CConstaterende datwassenaar
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.2 bestemmingsplan “Laan van Pluymestein 11 en Het Kerkehout 64”, Regels

Raadsvergadering Wassenaar 8 november 2022, gemeente wassenaarBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Laan van Pluymestein 11 en Het Kerkehout 6411.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Laan van Pluymestein 11 en Het Kerkehout 64 Wassenaar Gemeente Wassenaar REGELS

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0629.BPPLUYM11KERK64-VG01

Datum:

15 november 2022

Kenmerk Buro SRO:

SR210057

Opdrachtgever:

Melkveebedrijf Alkemade Wassenaar

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleidende regels ..................................................................................................................................... 4 Artikel 1 Begrippen ................................................................................................................................................... 4 Artikel 2 Wijze van meten ......................................................................................................................................... 9

2 Bestemmingsregels ............................................................................................................................... 11 Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden ....................................................................... 11 Artikel 4 Natuur ....................................................................................................................................................... 14 Artikel 5 Wonen - 1 ................................................................................................................................................. 17 Artikel 6 Waarde - Archeologie 2 ............................................................................................................................ 20 Artikel 7 Waarde - Archeologie 3 ............................................................................................................................ 23 Artikel 8 Waarde - Cultuurhistorie .......................................................................................................................... 26 Artikel 9 Waarde - Cultuurhistorie - karakteristieke of beeldbepalende zaak ........................................................ 29

3 Algemene regels .................................................................................................................................... 31 Artikel 10 Anti-dubbeltelregel ................................................................................................................................. 31 Artikel 11 Algemene bouwregels ............................................................................................................................ 31 Artikel 12 Algemene gebruiksregels ........................................................................................................................ 32 Artikel 13 Algemene afwijkingsregels ..................................................................................................................... 33 Artikel 14 Overige regels ......................................................................................................................................... 34

4 Overgangs- en slotregels ....................................................................................................................... 35 Artikel 15 Overgangsrecht....................................................................................................................................... 35 Artikel 16 Slotregel .................................................................................................................................................. 35

3

1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan: het bestemmingsplan Laan van Pluymestein 11 en Het Kerkehout 64 Wassenaar met identificatienummer NL.IMRO.0629.BPPLUYM11KERK64-VG01 van de gemeente Wassenaar;

1.2 bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels (en de daarbij behorende bijlagen);

1.3 aan huis verbonden beroep: Een aan huis verbonden beroep en een vrij beroep worden in de praktijk als synoniem gezien. Hiermee wordt bedoeld een dienstverlenend beroep, dat in een woning door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en waarbij de activiteit een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. Voorbeelden zijn: het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig en juridisch of daarmee gelijk te stellen gebied en beroepen op medisch, paramedisch of therapeutisch gebied. Een seksinrichting is uitgesloten. Detailhandel is uitgesloten uitgezonderd bepaalde verkoop die een relatie heeft met het beroep en die ondergeschikt is aan de activiteit;

1.4 aanduiding: Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels voorwaarden worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 aangebouwd bijgebouw: Een tegen het hoofdgebouw of woning gebouwd bijgebouw dat geen directe verbinding heeft met het hoofdgebouw of de woning;

1.7 achtererfgebied: Erf aan de achterkant en de niet naar de openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 meter van de voorkant van het hoofdgebouw;

1.8 achtergevel: De tegenover de voorgevel gelegen gevel;

4

1.9 achtergevelbouwgrens: Dat gedeelte van de bouwgrens dat tegenover de voorgevelbouwgrens ligt;

1.10 archeologische waarden: De aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende (dan wel te verwachten) zichtbare en/of onzichtbare sporen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden;

1.11 bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

1.12 bebouwingspercentage: Een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel of bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.13 bestaand:

•

Bij bebouwing: bebouwing zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning.

• •

Bij gebruik: gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen. Bij peil: het peil zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan, dan wel zoals is bepaald krachtens een voor dat tijdstip verleende vergunning;

1.14 bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;

1.15 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.16 bijbehorend bouwwerk: Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of overig bouwwerk, met een dak. Tot een bijbehorend bouwwerk worden o.a. gerekend: een uitbouw, een carport, een overkapping, een al dan niet vrijstaand bijgebouw;

1.17 bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in functioneel als architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

5

1.18 bouwen: Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.19 bouwgrens: de grens van een bouwvlak;

1.20 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.21 bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel;

1.22 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.23 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.24 bruto vloeroppervlak: De vloeroppervlakte van de ruimte, dan wel van meerdere ruimten van een vastgoedobject, gemeten volgens NEN 2580, op vloerniveau langs de buitenomtrek van de (buitenste) opgaande scheidingsconstructie, die de desbetreffende ruimte(n) omhullen;

1.25 cultuurhistorische waarde: De aan een bouwwerk of gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens daarvan in de loop der geschiedenis heeft gemaakt;

1.26 dakvlak: Een aaneengesloten deel van een hellend dak dat in één vlak is gelegen;

1.27 deskundige(n) Een (of meer) door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke vakspecialist(en). Binnen deze definitie moet ook de commissie voor welstand en cultureel erfgoed worden gelezen;

1.28 erf: Een aaneengesloten stuk grond rondom een gebouw dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, voor zover de bestemming deze inrichting niet verbiedt;

6

1.29 erfscheiding: De feitelijke begrenzing van een erf;

1.30 hoofdgebouw: Een gebouw, of een gedeelte daarvan, noodzakelijk voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.31 natuurwaarde: de natuurwaarde van een gebied wordt bepaald door de bestaande of potentiële ecologische en landschappelijke waarde van het gebied, de ligging binnen de natuurlijke structuur en zijn belang voor de natuurlijke waterhuishouding van de omgeving. Het gaat kort gezegd om alle waardevolle natuurlijke elementen en factoren in een gebied;

1.32 overig bouwwerk: Een bouwkundige constructie van enige omvang, geen gebouw zijnde, die direct en duurzaam met de aarde verbonden is;

1.33 peil: a. b.

voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang; in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein;

1.34 prostitutie: Het zich ten behoeve van een ander tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten;

1.35 sexinrichting: Een inrichting, bestaande uit een of meer voor publiek toegankelijke, besloten ruimten, waarin bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.36 voorgevel: De naar een (openbare) weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een gebouw met meer dan een zijde naar een (openbare) weg is gekeerd en/of geen sprake is van een (openbare) weg in de nabije omgeving, de als zodanig door burgemeester en wethouders aangewezen gevel(s);

7

1.37 voorgevelbouwgrens: Dat gedeelte van de bouwgrens dat bij het bouwplan aan de naar een (openbare) weg gekeerde zijde van het bouwvlak of, indien een bouwvlak met meer dan één zijde naar de (openbare) weg is gekeerd, de als zodanig door burgemeester en wethouders aangewezen zijde(n), niet mag worden overschreden;

1.38 woning: Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.39 zijgevel: De gevels aan weerszijden van en gebouw, niet zijnde een voorgevel of achtergevel;

1.40 zijgevelbouwgrens: Dat gedeelte van de bouwgrens dat op of aansluitend aan de zijgevels ligt.

8

Artikel 2 Wijze van meten Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de lengte, breedte en diepte van een gebouw: Tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de gemeenschappelijke scheidingsmuren);

2.2 de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk: Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Indien het terrein voor en achter het gebouw niet even hoog ligt, wordt de goothoogte gemeten aan de voorgevel. Bij kopgevels, zijnde de kortste gevel(s) van een gebouw of bouwblok, wordt geen goothoogte gemeten. Dwarskappen (bij meer dan twee kopgevels) dienen ondergeschikt te zijn aan de hoofdvorm en dus te voldoen aan de maximaal toegestane goothoogte;

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk: Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.5 afstanden onderling: De afstanden tussen bouwwerken onderling, alsmede de afstanden van bouwwerken tot de (zijdelingse) erfscheiding en perceelsgrenzen, en de afstanden van bouwwerken tot de as van de openbare weg of het hart van een leiding worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn;

2.6 de oppervlakte van een bouwwerk: Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.7 de oppervlakte van een overkapping Tussen de buitenste horizontale projecties van de dakconstructie;

2.8 de inhoud van een bouwwerk: Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels, inclusief erkers, (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

9

2.9 de bebouwde oppervlakte: De bebouwde oppervlakte van een bouwperceel, bebouwingsvlak of ander terrein wordt gemeten buitenwerks en boven peil met dien verstande, dat de grondoppervlakten van alle bebouwing op het bouwperceel, bebouwingsvlak of ander terrein wordt opgeteld;

2.10 afstand vanaf bouwgrenzen: Bij het bepalen van afstanden vanaf een voorgevel-, zijgevel-, of achtergevelbouwgrens of de lijn van een bouw- of bestemmingsvlak: de afstanden worden gemeten vanaf het hart van de op de verbeelding aangegeven lijnen. Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden buiten beschouwing gelaten ondergeschikte bouwdelen als:

• •

plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten en erkers, mits de overschrijding van bouw- cq. bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,5 meter bedraagt; balkons, koekoeken, schoorstenen, luifels en ventilatiekanalen, mits de overschrijding van bouwc.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1,00 meter bedraagt;

•

overstekende daken, mits de overschrijding van de bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 0,80 meter bedraagt. Voor overstekende daken van bijgebouwen geldt een maat van 0,50 meter;

•

liftruimtes aan de achterzijde van een gebouw, mits de overschrijding van de bouw- c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte niet meer dan 6,00 m² bedraagt;

•

dakopbouwen ten behoeve van lifthuizen en andere technische voorzieningen, mits de overschrijding van de hoogte niet meer dan 3,00 meter bedraagt en de oppervlakte van zo'n dakopbouw niet meer dan 8,00 m² bedraagt.

10

2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden 3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f.

de ontwikkeling van een duurzame landbouw; het behoud van de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden bestaande uit onder meer weidevogels, graslandvegetaties en vegetatie van slootoevers; de openheid en het verkavelings-/slotenpatroon; het behoud van de graslandvegetaties en de daarmee samenhangende vogelkundige en cultuurhistorische waarden van het gebied; kleinschalige landschapselementen; extensief recreatief medegebruik,

voor zover de bestemmingen als bedoeld onder f zijn afgestemd op de daarvoor genoemde doelen en omschrijvingen, zijn de daarbij behorende overige bouwwerken toegestaan.

3.2 Bouwregels Op de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van en noodzakelijk voor de agrarische bedrijfsvoering worden gebouwd, met dien verstande, dat: a. b.

de bouwhoogte van overige bouwwerken maximaal 1,5 m mag bedragen; de oppervlakte van overige bouwwerken maximaal 5 m² mag bedragen.

3.3 Specifieke gebruiksregels 3.3.1 Algemeen Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is het bepaalde in artikel 12 (Algemene gebruiksregels) van toepassing.

3.3.2 Verboden gebruik Het is in ieder geval verboden de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden te gebruiken voor: a. b. c. d. e. f. g. h.

het scheuren van grasland voor een omzetting van grasland in bouwland; het gebruik van de gronden voor boomgaarden, bomenteelt, tuinbouw, Boskoopse cultures en/of bollenteelt; het gebruik van de gronden voor de bosbouw; het aanleggen van paardentrainingsbanen, paardenbakken, longeerruimten en andere oefengelegenheden voor paarden; het opbrengen van zand en ander materiaal voor het wijzigen van het gebruik van grasland in andere vormen van grondgebruik; het aanleggen van foliemestbassins; het beplanten van de gronden met bomen of andere houtopstanden; het gebruik van gronden voor gebiedsvreemde functies / bestemmingen.

11

3.4 Afwijken van de gebruiksregels 3.4.1 Omgevingsvergunning Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het bepaalde in artikel 3 lid 3.2 sub h voor de aanleg van (kleinschalige) parkeerterreinen, fiets- of wandelpaden ten dienste van de dagrecreatieve functie van het gebied, waarbij het bepaalde in artikel 3 lid 5.1 sub d van toepassing blijft.

3.4.2 Voorwaarden Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het bepaalde in artikel 3 lid 3.2 sub h voor de aanleg van landschapselementen en de plaatsing van houtopstanden voor een ruimtelijke inpassing van bebouwing en/of een verhoging van de landschappelijke of natuurwaarde van het gebied. Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen horen Burgemeester en wethouders een deskundige inzake natuur en landschap.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 3.5.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van Burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden) binnen de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden, buiten de agrarische bouwsteden/bouwpercelen, de navolgende andere werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: a. b.

het afgraven, bodemverlagen, ophogen, vergraven of egaliseren van gronden; het aanleggen en/of verharden van paden ten dienste van de bedrijfsvoering van een agrarisch bedrijf (buiten een agrarische bouwstede/bouwperceel); c. het aanleggen en/of verharden van fiets-, voet- en ruiterpaden; d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; e. het scheuren of frezen van grasland, bijvoorbeeld voor het omzetten van grasland in bouwland ; f. het keren van gronden of diepploegen; g. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen; h. het aanleggen van drainagebuizen, ondergrondse beregeningsinstallaties, dijken, dammen, stuwen, duikers en dergelijke werken die de waterhuishouding en/of waterstand in een gebied beïnvloeden; i. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en taluds; j. het vellen of rooien van houtgewassen met een specifieke landschaps- en/of cultuurhistorische waarde, die niet onder het regime van de kapverordening vallen; k. het beplanten van gronden met houtgewassen ter plaatse waar de gronden op het tijdstip van het van kracht worden van het plan niet reeds met houtgewassen waren beplant; l. het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur (geen bouwwerken zijnde); m.

het verrichten van proefboringen en andere boringen voor het winnen van water, delfstoffen en andere bodemschatten.

3.5.2 Voorwaarden Een vergunning als bedoeld in artikel 3 lid 5.1 is slechts toelaatbaar, als aan de hand van een onderbouwing wordt aangetoond dat door die werken en/of werkzaamheden het waterstaatkundig belang, de natuur- en/of landschapswaarde van deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast. Dit ter beoordeling van Burgemeester en wethouders. Een vergunning is ook toelaatbaar als een integrale afweging van de in het geding zijnde belangen tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd.

12

3.5.3 Uitzonderingen Het bepaalde ten aanzien van omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 3 lid 5.1 geldt niet voor: werken en/of werkzaamheden van geringe omvang, gericht op en noodzakelijk voor het normale onderhoud van de gronden of de instandhouding van het gebied, waaronder begrepen de normale agrarische bedrijfsvoering voor zover niet anders is bepaald; a. b.

werken en/of werkzaamheden binnen een agrarisch bedrijfscentrum ter plaatse van een op de verbeelding aangegeven agrarische bouwstede of agrarisch bouwperceel. Het bepaalde in artikel 3 lid 5.1 sub e inzake het scheuren van grasland is niet van toepassing indien dit scheuren geschiedt ter verbetering van de graslandvegetatie en het scheuren direct wordt gevolgd door herinzaai van de gronden.

3.6 Wijzigingsbevoegdheid 3.6.1 Natuur - agrarisch medegebruik Burgemeester en wethouders zijn, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, bevoegd het plan te wijzigen waarbij de in artikel 3 lid 1 genoemde bestemming `Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden' mag worden gewijzigd in de bestemming 'Natuur - agrarisch medegebruik', gericht op de ontwikkeling van natuurwaarden, waarbij een eventueel agrarisch medegebruik gericht is op het behoud, de versterking en/of het herstel van natuurwaarden. Uitvoering van dit beleid zal plaatsvinden in overleg met belanghebbenden. Daarbij kunnen beheerovereenkomsten worden gesloten over de ontwikkeling van natuurwaarden en een daarop gericht beheer.

3.6.2 Procedure Indien Burgemeester en wethouders toepassing wensen te geven aan het bepaalde in artikel 3 lid 6.1, dienen de procedureregels van Afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening in acht te worden genomen.

13

Artikel 4 Natuur 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor `Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.

e. f.

het behoud, herstel of versterking van de aan deze gronden eigen zijnde natuurwaarden, landschappelijke en cultuurhistorische waarden; de ontwikkeling van nieuwe natuurwaarden en landschappelijke waarden; erf bij bestemming 'Wonen - 1'; extensieve dagrecreatie en verkeersvoorzieningen (niet zijnde parkeervoorzieningen) waaronder ontsluitingspaden, fiets-, voet- en ruiterpaden voor zover dit gebruik geen onevenredige afbreuk doet aan de bovengenoemde waarden; agrarisch medegebruik in het kader van het beheer van de natuurgebieden; de bij de bestemming behorende (overige) bouwwerken.

4.2 Bouwregels Op de in artikel 4 lid 1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat: a. b. c. d.

de bouwhoogte van terreinafscheidingen rondom (natuur)terreinen, geen woonpercelen zijnde, maximaal 1,5 m mag bedragen; de bouwhoogte van openbare verlichting en vlaggenmasten maximaal 8 m mag bedragen; de bouwhoogte van overige bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen; kunstuitingen vallen ook onder de overige bouwwerken.

4.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering van gebouwen en/of voorzieningen als deze eisen gewenst of noodzakelijk zijn in relatie tot de in het geding zijnde belangen, zoals landschappelijke, natuurwetenschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, stedenbouwkundige, verkeersbelangen en/of de bijzondere waarden van een gebied. Deze waarden zijn beschreven in de toelichting. Uitgangspunt is dat bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een inpassingsplan ter beoordeling voorligt dat recht doet aan de kwaliteiten van het betreffende (deel)gebied en aan een goede landschappelijke inpassing. Aan de hand van dit inpassingsplan kunnen binnen deze bestemming concreet nadere eisen worden gesteld ten aanzien van: a. b.

de situering van parkeervoorzieningen; de terreininrichting en landschappelijke inpassing van erf bij bestemming 'Wonen - 1' binnen de bestemming 'Natuur'.

14

4.4 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het bepaalde in artikel 4 lid 2 voor de bouw van gebouwen ten dienste van het onderhoud en beheer, geen woningen zijnde, als dit voor een doelmatig beheer of de versterking van de cultuurhistorische structuur noodzakelijk is. De voorwaarden bij deze vergunning zijn: a. b. c.

de grondoppervlakte per gebouw maximaal 15 m² mag bedragen; de goothoogte en de bouwhoogte van de gebouwen mogen maximaal 3 m respectievelijk 5 m bedragen; de situering van die gebouwen mag geen onevenredige afbreuk doet aan de in het gebied aanwezige landschappelijke, natuur- en cultuurwaarden.

4.5 Specifieke gebruiksregels 4.5.1 Algemeen Ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken is het bepaalde in artikel 12 (Algemene gebruiksregels) van toepassing.

4.5.2 Verboden gebruik Onverminderd het bepaalde in artikel 4 lid 5.1 is het in ieder geval verboden de in artikel 4 lid 1 bedoelde gronden te gebruiken voor het scheuren van grasland voor een omzetting van grasland in bouwland.

4.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.6.1 Algemeen Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van Burgemeester en Wethouders (omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden) binnen de in artikel 4 lid 1 bedoelde gronden, buiten de agrarische bouwsteden/bouwpercelen, de navolgende andere werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: a. b.

het afgraven, bodemverlagen, ophogen, vergraven of egaliseren van gronden; het aanleggen en/of verharden van ontsluitingswegen, parkeerplaatsen, fiets-, voet- en ruiterpaden; c. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen; d. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen; e. het keren van gronden; f. diepploegen; g. het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van aanwezige waterlopen, het aanleggen van drainagebuizen, ondergrondse beregeningsinstallaties, dijken, dammen, stuwen, duikers en dergelijke werken die de waterhuishouding en/of waterstand in een gebied beïnvloeden; h. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, kaden en taluds; i. het vellen of rooien van houtgewassen met een specifieke landschaps- en/of cultuurhistorische waarde, die niet onder het regime van de kapverordening vallen; j. het beplanten van gronden met houtgewassen ter plaatse waar de gronden op het tijdstip van het van kracht worden van het plan niet reeds met houtgewassen waren beplant; k. het aanbrengen van boven- of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen buiten de erven/bouwvlakken van woningen en bedrijven en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; l. het verrichten van proefboringen en andere boringen voor het winnen van water, delfstoffen en andere bodemschatten; m.

de aanleg van picknickplaatsen en het plaatsen bijbehorend meubilair; n. diepte-infiltratie van water.

15

4.6.2 Voorwaarden Een vergunning als bedoeld in artikel 4 lid 6.1 is slechts toelaatbaar, als aan de hand van een onderbouwing wordt aangetoond dat door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en/of landschapswaarde van deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast. Dit ter beoordeling van burgemeester en wethouders. Een vergunning is ook toelaatbaar als een integrale afweging van de in het geding zijnde belangen tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd.

4.6.3 Uitzonderingen a.

b.

Het bepaalde in artikel 4 lid 6.1 is niet van toepassing op normale onderhoudswerkzaamheden van geringe omvang, gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van het onderhavige plangebied en werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van versterking, herstel of onderhoud van de zeewering. Het bepaalde in artikel 4 lid 6.1 is ook niet van toepassing op werken die worden uitgevoerd in een beschermd natuurmonument in de zin van de Wet Natuurbescherming en handelingen opleveren waarvoor ingevolge die wet een omgevingsvergunning is vereist, dan wel handelingen die zijn voorzien in een beheersplan.

16

Artikel 5 Wonen - 1 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor `Wonen – 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.

wonen; werkruimtes voor een aan huis verbonden beroep, ondergeschikt aan de woonfunctie; ruimte voor een bed & breakfast, ondergeschikt aan de woonfunctie; water; bij de bestemming behorende tuinen en erven.

5.2 Bouwregels 5.2.1 Hoofdgebouwen Voor hoofdgebouwen geldt dat: a. b. c.

d. e.

f. g.

deze mogen uitsluitend worden opgericht binnen de op de verbeelding aangegeven bouwvlakken; per bestemmingsvlak mag maximaal één vrijstaande woning worden gebouwd; indien binnen een bouwvlak een 'gevellijn' is aangeduid, dient de voorgevel van het hoofdgebouw met de entree ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' te worden gebouwd, dan wel maximaal 1 m daarachter; de inhoud van een woning bedraagt niet meer dan op de verbeelding is aangeduid; in afwijking van het bepaalde onder d geldt, indien de inhoud van de bestaande woning Het Kerkehout 64, ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan reeds meer bedraagt dan de inhoud die in lid d is vastgelegd, die bestaande inhoud als de maximaal toelaatbare inhoud; de goothoogte en de bouwhoogte van de woningen mogen niet meer mag bedragen dan aangegeven met 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)'; een kelder onder een hoofdgebouw is toegestaan met dien verstande dat een inritconstructie die toegang biedt tot de kelder buiten het bouwvlak niet is toegestaan.

5.2.2 Bijbehorende bouwwerken Voor bijbehorende bouwwerken geldt dat: a. b. c. d. e. f.

uitsluitende vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan; per woning één vrijstaand bijbehorend bouwwerk mag worden gebouwd waarvan de oppervlakte maximaal 48 m² mag bedragen; deze worden gebouwd op een afstand van ten minste 4 m ten opzichte van het hoofdgebouw; deze op de erfscheiding of tenminste 1 m van de erfscheiding worden gebouwd; de goot- en bouwhoogte niet meer mag bedragen dan maximaal 2,75 m respectievelijk 4,5 m; kelders onder bijbehorende bouwwerken zijn toegestaan met dien verstande dat koekoeken en/of een inritconstructie die toegang biedt tot een kelder onder het bijgebouw niet zijn toegestaan.

5.2.3 Overige bouwwerken Voor overige bouwwerken geldt dat: a. b. c. d.

de bouwhoogte van erfscheidingen die vóór de voorgevel of een in het verlengde daarvan te trekken lijn zijn gelegen maximaal 1 m mag bedragen; de bouwhoogte van de overige erfscheidingen maximaal 2 m mag bedragen; de bouwhoogte van entreehekken maximaal 2,5 m mag bedragen; de bouwhoogte van andere overige bouwwerken maximaal 3 m mag bedragen.

17

5.3 Nadere eisen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering van gebouwen en/of voorzieningen als deze eisen gewenst of noodzakelijk zijn in relatie tot de in het geding zijnde belangen, zoals landschappelijke, natuurwetenschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, stedenbouwkundige, verkeersbelangen en/of de bijzondere waarden van een gebied. Deze waarden zijn beschreven in de toelichting. Uitgangspunt is dat bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een inpassingsplan ter beoordeling voorligt dat recht doet aan de kwaliteiten van het betreffende (deel)gebied en aan een goede landschappelijke inpassing. Aan de hand van dit inpassingsplan kunnen binnen deze bestemming concreet nadere eisen worden gesteld ten aanzien van: a. b. c. d.

de situering van de in/uitrit, waarbij vast staat dat niet meer dan één in/uitrit is toegestaan; de situering van parkeervoorzieningen; de dakafdekking van gebouwen waarbij eisen kunnen worden gesteld aan de dakvorm of dakhelling en de nokrichting; de terreininrichting en landschappelijke inpassing van de bebouwing binnen de bestemming.

5.4 Afwijken van de bouwregels 5.4.1 Inritconstructie Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen voor het bepaalde in artikel 5 lid 2.1 sub f voor het realiseren van een toegang tot een ondergrondse parkeergarage/kelder buiten het bouwvlak mits: a. b. c. d.

de inritconstructie is gelegen achter de voorgevel van het hoofdgebouw en op tenminste 5 m. van de zijdelingse erfscheiding; de breedte van een inritconstructie ten behoeve van de kelder onder het gebouw niet breder is dan 25% van de gevelbreedte tot een maximum van 6 m; de bouwhoogte van bouwwerken boven maaiveld maximaal 0,5 m bedraagt; door de inritconstructie geen cultuurhistorische en/of natuur- en landschapswaarden worden aangetast.

5.4.2 Voorwaarden Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om, op basis van een hiertoe door de aanvrager ingediend en door hen goed te keuren inpassingsplan, een omgevingsvergunning te verlenen voor het bepaalde in artikel 5 lid 4.1 sub a voor een inritconstructie aan de voorzijde van de woning voor die situaties waarin deze situering, met inachtneming van de landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurlijke omstandigheden, een betere ruimtelijke inpassing c.q. aansluiting op de omgeving geeft. Dit ter beoordeling van Burgemeester en wethouders.

5.5 Specifieke gebruiksregels 5.5.1 Aan huis verbonden beroepen Werkruimtes voor een aan huis verbonden beroep zijn toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. b. c. d.

de werkruimtes zijn alleen in de woning toegestaan; de woonfunctie dient in overwegende mate gehandhaafd te blijven; de bruto vloeroppervlakte ten behoeve van het aan huis verbonden beroep mag maximaal 30% van de oppervlakte van de woning bedragen tot een maximum van 75 m²; er mag slechts een beperkte verkeersaantrekkende werking van uitgaan met dien verstande dat de parkeerbalans in de directe woonomgeving niet onevenredig nadelig wordt beïnvloed.

18

5.5.2 Bed & breakfast Het gebruik van een deel van de woning als bed & breakfast is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a. b.

een bed & breakfast is alleen in de woning toegestaan; de bruto vloeroppervlakte van de bed & breakfast mag maximaal 30% van de oppervlakte van de woning bedragen tot een maximum van 70 m².

5.5.3 Vrijstaand bijbehorend bouwwerk Een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een woning dient slechts voor bergings- en/of stallingsdoeleinden en mag in ieder geval niet worden gebruikt: a. b. c.

als woning of gastenverblijf; ten behoeve van een aan huis verbonden beroep; een bed & breakfast.

5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a.

b.

c.

d.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van Burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden) binnen de in artikel 5 lid 1 bedoelde gronden de navolgende andere werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: 1. het afgraven, of ophogen van gronden; 2. het aanleggen en/of aanbrengen van oppervlakteverhardingen voor een tennisbaan; 3. het aanleggen van inritten voor (deels) ondergrondse (parkeer)ruimtes. Een vergunning als bedoeld onder a is slechts toelaatbaar, als aan de hand van een onderbouwing wordt aangetoond dat door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en/of landschapswaarde van deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast. Dit ter beoordeling van Burgemeester en wethouders. Een vergunning als bedoeld onder a is ook toelaatbaar als een integrale afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder het waterstaatsbelang, tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd. Het bepaalde ten aanzien van aanlegvergunningen als bedoeld onder a onder 1 en 2 geldt niet voor werken en/of werkzaamheden van geringe omvang en uit planologisch oogpunt van ondergeschikt belang gericht op en noodzakelijk voor het normale onderhoud van de gronden of de instandhouding van het gebied voor zover niet anders is bepaald.

19

Artikel 6 Waarde - Archeologie 2 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden.

6.2 Bouwregels 6.2.1 Algemeen Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag niet worden gebouwd tenzij het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken: a.

b. c.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

6.2.2 Selectiebesluit De uitzondering, zoals genoemd in artikel 6 lid 2.1 sub b, is niet van toepassing indien een aanvraag betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een selectiebesluit is afgegeven. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologisch waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. De bepalingen van artikel 6 lid 3 sub b zijn van overeenkomstige toepassing.

6.2.3 Advies Indien er sprake is van het bouwen van een bouwwerk waarbij niet voldaan wordt aan de uitzondering zoals genoemd in artikel 6 lid 2.1 sub b en waarvoor en omgevingsvergunning is vereist, kan de aanvrager vooraf schriftelijk archeologisch advies inwinnen bij de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag.

6.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 6 lid 2.1 indien: a.

b.

de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de archeologische waarden, zoals onder a bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradaren weerstandsonderzoek); 3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ); 4. begeleiding van de bouwactiviteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen

20

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1 Werkzaamheden Het is verboden om op of in de gronden als bedoeld in artikel 6 lid 1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d. e. f. g.

het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ophogen, verwijderen van oude funderingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; het ondergronds slopen waarbij er funderingspalen verwijderd, getrokken of afgebroken worden; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.

6.4.2 Uitzondering Het verbod als bedoeld in artikel 6 lid 4.1 is niet van toepassing, indien de grondroerende werken en werkzaamheden: a. b. c. d. e. f. g.

noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 6 lid 3 onder a en b in acht is genomen; niet dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd door de houder van een certificaat zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet; worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten; worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer.

6.4.3 Selectiebesluit De uitzondering zoals genoemd in artikel 6 lid 4.2 onder b is niet van toepassing indien een aanvraag betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een selectiebesluit is afgegeven. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. De bepalingen van artikel 6 lid 4.5 onder c zijn van overeenkomstige toepassing.

6.4.4 Advies Indien er sprake is van een activiteit waarbij niet voldaan wordt aan de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 6 lid 4.2 onder b en c en waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan de aanvrager vooraf schriftelijk een archeologisch advies inwinnen bij de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag.

21

6.4.5 Voorwaarden De omgevingsvergunning wordt verleend, indien: a. b.

c.

de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, die blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, zoals bedoeld onder b, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); 3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ); 4. het doen van opgravingen waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen; 5. begeleiding van de activiteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen.

6.4.6 Beoordeling Alvorens de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.3 en 6.4 te verlenen, vraagt het bevoegd gezag advies aan de adviseur van het bevoegd gezag.

22

Artikel 7 Waarde - Archeologie 3 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. 7.2 Bouwregels 7.2.1 Algemeen Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag niet worden gebouwd tenzij het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende bouwwerken: a.

b. c. d.

vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m²; een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

7.2.2 Selectiebesluit De uitzonderingen, zoals genoemd in artikel 7 lid 2.1 onder b en c, zijn niet van toepassing indien een aanvraag betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een selectiebesluit is afgegeven. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologisch waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. De bepalingen van artikel 7 lid 3 sub b zijn van overeenkomstige toepassing.

7.2.3 Advies Indien er sprake is van het bouwen van een bouwwerk waarbij niet voldaan wordt aan de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 7 lid 2.1 onder b en c en waarvoor en omgevingsvergunning is vereist, kan de aanvrager vooraf schriftelijk archeologisch advies inwinnen bij de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag. 7.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 7 lid 2.1 indien: a.

b.

de aanvrager van de afwijking een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, die blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, zoals onder a bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de vergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradaren weerstandsonderzoek); 3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ); 4. begeleiding van de bouwactiviteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen

23

7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 7.4.1 Werkzaamheden Het is verboden om op of in de gronden als bedoeld in artikel 7 lid 1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.

b. c. d. e. f. g.

het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ophogen, verwijderen van oude funderingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; het ondergronds slopen waarbij funderingspalen verwijderd, getrokken of afgebroken worden; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.

7.4.2 Uitzondering Het verbod als bedoeld in artikel 7 lid 4.1 is niet van toepassing, indien de grondroerende werken en werkzaamheden: a. b. c. d. e. f. g. h.

noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 7 lid 3 onder a en b in acht is genomen; een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m²; niet dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd door de houder van een certificaat zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet; worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten; worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer.

7.4.3 Selectiebesluit De uitzonderingen zoals genoemd in artikel 7 lid 4.2 onder b en c zijn niet van toepassing indien een aanvraag betrekking heeft een terrein waarvoor reeds eerder een selectiebesluit is afgegeven. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. De bepalingen van lid artikel 7 lid 4.5 sub c zijn van overeenkomstige toepassing.

7.4.4 Advies Indien er sprake is van een activiteit waarbij niet voldaan wordt aan de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 7 lid 4.2 onder b en c en waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan de aanvrager vooraf schriftelijk een archeologisch advies inwinnen bij de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag.

24

7.4.5 Voorwaarden De omgevingsvergunning wordt verleend, indien: a. b.

c.

de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, die blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, zoals bedoeld in onder b., door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); 2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); 3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ); 4. het doen van opgravingen waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen; 5. begeleiding van de activiteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen.

7.4.6 Beoordeling Alvorens de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.3 en 7.4 te verlenen, vraagt het bevoegd gezag advies aan de adviseur van het bevoegd gezag.

25

Artikel 8 Waarde - Cultuurhistorie 8.1 Bestemmingsomschrijving a.

b.

c.

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere voorkomende bestemmingen, bestemd voor behoud, versterking en/of herstel van de aan deze gronden eigen zijnde cultuurhistorische waarden zoals beschreven in bijlage 2 bij deze regels. Voor zover dit op de verbeelding is aangegeven zijn de gronden, panden en objecten mede bestemd voor de overige aangegeven bestemmingen, waarbij het bepaalde bij deze nader aangegeven bestemmingen van overeenkomstige toepassing is. Voor zover de bestemming 'Waarde – Cultuurhistorie' op de verbeelding geheel of gedeeltelijk samenvalt met de bestemming `Waarde – Archeologie' zijn deze dubbelbestemmingen nevengeschikt. Ingeval van een ruimtelijke ingreep zal, afhankelijk van de aard en effecten van die ingreep, een zorgvuldige belangenafweging moeten worden gemaakt.

8.2 Bouwregels 8.2.1 Bouwen Het bouwen op de gronden als bedoeld in artikel 8 lid 1 is mogelijk. Hiervoor gelden aanvullend op de onderliggende bestemmingen de volgende regels: a. b.

c.

d.

e.

de aanwezige cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een (overig) bouwwerk goed te kunnen beoordelen is een motivatie en een integrale belangenafweging nodig waarom dit verantwoord is in relatie tot de cultuurhistorische waarden die in het geding zijn; het bevoegd gezag laat zich bij de beoordeling van het bepaalde in sub a en b adviseren door de Commissie Welstand Cultureel Erfgoed (WCE) dan wel een andere door het bevoegd gezag aangewezen deskundige; de omgevingsvergunning voor het bouwen van het bouwwerk wordt verleend als uit de bij de aanvraag behorende onderbouwing als genoemd in sub b gebleken is dat de bedoelde bouwwerken en werkzaamheden onoverkomelijk zijn vanuit (bouw)veiligheid dan wel redelijk zijn gelet op het met het bouwen gepaard gaande belang van de aanvrager; aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk kunnen voorschriften worden verbonden als dat noodzakelijk is vanuit de aanwezige cultuurhistorische waarden zoals beschreven in bijlage 2 bij deze regels.

8.2.2 Slopen Slopen van bouwwerken als bedoeld in artikel 8 lid 1 sub b kan slechts worden toegestaan indien hiervoor een omgevingsvergunning is verleend door het bevoegd gezag. Hiervoor gelden de volgende regels: a. b.

c.

d.

e.

een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk wordt verleend indien de (gedeeltelijke) sloop niet zorgt voor een onevenredige aantasting van de waarde; een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk wordt tevens verleend indien gebleken is dat dit onoverkomelijk is vanuit (bouw)veiligheid dan wel redelijk is gelet op het met sloop gepaard gaande belang van de aanvrager; om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk goed te kunnen beoordelen is een motivatie en een integrale belangenafweging nodig waarom het slopen gewenst is en dit verantwoord is in relatie tot de cultuurhistorische waarden welke verloren gaan; het bevoegd gezag laat zich bij de beoordeling van het bepaalde in sub a, b en c adviseren door de Commissie Welstand en Cultuurhistorie Cultureel Erfgoed (WCE) dan wel een andere door het bevoegd gezag aangewezen deskundige; aan de omgevingsvergunning voor het (gedeeltelijk) slopen van een bouwwerk kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op de te beschermen cultuurhistorische waarden.

26

8.3 Nadere eisen Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering van gebouwen en/of voorzieningen als deze eisen gewenst of noodzakelijk zijn in relatie tot de in het geding zijnde belangen, zoals landschappelijke, natuurwetenschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, stedenbouwkundige, verkeersbelangen en/of de bijzondere waarden van een gebied. Deze waarden zijn beschreven in de toelichting. Uitgangspunt is dat bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een inpassingsplan ter beoordeling voorligt dat recht doet aan de kwaliteiten van het betreffende (deel)gebied en aan een goede landschappelijke inpassing. Aan de hand van dit inpassingsplan kunnen binnen deze bestemming concreet nadere eisen worden gesteld ten aanzien van: a. b.

de dakafdekking van gebouwen waarbij eisen kunnen worden gesteld aan de dakvorm of dakhelling en de nokrichting; voor de terreininrichting en landschappelijke inpassing van de diverse functies in relatie tot de cultuurhistorische waarden binnen het betreffende deel van het plangebied.

8.4 Specifieke gebruiksregels Tot gebruik strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. b.

het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/ of bouwwerken op een wijze of tot een doel ten gevolge waarvan de aanwezige cultuurhistorische waarden onevenredig worden aangetast; het bevoegd gezag laat zich bij de beoordeling van het bepaalde in sub a adviseren door de Commissie Welstand Cultureel Erfgoed (WCE) dan wel een andere door het bevoegd gezag aangewezen deskundige.

8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 8.5.1 Omgevingsvergunning Onverminderd het bepaalde bij de in artikel 8 lid 1 bedoelde bestemming is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders op de in artikel 8 lid 1 sub a bedoelde gronden de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: a. b. c. d. e. f. g. h.

i. j. k.

het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; het bodemverlagen of afgraven van gronden; het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,5 m; het omzetten van grasland in bouwland; het rooien van houtopstanden, waarbij de stobben worden verwijderd; het aanleggen van houtopstanden of het anderszins bebossen van gronden; het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie, telecommunicatieleidingen of drainageleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur (voor zover geen bouwwerken zijnde); het graven, verbreden of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; het verrichten van proefboringen en andere boringen voor het winnen van water, delfstoffen en andere bodemschatten; alle overige werkzaamheden die de cultuurhistorische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale onderhoud van de gronden.

27

8.5.2 Uitzondering Het bepaalde in artikel 8 lid 5.1 is niet van toepassing op: a. b.

normale onderhoudswerkzaamheden gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van het onderhavige plangebied; andere werken en/of werkzaamheden die uit een oogpunt van de ruimtelijke ordening van niet ingrijpende betekenis zijn.

8.5.3 Voorwaarden Een vergunning als bedoeld in artikel 8 lid 5.1 is slechts toelaatbaar, als aan de hand van een onderbouwing wordt aangetoond dat door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en/of landschapswaarde van deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast. Dit ter beoordeling van burgemeester en wethouders. Een vergunning is ook toelaatbaar als een integrale afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarisch belang en het belang van de openbare drinkwatervoorziening, tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd, eventueel nadat wetenschappelijk onderzoek is gedaan en/of de mogelijkheid bestaat tot het doen van oudheidkundige waarnemingen, dan wel dat er geen aantasting van de cultuurhistorische waarden zal optreden.

8.5.4 Procedure Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in artikel 8 lid 5.1 en gelegen in gebieden bedoeld in artikel 8 lid 1 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk advies gevraagd aan een daartoe bevoegde deskundige.

8.6 Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag is bevoegd om met toepassing van artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door de dubbelbestemming `Waarde – Cultuurhistorie' te verwijderen als dat op basis van nader verkregen cultuurhistorische kennis wenselijk is. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed en de WCE.

28

Artikel 9 Waarde - Cultuurhistorie - karakteristieke of beeldbepalende zaak 9.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Cultuurhistorie - karakteristieke of beeldbepalende zaak' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor het behoud en zo mogelijk de versterking van de aan deze gronden, panden en objecten eigen zijnde cultuurhistorische waarden, zoals zijn beschreven in de bij de regels opgenomen bijlage 1. 9.2 Bouwregels Het bouwen op de in lid 7.1 bedoelde gronden, is mogelijk indien in aanvulling op de regels van de onderliggende bestemmingen voldaan wordt aan de volgende regels: a. b.

c.

d. e.

f.

g.

De aanwezige cultuurhistorische waarden, zoals beschreven in bijlage 3 mogen niet worden aangetast; Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk goed te kunnen beoordelen is een motivatie en een integrale belangenafweging nodig waarom dit verantwoord is in relatie tot de cultuurhistorische waarden ; Het bevoegd gezag laat zich bij de beoordeling van het bepaalde in sub a en b adviseren door de Commissie Welstand Cultureel Erfgoed (WCE) dan wel een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen commissie van onafhankelijke deskundigen. Aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op de aanwezige cultuurhistorische waarden; Bouwwerken als bedoeld in artikel 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht zijn toegestaan indien de cultuurhistorische waarde van het pand of object, zoals beschreven in bijlage 3 niet wordt aangetast en er hieromtrent een advies is verkregen van de Commissie Welstand Cultureel Erfgoed (WCE) dan wel een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen commissie van onafhankelijke deskundigen; Indien het bevoegd gezag - na een afweging zoals bedoeld in b en na advies van de WCE zoals bedoeld in c - beslist dat het verantwoord is de aanwezige waarden te verstoren of te vernietigen wordt gemotiveerd hoe men vanuit die waarden nieuwe ontwikkelingen realiseert die

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Duivenvoorde&id=91f78f1a-ccc8-4afe-83bf-85ab867c5a6d