Bijlage 1 Nota beantwoording zienswijze en ambtelijke wijzigingen bij vaststelling bestemmingsplan ‘Oostdorperweg 198-203’
Tekst van het document
Nota beantwoording zienswijze en ambtelijke wijzigingen Bestemmingsplan Oostdorperweg 198 en 203 Het ontwerpbestemmingsplan “Oostdorperweg 198 en 203” heeft gedurende zes weken, vanaf
donderdag 30 september 2021 tot en met woensdag 10 november 2021, voor eenieder ter inzage gelegen. In deze periode is er één zienswijze ontvangen met betrekking tot de locatie Oostdorperweg 198. In deze nota wordt de zienswijze samengevat en beantwoord. De zienswijze is geanonimiseerd, omwille van de eerbiediging van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de indiener. 1
Zienswijze 1
Samenvatting Indiener verzoekt om het bestemmingsplan Oostdorperweg 198 en 203 gewijzigd vast te stellen en voor het gehele perceel een woonbestemming op te nemen.
Beantwoording Deze zienswijze wordt beschouwd als een impliciet verzoek om herziening van het bestemmingsplan. Het verzoek is voor de hand liggend. Maar tot op heden is steeds uitgegaan van dezelfde bestemming als het voorgaande plan. De indiener wenst nu echter uitsluitend een woonbestemming. Dit is de eerste keer gedurende het proces dat dit verzoek met deze strekking kenbaar wordt gemaakt. Meewerken aan dit verzoek in deze fase van het planproces betekent aanpassing van de bestemmingsplangrens. Aangezien een aanpassing van de bestemmingsplangrens geen ondergeschikte wijziging is, zal het ontwerpbestemmingsplan opnieuw ter inzage moeten worden gelegd. Bij de planschadebesluiten heeft het college besloten dat het ontwerpbestemmingsplan vóór 1 juli 2022 ter inzage moet worden gelegd. Zo niet dan wordt het planschadebedrag uitgekeerd. Als het ontwerpbestemmingsplan opnieuw ter inzage wordt gelegd, dan wordt deze deadline overschreden. Het verzoek wordt meegenomen in een aparte procedure waarover nadere afspraken met de indiener gemaakt zullen worden.
Gevolgen Geen gevolgen
-
Er is al sinds 2011 geen hoveniersbedrijf meer aanwezig aan de Oostdorperweg 198 en daarom is indiener van mening dat de hoveniersbestemming moet worden gewijzigd naar “Wonen”. De indiener stelt ter onderbouwing daarvan dat de bestemmingswijziging anders dan de toelichting beweert, niet beleidsneutraal is, omdat de nieuwe modelregels worden aangehouden. Het gehele perceel had in 2015 al de bestemming “Wonen” moeten krijgen. In de toelichting bij dit bestemmingsplan is namelijk aangegeven dat het bestemmingsplan een actueel ruimtelijk juridisch sturingskader zou geven voor het landelijke gebied. In de toelichting op het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2015 wordt aangegeven dat het bestemmingsplan een beheersmatig karakter heeft en dat ingezet wordt op het bestemmen van de bestaande situatie cq bestaande rechten en dat waar mogelijk flexibiliteit wordt bevorderd. De bestemming “BedrijfHoveniersbedrijf” is opgenomen voor deze specifieke bedrijfstak, maar ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2015 was het bedrijf al niet meer aanwezig. Als de raad niet overgaat tot het wijzigen van de bestemming “Bedrijf-Hoveniersbedrijf” naar “Wonen”, dan valt het gebruik onder het overgangsrecht en dat laat minder toe dan een woonbestemming. Daarnaast zou het gebruik van gronden en bouwwerken conform de bestemming “BedrijfHoveniersbedrijf” een
Het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2015 heeft de gronden bestemd voor “Bedrijf – Hoveniersbedrijf”. Tegen het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2015 is op dit punt toen geen zienswijze ingediend. Het besluit om de gronden op deze wijze te bestemmen is inmiddels onherroepelijk. Zoals aangegeven, zal het verzoek worden meegenomen in een aparte procedure.
Geen gevolgen
Hier is geen sprake van overgangsrecht, aangezien het bestemmingsplan Landelijk Gebied zoals vastgesteld in 2005 de gronden eveneens voor Hoveniersdoeleinden had bestemd. Binnen die bestemming was het ook niet mogelijk om de gronden rondom de
Geen gevolgen
onaanvaardbare aantasting zijn van het woongenot.
Zienswijze 2
Indiener verzoekt voorts om de bestemming “Waterstaat – Waterkering” te verwijderen. Er is geen reden om deze regel op te nemen, aangezien het niet is aangeduid op de verbeelding.
bedrijfswoning te gebruiken voor de woonfunctie of als tuin bij de woonfunctie. Een wijziging van de bestemming naar Wonen, zal moeten worden onderbouwd. Daarvan is op dit moment geen sprake. Deze bestemming wordt niet verwijderd. Deze bestemming rust namelijk op de gronden behorend bij de woning aan de Oostdorperweg 203.
Geen gevolgen
Ambtshalve wijzigingen: Nr 1 2 3
Aanpassing in de toelichting Aanpassing voorblad en voetnoot Paragraaf 1.3 Paragraaf 2.3
4 5
Paragraaf 4.10 Paragraaf 6.1
6
Paragraaf 6.2
7
Bijlage 1
1
Aanpassingen in de regels Artikel 1.1 (Begrippen)
2
Artikel 4 (Waarde – Archeologie 3)
Ontwerp naar vaststelling en in de voetnoot vaststellingsdatum naar 22 februari 2022. Beschrijving vigerend paraplubestemmingsplan aangepast Beschrijving van de bestemmingen “Waarde – Archeologie” en “Waarde – Cultuurhistorie”, op de aangepaste regelingen. Beschrijving “Cultuurhistorie en archeologie’ aangepast. Tekst “Er zijn geen reacties ontvangen die hebben geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan” wordt gewijzigd in “Het Hoogheemraadschap van Rijnland heeft aangegeven dat de waterkering loopt conform de ‘legger’. Voorts is aangegeven dat de toelichting duidelijk en juist is en dat de planregels er voor zorgen dat er een aanvraag watervergunning moet worden ingediend als men in de zone “waterstaat waterkering” wil bouwen. De provincie ZuidHolland heeft aangegeven dat hier geen sprake is van provinciaal beleid.” Beschrijving toegevoegd van terinzagelegging, zienswijze, ambtelijke wijzigingen. Nota beantwoording zienswijze en (ambtelijke) wijzigingen toegevoegd.
IMROcodering wordt gewijzigd van NL.IMRO.0629.BPOostdorperweg-ON01 naar NL.IMRO.0629.BPOostdorperweg-VG01 Het artikel voor “Waarde-archeologie 3” wordt vervangen door een nieuwe standaardregel en komt als volgt te luiden: “Waarde - Archeologie 3 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologie 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende en te verwachten archeologische waarden. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Algemeen Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag niet worden gebouwd, tenzij het bouwplan betrekking heeft op:
a.
b. c. d.
vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 100 m² een bouwwerk waarbij de bodemingreep niet dieper reikt dan 30 cm beneden maaiveld; een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
4.2.2 Selectiebesluit De uitzonderingen, zoals genoemd in artikel 4.2.1 onder b en c, zijn niet van toepassing indien een aanvraag betrekking heeft op een terrein waarvoor reeds eerder een selectiebesluit is afgegeven. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologisch waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. De bepalingen van artikel 4.3 onder b zijn van overeenkomstige toepassing. 4.2.3 Advies Indien er sprake is van het bouwen van een bouwwerk waarbij niet voldaan wordt aan de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 4.2.1 onder b en c en waarvoor en omgevingsvergunning is vereist, kan de aanvrager vooraf schriftelijk archeologisch advies inwinnen bij de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag.
4.3 Afwijken van de bouwregels Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.1 indien: a.
b.
de aanvrager een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de archeologische waarden, zoals onder lid 4.3 sub a bedoeld, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden (behoud in situ);
2. het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals grondradaren weerstandsonderzoek); 3. het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ); 4. begeleiding van de bouwactiviteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen. 4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Werkzaamheden Het is verboden om op of in de gronden als bedoeld in artikel 4.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.
b. c. d. e. f.
g.
het uitvoeren van grondbewerkingen waartoe worden gerekend afgraven, ophogen, verwijderen van oude funderingen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, alsmede het verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage; het ondergronds slopen waarbij er funderingspalen verwijderd, getrokken of afgebroken worden; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen of verwijderen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen.
4.4.2 Uitzondering Het verbod als bedoeld in artikel 4.4.1, is niet van toepassing, indien de grondroerende werken en werkzaamheden: a.
b. c. d.
noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij het bepaalde in artikel 4.3, sub a en b in acht is genomen; een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m² niet dieper reiken dan 30 cm beneden maaiveld; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
e.
mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; f. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd door de houder van een certificaat zoals bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet; g. worden uitgevoerd in bestaande weg- en/of leidingcunetten; h. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en beheer. 4.4.3 Selectiebesluit De uitzonderingen zoals genoemd in artikel 4.4.2 onder b en c zijn niet van toepassing indien een aanvraag betrekking heeft een terrein waarvoor reeds eerder een selectiebesluit is afgegeven. Het bevoegd gezag kan in een zodanig geval bepalen dat de aanvrager een nieuw rapport moet overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate is vastgesteld. De bepalingen van artikel 4.4.5 onder c zijn van overeenkomstige toepassing. 4.4.4 Advies Indien er sprake is van een activiteit waarbij niet voldaan wordt aan de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 4.4.2 onder b en c en waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan de aanvrager vooraf schriftelijk een archeologisch advies inwinnen bij de archeologisch adviseur van het bevoegd gezag. 4.4.5 Voorwaarden De omgevingsvergunning wordt verleend, indien: a.
b.
c.
de werkzaamheden waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd zijn toegestaan op grond van de regels van de andere bestemmingen, waarmee de dubbelbestemming samenvalt; de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, welke blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, gelet op artikel 4.4.5 onder b bedoeld, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning een of meer van de onderstaande voorschriften te verbinden: 1. het treffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de
2.
3. 4.
5.
bodem kunnen worden behouden (behoud in situ); het doen van (aanvullend) inventariserend en/of waarderend archeologisch onderzoek zoals boringen, proefsleuvenonderzoek en non-destructief onderzoek (zoals bijvoorbeeld grondradar- en weerstandsonderzoek); het doen van een archeologische opgraving (behoud ex situ); doen van opgravingen waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen; begeleiding van de activiteiten door een deskundige waarbij de richtlijnen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie in acht worden genomen.
4.5 Beoordeling Alvorens de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.3 en 4.4 te verlenen, vraagt het bevoegd gezag advies aan de adviseur van het bevoegd gezag.
3.
Artikel 5 “Waardecultuurhistorie”
Ten onrechte is het artikel uit paraplubestemmingsplan Cultuurhistorie Wassenaar, panden, objecten en archeologie overgenomen. Het betreft hier niet een ‘aangewezen pand’. Het artikel “Waarde-Cultuurhistorie” wordt vervangen door het artikel “Waarde – Cultuurhistorie” uit artikel 53 van het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2015, zodat dit bestemmingsplan structuurbescherming voor cultuurhistorie bevat. Artikel 5 5.1 a.
b.
Waarde - Cultuurhistorie
Bestemmingsomschrijving De voor `Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor andere voorkomende bestemmingen, bestemd voor behoud, versterking en/of herstel van de aan deze gronden eigen zijnde cultuurhistorische waarden zoals beschreven in bijlage 2 bij deze regels. Daar waar in bijlage 2 wordt gesproken over bestemmingsplan 'Landelijk gebied 2015' met bijbehorend artikel 53 en bijlage 6, wordt in dit geval ook verstaan het bestemmingsplan 'Oostdorperweg 198 en 203' met bijbehorend artikel 5 en bijlage 2; Voor zover dit op de verbeelding is aangegeven zijn de gronden, panden en objecten mede bestemd voor de overige aangegeven bestemmingen, waarbij het bepaalde bij deze nader aangegeven bestemmingen van overeenkomstige toepassing is.
c.
Voor zover de bestemming `Waarde - Cultuurhistorie' op de verbeelding geheel of gedeeltelijk samenvalt met de bestemming `Waarde - Archeologie 3' zijn deze dubbelbestemmingen nevengeschikt. Ingeval van een ruimtelijke ingreep zal, afhankelijk van de aard en effecten van die ingreep, een zorgvuldige belangenafweging moeten worden gemaakt.
5.2
Bouwregels
5.2.1
Bouwen
Het bouwen op de gronden als bedoeld in lid 5.1, sub a is mogelijk. Hiervoor gelden aanvullend op de onderliggende bestemmingen de volgende regels: a. b.
c.
d.
e.
de aanwezige cultuurhistorische waarden mogen niet onevenredig worden aangetast; om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een (overig) bouwwerk goed te kunnen beoordelen is een motivatie en een integrale belangenafweging nodig waarom dit verantwoord is in relatie tot de cultuurhistorische waarden die in het geding zijn; het bevoegd gezag laat zich bij de beoordeling van het bepaalde in lid 5.2.1, sub a en b adviseren door de Commissie Welstand Cultureel Erfgoed (WCE) dan wel een andere door het bevoegd gezag aangewezen deskundige; de omgevingsvergunning voor het bouwen van het bouwwerk wordt verleend als uit de bij de aanvraag behorende onderbouwing als genoemd in lid 5.2.1, sub b gebleken is dat de bedoelde bouwwerken en werkzaamheden onoverkomelijk zijn vanuit (bouw)veiligheid dan wel redelijk zijn gelet op het met het bouwen gepaard gaande belang van de aanvrager; aan de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk kunnen voorschriften worden verbonden als dat noodzakelijk is vanuit de aanwezige cultuurhistorische waarden zoals beschreven in bijlage 2 bij deze regels.
5.2.2
Slopen
Slopen van bouwwerken als bedoeld in lid 5.1, sub b kan slechts worden toegestaan indien hiervoor een omgevingsvergunning is verleend door het bevoegd gezag. Hiervoor gelden de volgende regels: a.
b.
een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk wordt verleend indien de (gedeeltelijke) sloop niet zorgt voor een onevenredige aantasting van de waarde; een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk wordt tevens verleend indien gebleken is dat dit onoverkomelijk is vanuit (bouw)veiligheid dan wel redelijk is gelet op het met sloop gepaard gaande belang van de aanvrager;
c.
d.
e.
5.3
om de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk goed te kunnen beoordelen is een motivatie en een integrale belangenafweging nodig waarom het slopen gewenst is en dit verantwoord is in relatie tot de cultuurhistorische waarden welke verloren gaan; het bevoegd gezag laat zich bij de beoordeling van het bepaalde in lid 5.2.2, sub a, b en c adviseren door de Commissie Welstand en Cultuurhistorie Cultureel Erfgoed (WCE) dan wel een andere door het bevoegd gezag aangewezen deskundige; aan de omgevingsvergunning voor het (gedeeltelijk) slopen van een bouwwerk kunnen voorschriften worden verbonden met het oog op de te beschermen cultuurhistorische waarden. Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen aan de situering van gebouwen en/of voorzieningen als deze eisen gewenst of noodzakelijk zijn in relatie tot de in het geding zijnde belangen, zoals landschappelijke, natuurwetenschappelijke, ecologische, cultuurhistorische, stedenbouwkundige, verkeersbelangen en/of de bijzondere waarden van een gebied. Deze waarden zijn beschreven in de toelichting. Uitgangspunt is dat bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een inpassingsplan ter beoordeling voorligt dat recht doet aan de kwaliteiten van het betreffende (deel)gebied en aan een goede landschappelijke inpassing. Aan de hand van dit inpassingsplan kunnen binnen deze bestemming concreet nadere eisen worden gesteld ten aanzien van: a.
b.
5.4
de dakafdekking van gebouwen waarbij eisen kunnen worden gesteld aan de dakvorm of dakhelling en de nokrichting; voor de terreininrichting en landschappelijke inpassing van de diverse functies in relatie tot de cultuurhistorische waarden binnen het betreffende deel van het plangebied. Specifieke gebruiksregels
Tot gebruik strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a.
b.
het gebruiken of laten gebruiken van gronden en/ of bouwwerken op een wijze of tot een doel ten gevolge waarvan de aanwezige cultuurhistorische waarden onevenredig worden aangetast; het bevoegd gezag laat zich bij de beoordeling van het bepaalde in lid 5.4, sub a adviseren door de Commissie Welstand Cultureel Erfgoed (WCE) dan wel een andere door het bevoegd gezag aangewezen deskundige.
5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden
5.5.1
Werken en werkzaamheden
Onverminderd het bepaalde bij de in lid 5.1 bedoelde bestemming is het verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) op de in lid 5.1, sub a bedoelde gronden de navolgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te doen uitvoeren: a. b. c. d. e.
het ophogen, egaliseren en ontginnen van gronden; het bodemverlagen of afgraven van gronden; het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,50 m; het omzetten van grasland in bouwland; het rooien van houtopstanden, waarbij de stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van houtopstanden of het anderszins bebossen van gronden; g. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; h. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie, telecommunicatieleidingen of drainageleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur (voor zover geen bouwwerken zijnde); i. het graven, verbreden of dempen van sloten, vijvers en andere wateren; j. het verrichten van proefboringen en andere boringen voor het winnen van water, delfstoffen en andere bodemschatten; k. alle overige werkzaamheden die de cultuurhistorische waarden in het terrein kunnen aantasten en die niet worden gerekend tot het normale onderhoud van de gronden. 5.5.2
Uitzondering
Het bepaalde in lid 5.5.1 is niet van toepassing op: a.
b.
normale onderhoudswerkzaamheden gericht op en noodzakelijk voor de instandhouding van het onderhavige plangebied; andere werken en/of werkzaamheden die uit een oogpunt van de ruimtelijke ordening van niet ingrijpende betekenis zijn;
5.5.3
Voorwaarden
Een vergunning als bedoeld in lid 5.5.1 is slechts toelaatbaar, als aan de hand van een onderbouwing wordt aangetoond dat door die werken en/of werkzaamheden de natuur- en/of landschapswaarde van deze gronden niet in onevenredige mate worden aangetast. Dit ter beoordeling van burgemeester en wethouders.
Een vergunning is ook toelaatbaar als een integrale afweging van de in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen het agrarisch belang en het belang van de openbare drinkwatervoorziening, tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd, eventueel nadat wetenschappelijk onderzoek is gedaan en/of de mogelijkheid bestaat tot het doen van oudheidkundige waarnemingen, dan wel dat er geen aantasting van de cultuurhistorische waarden zal optreden. 5.5.4
Advies
Alvorens te beslissen omtrent een vergunning als bedoeld in lid 5.5.1 en gelegen in gebieden bedoeld in lid 5.1 wordt door burgemeester en wethouders schriftelijk advies gevraagd aan een daartoe bevoegde deskundige. 5.6
Wijzigingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag is bevoegd om met toepassing van artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door de dubbelbestemming `Waarde - Cultuurhistorie' te verwijderen als dat op basis van nader verkregen cultuurhistorische kennis wenselijk is. Alvorens toepassing te geven aan deze bepaling winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in bij de Rijksdienst voor het cultureel erfgoed en de WCE. 4
Bijlage 2
de bijlage (1) van het parapluplan vervangen door de bijlage (6) van LG2015.