Bijlage 1 Was-Wordt lijst
Tekst van het document
Bijlage 1
Was-Wordt lijst
Was
Wordt
Artikel 2.3 Het gesprek
Artikel 2.3 Het gesprek
1.Het college nodigt de cliënt met een hulpvraag als bedoeld artikel 2.1 eerste lid van de verordening zo spoedig mogelijk na de bevestiging van ontvangst van de hulpvraag uit voor het gesprek. 2. Ingeval van mantelzorg wordt, indien de cliënt dat wenst of het college dat noodzakelijk acht, de mantelzorger(s) uitgenodigd voor het gesprek. 3. Het college kan voorafgaande aan het gesprek als bedoeld in het eerste lid eerst de van belang zijnde gegevens voor dat gesprek verzamelen alvorens een afspraak wordt gemaakt. 4. Bij het gesprek staat het belang van de cliënt centraal. 5.Het college wijst de cliënt voorafgaande aan het gesprek op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan.
1.Het college nodigt de cliënt met een hulpvraag als bedoeld artikel 2.1 eerste lid van de verordening zo spoedig mogelijk na de bevestiging van ontvangst van de hulpvraag uit voor het gesprek. In dit eerste contact komen in ieder geval de procedureregels, de mogelijkheden van (gratis) cliëntondersteuning en het persoonlijk plan aan de orde. 2. Ingeval van mantelzorg wordt, indien de cliënt dat wenst of het college dat noodzakelijk acht, de mantelzorger(s) uitgenodigd voor het gesprek. 3. Het college kan voorafgaande aan het gesprek als bedoeld in het eerste lid eerst de van belang zijnde gegevens voor dat gesprek verzamelen alvorens een afspraak wordt gemaakt. 4. Bij het gesprek staat het belang van de cliënt centraal. 5.Het college wijst de cliënt voorafgaande aan het gesprek op de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan. 6. Gedurende het gesprek, als bedoeld in artikel 2.3, wordt gesproken over de terreinen van beperkingen, gebruikelijke hulp en mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen, de zelfredzaamheid en de afstemming met de Wet langdurige zorg, indien dit aan de orde is. 7. In het geval dat een client voldoende zelfredzaam wordt geacht en beschikt over de mogelijkheden om zorg zelf te organiseren, kan het college de client verzoeken om zelf in de ondersteuning te voorzien.
Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorziening
Artikel 4.1 Algemene criteria maatwerkvoorziening
5.Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover: a. deze noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en
5.Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover: a. deze noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en
participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; b. deze als goedkoopst passende bijdrage aan te merken is; c. deze in overwegende mate op de cliënt gericht is. 6.Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat: a. indien in de hulpvraag van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kan worden voorzien; b. voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan diens behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; c. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verleend en daarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. d. indien de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden had om zelf voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie. e. indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen.
participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; b. deze als goedkoopst passende bijdrage aan te merken is; c. deze in overwegende mate op de cliënt gericht is. d. deze als langdurig noodzakelijk (langer dan zes maanden) geacht wordt. 6.Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat: a. indien in de hulpvraag van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening kan worden voorzien; b. voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan diens behoefte aan maatschappelijke ondersteuning; c. indien een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verleend en daarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen. d. indien de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden had om zelf voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in zijn zelfredzaamheid en participatie. e. indien de noodzaak tot ondersteuning is ontstaan als gevolg van omstandigheden die in de risicosfeer van de cliënt liggen. f.
indien de client aanspraak kan maken op een andere voorliggende voorziening zoals de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg, tenzij hij/zij op een wachtlijst staat en een maatwerkvoorziening aanvraagt als overbrugging.
Artikel 5.5 Hoogte van een persoonsgebonden budget
Artikel 5.5 Hoogte van een persoonsgebonden budget
De hoogte van een persoonsgebonden budget:
De hoogte van een persoonsgebonden budget:
1. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden; 2. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; en 3. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten geleverd: i. door een zelfstandige professional bedraagt maximaal 85 % van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd; ii. door een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of door een persoon die niet als gekwalificeerde aanbieder wordt aangemerkt bedraagt maximaal 50 % van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd, dan wel het minimum loon. iii. In aanvulling op i en ii wordt bij huishoudelijke ondersteuning uitgegaan van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd voor calamiteitenzorg, maaltijdverzorging en kindzorg.
1. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het persoonsgebonden budget gaat besteden; 2. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het persoonsgebonden budget toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; en 3. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten geleverd: i. door een zelfstandige professional bedraagt maximaal 85 % van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd; ii. door een persoon uit het sociale netwerk van de cliënt of door een persoon die niet als gekwalificeerde aanbieder wordt aangemerkt bedraagt maximaal 50 % van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd, dan wel het minimum loon. iii. In aanvulling op i en ii wordt bij huishoudelijke ondersteuning uitgegaan van het tarief waarvoor het college aanbieders heeft gecontracteerd voor calamiteitenzorg, maaltijdverzorging en kindzorg. 4. Het college publiceert jaarlijks een actueel overzicht van de tarieven per maatwerkvoorziening welke door de cliënt mag worden besteed aan een professional.
Artikel 5.5.3 Diensten
Artikel 5.5.3 Diensten
1. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten welke door de cliënt mag worden besteed aan een professional bedraagt voor: a. begeleiding individueel (basis): maximaal €35 per uur; b. begeleiding individueel (gespecialiseerd): maximaal €35 per uur;
1. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten welke door de cliënt mag worden besteed aan een professional bedraagt voor: a. begeleiding individueel (basis): maximaal €35 per uur; b. begeleiding individueel (gespecialiseerd): maximaal €35 per uur;
c. kortdurend verblijf inclusief ondersteuning: maximaal €98 per etmaal; d. begeleiding groep (specialistisch): maximaal €43 per dagdeel; e. begeleiding groep (basis): maximaal €30 per dagdeel; f. vervoer van en naar begeleiding groep per dag zonder rolstoel: maximaal €8 per etmaal; g. vervoer van en naar begeleiding groep per dag met rolstoel: maximaal €17 per etmaal; h. huishoudelijke ondersteuning: maximaal het laagste toepasselijke tarief per periode van 4 weken dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten welke door de cliënt mag worden besteed aan een persoon die niet als professionele zorgverlener wordt aangemerkt bedraagt voor: a. begeleiding individueel (basis): maximaal €21 per uur; b. begeleiding individueel (gespecialiseerd): maximaal €21 per uur; c. kortdurend verblijf inclusief ondersteuning: maximaal €31 per etmaal; d. begeleiding groep (specialistisch): maximaal €21 per dagdeel; e. begeleiding groep (basis): maximaal €21 per dagdeel; f. vervoer van en naar begeleiding groep per dag zonder rolstoel: maximaal €6 per etmaal; g. vervoer van en naar begeleiding groep per dag met rolstoel: maximaal €11 per etmaal; h.
huishoudelijke ondersteuning: maximaal 58% van het laagste toepasselijke tarief per periode van 4 weken dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; 3. Het college publiceert jaarlijks een actueel overzicht van de tarieven als bedoeld in het eerste en tweede lid.
c. kortdurend verblijf inclusief ondersteuning: maximaal €98 per etmaal; d. begeleiding groep (specialistisch): maximaal €43 per dagdeel; e. begeleiding groep (basis): maximaal €30 per dagdeel; f. vervoer van en naar begeleiding groep per dag zonder rolstoel: maximaal €8 per etmaal; g. vervoer van en naar begeleiding groep per dag met rolstoel: maximaal €17 per etmaal; h. huishoudelijke ondersteuning: maximaal het laagste toepasselijke tarief per periode van 4 weken dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; 2. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten welke door de cliënt mag worden besteed aan een persoon die niet als professionele zorgverlener wordt aangemerkt bedraagt voor: a. begeleiding individueel (basis): maximaal €21 per uur; b. begeleiding individueel (gespecialiseerd): maximaal €21 per uur; c. kortdurend verblijf inclusief ondersteuning: maximaal €31 per etmaal; d. begeleiding groep (specialistisch): maximaal €21 per dagdeel; e. begeleiding groep (basis): maximaal €21 per dagdeel; f. vervoer van en naar begeleiding groep per dag zonder rolstoel: maximaal €6 per etmaal; g. vervoer van en naar begeleiding groep per dag met rolstoel: maximaal €11 per etmaal; h.
huishoudelijke ondersteuning: maximaal 58% van het laagste toepasselijke tarief per periode van 4 weken dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder; 3. Het college publiceert jaarlijks een actueel overzicht van de tarieven als bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 5.5.4 Verhuis- en herinrichtingskosten
Artikel 5.5.3 Verhuis- en herinrichtingskosten
1. Alleen verhuis- en inrichtingskosten die het gevolg zijn van een verhuizing als bedoeld in artikel 9.4 eerste lid van de Verordening komen voor vergoeding in aanmerking. 2. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten, tijdelijke huisvesting, verhuizing en inrichting, en de tegemoetkoming voor woningsanering (vloerbedekking en raambedekking), wordt vastgesteld op basis van een door cliënt ingediende declaratie als onderdeel van het budgetplan.
1. Alleen verhuis- en inrichtingskosten die het gevolg zijn van een verhuizing als bedoeld in artikel 9.4 eerste lid van de Verordening komen voor vergoeding in aanmerking. 2. De hoogte van een persoonsgebonden budget voor verhuis- en herinrichtingskosten, tijdelijke huisvesting, verhuizing en inrichting, en de tegemoetkoming voor woningsanering (vloerbedekking en raambedekking), wordt vastgesteld op basis van een door cliënt ingediende declaratie als onderdeel van het budgetplan.
Artikel 5.5.5 Deelnemen aan maatschappelijke verkeer
Artikel 5.5.4 Deelnemen aan maatschappelijke verkeer
1.De hoogte van het persoonsgebonden budget voor de cliënt die gebruik kan maken van het collectief georganiseerd regiotaxivervoer én die gebruik wil maken van een persoonsgebonden budget, is gelijk aan de waarde van 384 zones met de regiotaxi, minus een eigen aandeel in de kosten ter hoogte van de kosten van het reguliere openbaar vervoer. Het budgetplan bepaalt de precieze hoogte van het persoonsgebonden budget, op grond van het aantal zones dat de cliënt maximaal nodig heeft ter compensatie van de vervoersbehoefte.
1.De hoogte van het persoonsgebonden budget voor de cliënt die gebruik kan maken van het collectief georganiseerd regiotaxivervoer én die gebruik wil maken van een persoonsgebonden budget, is gelijk aan de waarde van 384 zones 1500 kilometer met de regiotaxi, minus een eigen aandeel in de kosten ter hoogte van de kosten van het reguliere openbaar vervoer. Het budgetplan bepaalt de precieze hoogte van het persoonsgebonden budget, op grond van het aantal zones dat de cliënt maximaal nodig heeft ter compensatie van de vervoersbehoefte.
Artikel 5.5.6 Aanpassingskosten woonwagens en woonschepen
Artikel 5.5.5 Aanpassingskosten woonwagens en woonschepen
1. Het college kan op aanvraag een persoonsgebonden budget toekennen voor de aanpassingskosten van een woonwagen of woonschip indien: a. de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minimaal vijf jaar is; b. de stand- en ligplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt. 2. Indien niet wordt voldaan aan de in het vorige lid onder a. of b. genoemde termijnen, kan het college toch besluiten een persoonsgebonden budget toe te kennen. De hoogte van het persoonsgebonden budget bedraagt niet meer dan € 6.000,00.
1. Het college kan op aanvraag een persoonsgebonden budget toekennen voor de aanpassingskosten van een woonwagen of woonschip indien: a. de technische levensduur van de woonwagen of het woonschip nog minimaal vijf jaar is; b. de stand- en ligplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt. 2. Indien niet wordt voldaan aan de in het vorige lid onder a. of b. genoemde termijnen, kan het college toch besluiten een persoonsgebonden budget toe te kennen. De hoogte van het persoonsgebonden budget bedraagt niet meer dan € 6.000,00.
Artikel 9.3 Specifieke criteria woonvoorzieningen
Artikel 9.3 Specifieke criteria woonvoorzieningen
2.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op: a. het treffen van woonvoorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; b. het treffen van woonvoorzieningen in, specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel woonvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen.
2.De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op: a. het treffen van woonvoorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; b. het treffen van woonvoorzieningen in, specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel woonvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen.
3. Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de maatwerkvoorziening wordt getroffen.
2. Een woonvoorziening wordt slechts verleend indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woning waaraan de maatwerkvoorziening wordt getroffen.
Artikel 9.3 Specifieke criteria woonvoorzieningen
Artikel 9.3 Specifieke criteria woonvoorzieningen
4.De aanvraag voor een woonvoorziening kan in ieder geval worden geweigerd indien: a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: 1 het verbreden van toegangsdeuren; 2 het aanbrengen van elektrische deuropeners; 3 de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het
3.De aanvraag voor een woonvoorziening kan in ieder geval worden geweigerd indien: a. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was; b. de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college; c. deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan: 1 het verbreden van toegangsdeuren; 2 het aanbrengen van elektrische deuropeners; 3 de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het
gebouw, mits de woningen in het gebouw te bereiken zijn met een rolstoel; 4 het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders; 5 het aanbrengen van een trapleuning bij een portiekwoning; 6 het plaatsen van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het gebouw; 7 het aanbrengen van een traplift, indien het een gemeenschappelijke ruimte betreft die afgesloten kan worden van de openbare weg en onder de voorwaarde dat de eigenaar en de medegebruikers van de betrokken ruimte schriftelijk te kennen hebben gegeven hiertegen geen bezwaren van overwegende aard te hebben, d. de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; e. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; f. de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld.
gebouw, mits de woningen in het gebouw te bereiken zijn met een rolstoel; 4 het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders; 5 het aanbrengen van een trapleuning bij een portiekwoning; 6 het plaatsen van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het gebouw; 7 het aanbrengen van een traplift, indien het een gemeenschappelijke ruimte betreft die afgesloten kan worden van de openbare weg en onder de voorwaarde dat de eigenaar en de medegebruikers van de betrokken ruimte schriftelijk te kennen hebben gegeven hiertegen geen bezwaren van overwegende aard te hebben, d. de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden; e. de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen; f. de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld; g. het betreft een woonvoorziening aan hotel/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur; h.
het betreft een woonvoorziening in, specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel woonvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen.
5. a. Alleen bij hoge uitzondering wordt een geschikte en/of brandveilige stalling voor een individuele scootmobiel verstrekt. Voorliggend zijn de algemene en gebruikelijke voorzieningen in en rondom het huis of appartement.
4. a. Alleen bij hoge uitzondering wordt een geschikte en/of brandveilige stalling voor een individuele scootmobiel verstrekt. Voorliggend zijn de algemene en gebruikelijke voorzieningen in en rondom het huis of appartement.
b. De burger dient in alle redelijkheid medewerking te verlenen om een individuele dan wel collectieve stallingsmogelijkheid te realiseren.
b. De burger dient in alle redelijkheid medewerking te verlenen om een individuele dan wel collectieve stallingsmogelijkheid te realiseren. c. Het college kan een aanvraag voor een individuele scootmobiel weigeren wanneer er geen adequate berging in of rondom het huis of appartement mogelijk is.
Artikel 10.2 Specifieke criteria
Artikel 10.2 Specifieke criteria
1.Met het oog op het zich verplaatsen, kan een maatwerkvoorziening worden verleend ten aanzien van het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand binnen de leefomgeving van de cliënt. 2.Het college hanteert het principe van het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening.
1.Met het oog op het zich verplaatsen, kan een maatwerkvoorziening worden verleend ten aanzien van het verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen over de langere afstand binnen de leefomgeving van de cliënt. 2.Het college hanteert het principe van het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening. Voor het verplaatsen buiten de wijk wordt de regiotaxi verstrekt, en binnen de wijk de scootmobielpool of een individuele scootmobiel. 3. Voor individuele scootmobielen worden alleen driewielscootmobielen verstrekt. 4. Bij het verstrekken van een individuele vervoersmiddel wordt rekening gehouden met de vervoersbehoefte van de client en diens partner, de leeftijd van de client, de beschikbaarheid van een ander verplaatsingsmiddel en de mate waarin het verplaatsingsmiddel in de vervoersbehoefte voorziet.
Artikel 10.3 Het zich kunnen verplaatsen
Artikel 10.3 Het zich kunnen verplaatsen
2.Het te bereiken resultaat als bedoeld als bedoeld in artikel 10.3 eerste lid onder a, b en c (tezamen) maakt participatie mogelijk met een omvang van 1500 kilometer per jaar. 3.Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het vorige lid.
2.Het te bereiken resultaat als bedoeld als bedoeld in artikel 10.3 eerste lid onder a, b en c (tezamen) maakt participatie mogelijk met een omvang van 1500 kilometer per jaar. 3.Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het vorige lid. 4. De scootmobielpool is voorliggend aan een individuele verstrekking, mits deze te bereiken is.