Bijlage 1 Generiek delegatiebesluit
Tekst van het document
BIJLAGE 1: GENERIEK DELEGATIEBESLUIT Doorwerking van wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten onder de Omgevingswet
1
BIJLAGE 1: GENERIEK DELEGATIEBESLUIT Doorwerking van wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten onder de Omgevingswet
Z/21/050674/informatie-intern 228534 -1
2
Inhoud 1.
Inleiding .....................................................................................................4
1.1
Aanzet .....................................................................................................4
1.2
Opzet.......................................................................................................4
2.
Generiek delegatiebesluit ..............................................................................5
2.1
2.1.2
Situatie Wassenaar: wijzigingsbevoegdheden ..........................................5
2.1.2
Situatie Wassenaar: uitwerkingsplichten.................................................7
2.2
Toekomstige situatie onder de Omgevingswet................................................7
2.2.1
Vergelijking met de Wet ruimtelijke ordening ..........................................8
2.2.2
Verdere mogelijkheden van het generiek delegatiebesluit .........................9
3.
Afwegingen................................................................................................10
3.1
Voortzetting ............................................................................................10
3.2
Rol van de raad .......................................................................................10
3.3
Werkdruk................................................................................................11
3.4
Beslistermijn ...........................................................................................11
3.5
Voorbereiding ..........................................................................................11
4.
3
Huidige situatie onder de Wet ruimtelijke ordening .........................................5
Het voorstel ...............................................................................................13
4.1
Toelichting ..............................................................................................13
4.2
Aanvullend advies ....................................................................................13
1. Inleiding 1.1
Aanzet
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet veranderen er een aantal taken en bevoegdheden van raad en college. De wijzigingsbevoegdheid en de uitwerkingsplicht komen niet meer terug onder de Omgevingswet. In plaats daarvan komt de mogelijkheid om de delen waarop de wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht van toepassing waren, generiek te laten delegeren door raad aan college. Dit document maakt inzichtelijk wat deze verandering inhoudt en welke keuzes er gemaakt kunnen worden. De dialoogsessies die met college en raad zijn gehouden op 10 en 11 november 2020 bevatten onderdelen die voor beide gemeenten zijn opgenomen in de Programmavisie 2018. Gedurende de dialoogsessies is uiteengezet waar ons advies afwijkt van de opgenomen visie van 2018. In de programmavisie worden de wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht opgenomen, ondanks dat deze vervallen onder de Omgevingswet. De genoemde bevoegdheid en plicht worden onder de Omgevingswet voortgezet via het generiek delegatiebesluit. Met deze transitie verandert de rol van de raad en wordt aangevuld en afgeweken van hetgeen dat in de Programmavisie 2018 is opgenomen.
1.2
Opzet
Allereerst worden in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie met betrekking tot het generiek delegatiebesluit uiteengezet. Er wordt hiermee een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Omgevingswet. In hoofdstuk 3 wordt vervolgens de keuze voor de raad uiteengezet. Hierin worden afwegingen besproken voor het al dan niet toepassen van de generieke delegatiebevoegdheid. Tot slot wordt in hoofdstuk 4 een voorstel gegeven met betrekking tot de doorwerking van wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten onder de Omgevingswet.
4
2. Generiek delegatiebesluit 2.1
Huidige situatie onder de Wet ruimtelijke ordening
Het merendeel van alle bestemmingsplannen bevat één of meerdere wijzigingsbevoegdheden. Een algemene wijzigingsbevoegdheid is een bevoegdheid die geldt voor een geheel bestemmingsplan. Deze is niet aan een specifiek artikel of een locatie gebonden. Hierbij kan gedacht worden aan de overschrijding van bestemmingsgrenzen of het realiseren van voorzieningen van algemeen nut. Aansluitend hierop zijn er wijzigingsmogelijkheden die aan een specifiek artikel gebonden zijn. Specifieke delen van die bestemming kunnen gewijzigd worden voor een ander gebruik of een andere bouwmogelijkheid. De toepasbaarheid is beperkt tot deze specifieke bestemming (en de ligging van deze bestemming). Tot slot zijn er wijzigingsbevoegdheden die specifiek aan één locatie verbonden zijn. Deze locatie is gekoppeld aan de planverbeelding, waardoor met deze bevoegdheid meerdere bestemmingen gewijzigd kunnen worden. Alleen ter plaatse van die locatie kan de bestemming gewijzigd worden. Naast de wijzigingsbevoegdheden bevatten sommige bestemmingsplannen uitwerkingsplichten. Hiermee wordt aangegeven dat (een deel van) het plan verder uitgewerkt moet worden. De wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten zijn opgenomen in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening. Wet ruimtelijke ordening, artikel 3.6: bepalingen omtrent de inhoud van het bestemmingsplan 1.
2. 3. 4.
Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels: a. burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen; b. burgemeester en wethouders het plan moeten uitwerken; c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels; d. burgemeester en wethouders ten aanzien van in het plan omschreven onderwerpen of onderdelen nadere eisen kunnen stellen. Een wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in het eerste lid, onder a, kan mede een uitwerkingsplicht als bedoeld in het eerste lid, onder b, inhouden. Een wijziging of uitwerking als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, maakt deel uit van het plan en kan, zolang de bestemming nog niet is verwezenlijkt, worden vervangen door een nieuwe wijziging of uitwerking. Belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen omtrent een voorgenomen nadere eis als bedoeld in het eerste lid naar voren te brengen.
2.1.2 Situatie Wassenaar: wijzigingsbevoegdheden Binnen de gemeente Wassenaar bevat momenteel het merendeel van de bestemmingsplannen één of meerdere wijzigingsbevoegdheden. In totaal betreffen het 93 wijzigingsbevoegdheden uit 17 bestemmingsplannen. Met behulp van de wijzigingsbevoegdheden zijn de afgelopen jaren slechts enkele wijzigingsplannen vastgesteld. Hierbij ging het om de wijziging van bestemmingen, onder andere de wijziging van de bestemming Maatschappelijk naar de bestemming Wonen. Ondanks dat de toepassing van dergelijke specifieke en locatie gebonden 5
wijzigingsbevoegdheden op dit vlak gering is, is het aan te raden deze vorm wel werkbaar te houden. Zo kan snel vorm gegeven worden aan wenselijke ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, zoals eerder al is vastgesteld bij vaststelling van het bestemmingsplan. Een voorbeeld 1 op een dergelijke wenselijke ontwikkeling in de fysieke leefomgeving wordt gegeven in onderstaand kader. Met behulp van deze wijzigingsbevoegdheid blijft een bepaalde mate van dynamiek werkbaar in de toepassing van karakteristieke of beeldbepalende aanwijzingen op objecten. Artikel 29 Waarde - Cultuurhistorie - karakteristieke of beeldbepalende zaak 29.5 Wijzigingsbevoegdheid Het bevoegd gezag is bevoegd om met toepassing van artikel 3.6 Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door de bestemming Waarde Cultuurhistorie te verwijderen indien dat op basis van nader verkregen cultuurhistorische kennis wenselijk is. Hiervoor geldt de volgende regel: a. Het bevoegd gezag laat zich bij de beoordeling adviseren door de Commissie Welstand en Cultuurhistorie Cultureel Erfgoed (WCE) dan wel een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen commissie van onafhankelijke deskundigen, waarbij er voor het verlenen van de vergunning een positief advies noodzakelijk is.
Over de toepassing van algemene wijzigingsbevoegdheden (zie onderstaand kader voor een voorbeeld 2) in het (recente) verleden kan vrij weinig gezegd worden. Het huidige systeem met betrekking tot vergunningverlening heeft geen mogelijkheden beschikkingen op dit onderdeel te inventariseren. Artikel 61 Algemene wijzigingsregels Burgemeester en Wethouders zijn bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet de ruimtelijke ordening en in lid 2 van artikel 62 (Procedureregels), het plan te wijzigen, als de wijziging betrekking heeft op: a. het oprichten van transformatorhuisjes, gemaalgebouwtjes en andere nutsgebouwen met een inhoud van ten hoogste 150 m³, een goothoogte van ten hoogste 3,50 m. en een hoogte van ten hoogste 5 m., die in het kader van de nutsvoorzieningen nodig zijn en voor zover deze op grond van artikel 60, lid 60.1 onder c, niet kunnen worden gebouwd; b.
het afwijken van de maatvoeringen als opgenomen in de leden “Bouwregels” van de artikelen in Hoofdstuk III met ten hoogste 20%, indien in verband met realisering van de bestemming of ingekomen bouwaanvragen de afwijking gewenst of noodzakelijk is en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan belangen van derden; deze wijzigingsbevoegdheid mag niet cumulatief worden gebruikt ten opzichte van een eerder verleende vrijstelling; uitgangspunt voor de vrijstelling is de normstelling als opgenomen in de leden “Bouwregels” van de artikelen in Hoofdstuk III (bouwmogelijkheden "als recht"); c. […]
Verwacht wordt dat de toepassing van algemene wijzigingsbevoegdheden minder gering zal zijn geweest (en in de toekomst zal zijn) dan de toepassing van specifieke of locatie gebonden wijzigingsbevoegdheden. Dit komt onder andere door de mogelijkheden die in enkele bestemmingsplannen zijn opgenomen binnen de algemene wijzigingsbevoegdheden. Zie voor een voorbeeld het bovenstaande kader, specifiek onder b. Deze wijzigingsbevoegdheid is dermate algemeen, dat toepassingsmogelijkheid 1 2
Bestemmingsplan Dorpshaven Wassenaar, 24-10-2017, NL.IMRO.0629.BPVRDorpshaven-VO01. Bestemmingsplan Landelijk Gebied 2015, 06-04-2016, NL.IMRO.0629.BPLANDGEB2015-VG02.
6
hiervan vrij breed is. Hier wordt dan ook aangeraden de bevoegdheden in stand te houden onder de Omgevingswet. Voor deze gevallen scheelt het aanzienlijk op de termijn – en daarmee kosten – van de procedure. 2.1.2 Situatie Wassenaar: uitwerkingsplichten Binnen de gemeente Wassenaar bevatten momenteel 2 bestemmingsplannen in totaal 2 uit te werken bestemmingen. De uit te werken bestemmingen zien toe op het ontwikkelen van woningen ter hoogte van de Havenkade en ter plaatse van het voormalig dierenpark aan de N44. Deze laatste is als voorbeeld 3 opgenomen in het onderstaande kader. Artikel 45 Wonen – Uit te werken 45.1 Bestemmingsomschrijving De voor `Wonen – Uit te werken' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. extensief wonen; b. woonstraten, erven, voet- en fietspaden en parkeervoorzieningen; c. groen- en plantsoenvoorzieningen; d. water; e. behoud en versterking van de binnen de bestemming aanwezige landschappelijke en natuurwaarden; 45.2 Uitwerkingsregels Burgemeester en wethouders zijn overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 onder b Wet ruimtelijke ordening bevoegd om de bestemming op de in lid 45.1 bedoelde gronden nader uit te werken. Bij die uitwerking gelden de volgende regels. a.
De uitwerking moet passen bij de aard en schaal van het gebied en moet voldoen aan de richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen), zoals opgenomen in de Visie Ruimte en Mobiliteit van de provincie Zuid-Holland. In dat kader moet, gekoppeld aan een concrete ontwikkeling, een beeldkwaliteitsparagraaf worden uitgewerkt. b. Op de in lid 45.1 bedoelde gronden moet alle aanwezige bebouwing (zowel gebouwen als andere bouwwerken) in het bestemmingsvlak worden gesaneerd. In totaal gaat het om 14,62% = 13.600 m² van het bestemmingsvlak (6.298 m² gebouwen en 7.302 m² overige bouwwerken (hokken/rennen)); c. In plaats van de te saneren bebouwing als genoemd onder a. mag maximaal 4.577 m² (=4,9%) nieuwe woningbouw worden gerealiseerd.
Voor beide uitwerkingsplichten geldt dat er nog geen zicht is op concrete (bouw)plannen. Wel worden er door de ambtelijke organisatie ontwikkelingen verwacht. Derhalve wordt geadviseerd de uitwerkingsplichten in huidige vorm werkbaar te houden. Alleen op die manier kan efficiënt en effectief gereageerd worden op eventuele ontwikkelingen die toezien op toepassing van een uitwerkingsplicht. Daarmee wordt aangegeven dat het nog steeds wenselijk is om de desbetreffende gebieden te ontwikkelen. Net als bij de wijzigingsbevoegdheden scheelt toepassing van uitwerkingsplichten aanzienlijk op de termijn – en daarmee de kosten – van een procedure.
2.2
Toekomstige situatie onder de Omgevingswet
Onder de Omgevingswet worden de wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Er is geen overgangsrecht voor de wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht. Deze instrumenten verliezen daardoor hun werking. Burgemeester en wethouders kunnen dus geen wijzigingsplan of uitwerkingsplan meer vaststellen onder de Omgevingswet. De wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten uit de oude bestemmingsplannen worden bevroren en gelden in 3
Bestemmingsplan Landelijk Gebied 2015, 06-04-2016, NL.IMRO.0629.BPLANDGEB2015-VG02.
7
het nieuwe regime als toetsingscriteria voor de vergunningverlening voor (binnenplanse) omgevingsplanactiviteiten. Het gebruik als toetsingscriteria brengt echter met zich mee dat er door de gemeente nóg meer in werking moet worden gezet dan al het geval is. Het wordt niet realistisch geacht vóór de inwerkingtreding van de wet de juiste voorbereidingen te treffen. Het is derhalve niet wenselijk de wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten op deze manier vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet tot uitvoering te brengen. De Omgevingswet biedt echter mogelijkheden waarmee hetzelfde kan worden bereikt als met de voormalige wijzigingsbevoegdheid en uitwerkingsplicht. Door middel van het generiek delegatiebesluit kan de gemeenteraad het college bevoegd stellen om delen van het omgevingsplan te wijzigen zoals beschreven staat in artikel 2.8 van de Omgevingswet. Daardoor blijven onder de Omgevingswet het wijzigingsplan en het uitwerkingsplan in materiële zin voortbestaan. Omgevingswet, artikel 2.8: delegatie De gemeenteraad, het algemeen bestuur van een waterschap of provinciale staten kunnen de bevoegdheid tot het vaststellen van delen van het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening delegeren aan het college van burgemeester en wethouders, het dagelijks bestuur van het waterschap respectievelijk gedeputeerde staten.
2.2.1 Vergelijking met de Wet ruimtelijke ordening Artikel 2.8 van de Omgevingswet is geen voortzetting van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordering. Dat artikel heeft een beperktere strekking. Als het college van burgemeester en wethouders op grond van een delegatiebesluit een besluit tot aanpassing van de regels van een omgevingsplan neemt, dan wordt dat omgevingsplan daadwerkelijk gewijzigd. Het besluit is dus geen zelfstandige planfiguur zoals bij artikel 3.6, eerste lid, onder a en b van de Wet ruimtelijk ordening het geval is. Het generiek delegatiebesluit heeft overeenkomsten met de wijzigingsbevoegdheid doordat het ook de mogelijkheid geeft dat het college van burgemeester en wethouders, zonder de raad daarin verder te kennen, het omgevingsplan kan wijzigen. De voorbereidingsprocedure wordt korter, doordat de raad niet betrokken hoeft te worden. Dit zorgt voor een vermindering van de werklast voor de raad. Daarnaast moeten in het generiek delegatiebesluit ook de randvoorwaarden aangegeven worden waarbinnen het college van burgemeester en wethouders moeten opereren. Daarmee kan de raad alsnog richting geven. Verder is het delegatiebesluit geen onderdeel van het omgevingsplan, maar een losstaand besluit.
Een wijzigingsbevoegdheid onder de Wet ruimtelijke ordening geeft aan burgers een duidelijk signaal af dat voor een gebied concreet zicht is op wijziging van de situatie. In een los delegatiebesluit gaat deze functie verloren. Anders dan onder de Wet ruimtelijke ordening kan generieke delegatie afhankelijk worden gemaakt van een onzeker, toekomstig initiatief. Doordat onder de Omgevingswet er gebruik wordt gemaakt van abstractere kaders. Deze kaders zijn niet limitatief zoals onder de Wet ruimtelijke ordening, maar geven de mogelijkheid dit ruimer te interpreteren en beoordelen. Een wijzigingsbevoegdheid kan onderwerp worden van beroep, waarbij getoetst wordt aan de goede ruimtelijke ordening. Dat geldt voor een delegatiebesluit straks niet. Het generiek delegatiebesluit kan pas door belanghebbenden aan de orde worden gesteld in 8
een procedure tegen het uiteindelijke wijzigingsplan van het college van burgemeester en wethouders. Dit kan enkel indirect, indien het wijzigingsplan onbevoegd is vastgesteld omdat er iets mis is met het delegatiebesluit. 2.2.2 Verdere mogelijkheden van het generiek delegatiebesluit Het generiek delegatiebesluit geeft de reikwijdte van de bevoegdheid. Het bepaalt binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden de bevoegdheid kan of moet worden uitgeoefend. Ook kan in het delegatiebesluit bepaald worden hoe het college uitvoering moet geven aan de gedelegeerde bevoegdheid. De mogelijkheid om delen via delegatie in of aan te vullen of te wijzigen, biedt ruimte voor toedeling van bevoegdheden op maat. Hierbij ligt de nadruk op ‘delen’; niet alle regelgevende bevoegdheden kunnen namelijk integraal worden overdragen op grond van artikel 2.8. Het is aan de gemeenteraad om te bepalen of en op welke wijze er gebruik gemaakt wordt van de mogelijkheid tot delegatie. Op dit punt zijn een aantal afwegingen te stellen. Het volgende hoofdstuk gaat hier verder op in.
9
3. Afwegingen De juridische mogelijkheid om wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten generiek te delegeren onder de Omgevingswet, is in het vorige hoofdstuk uiteengezet. De nut en noodzaak om gebruik te maken van een dergelijke bevoegdheid, heeft al enigszins mogen blijken uit de gegeven voorbeelden inzake de gemeentelijke situatie. Deze en andere afwegingen ten behoeve van het generieke delegatiebesluit worden hier gegeven. In het bijzonder wordt aandacht geschonken aan de volgende afwegingen in verband met de relevantie van deze argumenten: -
3.1
het voortzetten van de huidige werkwijze; de rol van de gemeenteraad; de werkdruk van de gemeenteraad; de beslistermijn van vergunningaanvragen onder de Omgevingswet; de (verdere) voorbereiding op het werken met de Omgevingswet in het algemeen en het omgevingsplan specifiek.
Voortzetting
Als belangrijkste argument voor het generieke delegatiebesluit geldt het voortzetten van de werkwijze onder de huidige situatie. Momenteel gelden er vele wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten binnen de gemeente. Het is onduidelijk in welke mate hier in de nabije toekomst beroep op wordt gedaan. Door de huidige gedelegeerde bevoegdheden en plichten voort te zetten onder de Omgevingswet, kan altijd ingespeeld worden op ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Er kan dan vooral ingespeeld worden op die ontwikkelingen die al eerder door de raad als wenselijk zijn bestempeld. Deze voortzetting heeft veel voordelen, waaronder het inspelen op de veranderde rol van de raad onder de Omgevingswet (zie 3.2), het beperken van de werkdruk voor de raad (zie 3.3), en het efficiënt en effectief handelen binnen de termijnen van een vergunningaanvraag (zie 3.4). Helemaal perfect is deze voortzetting niet. Er ontbreekt namelijk een kwalitatieve toetsing van de wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten die nu nog onder de Wet ruimtelijke ordening bestaan. Idealiter zou een dergelijke toetsing eerst plaatsvinden, alvorens besloten wordt de bevoegdheden en plichten generiek te delegeren. Omwille van de tijd tot aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is dit echter alsnog de beste optie.
Wel dient er als vervolg van het besluit inhoudelijk te worden gekeken naar de kwaliteit en noodzaak vande huidige wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten.
3.2
Rol van de raad
Onder de Omgevingswet wordt de gemeenteraad nadrukkelijker belast met de hoofdlijnen en het toezicht op het beleidsproces. Dit in tegenstelling tot het college van burgemeester en wethouders, welke juist meer bevoegdheden krijgt bij de uitvoering van het beleid. Deze algemene veranderde rolverdeling tussen raad en college die de Omgevingswet met zich meebrengt, laat meteen doorschemeren wat de gedachte is van de Omgevingswet over de rol van de gemeenteraad. Vanuit de gedachte van de Omgevingswet dient de gemeenteraad zich te focussen op het proces van visievorming en kaderstelling enerzijds, en controle en verantwoording anderzijds. Deze focus staat uiteraard op gespannen voet met de rol van de gemeenteraad als volksvertegenwoordiger. De raad en zijn leden blijven namelijk ook de rol dragen waarbij een stem wordt gegeven aan opvattingen die op dat moment in de 10
samenleving naar voren komen. Of de gemeenteraad nou de bevoegdheid heeft of niet, inwoners zullen raadsleden aanspreken op punten waar actie verwacht wordt. Deze verbinding tussen raad en maatschappij blijft ook onder de Omgevingswet vragen om een afweging en balans tussen politieke en bestuurlijke belangen. Met het oog op deze afweging en balans is het van belang dat de raad kijkt naar wat echt belangrijk is. Dit kan dan vervolgens vastgelegd worden in de omgevingsvisie en – in het verlengde daarvan – het omgevingsplan. Deze afweging heeft bij vaststelling van de bestemmingsplannen binnen de gemeente al eerder plaatsgevonden voor de wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten. Daar heeft de raad destijds besloten dat die onderdelen ook gedelegeerd kunnen worden aan het college. Op die onderdelen heeft de raad bij vaststelling voldoende af kunnen wegen en kaders kunnen stellen. Hetgeen kan voor nu voortgezet worden onder de Omgevingswet. Derhalve kunnen wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten algemeen gedelegeerd blijven. Toepassing hiervan zorgt voor aansluiting van de raad bij de visievormende en kaderstellende rol die de Omgevingswet voor ogen heeft. Met andere woorden: op die manier wordt gewerkt in de geest van de Omgevingswet.
3.3
Werkdruk
Een ander belangrijk argument voor het generiek delegeren van wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten is de werkdruk van de gemeenteraad. Wanneer de raad die bevoegdheden en plichten niet delegeert, dient de gemeenteraad over al die gevallen te adviseren wanneer ze de revue passeren. Hiermee bestaat de mogelijkheid van een significant hogere werkdruk voor de raad. Het is hierdoor mogelijk dat taken van de gemeenteraad in het geding komen. Hetgeen wordt uiteraard niet wenselijk geacht en in dit geval biedt generieke delegatie uitkomst.
3.4
Beslistermijn
Aansluitend op de vermindering van werkdruk van de raad, heeft het generiek delegeren ook invloed op de beslistermijn voor omgevingsvergunningaanvragen. Onder de Omgevingswet is de reguliere procedure 4 het uitgangspunt van de beslistermijn. Dat wil zeggen dat op vrijwel alle omgevingsvergunningaanvragen binnen de reguliere termijn van 8 weken besloten moet worden. Deze termijn is slechts eenmalig met maximaal 6 weken te verlengen 5. Toepassing van de uitgebreide procedure, waarvoor de beslistermijn 6 maanden bedraagt 6, is onder de Omgevingswet een uitzondering. Slechts in specifieke gevallen geldt de uitgebreide procedure 7. Doordat de reguliere termijn het uitgangspunt wordt bij omgevingsvergunningaanvragen is het van groot belang dat de werkprocessen binnen die termijn zo efficiënt en effectief mogelijk worden ingestoken. Binnen de termijn dient genoeg ruimte te worden gecreëerd voor eventueel advies, goedkeuring en besluit vanuit de gemeenteraad. Wanneer wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten generiek gedelegeerd worden vallen deze punten in bepaalde gevallen naar de achtergrond. Op die manier kan het uitgangspunt van de reguliere beslistermijn alsnog werkbaar blijven voor de gemeente.
3.5
Voorbereiding
Bij ingang van de Omgevingswet is er van rechtswege een omgevingsvisie en een omgevingsplan. Dat wil zeggen dat beleidsstukken zoals de Afdeling 4.1.3 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 16.64 2 van de Omgevingswet en artikel 4.14 van de Algemene wet bestuursrecht. 6 Artikel 3.18 van de Algemene wet bestuursrecht. 7 Het gaat in ieder geval om de gevallen zoals genoemd in artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit, de gevallen zoals bedoeld in artikel 16.65, lid 1 onder b van de Omgevingswet, en de gevallen zoals aangewezen met behulp van artikel 16.62, lid 3 en artikel 16.65, lid 4 van de Omgevingswet. 4 5
11
structuurvisie per direct onderdeel uit gaan maken van een ‘tijdelijke omgevingsvisie’ of ‘omgevingsvisie van rechtswege’. Hetzelfde geldt in het kader van het omgevingsplan voor bestemmingsplannen en verordeningen met regels over de fysieke leefomgeving. In dit laatste geval spreken we van een ‘tijdelijk omgevingsplan’ of een ‘omgevingsplan van rechtswege’. Vanuit de tijdelijke varianten van de omgevingsvisie en het omgevingsplan dient de gemeente zelf een ‘volwaardige’ omgevingsvisie en omgevingsplan op te stellen en vast te stellen. In de periode tot aan het vaststellen van volwaardige versies wordt gewerkt met de tijdelijke varianten. Door wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten voort te zetten middels de generieke delegatiebevoegdheid onder de Omgevingswet, kan soepelere overgang naar een volwaardig omgevingsplan plaatsvinden. Door een generiek delegatiebesluit te nemen kan de gemeenteraad ruimte creëren voor de ambtelijke organisatie, zodat er langer en beter voorbereid kan worden de Omgevingswet en het werken met onder andere het omgevingsplan.
12
4. Het voorstel Aan de hand van de uiteenzetting in de vorige hoofdstukken wordt met betrekking tot het door de gemeenteraad generiek delegeren van de vaststelling van delen van het omgevingsplan aan het college, het volgende voorgesteld: De raad delegeert de vaststelling van de volgende delen van het omgevingsplan Wassenaar aan het college van burgemeester en wethouders: a. de delen waarop in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, als bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in verbintenis met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid was gegeven om dat deel te wijzigen, zoals was bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening, en dat die delen limitatief zijn aangegeven in bijgevoegde lijst die onlosmakelijk deel uitmaakt van dit besluit; b. de delen waarop in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, als bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in verbintenis met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet, aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid was gegeven om dat deel uit te werken, zoals was bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening, en dat die delen limitatief zijn aangegeven in bijgevoegde lijst die onlosmakelijk deel uitmaakt van dit besluit.
4.1
Toelichting
Zoals heeft mogen blijken uit de uiteenzetting in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 met betrekking tot het generiek delegatiebesluit, wordt geadviseerd deze bevoegdheid toe te passen om de huidige werkwijze omtrent wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten voort te zetten. Met het bovenstaande voorstel wordt dit beoogd. Met behulp van hetgeen zoals omschreven onder a worden de huidige wijzigingsbevoegdheden voortgezet onder de Omgevingswet. Hetzelfde geldt voor hetgeen zoals omschreven onder b, maar dan met betrekking tot de huidige uitwerkingsplichten.
4.2
Aanvullend advies
Om een besluit met betrekking tot generieke delegatie verder tot recht te laten komen, zijn er aanvullende stappen die de gemeente zou moeten ondernemen. De volgende stappen zijn in ieder geval van belang: a. het opleiden van vergunningverleners binnen de ambtelijke organisatie, opdat zij initiatieven onder de Omgevingswet, en eventueel met toepassing van het generieke delegatiebesluit, kunnen behandelen; b. het kwalitatief beoordelen van de wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten, waarbij uiteindelijk alleen die gevallen generiek gedelegeerd blijven die door de raad en het college zijn overeengekomen.
13