groene uitstraling krijgen. De aannemer zal de bestaande duplexwoningen circulair moeten slopen. Dat wil zeggen dat de bouwdelen en bouwmaterialen die vrijkomen door sloop weer ingezet kunnen worden bij de realisatie van andere projecten.
Convenant ‘Gaten dichten in Haaglanden 2017-2026 De negen gemeenten en de 15 woningcorporaties in Haaglanden hebben een nauw samenwerkingsverband om de woningopgaven in de regio te stroomlijnen. Om dit te bekrachtigen en de ambities vast te leggen, heeft men een convenant ondertekend. Uit het document blijkt dat er in de regio een gesaldeerde opgave is van circa 12.000 sociale huurwoningen in de regio. De partijen hebben procesafspraken gemaakt welke moeten bijdragen aan het oplossen van de woonbehoefte. Groen- en Watervisie 2015 - 2019 De Gemeente Wassenaar heeft in 2016 de Groen- en Watervisie 2015-2019 vastgesteld. Deze visie gaat onder ander in op de vraag op welke wijze het unieke groene karakter van Wassenaar behouden en versterkt kan worden. In de visie is het streven vastgelegd om de groenste gemeente van de Randstad te zijn. Wassenaar streeft daarom naar uitbreiding van het groen en het behoud en versterking van het groen in de landgoederenzone en in de villawijken. Wassenaar is een groene gemeente, maar om zich te onderscheiden van zijn omgeving en te voldoen aan de behoeften die er in de samenleving zijn, moet er nog meer groen bij. Het plan voorziet zoveel mogelijk in een groene uitstraling. De locatie zal “natuur inclusief” gebouwd worden, dat wil zeggen dat het een groene kwaliteit krijgt met voorzieningen voor flora en fauna.
Conclusie gemeentelijke beleid Het realiseren van de nieuwe sociale huursector woningen, in een groene omgeving, sluit goed aan bij het gemeentelijk beleid.
Conclusie beleid Gelet op het bovenstaande, vormt het landelijke en regionale beleid geen belemmering voor de realisatie van het planvoornemen.
3.
Planbeschrijving
3.1
Planvoornemen
Op de locatie rondom de huidige Stompwijckstraat, worden de bestaande 40 duplexwoningen allen vervangen door 86 seniorenwoningen in de sociale huursector. In het binnenterrein wordt een gezamenlijke tuin gecreëerd. Deze tuin is openbaar toegankelijk en draagt, net als de rest van het plan, bij aan een groene uitstraling. Het plan voorziet ook in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein voor zowel fietsen en scootmobielen als auto’s. Het parkeren zal in het besloten hof op de begane grond plaatsvinden. Boven de parkeervakken is een verblijfsdek gecreëerd welke gelijk dient als entree voor de woningen op de eerste verdieping.
3.2
Verkeer en parkeren
Verkeer en parkeren Het plan is op de begane grond voorzien van 86 parkeerplaatsen en 2 grote fietsenstallingen. De fietsenstallingen zijn zo ingericht, dat deze voldoende ruimte en faciliteiten bieden voor de scootmobielen. De ontsluiting voor het gemobiliseerd verkeer vindt plaats via de Hughenzstraat. Voor de overige gebruikers, zijn diverse ontsluitingsmogelijkheden aanwezig rondom de gebouwen. Zowel de Suykstraat als de Hughenzstraat, zijn (deels) onderhevig aan veranderingen. Alle relevante veranderingen vallen binnen de grenzen van het bestemmingsplan. De wijzigingen komen neer op een veranderend straatprofiel. Voor wat betreft de veranderingen, wordt de straat niet aangetast. De wijzigingen hebben betrekking op de wijziging in de rooilijnen. Doordat de nieuwe appartementen verder van de straat liggen, is er meer ruimte voor een groenstrook. Deze is dan ook als zodanig opgenomen in de regels.
Verkeersonderzoek De sloop van de 40 bestaande woningen en de realisatie van de 86 nieuwe sociale huurwoningen zorgt voor een verschuiving in de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie. Woningbouwvereniging St. Willibrordus heeft Goudappel Coffeng een berekening en onderzoek laten uitvoeren naar de consequenties van het plan. In deze berekening is rekening gehouden met de specifieke doelgroep die met de realisatie van de 87 (opgemerkt wordt dat het plan inmiddels 86 woningen) huurwoningen wordt aangetrokken, namelijk 2 persoons appartementen voor hoofdzakelijk senioren (55+). Daarnaast is ook het effect van een mobiliteitsconcept op de parkeerbehoefte bepaald. Op basis van de parkeernormen van de gemeente Wassenaar blijkt dat de nieuwbouw 148 parkeerplaatsen nodig heeft. Per saldo neemt de parkeerdruk met maximaal 82 parkeerplaatsen toe. Het parkeeraanbod neemt per saldo toe met 72 parkeerplaatsen. Uit parkeeronderzoek in de omgeving van de planontwikkeling blijkt dat de benodigde 10 parkeerplaatsen op het drukste moment (de zaterdagavond) in de directe omgeving (100 meter) te vinden zijn, zonder dat dit leidt tot een onacceptabele parkeerbezetting in de omgeving. Woningbouwvereniging St. Willibrordus wil de woningbouwontwikkeling voor hoofdzakelijk ouderen aanbieden.
Uit de berekening van de parkeerbehoefte voor de doelgroep blijkt dat in totaal 101 parkeerplaatsen nodig zijn voor de ontwikkeling. Daarmee is extra aangetoond dat in de omgeving geen parkeerproblemen ontstaan als gevolg van de planontwikkeling. De woningbouwontwikkeling leidt tot een hogere verkeersdruk in de omgeving, maar in alle omliggende straten is er sprake van een verkeersveilige verkeersdruk.
Het volledige rapport is als separate bijlage toegevoegd. Daarnaast bevinden zich in een straal van 300 meter vijf opstapplekken voor het openbaar vervoer (bushaltes). Hierdoor hoeven de bewoners (en bezoekers) niet ver te lopen om het openbaar vervoer te nemen. Dat draagt bij aan de bereikbaarheid van het gebied.
4.
Milieuaspecten
4.1
M.e.r.-beoordeling
Aanleiding Het bevoegd gezag dient te beoordelen of er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden als gevolg van de voorgenomen planontwikkeling. Hiertoe staan in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage activiteiten opgesomd die mogelijk leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor activiteiten die genoemd staan in de eerste kolom van onderdeel C geldt dat zeer waarschijnlijk sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, deze zijn dan ook direct m.e.r.-plichtig. In de eerste kolom van onderdeel D staan activiteiten opgesomd waarvan niet vaststaat of deze leiden tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Hiervoor dient dan ook een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden. De voorgenomen ontwikkeling staat niet direct genoemd in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Het dichtst in de buurt komt de beschrijving in de eerste kolom van onderdeel D onder 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r.: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In de tweede kolom staan de drempelwaarden genoemd voor deze activiteit, hierbij gaat het erom of de activiteit betrekking heeft op één van de volgende genoemde punten: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3.
een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: • •
•
de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten.
Beoordeling planvoornemen Het planvoornemen bestaat uit de bouw van slechts 86 woningen. De drempelwaarde voor een m.e.r.-beoordeling bedraagt 2.000 woningen. Deze drempelwaarde wordt niet overschreden. Daarom is het hier niet noodzakelijk een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verderop in dit hoofdstuk diverse milieuaspecten zorgvuldig afgewogen. Uit die afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd hoeft te worden. Op grond van voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten en is het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling hier niet zinvol. Voor de volledigheid is er wel een vormvrije m.e.r. aanmeldnotitie opgesteld waar de kenmerken en de plaats van het project beschreven zijn. Daarnaast zijn ook de kenmerken van de potentiële effecten benoemd en beoordeeld. Dit document is ingediend bij de gemeente. Er is inmiddels een m.e.r. beoordelingsbesluit genomen door de gemeente.
Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling Gelet op de overige in dit hoofdstuk behandelde milieuaspecten kan geconcludeerd worden dat het milieubelang van de planontwikkeling in voldoende mate is afgewogen. Op basis van de kenmerken van het project (in relatie tot de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Gelet op de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals opgenomen in deze paragraaf wordt er geen MER opgesteld.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Aanleiding De Wet milieubeheer beoogt milieuhinder ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten in de woonomgeving of ten opzichte van gevoelige functies zoals woningen zoveel mogelijk te voorkomen. Alle bedrijfsmatige activiteiten die in potentie hinder kunnen veroorzaken worden door middel van vergunningen of meldingen op basis van de Wet milieubeheer gereguleerd. In aanvulling op deze vergunningen of meldingen voorziet een 'goede ruimtelijke ordening' eveneens in het voorkomen van onvoorzienbare hinder bij gevoelige functies zoals wonen. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (wonen) wordt hinder voorkomen. Met milieuzonering worden twee doelen gediend: niet alleen het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen, maar ook het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven zodat zij hun activiteiten duurzaam kunnen (blijven) uitoefenen. Bedrijfsmatige activiteiten zijn in de VNG-publicatie "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende minimaal gewenste afstanden tot milieugevoelige functies. De indeling van de activiteiten is gebaseerd op de standaard bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Per milieucategorie geldt een minimaal gewenste afstand, een richtafstand.
Deze richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. In de VNG-publicatie zijn de richtafstanden uit bijlage 1 ‘Richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten’ afgestemd op het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, stiltegebied of natuurgebied) wordt gekenmerkt door functiescheiding: afgezien van wijk gebonden voorzieningen komen er nauwelijks andere functies zoals bedrijven of kantoren voor. Een locatie kan echter ook behoren tot het tweede omgevingstype ‘gemengd gebied’, dat gekarakteriseerd wordt door een matige tot sterke functiemenging. Hier komen direct naast woningen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als dit type worden beschouwd. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-publicatie kunnen in dat geval met één afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat van een milieugevoelig object.
Dit geldt in het bijzonder voor geluid, het milieuaspect dat voor de te hanteren richtafstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend is. Beoordeling planvoornemen In de nabije omgeving zijn geen noemenswaardige bedrijven gelegen die een milieu-hinderende werking hebben op het planvoornemen. Binnen een straal van 200 meter zijn geen bedrijven welke getoetst dienen te worden in het kader van bedrijven en milieuzonering. Dit blijkt uit een inventarisatie via het geldende bestemmingsplan ‘Hofcamp 2013’ en de beheersverordening ‘Weteringpark Wassenaar’. De omgeving kenmerkt zich als een rustige woonwijk, met veel groen. De meest relevante functie betreft nog het kinderdagverblijf Dol-Fijn onder de bestemming Gemengd - 1 op de Ter Weerlaan 2. Dit kinderdagverblijf bevindt zich op 160 meter van het plangebied en valt hiermee ook buiten de richtafstand.
Conclusie bedrijven en milieuzonering Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.3
Geluidhinder
Aanleiding Aangezien woningen geluidgevoelig zijn, dient overeenkomstig de Wet geluidhinder (Wgh) beoordeeld te worden of aan wet- en regelgeving wordt voldaan en sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt in dat ter plaatse van de nieuwe woningen een aangenaam woon- en leefklimaat gewaarborgd dient te zijn. Geluidsoverlast kan veroorzaakt worden door lawaai afkomstig van industrie, railverkeer, wegverkeer en/of luchtvaartverkeer. Er bevinden zich in de buurt van het plangebied geen grote lawaaimakers overeenkomstig bijlage 1 onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor), noch een gezoneerd industrieterrein conform artikel 40 Wgh (industrielawaai). Ook is er in de nabijheid van het plangebied geen drukke weg, of spoorlijn (railverkeerlawaai) en ligt het plangebied niet binnen een geluidszone (’20 Ke-contour’) van een luchthaven (luchtvaartverkeer-lawaai). Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) hebben alle wegen een ‘zone’, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De ‘zone’ is een aandachtsgebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is. Toetsing van niet gezoneerde wegen is in het kader van de Wgh niet aan de orde.
In het kader van een goede ruimtelijke onderbouwing dient echter wel aangegeven te worden in hoeverre nabij gelegen 30 km/uur wegen een relevante invloed uitoefenen op het akoestisch klimaat ter plaatse. Beoordeling planvoornemen Door adviesbureau Alcedo is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai. In dit onderzoek zijn de geluidsbelastingen gepresenteerd ten gevolge van het wegverkeerslawaai afkomstig van de Van Cranenburchlaan, Ter Weerlaan en nabij gelegen 30 km/uur wegen. In de voorliggende situatie wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB conform de Wet geluidhinder voldaan. Onderzoek naar maatregelen en een hogere waarde procedure is daarom niet van toepassing. Het wegverkeer op de omliggende wegen vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Het akoestisch onderzoek is als separate bijlage toegevoegd bij dit bestemmingsplan. Conclusie geluidhinder Op basis van het akoestisch onderzoek vormt het wegverkeer op de omliggende wegen geen belemmering voor de ontwikkeling.
4.4
Luchtkwaliteit
Aanleiding Op 15 november 2007 is de Wet milieubeheer gewijzigd. Aan hoofdstuk 5 is een titel toegevoegd: titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen. Deze wet vervangt het Besluit luchtkwaliteit 2005. Het doel van de wet is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. Daartoe zijn in de wet grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO 2) en zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5) opgenomen. Dit zijn in ons land de meest kritische luchtverontreinigende componenten met de hoogste kans op overschrijdingen van de grenswaarden. De normen zijn op basis van gezondheidskundige aspecten bepaald, maar ook
onder de norm kunnen gezondheidseffecten optreden. Zij het vooral bij mensen die er gevoelig voor zijn, zoals kinderen en ouderen. Bij concentraties onder de 40 µg/m3 neemt de kans op effecten wel geleidelijk af, al is voor fijnstof geen gezondheidskundige grenswaarde vast te stellen. In onderstaande tabel staan de grenswaarden zoals vermeld in bijlage 2 van de Wet milieubeheer weergegeven. Tabel 2: Grenswaarden NO2 en PM10 overeenkomstig bijlage 2 Wet milieubeheer
Stof
Concentratie [μg/m3]
Omschrijving
NO2
40
Jaargemiddelde concentratie
Stikstofdioxide
200
Uurgemiddelde waarde die max. 18 keer per jaar mag worden overschreden
PM10
40
Jaargemiddelde concentratie
Fijnstof (grove deeltjes)
50
24-uursgemiddelde waarde die max. 35 keer per jaar mag worden overschreden
25
Jaargemiddelde concentratie
PM2,5 Fijnstof (fijne deeltjes)
Ter correctie van natuurlijk in de lucht voorkomende fijnstof mag een aantal dagen in mindering gebracht worden bij de toetsing van de daggemiddelde grenswaarde: de zogenaamde zeezoutcorrectie. Dit houdt in dat in het geval van een overschrijding van de 24-uursgemiddelde grenswaarde van PM10 gecorrigeerd mag worden met een vastgesteld aantal dagen. Het RIVM heeft dit aantal per provincie vastgesteld, vanzelfsprekend mogen voor de kustprovincies meer dagen in mindering worden gebracht dan voor verder inlandse provincies. Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) Het NSL is de kern van de Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit. Dit programma is de onderbouwing van het derogatieverzoek van het Rijk aan de EU. Het NSL is een bundeling van alle ruimtelijke maatregelen die de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechteren en alle maatregelen die de luchtkwaliteit verbeteren om ervoor te zorgen dat per 2011 (fijnstof) en respectievelijk 2015 (stikstofdioxide) overal in Nederland aan de grenswaarden wordt voldaan. Het Rijk coördineert het programma. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. De uitvoeringsregels behorende bij de wet zijn vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) en ministeriële regelingen (mr). Hieronder vallen de AMvB en mr ‘niet in betekenende mate (NIBM)’.
AMvB en ministeriële regeling niet in betekenende mate De Wet milieubeheer, onderdeel luchtkwaliteit, maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De AMvB en Ministeriële Regeling “Niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als ‘in betekenende mate’ moet worden beschouwd. De AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. Er mag rekening worden gehouden met een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarde (= 1,2 µg/m3 voor zowel stikstofdioxide en fijnstof). NIBM-projecten kunnen, juridisch gezien, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet wel worden bekeken of het realiseren van het plan met betrekking tot de luchtkwaliteit op die locatie gewenst is. Daarbij speelt de mate van blootstelling aan de luchtverontreiniging een rol. Ook de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging kan daarbij worden afgewogen. Hierbij gaat het niet alleen om de toekomstige gebruikers van de locatie, maar ook om de personen in de omgeving daarvan. Beoordeling planvoornemen In bijlage 3A van de Regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met netto maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg (of netto maximaal 3.000 woningen aan twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond hiervan kan gesteld worden dat de voorgenomen planontwikkeling niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Luchtkwaliteit ter plaatse In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn ook de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het plangebied. Deze worden getoetst aan de grenswaarden zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer.
Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de kaartlagen uit de Atlas leefomgeving waarin deze achtergrondconcentraties zijn bepaald. De NSL-monitoringstool kent namelijk geen meetpunten in de directe nabijheid van het plangebied. In onderstaande figuren zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven ter hoogte van het plangebied voor het peiljaar 2017.
Uit bovenstaand figuren blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 ter hoogte van het plangebied voor de voornoemde stoffen respectievelijk maximaal 25 en 20 µg/m3 is. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m3 wordt niet overschreden. Hetzelfde geldt voor de grenswaarde van 25 µg/m3 voor PM2,5. Deze is in het plangebied maximaal 13 µg/m3. De daggemiddelde grenswaarde voor PM10 van 50 μg/m3 mag overeenkomstig de Wet milieubeheer maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. In het plangebied komen maximaal 7,2 overschrijdingsdagen voor. Het aantal overschrijdingsdagen komt uit de NSLrekentool.
In onderstaande tabel zijn de bevindingen kort opgesomd. Tabel 3: Toetsing achtergrondwaarden en grenswaarden NO 2, PM2,5 en PM10 Maximale achtergrondwaarde in de NSLmonitoringstool
Jaargemiddelde grenswaarde conform de Wet milieubeheer
[μg/m3]
[μg/m3]
NO2
25
40
PM10
20
40
PM2,5
13
25
Stof
Bovendien is de trend dat in de toekomst de emissies en daarmee gepaard gaande achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Conclusie luchtkwaliteit Het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Ook voldoet de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied ruimschoots aan de gestelde grenswaarden in de Wet milieubeheer. Het onderdeel luchtkwaliteit vormt zodoende geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5
Stikstofdepositie
Aanleiding Met de inwerkingtreding van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) in juli 2015 was bepaald dat berekend moet worden of een nieuwe activiteit een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden geeft. Indien dit inderdaad het geval is, diende overeenkomstig de vergunningplicht uit Artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) beoordeeld te worden of de natuurlijke kenmerken van betrokken Natura 2000-gebieden dermate in het
geding zijn dat gesproken kan worden van een significant negatief effect, dan wel dat de verslechtering niet significant is en de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte. Met de invoering van het PAS gold alleen nog een vergunningplicht voor activiteiten die meer dan 1 mol stikstofdepositie per hectare per jaar gaven op een stikstofgevoelig Natura 2000gebied. Deze vergunningplicht is opgenomen in Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. Bij een stikstofdepositie tussen de 0,05 mol en 1 mol N/ha/j bestond er een meldingsplicht, die overeenkomstig Artikel 2.9, achtste lid, Wnb alleen gold voor projecten die voldoen aan de voorwaarden zoals genoemd in de Regeling natuurbescherming onder Titel 2.2 “Meldingsplicht in verband met vrijstelling vergunningplicht grenswaarde 1 mol” Artikel 2.7, lid 1. Van de 161 Natura 2000-gebieden in Nederland zijn er 118 in het PAS opgenomen (na partiële herziening op 18 december 2017). Binnen deze gebieden bevindt zich dus ten minste één stikstofgevoelig habitat waarbij overbelasting door stikstof significant is. Stikstofoverlast is dan ook een navenant probleem, gegeven de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor stikstof gevoelige natuur in die gebieden, waartoe Nederland zich op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verplicht heeft.
Uitspraak Raad van State 29 mei: PAS niet langer van toepassing Door de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingsbasis voor stikstofveroorzakende ruimtelijke ontwikkelingen. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook komen te vervallen. Door het schrappen van de bovengenoemde drempelwaarden van het PAS, kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Beoordeeld dient te worden of als gevolg van het project de kwaliteit van het natuurlijke leefgebied of de habitat van soorten in een Natura-2000 gebied kan verslechteren. Met de onderhavige stikstofberekening wordt bepaald of er überhaupt stikstofdepositie plaatsvindt op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. Als er sprake is van stikstofdepositie dient nader onderzoek uitgevoerd te worden naar de significantie van deze verslechtering binnen de relevante Natura 2000-gebieden. Beoordeling planvoornemen Met behulp van AERIUS is het effect van het planvoornemen doorgerekend. IDDS heeft op basis van input en de planning van de ontwikkelaar en de aannemer een onderbouwing opgesteld met een AERIUS-stikstofdepositieberekening. Uit de berekening van het projecteffect (stap 1) blijkt dat er sprake is van een geringe stikstofdepositie.
Om deze reden is er gekeken naar de referentiessituatie met behulp van een verschilberekening (intern salderen, stap 2). De uitkomst van stap 2 is dat met behulp van intern salderen ten opzichte van de referentiesituatie in 2004 er per saldo ≤ 0,00 mol/ha/jr stikstofdepositie optreedt op gevoelig Natura 2000-gebied. Op grond hiervan kan de vergunning verleend worden en hoeft het stappenplan niet verder doorlopen te worden. Door een uitspraak van de RvS is gebleken dat er geen vergunningsplicht meer geldt voor stikstofonderzoeken met intern salderen. Wel dient het bevoegd gezag akkoord te zijn met de bevindingen. Op 18 maart 2021 heeft de Omgevingsdienst Haaglanden een positief advies verstrekt richting de gemeente Wassenaar over het uitgevoerde stikstofdepositierapport (inclusief intern salderen). De conclusie van de omgevingsdienst luidt:
“Conform hetgeen beschreven in het rapport is er na intern salderen geen sprake van een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar op Natura 2000-gebieden. Dat betekent dat het bestemmingsplan kan worden vastgesteld en dat de beoogde activiteit, zoals beschreven in het rapport, in het kader van stikstofdepositie niet vergunningplichtig is op grond van de Wet natuurbescherming. Een verklaring van geen bedenkingen voor het onderdeel Natura 2000activiteit is dan ook niet nodig.” De notitie met losse AERIUS-uitvoerbestanden, is als losse bijlage toegevoegd.
Conclusie stikstofdepositie Uit de berekening blijkt dat er sprake is van een gering projecteffect. Met intern salderen is aangetoond dat de toekomstige situatie ten opzichte van de huidige situatie verbeterd. Dit aspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.6
Externe veiligheid
Aanleiding Bij externe veiligheid gaat het om situaties waarbij een ongeval kan plaatsvinden met gevaarlijke stoffen of als gevolg van luchtvaartverkeer nabij luchthavens, waardoor mensen die verder niets met de betreffende activiteit te maken hebben, om het leven kunnen komen. Er wordt gekeken naar de risico’s verbonden aan risicovolle inrichtingen. Hier worden gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of gebruikt. Daarnaast wordt er gekeken naar vervoer van gevaarlijke stoffen via wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen. Het belangrijkste instrument om de externe veiligheid te waarborgen is ruimtelijke scheiding aan de hand van veiligheidsafstanden tussen (beperkt) kwetsbare objecten en risicobronnen. Bij (beperkt) kwetsbare objecten dient gedacht te worden aan ruimten waar personen gedurende langere tijd verblijven (zoals een woning of recreatieterrein), gebouwen met grote aantallen personen (winkelcomplex, grote supermarkt, warenhuis) of personen met beperkte zelfredzaamheid (ziekenhuis, school, kinderopvang). Naast maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld Best Beschikbare Technieken voor inrichtingen), dienen afdoende maatregelen in de omgeving te worden genomen door middel van zonering: hoe minder mensen binnen de risicocontouren van een risicovolle activiteit vallen, hoe beter de veiligheidssituatie.
De wettelijke kaders voor externe veiligheid worden gevormd door de volgende wet- en regelgeving: -
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); Besluit externe veiligheid transport van gevaarlijke stoffen (Bevt) Wet luchtvaart (obstakelvrije vlakken en veiligheidszones; voor Schiphol gelden ook het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en het Luchthavenverkeerbesluit (LVB).
Als centrale maatstaf voor het in beeld brengen van de externe veiligheidsrisico’s worden de begrippen plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR) gehanteerd. Deze begrippen zijn in
de wet eenduidig gedefinieerd, en in de wetgeving zijn normen opgenomen (grenswaarden en richtwaarden voor het PR, en een oriëntatiewaarde voor het GR) die bepalen welke omvang van een extern veiligheidsrisico onacceptabel is. Zo beoogt de wetgeving te voorkomen dat er (beperkt) kwetsbare objecten (kunnen) worden gerealiseerd op locaties waar het PR als gevolg van risicobronnen in de omgeving hoger is dan 10-6/jaar (één op een miljoen). Verder beoogt de wetgeving het bevoegd gezag een afwegingskader te bieden voor het omgaan met risicobronnen die bij een ongewoon voorval kunnen leiden tot grotere hoeveelheden dodelijke slachtoffers (maatschappelijke ontwrichting). Als het bevoegd gezag een ruimtelijk besluit wil nemen, moet daaraan een analyse van het groepsrisico voorafgaan. Indien het GR door het (te nemen) ruimtelijke besluit toe zal nemen, dient bij het ruimtelijke besluit een verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. De methodiek waarmee het GR moet worden bepaald, is wettelijk vastgelegd. De uitkomsten daarvan zijn afhankelijk van de hoeveelheid aanwezige personen in de omgeving van de risicobron. Tot hoever die relevante risico-omgeving strekt, is wettelijk gedefinieerd als het invloedsgebied.
Doorgaans wordt dit gebied begrensd door de 1% letaliteitsgrens (de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen komt te overlijden als gevolg van de risicovolle activiteit). Gesteld kan worden dat aanwezigheid van personen buiten het invloedsgebied van een risicobron niet meetelt voor de hoogte van het GR dat door die risicobron wordt veroorzaakt. Beoordeling planvoornemen Met behulp van de Risicokaart is onderzocht of er relevante risicobronnen in de directe nabijheid van het plangebied liggen. Hierbij is zowel gekeken naar de plaatsgebonden risicocontouren groter dan 10-6/jaar als individuele risico-elementen, te weten risicovolle inrichtingen (bedrijfsactiviteiten), transport van gevaarlijke stoffen en luchtvaart. Zie onderstaand figuur.
Risicovolle inrichtingen Uit de risico-inventarisatie blijkt dat er geen risicovolle inrichtingen zijn in de nabije omgeving. Voor zowel het PR (risicocontour) als het GR (invloedsgebied) geldt dat de planlocatie niet binnen de risicocontouren valt van bedrijven die zich op nog grotere afstand bevinden. Op ruime afstand bevindt zich het Lpg-station (rode driehoek). Deze bevindt zich aan de Rijksstraatweg 435. De contour van het invloedsgebied bedraagt 150 meter. Het Lpg-station vormt dus geen risico. Transport gevaarlijke stoffen over de weg In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen wegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op ruime afstand van het plangebied ligt de A44. Het wegvak Z2 (A44: afrit 8 (Leiden) – Wassenaar) ligt op ongeveer 660 meter van het plangebied. De weg heeft een GR plafond van 74 meter. Er is geen sprake van een plasbrandaandachtsgebied en het aantal tankauto’s is bepaald op 3.000. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen over het spoor In de directe omgeving van het planvoornemen liggen geen spoorlijnen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Nadere toetsing is dan ook niet noodzakelijk. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen Op ruim 280 meter van het planvoornemen ligt aardgasleiding (W-535-08).
Deze aardgasleiding heeft een diameter van 168mm en een druk van 40 bar. In het vigerend bestemminsplan is beschreven dat de PR 10-6 contour op de leiding zelf ligt. De contouren voor het invloedsgebied bedragen respectievelijk 50 meter (100% let.) en 70 meter (1% let.). Uit het huidige bestemmingsplan blijkt dat alle hogedruk aardgasleidingen binnen de gemeente Wassenaar aanzienlijk kleiner is dan 0,1% maal de oriëntatiewaarde. Gelet op het plan en de ruime afstand tot de buisleiding, is er geen aanleiding om deze conclusie te heroverwegen. Een nadere toetsing is dus niet noodzakelijk. Overlegreactie Het plan is in het kader van het vooroverleg voorgelegd bij de veiligheidsregio. Deze heeft aangegeven geen bezwaren te hebben. Conclusie externe veiligheid Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Bodemgeschiktheid
Aanleiding Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig gesaneerd dient te worden dat zij kan worden gebruikt voor de desbetreffende functie (functiegericht saneren).
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door IDDS. Doel van het onderzoek is het vaststellen of het voormalige dan wel het huidige gebruik van de onderzoekslocatie heeft geleid tot een verontreiniging van de bodem. Het verkennend bodemonderzoek beoogt inzicht te verkrijgen in aard, plaats van voorkomen en concentraties van eventueel aanwezige verontreinigende stoffen in de bodem. Beoordeling planvoornemen Uit de onderzoeksresultaten blijkt het navolgende: Algemene milieu hygiënische bodemkwaliteit Uit het rapport blijkt dat de grond plaatselijk licht is verontreinigd met kobalt, koper, kwik, lood en PCB. Het grondwater bevat een licht verhoogde concentratie cadmium en barium. De aangetoond lichte verontreinigingen vormen vanuit milieukundig oogpunt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Ter plaatse van de voormalige watergang is plaatselijk een afwijkende bodemopbouw aangetroffen, echter blijkt uit analyseresultaten dat dit dempingsmateriaal niet verontreinigd is en vermoedelijk gebiedseigen grond betreft. Gelet op de onderzoeksresultaten, te weten de aangetoonde overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden dient de hypothese onverdacht voor de onderzoekslocatie formeel te worden verworpen. Echter, de aangetoonde verontreinigingen zijn dermate gering dat aanvullend onderzoek, onzes inziens, niet noodzakelijk is. Asbest • •
In de grond is geen asbestverdacht materiaal (grove fractie) aangetroffen. Op basis van de asbestbepalingen (fijne fractie) blijkt in de bodem geen asbest te zijn aangetoond, er is geconcludeerd dat de gehaltes asbest lager zijn dan de betreffende detectiegrenzen.
Het is statistisch niet aannemelijk dat de interventiewaarde voor asbest in een nader onderzoekstraject wordt overschreden. Verder asbestonderzoek is niet noodzakelijk. Aangezien op de locatie visueel geen asbesthoudend materiaal is waargenomen en geen analytisch aantoonbaar gehalte aan asbest is aangetoond wordt de hypothese ‘verdacht ten aanzien van asbest’ verworpen. Het bodemonderzoek is positief beoordeeld door de omgevingsdienst. Het bodemonderzoek biedt voldoende inzicht in de bodemkwaliteit. Er is geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Conclusie bodemgeschiktheid Op basis van het uitgevoerde verkennende bodemonderzoek wordt geconcludeerd dat er vanuit milieukundig oogpunt geen belemmeringen bestaan voor het realiseren van een woning op de planlocatie. Dit milieuaspect vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.8
Flora en Fauna
Aanleiding In verband met de voorgenomen sloop en nieuwbouw, is er inzicht nodig in de gevolgen voor (beschermde) soorten en gebieden. Dit in het kader van de Wet natuurbescherming. Beoordeling planvoornemen Op 9 januari 2020 is een biotooptoets uitgevoerd door een erkend ecoloog. Samen met het bronnen- en literatuuronderzoek zijn de bevindingen hiervan verwerkt in een flora- en faunarapportage, ook wel genoemd een ecologische Quickscan. Op basis van het bovenstaande is het niet uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten hebben op vaste rust- en/of verblijfplaatsen van vleermuizen. Een nader onderzoek naar vleermuizen moet uitwijzen of de vleermuizen de huizen en de boom gebruiken als zomer, kraam en/of paarverblijf. Deze is inmiddels uitgevoerd. Ook hangen er, ter bevordering van de gewenning, al diverse nestkasten voor de beschermde soorten. Op deze wijze wordt er al ingespeeld op de ontheffing Wet natuurbescherming. Het plangebied heeft wellicht een functie voor gierzwaluwen, een broedvogel waarvan het nest jaarrond beschermd is. In het gebied zijn openingen op de hoeken van de blokken die geschikt zijn voor gierzwaluwen aangetroffen. Huismussen zijn in het gebied niet gesignaleerd, zij hebben door de afgesloten pannen, geen ruimte in het plangebied om tot broeden te komen. Overige beschermde soorten zijn niet aangetroffen.