Bijlage 1. Beleidsmodule
Tekst van het document
De gemeente kan nadere voorwaarden verbinden aan nieuwe of bestaande aansluitingen van bedrijven of deze weigeren of beëindigen. De lozing en/of verwerking van het bedrijfsafvalwater dient te voldoen aan het gestelde in het Omgevingsplan en Besluit Activiteiten Leefomgeving (voorheen Activiteitenbesluit).
Doelmatigheidsafweging buiten de bebouwde kom (Buitengebied). Op basis van een integrale afweging wordt besloten hoe wordt omgegaan met ongezuiverde lozingen in het buitengebied. Uiteraard moet hiermee wel
3 artikel 2.16 en 2.17 Omgevingswet
15
LEIDSE REGIO
➢ ➢
➢
➢
➢ ➢ ➢
invulling gegeven worden aan de gemeentelijk zorgplichten. Er wordt geen onderscheid gemaakt in lozingen van huishoudelijk afvalwater uit huishoudens, woonboten en dergelijke. Het wel of niet aanleggen van riolering wordt tussen gemeenten en het hoogheemraadschap afgestemd met de toets voor ongerioleerde lozingen (zie Bijlage 6 Procedure ongerioleerde lozingen). De gemeente is in principe verantwoordelijk voor het functioneren van de voorzieningen. De gemeenten kiezen voor een brede zorgplicht waarbij zij verantwoordelijk zijn voor aanleg en onderhoud van de voorziening. Hiermee wordt aan de betreffende eigenaar rioolheffing opgelegd. Bij aanleg van nieuwe bebouwing wordt altijd gekozen voor de gescheiden inzameling, transport en verwerking van afval- en hemelwater (best beschikbare techniek). De robuustheid van het totale stelsel mag, als gevolg van de gekozen wijze van scheiden, in geen enkel geval verminderen. De aanlegkosten (investeringen) worden gedragen uit de (grond)exploitatie van het betreffende project. Bij herinrichting van de bebouwde en/of openbare ruimte (fysieke leefomgeving) wordt de inzameling, transport en verwerking van afval- en hemelwater gescheiden. De robuustheid van het totale stelsel, mag, als gevolg van de gekozen wijze van scheiden, in geen enkel geval verminderen.
De aanlegkosten (investeringen) worden gedragen uit de (grond)exploitatie van het betreffende project. Indien de herinrichting is gekoppeld aan einde levensduur van de bestaande voorzieningen (rioolstelsel) kunnen de in de begroting beschikbare vervanginsgmiddelen ingezet worden. Bij vervanging van gemengde stelsels wordt waar mogelijk hemelwater afgekoppeld. Per situatie wordt bepaald of afkoppelen doelmatig is. Het uitgangspunt bij de aanleg van een gescheiden systeem is dat door de gemeente tot aan de erfgrens van de particulier een DWA en een HWA voorziening (uitlegger) wordt aangelegd (zie ook paragraaf 5.8.2. en 5.7). De robuustheid van het totale stelsel mag, als gevolg van de gekozen wijze van scheiden, in geen enkel geval verminderen.
Figuur 4.2.2.1 nieuwe kijk op inrichting fysieke leefomgeving (bron: Unie van Waterschappen)
16
LEIDSE REGIO 4.2.3
Technische uitgangspunten Stedelijk water en huishoudelijk afvalwater
Soort stelsel of voorziening DWA DWA+RWA RWA
Uitvoering Uitvoering van de aanleg of wijziging van de aansluiting van het particulier perceel op de openbare voorziening, en de verwijdering van een bestaande aansluiting. Zie ook Verordening Fysieke Leefomgeving/Rioolverordening
DWA DWA+RWA
De DWA-stroom (DroogWeerAfvoer) in een gemengd systeem zorgt voor een maximale vullingsgraad van het rioolstelsel van ongeveer 15%, bij een afvalwaterproductie van 120 l/inw/dag en van 2,5 personen per huishouden plus al het afvalwater van grootverbruikers (>5m3 per dag).
DWA DWA+RWA
De DWA-stroom wordt bij rioolaanleg bij voorkeur onder vrijverval afgevoerd naar het overdrachtspunt van de zuiveringsbeheerder (het hoofdrioolgemaal of het inlaatwerk van de rioolwaterzuivering van Rijnland). Eventueel worden tussengemalen toegepast. In landelijke gebieden (buitengebied) wordt het afvalwater getransporteerd door een netwerk. Bij aanleg van een decentrale zuivering is voorgaande niet van toepassing.
DWA+RWA
De DWA-stroom wordt bij rioolaanleg bij voorkeur onder vrijverval afgevoerd naar het overdrachtspunt van de zuiveringsbeheerder (het hoofdrioolgemaal of het inlaatwerk van de rioolwaterzuivering van Rijnland). Eventueel worden tussengemalen toegepast. Bij aanleg van een decentrale zuivering is voorgaande niet van toepassing.
DWA
Bij uitval van een gemaal is de vultijd van een DWA riool minimaal 12 uur.
Gemaal meer dan 10 woningen Inslag peilen gemaal
De DWA-gemalen (groter dan 10 woningen) worden uitgevoerd met een dubbele pompopstelling. De pompen zijn elkaars reserve. De inslagpeilen van de gemalen moeten bij voorkeur onder het niveau van het laagst inkomende riool liggen om bufferen in het systeem te voorkomen.
Pomp capaciteit
De ledigingstijd van het compleet gevulde stelsel is maximaal 24 uur (Hoogheemraadschap van Rijnland) met een streefwaarde van 12 uur (gemeenten).
Lozen persleiding (Voorkomen H2S vorming)
Om H2S vorming te voorkomen, wordt (indien doelmatig) direct op de persleiding geïnjecteerd. Als dit niet mogelijk is, wordt de uitstroomvoorziening uitgevoerd in H2S bestendig materiaal en zo uitgevoerd dat H2S vorming zoveel mogelijk wordt voorkomen.
4.2.4 Uitgangspunten Hemelwater in de waterketen Zie hoofdstuk 5. 4.2.5 Regels WarmteKoudeOpslag (WKO) in de waterketen De aanleg van WKO’s valt buiten de scope van de samenwerking in de waterketen. Deze paragraaf beperkt zich daarom tot de regels omtrent lozing van spoelwater.
Soort stelsel of voorziening Bodemenergiesystemen en lozingen
Lozingen bodemenergiesystemen
Lozingen Lozingen Beslismodel
Uitvoering De aanleg en het gebruik van open en gesloten bodemenergiesystemen is onder de Omgevingswet een milieubelastende activiteit en geen wateractiviteit meer. Voor een bodemenergiesysteem gelden de algemene rijksregels van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ook de lozingen die horen bij de aanleg en het gebruik van bodemenergiesystemen, zijn onderdeel van deze milieubelastende activiteit (art 2.3 Bal). Direct bij inwerkingtreding van de Omgevingswet bevat het omgevingsplan al regels over lozingen in de riolering en bodem (via de bruidsschat). Dat zijn regels die voorheen in het Besluit lozing afvalwater huishoudens, het Besluit lozen buiten inrichtingen en deels in het Activiteitenbesluit milieubeheer stonden, maar die niet terugkomen op rijksniveau. Dat geldt ook voor de waterschapsverordening. Lozing van water vrijkomend bij de aanleg en het beheer van bodemenergiesystemen: 1. Het lozen van spoelwater door het boren van een gesloten bodemenergiesysteem of een open bodemenergiesysteem òf het lozen van spoelwater door het ontwikkelen en het onderhoud van een open bodemenergiesysteem in een rioolvoorziening die in beheer is bij de gemeente, dient, naast de naleving van de landelijke wet- en regelgeving, voorafgaand schriftelijk te zijn goedgekeurd door de Beheerder Domein rioleringen. 2.
Voor het aanbrengen van een permanente aansluiting op de openbare riolering voor lozing van spoelwater dat vrijkomt bij het onderhoud van een open bodemenergiesysteem is vooraf toestemming vereist van het college op grond van de vigerende Verordening Fysieke Leefomgeving. De kwaliteit van het te lozen water (als dit via het riool wordt afgevoerd) wordt getoetst door de omgevingsdiensten. Kosten van lozingen op het riool vanuit een WKO, zijn voor rekening van de eigenaar/beheerder van de WKO. De betreffende bevoegde gezagen overleggen om tot de meest doelmatige verwerkingswijze van het vrijkomende afvalwater te komen. Het onderstaande beslismodel wordt gehanteerd.
De
17
LEIDSE REGIO voorkeursvolgorde aan voor lozingen is: o o o o
o
Terug in de bodem; Oppervlaktewater; Hemelwaterriool; Vuilwaterriool. Afvoer per as (over de weg)
In eerste instantie moet dus zoveel mogelijk bevorderd worden de lozingen terug te brengen in de bodem. In het meest ideale geval wordt dit als vergunningvoorschrift opgenomen in de Waterwetvergunning die wordt afgegeven door de Omgevingsdienst Haaglanden (namens de Provincie). Als het echt niet anders kan, is lozen ook via ander routes toegestaan. Ook kunnen meerdere routes tegelijkertijd worden gebruikt. Afvoer per as heeft de laatste voorkeur door de vrachtwagenbewegingen die daarvoor nodig zijn, de daarbij gepaarde CO2 en stikstofuitstoot. Bij afvoer per as naar een AWZI van Rijnland is vooraf toestemming nodig van het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Toelichting: Er is sprake van een ‘acceptabele inspanning’ als de maatregelen niet meer inspanning vereisen dan de ‘best beschikbare technieken’ (BBT).
Voor lozen van afvalwater vanuit open WKO-systemen op de riolering geldt de zorgplicht: bescherming van de doelmatige werking van de voorzieningen voor het beheer van afvalwater. Vanwege de omvang en samenstelling van deze lozingen voldoet lozen vanuit open bodem energiesystemen in de vuilwaterriolering vaak niet aan deze zorgplicht. Hierdoor kan het bevoegd gezag (de gemeente) deze lozing weigeren of er maatwerkvoorschriften aan verbinden. Zolang het vrijkomende grondwater gedoseerd wordt geloosd en er voldoende opmenging is met overig rioolwater, kan eventuele schade aan riolering, pompen en gemalen 18
LEIDSE REGIO worden voorkomen. Voldoende opmenging kan alleen plaatsvinden als geloosd wordt in rioolstrengen met voldoende hydraulische capaciteit. Om voldoende vermenging te bereiken moet daar waar nodig aan onderstaande randvoorwaarden worden voldaan. o o o o o o
o
o
4.2.6 ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
Het lozingsdebiet is maximaal 5 m3 per uur. Het lozen vindt plaats op een zo groot mogelijk riool, bij voorkeur een transportriool. Buiten de piekmomenten zoals 's nachts kan lozen op het vuilwaterriool worden verboden. Direct lozen op persleidingen is niet mogelijk; Voor optimale verdunning moeten lozingspunten idealiter zo ver mogelijk van een gemaal worden geplaatst; In regio's waarin veel open bodemenergiesystemen geclusterd zijn, moeten specifieke voorschriften in de te verlenen maatwerkbesluiten worden opgenomen om gelijktijdig lozen te voorkomen. Zodat de riolering niet overbelast kan raken; Het vaststellen van het maximaal toelaatbare uurdebiet wordt door de gemeente bepaald; Indien het te lozen afvalwater naar het oordeel van de waterkwaliteitsbeheerder stoffen bevat, of een hoeveelheid stoffen bevat, die het zuiveringsproces kunnen ontregelen dan kunnen voorschriften verbonden worden aan de hoeveelheid te lozen afvalwater.
Uitgangspunten Lozingen in de waterketen
De regels over lozingen staan in het gemeentelijk Omgevingsplan (indirecte lozingen op de riolering) en de Waterschapsverordening (lozingen op het oppervlaktewater) van Rijnland. De gemeente is bevoegd gezag over alle lozingen op een voorziening voor inzamelen en transport van afvalwater. Zowel de vergunningverlening als handhaving is uitbesteed aan de Omgevingsdienst West Holland (voor Wassenaar Omgevingsdienst Haaglanden). Per gemeente kunnen de afspraken met de Omgevingsdienst verschillen. De beheerder van de AWZI wordt in de gelegenheid gesteld voor de vergunning advies uit te brengen voor lozingen die betrekking hebben op het beheer van de zuiveringsinstallatie of het oppervlaktewater waarop wordt geloosd. In goed overleg wordt voorkomen dat de riolering onverwacht grote hoeveelheden grondwater, zwembadwater of vermengd afvalwater moet afvoeren. Controle op de indirecte lozingen vindt plaats volgens standaardprocedures van de Omgevingsdienst en Rijnland (bijvoorbeeld IPPC-bedrijven).
4.3 Aanbod en Overname van Stedelijk Afvalwater 4.3.1 Functioneren van en objecten in de keten behandeling afvalwater Gemeenten en Hoogheemraadschap hebben de gezamenlijke taak te zorgen voor een doelmatige waterketen, tegen maatschappelijk verantwoorde kosten. Hiermee verplichten partijen zich de keten van particuliere lozing tot aan de lozing na het zuiveringsproces te ontwerpen en beheren vanuit de gedachte dat het hier een onlosmakelijk verbonden keten betreft. Voor het ontwerp van gemalen en zuivering wordt uitgegaan van de landelijke richtlijnen en wordt gebieds- en object specifiek beoordeeld wat hiervan de meest doelmatige en verantwoorde uitwerking is. Huishoudelijk afvalwater wordt door gemeenten ingezameld en getransporteerd naar een overnamepunt, waar het hoogheemraadschap het overneemt. In het gemeentelijk transportsysteem is van oudsher vaak bedrijfsafvalwater (van huishoudelijke aard), hemelwater en grondwater met huishoudelijk afvalwater gecombineerd. Sinds 1990 (Bouwbesluit) wordt regenwater en huishoudelijk afvalwater in principe gescheiden aangeleverd. Riolering Leidingen die aaneengesloten naar hetzelfde punt afvoeren vormen een rioolstelsel. Een rioolstelsel wordt in principe aangelegd om vuilwater naar de zuivering te transporteren. Van oudsher zijn veel rioolstelsels nog gemengd, naast huishoudelijk afvalwater wordt ook regenwater afgevoerd.
Omdat een rioolstelsel een beperkte berging in de buis heeft, hebben deze stelsels een overstort op oppervlaktewater voor hevige neerslag. Een rioolstelsel voert meestal af naar een gemaal dat het afvalwater doorvoert of opvoert naar zuiveringshoogte. Een rioolgemaal (zowel gemeentelijke eindgemalen als AWTG`s) wordt ontworpen op basis van theoretische piekaanvoer bij regenweer. Deze piekafvoer (RWA) bestaat uit de droogweerafvoer (DWA) van bewoners en bedrijven in het verzorgingsgebied dat is aangesloten op het gemaal in m³/h, aangevuld met de voor dat betreffende gebied vastgestelde pompovercapaciteit (poc) in m³/h. De benodigde poc voor een gebied wordt afgestemd op basis van de berging van het stelsel en de te accepteren emissie (overstort) in een gebied. Waterkwaliteitsbeheerder en rioolbeheerder stemmen de poc af op basis van de resultaten van stelselberekeningen in het Basis Riolering Plan en procedure Toets Smalle Waterkwaliteitsspoor (zie bijlage 10). Achterliggende gedachte van de overeen te komen poc is de emissie (het 19
LEIDSE REGIO aantal en volume van overstorten vanuit de gemengde riolering) op oppervlaktewater zoveel mogelijk te beperken. In de praktijk komt ca 5% van de jaarlijkse neerslag die is aangesloten op het gemengde riool tot overstort. Het verder terugbrengen van emissies is alleen mogelijk door regenwater nog meer van het afvalwaterstelsel te scheiden. Dat is de reden dat in de waterketen nog steeds volop moet worden ingezet op het ontvlechten van gemengde stelsels. Wanneer geen specifieke afspraken gemaakt zijn over de benodigde poc, wordt de norm-poc van 0,7 mm/h t.o.v. aangesloten verhard oppervlak aangehouden. Gemeente en Rijnland beoordelen het rioolstelsel minimaal eens in de 10 jaar op functioneren en effect op de waterkwaliteit. Overeengekomen kentallen worden vastgelegd en doorgevoerd in GWSW -kentallen.
Overnamepunten De overnamepunten zijn in de loop van de tijd ontstaan bij het invoeren van de Wet verontreiniging Oppervlaktewater (WvO-1970). Hierin werd bepaald dat afvalwater (centraal) moest worden gezuiverd. Hiervoor zijn gemalen en persleidingen aangelegd om afvalwater van rioolgebieden naar een zuivering te brengen, waar het voorheen vaak direct de sloot in ging. Daarvoor zijn (vaak lange) persleidingen aangelegd van kleine dorpskernen naar centrale zuiveringsinstallaties. In eerste instantie zijn horizontale en verticale transportkosten tussen beheerders steeds financieel verrekend. Om dit te omzeilen heeft Rijnland een aantal van deze eind rioolgemalen in beheer genomen vanuit de gedachte ‘het laatste rioolgemaal is te beschouwen als het eerste zuiveringstechnische werk’. Daarbij is indertijd de financiële administratie afgekocht. Deze gemalen worden in de Rijnlandse regio Afvalwater Transport Gemaal (AWTG) genoemd. Een overnamepunt is gedefinieerd als; ‘het punt (x, y en bob) waar afvalwater van een rioleringseenheid (verzorgingsgebied) wordt overgedragen van de ene beheerder (gemeente) aan de andere beheerder (hoogheemraadschap). Sinds 2021 is voor een overnamepunt een objectcode (253), waardoor deze punten op kaart, met kenmerken, kunnen worden beheerd. De overnamepunten in de Leidse regio zijn in de paragraaf Overnamepunten van de Maatregelmodule opgenomen.
Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bepalen Gemeente en Rijnland samen het meest doelmatige overnamepunt op basis van hydraulische, energetische en kostentechnische criteria. Op basis daarvan wordt vooraf aan realisatie in een taakovereenkomst de beheersituatie vastgelegd.
Zuivering Vanaf het overnamepunt wordt het afvalwater behandeld in een zuiveringsinstallatie. Waarna het weer in het milieu geloosd kan worden zonder dit te vervuilen. In de Leidse regio zijn dit AWZI Leiden Noord en Leiden Zuidwest. Hier wordt het huishoudelijk afvalwater van verzorgingsgebieden in de Leidse Regio behandeld op basis van een biologisch zuiveringsproces. Daarom is het belangrijk dat het aangevoerde afvalwater van huishoudelijke aard is en dat grote schommelingen beperkt blijven. Het zuiveringsproces is gevoelig voor stoffen die de werking van de zuiverende bacteriën tegen gaan. Wanneer deze verstorende stoffen in hoge pieklozingen worden aangevoerd, maakt Rijnland dit kenbaar en wordt samen met de gemeente de oorzaak onderzocht en bestreden. Voor het ontwerp van de AWZI’s hanteert het hoogheemraadschap de “Rijnlandse Standaard Ontwerprichtlijnen“. De gebruikte normen zijn opgenomen in bijlage 5. Aandachtspunten hierbij zijn de volgende parameters: • •
Vuilvracht in het aangevoerde afvalwater (in i.e.) Hydraulische piekafvoer (vanuit de eindgemalen) Vereiste effluentkwaliteit
• Op basis van theoretische afvoercapaciteiten (van de rioolgebieden) en de in bijlage 5 genoemde maatstaven, wordt voor zowel de AWZI als de gemeentelijke systemen de benodigde afvoercapaciteit bepaald. Deze is maatgevend voor de systeemrelatie tussen gemeente en hoogheemraadschap. Als alle lozingen op de riolering voldoen aan de geldende regelgeving dan is het functioneren van de zuivering gewaarborgd. 20
LEIDSE REGIO Samen beheren Omdat het overnamepunt meestal op de ontvangstkelder van een AWTG of influentgemaal ligt, ligt er veelal gemeentelijke riolering op het terrein van Rijnland. Het beheer en onderhoud van deze objecten kan ingewikkeld zijn omdat deze niet vrij toegankelijk zijn. Bij calamiteiten kan de responstijd hierdoor onacceptabel lang zijn. In principe geven de waterpartners elkaar over en weer toestemming om beheer aan eigendommen gelegen op terreinen van de ander mogelijk te maken. Gemeentelijke transportriolen binnen AWZI's dienen op doelmatige wijze beheerd en onderhouden kunnen worden door de gemeente, ongeacht de eigendomsverhoudingen.
4.3.2 Afvalwateraanbod in de toekomst Investeringen in de (afval)waterketen zijn vaak kapitaalintensief en worden daarom jaren van tevoren gepland en voorbereid. Grote, plotselinge schommelingen in het aanbieden van afvalwaterstromen, met name van langere duur, zijn dan ook niet wenselijk. In de systeemrelatie tussen de gemeente en de afvalwaterbeheerder speelt de uitwisseling van gegevens over (veranderingen in) de aangeboden en te verwerken hoeveelheden afvalwater nu en in de toekomst daarom een belangrijke rol. Het toekomstige afvalwater aanbod wordt hoofdzakelijk gebaseerd op verwachte ontwikkelingen voor woningbouw en bedrijvigheid, verwachtingen van bevolkingsgroei en projecten van gemeenten waarbij schoon water gescheiden wordt van de gemengde riolering. Het proces van beoordelen, afspraken maken en voorbereiden op toekomstige ontwikkelingen is weergegeven in bijlage 7. Dit proces bestaat uit 4 deelprocessen; • • • •
BRP en beoordelen waterkwaliteit AWTG rapport en toetsen data en prestaties BZP en scenario`s voor de toekomst Kentallen en maatregelen vastleggen
Elk van deze deelprocessen heeft een eigen dynamiek en een specifieke rol in het totaalproces. Met dit totaalproces zorgen de waterpartners voor een goed afgestemde en effectieve afvalwaterketen tegen lage maatschappelijke kosten. In bijlage 5 zijn de verschillende grondslagen weergegeven die gelden bij het bepalen van de normcapaciteiten van de AWZI. Deze zijn de basis voor het afsprakenkader tussen gemeenten en het hoogheemraadschap. In bijlage 7 is beschreven op welke wijze de afvalwaterhoeveelheden en bijbehorende analyses en het maken van afspraken hierover gedaan worden. In de paragraaf Databeheer en ontsluiten (paragraaf 7.5) staat beschreven hoe de waterketenpartners willen omgaan met het uitwisselen van gegevens, Gemeenten en Rijnland onderschrijven het proces (bijlage 7) om de doelmatige waterketen systematisch te kunnen beoordelen, maatregelen voor verbetering te kunnen oppakken en de objecten in de waterketen ook in de toekomst doelmatig te houden.
4.3.3 Prestaties, monitoring en toetsing Om een goed functionerende afvalwaterketen te kunnen waarborgen is naast theoretische informatie ook daadwerkelijke, operationele informatie noodzakelijk. Waarin voor de volledige afvalwaterketen kan worden gemonitord of de situatie in de praktijk vergelijkbaar is met de situatie die theoretisch is vastgesteld. Er zijn verschillende beoordelingsstappen. •
AWTG-Rapport Sinds 2021 ontwikkelt Rijnland een AWTG rapportage. Hierin worden gegevens van het aanvoerende stelsel, het afvoerende systeem, objectgegevens en prestatiegegevens van het AWTG bij elkaar gebracht. De bedoeling is deze rapportage automatisch, vanuit brondata, jaarlijks te genereren zodat ook jaarlijks de prestaties en het functioneren van de waterketen kunnen worden beoordeeld. Om deze rapportage kwalitatief door te ontwikkelen is goede samenwerking van essentieel belang; betrokken partijen moeten de eigen object- en systeem data kwalitatief digitaal op orde krijgen en ontsluiten (object en kentallen niveau). Omdat deze data vaak uit (hoogwaardige) bestanden en documenten moet komen en vertaald moet worden naar huidige normen en standaarden (Gemeentelijk Woordenboek Stedelijk Water (GWSW)), is het reëel om ervan uit te gaan dat dit nog enkele jaren gaat vragen. Afspraak binnen de Leidse regio is hierin samen op te trekken.
21
LEIDSE REGIO Gemeentelijk in de Leidse regio en Rijnland spannen zich ieder in de eigen organisatie in om data op orde te brengen en te ontsluiten voor de andere organisaties via GWSW en PDOCK (zowel object als kentallen niveau).
•
Discrepantie biologische belasting Metingen van de biologische belasting van de AWZI’s leveren meestal meer inwonerequivalenten (i.e.) dan verwacht op basis van de theoretische berekening (afvalwaterprognose) of op basis van de aangeslagen vervuilingseenheden (heffingenbestand BSGR). Mogelijke oorzaken zijn o.a. onjuiste debietmetingen, fouten in data zoals grenzen van rioolgebieden of bedrijven die in de verkeerde afvalwaterklasse zijn ingedeeld en meer vervuiling lozen dan verwacht, maar ook bijvoorbeeld niet vastgelegde of illegale lozingen.
Rijnland maakt jaarlijks een vergelijking van de theoretisch waarden met de gemeten waarden. Deze vergelijking wordt opgenomen in de vijfjaarlijkse BZP`s. In overleg met de gemeente(n) in de zuiveringskring worden opvallende afwijkingen besproken en worden onderzoeksmaatregelen benoemd om de discrepantie beter te verklaren of zelfs terug te dringen.
•
Rioolvreemd water Om naast de verwachte droogweerafvoer ook een beeld te hebben van het aandeel rioolvreemd water (water dat onbedoeld in het riool terecht komt) kan een Droogweerafvoer Analyse middels een standaard Systematiek (DWAAS) worden uitgevoerd. Stowa (15) heeft hiervoor recent een nieuwe tool ontwikkeld die in 2022 is getoetst. Rioolvreemd water kan verschillende oorzaken hebben die soms moeilijk en soms relatief gemakkelijk te verhelpen zijn. Denk bijvoorbeeld aan indringend grondwater bij lekkende riolen of te laag gelegen overstorten waardoor oppervlaktewater de riolering in loopt. De DWAAS-analyse is bij het opstellen van de Basis Zuiveringsplannen in 2022 uitgevoerd. De resultaten zijn beschreven in de BZP`s van de betreffende zuiveringen. Rijnland is tegelijk met de ontwikkeling van het AWTG Rapport gestart met een methode om opvallende trends in droogweer afvoer op de centrale proceskamer ‘real time’ te signaleren. Daarmee kunnen bijvoorbeeld quick-wins van rioolvreemd water pragmatisch worden opgespoord, wat ook voor de waterkwaliteit direct positief effect heeft. Daarnaast wordt door RHDHV (in opdracht van STOWA) en Rijnland gewerkt aan een automatische DWAAS berekening op AWTG-niveau.
Rijnland ontwikkelt een methode om meer systematisch rioolvreemd water in beeld te brengen. In overleg met betreffende rioolbeheerder wordt daarna beoordeeld of de bron kan worden aangepakt.
•
Kritieke tijd en berging stelsel De kritieke tijd van een vrij verval (gemengd) stelsel zegt iets over de berging in en vulling van een rioolstelsel en is voor beheerders belangrijke informatie. Bij werkzaamheden aan ketenassets, maar ook bij calamiteiten, is het belangrijk te weten hoe lang een stelsel zonder afvoer kan. Rijnland heeft in 2021 een plan van aanpak opgesteld voor het praktisch toetsen van de theoretische kritieke tijd om de kritieke tijd van de vrij verval verbonden stelsels op de Rijnlandse gemalen te toetsen. Hiervoor moet de gemeentelijk rioolbeheerder met de Rijnlandse medewerker van de Centrale Proceskamer samenwerking. Intentie is om minimaal 15 AWTG`s per jaar te toetsen, deze toetsen worden per gemeente ingepland. Verwachting is dat de AWTG`s in de Leidse regio in 2025 worden getoetst.
Rijnland maakt jaarlijks een vergelijking van de theoretisch waarden met de gemeten waarden. Deze vergelijking wordt opgenomen in de vijfjaarlijkse BZP`s. In overleg met de gemeente(n) in de zuiveringskring worden opvallende afwijkingen besproken en worden onderzoeksmaatregelen benoemd om de discrepantie beter te verklaren of zelfs terug te dringen.
22
LEIDSE REGIO
5
BELEID PER FUNCTIONELE DOELSTELLING; DROGE VOETEN
5.1 Doel en plaats in de waterketen Op peil houden kwaliteit leefomgeving (hemelwater, grondwater; droge voeten)
Gemeente
Inzamelen, transporteren en lozen van hemelwater en het op openbaar terrein indien doelmatig handhaven van grondwaterpeilen.
De plaats in de waterketen, zie figuur 2.1 hoofdstuk 2.1, waar activiteiten plaatsvinden voor doelstelling zijn de stappen 3, 4 en 5: ontstaan stedelijk afvalwater en de inzameling en transport naar de zuivering of hemelwateruitlaten. 5.2 De klimaatopgave en droge voeten Klimaatverandering zorgt de komende decennia voor uitdagingen. Zoals weersuitersten; langdurige droogte, meer en langere perioden van hitte en hevige buien. Dit is niet alleen een probleem voor de toekomst; het klimaat is nu al veranderd en blijft veranderen.
Voorbeeld van toekomstige buien: Situatie uit augustus 2010 (links) vertaald naar een ˚C warmer klimaat (rechts) (bron KNMI)
In bebouwd gebied kan schade ontstaan door hitte, extreme droogte en wateroverlast. Bij de locatiekeuze, de ruimtelijke inrichting en de manier van bouwen is daar in het verleden vaak onvoldoende rekening mee gehouden. Daarom is het belangrijk de fysieke leefomgeving (en ondergrondse infrastructuur) minder kwetsbaar te maken voor extreme weerssituaties. Om in 2050 zo goed mogelijk om te kunnen gaan met de verwachte klimaatverandering, is afgesproken4 dat vanaf 2020 klimaatbestendig en waterrobuust inrichten in Nederland een vanzelfsprekend onderdeel moet zijn bij ruimtelijke (her)ontwikkelingen. De opgave is om de Leidse Regio klimaatbestendig te maken. Wat dat inhoudt, is een proces dat we de komende jaren moeten uitvinden en uit gaan voeren. Het is aan elke gemeente hoe dit nader uit te werken. 5.3 Taken bij klimaatadaptief bouwen en inrichten Klimaatadaptatie is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van burgers, bedrijven en de overheid. Enkele wettelijke taken van overheden zijn van belang voor klimaatadaptie. De wettelijke taken hebben vooral betrekking op bouwen, ruimtelijke ordening en waterbeheer. 1.
2.
3.
4.
Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de ruimtelijke ordening. De provincie en het Rijk kunnen met instructieregels sturen op de invulling van deze verantwoordelijkheid. Waterschappen adviseren bij het opstellen van ruimtelijke plannen (de watertoets). De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt, is primair verantwoordelijk voor de afvoer van dat hemelwater. De gemeente is verantwoordelijk voor inzameling van afstromend hemelwater van percelen, waarvan de eigenaren redelijkerwijs niet zelf kunnen voorzien in afvoer naar oppervlaktewater of bodem. In de wetgeving is een deel van de zorg voor het grondwater bij de gemeente gelegd. Deze zorgplicht betreft het treffen van maatregelen in openbaar gemeentelijk gebied om zo structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand in relatie tot de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Dit voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en deze niet tot de verantwoordelijkheid van het waterschap of de provincie behoren. De zorgplicht voor het grondwater heeft het karakter van een inspanningsverplichting. Waterschappen beheren de regionale wateren (waaronder ook regionale waterkeringen). De provincies stellen hiervoor de kaders, o.a. in de vorm van normen voor de kans op wateroverlast door te beperkte watersysteembergings- of afvoercapaciteit van regionale wateren.
Waterschappen beheren de meeste primaire waterkeringen.
4 Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (september 2014)
23
LEIDSE REGIO 5. 6. 7.
8.
Het Rijk stelt de normen voor de primaire waterkeringen en in enkele gevallen voor de regionale waterkeringen (o.a. langs grote kanalen). De provincie stelt de normen voor regionale waterkeringen. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat is beheerder van de rijkswateren en enkele primaire en regionale waterkeringen. Het Rijk stelt eisen om de minimaal noodzakelijke kwaliteit van bouwwerken te waarborgen in voorschriften over het (ver)bouwen en slopen van bouwwerken, over de staat en het gebruik van bestaande bouwwerken, open erven en terreinen en over de veiligheid tijdens het bouwen en slopen. De Provincie Zuid-Holland vraagt5 om in een bestemmings- en omgevingsplan rekening te houden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, ten minste voor zover het de risico’s van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte en droogte betreft. Daarbij vraagt de Provincie ook om aan te geven hoe wordt omgegaan met het – inhoudelijk sterk aan klimaatverandering verbonden – risico op bodemdaling. Het artikel heeft dan ook betrekking op alle ruimtelijke ontwikkelingen, en niet alleen in het buitengebied.
5.4 Algemene Werkwijze Leidse Regio Klimaatadaptatie De werkwijze die wij volgen om voor te bereiden op extreme neerslag bestaat uit de stappen uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie. Dit is een algemene werkwijze. Vastleggen van resultaten, beleidsafspraken en uitvoeringsagenda’s stelt elke gemeente zelf op om zo goed mogelijk aan de plaatselijke behoefte te kunnen voldoen. o o
o
o
o
o
o
Stap 1 Kwetsbaarheid in beeld brengen. Dit is inmiddels gebeurd, zie paragraaf 5.5 Klimaatstresstesten. Deze stap wordt elke 6 jaar uitgevoerd Stap 2 Risicodialoog voeren en strategie opstellen. De gemeenten zijn gestart met een dialoog met relevante gebiedspartners (denk aan woningcorporaties, netwerk beheerders, agrariërs, natuurbeheerders). Dit heeft twee doelen: het bewustzijn over de kwetsbaarheid voor klimaatextremen vergroten en vervolgens bespreken hoe deze kwetsbaarheid met concrete maatregelen te verkleinen is. Stap 3 Uitvoeringsagenda opstellen. Gedurende de planperiode van dit IWKP stellen de gemeenten op basis van de klimaatstresstesten en risicodialoog een uitvoerings- en investeringsagenda op voor hun gebied. Hierin staan afspraken over wie wat wanneer gaat doen. Stap 4 Meekoppelkansen benutten. De komende decennia spelen ook andere grote ruimtelijke opgaven, zoals (groot) onderhoud aan gebouwen, de openbare ruimte, groen en infrastructuur, de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie. Ook is er een nieuwbouwopgave. De inzet is om hierbij de kansen voor een klimaatbestendige inrichting te benutten. Dat doen we door de uitvoerings- en investeringsagenda’s voor verschillende opgaven naast elkaar te leggen en zo veel mogelijk aan elkaar te koppelen. Stap 5 Stimuleren en faciliteren.
Een klimaatbestendige inrichting vraagt inzet van veel publieke en private partijen. Ruimtelijke adaptatie moet een vanzelfsprekend onderdeel worden van de fysieke activiteiten in stad en land. Om tot een versnelling te komen, is het van belang om de beschikbare kennis, instrumenten en ervaringen te delen zodat niet iedereen het wiel hoeft uit te vinden, en om partijen te stimuleren een bijdrage te leveren. Stap 6 Reguleren en borgen. We borgen onze bijdrage in beleid en regelgeving (Omgevingsvisie, Omgevingsplan en eventuele verordeningen). Stap 7 Handelen bij calamiteiten. Gemeenten en waterschappen willen zich beter voorbereiden op calamiteiten veroorzaakt door wateroverlast, hitte, droogte en overstroming. Ze zorgen ervoor dat de veiligheidsregio’s deze risico’s gedurende deze planperiode opnemen in de risicodiagrammen, op basis van de uitkomsten van de stresstesten. De overheden maken afspraken met de veiligheidsregio’s over de aanpak van calamiteiten veroorzaakt door extreme weersituaties en bereiden zich daar gezamenlijk met de brandweer, GGD en politie op voor. Noodvoorzieningen en snel herstel van vitale en kwetsbare infrastructuur krijgen daarbij speciale aandacht.
5 op basis van artikel 6.35a van de Omgevingsverordening
24
LEIDSE REGIO 5.5 Klimaatstresstesten Een eerste beeld van de gevolgen van klimaatverandering is met de klimaatstresstesten gemaakt. In een klimaatstresstest is geïdentificeerd wat de mogelijke kwetsbaarheden zijn binnen een gebied. Dit is gedaan voor de vier klimaatthema’s: wateroverlast, hitte, droogte en overstroming. De test bestaat uit het verzamelen en maken van informatie die beschrijft welke effecten klimaatverandering (de ‘stress’ die op het systeem wordt gezet) in de toekomst kan hebben. En uit het combineren van deze informatie met gegevens over de gevoeligheid van objecten en functies. Er wordt onderzocht waar, wanneer welke knelpunten kunnen ontstaan, onder verschillende mogelijke klimaatontwikkelingen. De stresstest gaat over het stedelijk en landelijk gebied. De stresstest heeft specifieke aandacht voor de vitale en kwetsbare functies. Dit zijn functies die heel belangrijk zijn voor rampenbeheersing, zoals de drinkwatervoorziening. En functies die bij uitval of een calamiteit ernstige schade veroorzaken voor mens, milieu of economie. In het Deltaplan staat dat de stresstest iedere 6 jaar wordt geactualiseerd. Voor meer detailinformatie over de resultaten van de stresstesten wordt verwezen naar de (digitaal) rapporten en kaarten.
Deze zijn te benaderen via de website Monitorkaart Stresstesten - Klimaatadaptatie (klimaatadaptatienederland.nl) Ter illustratie zijn onderstaand enkele stresstestkaarten weergegeven.
5.6
Klimaatadaptatie: Bijdrage Droogte- en
Hittebestrijding vanuit waterketen 5.6.1 Droogte en hitte Onze huidige omgang met regenwater in Nederland en de Leidse Regio, de manier van inrichting, het veranderend klimaat en de toenemende verstening leidt tot dalende grondwaterstanden. De waterbalans raakt hierdoor steeds meer uit evenwicht. De druk op het beschikbare oppervlaktewater en grondwater neemt toe door de volgende drie factoren, die deels binnen onze regionale beïnvloedingsfeer liggen. 1.
Hitte en langdurige droogte leiden tot een hogere watervraag van bewoners en de natuur. De grondwaterstanden dalen door verdamping en door lagere oppervlaktewaterpeilen. Dit kan leiden tot zetting of inklinking van de bodem met gevolgen voor woningen die op houten palen staan. En tot verzakking van de ondergrondse infrastructuur (drinkwaterleidingen en riolen). Ook leidt een tekort aan water in de stedelijke omgeving tot een stijging van de temperatuur (tot wel 8 Co t.o.v. landelijk gebied).
25
LEIDSE REGIO 2.
De toenemende stedelijke verdichting, o.a. door de woningbouwopgave zorgt voor meer verstening, waardoor de aanvulling van het grondwater met regenwater zonder extra maatregelen verder afneemt. Dit kan leiden tot het minder goed groeien van bestaand en nieuw aangelegd groen en bomen.
3.
Onze stedelijke omgeving is nu zo ingericht dat regenwater zo snel mogelijk en liefst zo volledig mogelijk wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bij onze regenwaterkolken begint daarmee in theorie de zee, want daar komt het regenwater uiteindelijk terecht.
Om ons verstedelijkte landschap aan te passen aan het veranderend klimaat én het watertekort te beperken, moeten we meer rekening houden met de bodemopbouw en waterhuishouding van het oorspronkelijke gebied. Waar mogelijk streven we naar: 1. 2.
3.
Regenwater vasthouden in de bodem in plaats van afvoeren naar zee; Regenwater benutten als extra waterbron i.p.v. het te zien als schoon afvalwater; Drinkwaterverbruik in de stedelijke omgeving verminderen.
De bovenstroomse waterschappen en Rijkswaterstaat verdelen het water dat bij Lobith de grens overkomt. Bij droogte is de verdringingsreeks leidend (zie fig. 5.6.1). Het stedelijk gebied valt buiten de vier gedefinieerde categorieën.
Figuur 5.6.1 – Verdringingsreeks droogte (bron: InfoMil)
5.6.2 Anders omgaan met regenwaterlanger vasthouden Gemeenten hebben bij de verdeling van water geen stem. Het stedelijk gebied moet daarom proberen water in natte tijden vast te houden om in droge tijden schade te voorkomen. Idealiter wordt daarbij zoveel mogelijk rekening gehouden met de oorspronkelijke waterhuishouding van het gebied. Hoe we omgaan met hemelwater wordt dus steeds belangrijker. Door simpelweg in te zamelen en via een buizenstelsel af te voeren naar oppervlaktewater laten we kansen liggen. Voor hemelwater hanteren we daarom een gebiedsgerichte voorkeursvolgorde (zie ook de van toepassing zijnde regels uit para. 4.2.2 en 4.2.3.) voor verwerking met onderscheid tussen: • • • • •
opslaan en benutten op particulier terrein (bijv. van sproeien van de tuin); infiltreren in fysieke leefomgeving (particulier en openbaar, als bodemgesteldheid en functies dit toelaten); (tijdelijk) bergen/infiltreren en vertraagd afvoeren naar het oppervlaktewater; (tijdelijk bergen) en/of vertraagd bovengronds afvoeren over het maaiveld naar het oppervlaktewater, een laagte berging en infiltratievoorziening in de openbare ruimte; (tijdelijk) bergen en vertraagd afvoeren naar het regenwater- of gemengde riool;
26
LEIDSE REGIO •
afvoeren naar het regenwater- of gemengde riool.
Het langer vasthouden (in de ondergrond) dient ook een maatschappelijk belang. •
Het beschikbaar houden van zoetwater voor de drinkwater- en voedselvoorziening. Drinkwater in voldoende en goede kwaliteit is van levensbelang. De bewoonbaarheid van woningen en gezondheid bewoners. Door structurele grondwateronderlast of -overlast kan schade ontstaan aan woningen en de gezondheid van de bewoners (zetting van woningen, paalrot en schimmelvorming). Zonder bereikbaar grondwater verdroogt de natuur en het stedelijke groen, met als gevolg minder schaduw en een grotere kans op hittestress en veranderende biotopen. Verdamping van water kan hittestress aanzienlijk verminderen. Ook veiligheid en beheerkosten kunnen geraakt worden door lagere grondwaterstanden.
•
•
•
Ook Rijnland werkt aan regels om droogte tegen te gaan. Deze worden onderdeel van de Waterschapsverordening. Minimaal 20 millimeter van de neerslag op openbaar verhard gebied moet in de bodem worden geïnfiltreerd, mits de gebiedskarakteristieken dat toestaan. Deze 20 millimeter lijkt mogelijk wat weinig, maar het gaat er voornamelijk om dat gemiddeld gedurende een jaar de normale buien in de bodem worden geïnfiltreerd. 5.6.4. Hergebruik hemelwater bij tijdelijke berging Tot nu wordt bij tijdelijke berging van hemelwater op eigen terrein nog niet of nauwelijks gekeken naar hergebruik (zie para. 5.7 Hemelwaterverordening). Het wordt steeds duidelijker dat hier kansen liggen. Zo is het in Nederland toegestaan om regenwater of gezuiverd grijswater te gebruiken voor: • • •
het spoelen van de WC, in de wasmachine of op de buitenkraan (gebruik in de tuin).
Door hergebruik wordt voorkomen dat water uit het watersysteem onttrokken wordt en gaan we bewust en duurzaam om met drinkwater. In grotere systemen (openbaar gebied gemeente) zou men zelfs een strategische zoetwatervoorraad kunnen aanleggen. Bijvoorbeeld wanneer een specifiek gebied wateroverlast ervaart, is het wellicht een optie water in de bodem te infiltreren als bron van zoetwater voor drinkwaterproductie of gebruik tijdens perioden van droogte. 5.7 Hemelwaterverordening De gemeenten in de Leidse Regio hebben tijdens de vorige planperiode allemaal een hemelwaterverordening vastgesteld voor (Ver)Nieuwbouw. Gedurende de planperiode 2024-2028 doen we verdere ervaring op met de werking van deze hemelwaterverordening. Een volgende stap is ook bij bestaande bouw hier een positieve stap in te maken is. Een mogelijkheid is om (gekoppeld aan rioolvervanging) ook bij bestaande particuliere verharding, met name aan de voorkant van panden, het hemelwater los te koppelen van het afvalwater. De ervaring in Nederland is dat bijna ondoenlijk is om inwoners te dwingen af te koppelen en hier ook de kosten voor te dragen. Dit zijn langdurige trajecten waarbij ook de handhaving moeilijk vorm te geven is. Deze trajecten vragen daardoor veel ambtelijke capaciteit en kosten.
De gemeenten zijn daarom van plan om, gekoppeld aan de rioolvervanging, particuliere panden aan de voorzijde af te koppelen. Bij rioolvervanging legt de gemeente niet alleen de uitlegger aan voor een particulier om op aan te sluiten, maar ook de daadwerkelijke aansluiting van de particuliere verharding aan de voorzijde (de kant waar het openbaar riool is gelegen). Om voldoende rendement te halen dragen de gemeenten hiervoor ook de kosten. Gedurende de planperiode wordt onderzocht op welke wijze bewoners het best gestimuleerd, overgehaald of aangezet kunnen worden hierop aan te sluiten. 5.8 Klimaatadaptatie: omgaan met wateroverlast t.g.v hevige regenval Extreme buien komen nu al voor. Zo’n bui is zo hevig dat de riolering het water niet kan verwerken: het water stroomt over straat en veroorzaakt waarschijnlijk hinder of zelfs overlast. Vanwege de mogelijke verschillen in hevigheid van buien is het niet mogelijk voor alle buien maatregelen te treffen die overlast gaan voorkomen. 27
LEIDSE REGIO Voor inwoners en gebruikers betekent dit dat het ontstaan van wateroverlast door klimaatverandering iets is waar zij rekening mee gaan houden. Communicatie wordt daarom gericht ingezet met als doel: het leren leven met water op straat. Het komt in de toekomst immers vaker voor dat er tijdelijk water op straat blijft staan. 5.8.1 Wateroverlast Wateroverlast door heviger wordende buien wordt op hoofdlijnen veroorzaakt door twee verschillende typen buien. •
➢
Kortdurende hevige buien. Hierbij valt in korte tijd (uren) heel veel water waardoor de riolering (het buizenstelsel) vol staat en dit water niet tijdig kan afvoeren. Er blijft water op straat staan. Bron: Paul Maas/Stichting Als dan ook nog vloerpeil (en er geen hoge drempel RIONED aanwezig is) onvoldoende hoog ligt t.o.v. het straatpeil, kan water in gebouwen stromen. De verwachting is dat deze kortdurende hevige buien intensiever worden en vaker gaan voorkomen dan in het verleden. Het aanleggen van grote diameter buizen om meer water te bergen is fysiek onmogelijk. Daarom speelt de inrichting van de bovengrondse ruimte voor het opvangen en bergen van extreme buien een belangrijke rol. Juist met de inrichting van het maaiveld is doelmatig te voorkomen dat stroming via het oppervlak naar lagergelegen delen plaatsvindt en kan tijdelijke berging op maaiveld (bijvoorbeeld tussen stoepranden) gerealiseerd worden. Zie ook paragraaf 5.8.4. Langdurige buien. Het betreft hier langdurige (dagen) perioden van veel regen. Deze buien hebben het meeste effect op het afvoeren van water door het oppervlaktewatersysteem. Dit kan leiden tot peilstijgingen die weer tot gevolg hebben dat water over (of door keringbreuk) keringen, slootrand of dijken stroomt (inundatie). Het zijn buien die gemiddeld eens in de 100 jaar voorkomen (waterstand T=100).
Een derde mogelijke oorzaak van wateroverlast is een breuk van een drinkwaterleiding of persleiding. Dunea heeft jaarlijks last van ca. 180 storingen in het distributie net. De vervangingsstrategie van het leidingnet en het beheer is erop gericht om leveringsonderbrekingen en wateroverlast door lekkages te beperken. Hierbij wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van analyses die tonen welke leidingen in de buurt van belangrijke voorzieningen liggen en dus extra risico hebben bij een breuk. Op jaarbasis wordt er 40 km distributieleidingen vervangen. Wanneer is er sprake van overlast door hemelwater? De verschillende vormen van wateroverlast door hemelwater zijn: ➢ ➢ ➢
hinder, kort durend beperkte hoeveelheden ‘water op straat’; ernstige hinder, forse hoeveelheden ‘water op straat’, ondergelopen tunnels, opdrijvende putdeksels; overlast, langduriger en op grotere schaal ‘water op straat’, water in winkels, woningen met materiele schade en mogelijk ook ernstige belemmering van het (economische) verkeer.
5.8.2 Ondergrondse infrastructuur: uitgangspunten riolering Om in 2050 klimaatadaptief te zijn, is het nodig om te bepalen hoe met klimaatbuien (70 mm, 90 mm en 120 mm) om te gaan. Daarom zijn onderstaande uitgangspunten van toepassing. ➢
➢
Bij vervanging van gemengde stelsels wordt waar mogelijk hemelwater afgekoppeld. Per situatie wordt bepaald of afkoppelen doelmatig is. Het uitgangspunt bij de aanleg van een gescheiden systeem is dat er door de gemeente tot aan de erfgrens van de particulier een DWA en een HWA voorziening (uitlegger) wordt aangelegd en ook de daadwerkelijke aansluiting van de particuliere verharding (inclusief dakoppervlak) aan de zijde waar het openbaar riool (voorziening) is gelegen. Zie ook paragraaf 5.7. Indien afvalwater en hemelwater worden ontkoppeld, wordt het hemelwaterriool gedimensioneerd op bui 10 (35,7mm) en wordt uitgegaan dat 34,3 mm te bergen is in de openbare ruimte (zie ook paragraaf 5.8.3.) bestaande uit infiltratie- en andere voorzieningen. Tevens wordt de overloopcapaciteit berekend met een stationaire hoeveelheid neerslag van (40 l/sec/ha, 90 l/sec/ha, 150 l/sec/ha). Uit de berekening mag geen ernstige hinder/ wateroverlast blijken.
28
LEIDSE REGIO
Figuur 5.8.2. Illustratie afkoppelen verharding (bron Rioned)
5.8.3 ➢
➢
➢
Klimaat: Berging
De Leidse regio heeft vanwege klimaatadaptatie (2050) als regel dat bij nieuwbouw en herinrichting een bui van minimaal 70 mm in 1 uur verwerkt kan worden. Hierbij volgen we de recent door de Provincie Zuid-Holland opgestelde richtlijnen Wateroverlast | Bouw Adaptief6. In het plangebied treedt bij extreem hevige neerslag geen schade op (bij 70 mm in een uur) aan bebouwing, infrastructuur en aan vitale voorzieningen en vitale voorzieningen blijven functioneren (bij 90mm in een uur) (hoofdwegen, drinkwater en energie). Het ondergronds rioolsysteem (buizen) is gedimensioneerd op het verwerken van 35,7 mm. Bij nieuwbouw en herinrichting van de fysieke leefomgeving dient dan aanvullend minimaal 34,3 mm verwerkt te kunnen worden door hetzij aanvullende ondergrondse (tijdelijke) berging of door (tijdelijke) berging en afstroming via het maaiveld. Rijnland werkt aan het opnemen van nieuwe regels in de Waterschapsverordening. Aan de huidige compensatie regel verhard oppervlak (15% extra open water) wordt als extra regel toegevoegd dat een plangebied 90 millimeter neerslag in 24 uur kan bergen. Het is hierbij niet toegestaan dat beide hier genoemde regels gestapeld worden. Retentievoorzieningen (groene daken, bergen in ondergrondse kratjes) staan los van de eis dat bui=10 ondergronds (afkoppelen) afgevoerd moet worden.
Retentievoorzieningen kunnen niet “uitgeruild” worden tegen afvoer ondergronds.
Figuur 5.8.3 Water bergen in openbaar gebied
5.8.4 Bovengronds Maaiveld Om ook meer neerslag dan de gehanteerde standaardbui (bui=10) te verwerken, willen de gemeenten het hemelwater bovengronds afvoeren naar plaatsen waar het geen kwaad kan of tijdelijk kan worden geborgen. De ruimtelijke inrichting wordt dan ook van belang voor het oplossen van de waterproblematiek. Water bovengronds biedt kansen voor verfraaiing van de leefomgeving. De realiteit is dat de bovengrondse mogelijkheden voor het omgaan met hemelwater groter zijn dan de ondergrondse ruimte die sterk onder druk staat van o.a. de warmtetransitie. Het bovengronds afvoeren van hemelwater betekent wel dat er over de 6 Het is de verwachting dat gedurende planperiode ook de landelijke maatlat vastgesteld wordt. Indien nodig wordt het beleid hier dan op aangepast
29
LEIDSE REGIO projectgrenzen heen gekeken moet worden en vereist een 3D-benadering. Want water stroomt van hoog naar laag over grenzen. Het maaiveld is daarmee een onderdeel voor de rioolbeheerder om (met ontwerpers, stedenbouwers en collegabeheerders) het regenwater te sturen en tegelijk te werken aan klimaatadaptatie en de kwaliteit van de leefomgeving. Hiervoor kunnen gemeenten (en het waterschap) bij nieuwbouw en herinrichting een aantal leidende principes hanteren. De mate waarin dit gebeurt is onderdeel van separate besluit- en beleidsvorming van de individuele gemeenten binnen de Leidse Regio. ➢
➢
➢ ➢ ➢
➢
Relevante fysieke veranderingen worden benut om klimaatbestendige maatregelen te nemen. Dat geldt voor projecten van de gemeenten en het waterschap en voor projecten van inwoners, (agrarische) bedrijven, woningcorporaties, terreinbeheerders en maatschappelijke organisaties. Zo worden de onderhoudscycli van infrastructuur, riolering, groen en gebouwen benut. Om te kunnen anticiperen op klimaatverandering en om overlast tijdens hevige neerslag te voorkomen, moet het water zoveel mogelijk op een andere manier dan via riolering worden afgevoerd of geborgen. Oppervlakkige afstroming van overtollige neerslag heeft daarbij de voorkeur. De afstroming vindt plaats naar een tijdelijke laagteberging, waar het geen schade oplevert. Vanuit deze voorziening vindt infiltratie naar het grondwater plaats of (vertraagde) afvoer naar het oppervlaktewatersysteem. Voorbeelden van tijdelijke berging zijn Wadi’s, waterberging in parkeervak, waterberging in wegfundering, waterberging tussen stoepranden, groene daken etc. Bij (ver)nieuwbouw is sprake van een klimaatbestendige bouw en inrichting (Wateroverlast | Bouw Adaptief) met zo min mogelijk afwenteling naar de omliggende percelen. In de bebouwde omgeving leggen we meer groen aan om de sponswerking van het gebied te vergroten.
We verminderen hitte in bebouwd gebied door het creëren van (tijdelijke) schaduwwerking en het gebruik van de juiste bouwmaterialen (denk aan absorptie en kleur). Ook houden wij bij de inrichting van de ondergrond rekening met het risico van opwarming van drinkwater in het leidingnet onder verharde oppervlakken. Er wordt waterneutraal gebouwd. Bij alle bouwprojecten wordt extra verharding gecompenseerd door minimaal 15% extra oppervlaktewater7. Dit sluit aan bij de richtlijn bouwadaptief: De ontwikkeling gebeurt waterneutraal en leidt niet tot extra aanvoer/afvoer van water. Hemelwater wordt zoveel mogelijk vastgehouden en hergebruikt in het plangebied.
5.9 Zorgplicht hemelwater Perceeleigenaar De zorgplicht voor hemelwater begint bij de perceeleigenaar. De eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt, is primair verantwoordelijk voor de afvoer van het hemelwater. De gemeente is verantwoordelijk voor inzameling van afstromend hemelwater van percelen, waarvan de eigenaren redelijkerwijs niet zelf kunnen voorzien in afvoer naar oppervlaktewater of bodem. Dit kan doordat: • •
•
er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop geloosd kan worden; infiltratie niet mogelijk is door een te hoge grondwaterstand; infiltratie wordt belemmerd vanwege de samenstelling van de ondergrond.
De gemeentelijke zorgplicht omvat dan niet meer dan een door de gemeente aangeboden voorziening waar het hemelwater in geloosd kan worden. Het is aan de gemeente om te bepalen welke voorziening dat is. Naast de zorg voor het afvloeiende hemelwater van particuliere terreinen heeft de gemeentelijke zorgplicht ook betrekking op het hemelwater dat van openbaar terrein afstroomt. Bij de verwerking van overtollig regenwater op percelen speelt in de praktijk het afkoppelen van de afvoer van regenwater van de riolering een belangrijke rol. Bij de verwerking van het afgekoppelde regenwater en de daarbij gehanteerde lozingsroute (in de bodem of naar het oppervlaktewater) moet rekening worden gehouden met het feit dat afstromend regenwater niet altijd schoon is. Het afvloeiende hemelwater van daken en wegen mag vanuit het oogpunt van waterhoeveelheid na het positief doorlopen van de droge-voetentoets (zie bijlage 9) op het oppervlaktewater worden geloosd. De voorkeur gaat uit naar het plaatselijk vasthouden van water in de ondergrond. Bij nieuwbouw en renovatie is de eigenaar van het terrein waarop het hemelwater valt, primair verantwoordelijk voor eventuele tijdelijke berging en de afvoer van dat hemelwater. Het hemelwater wordt verwerkt via de voorkeursvolgorde zoals opgenomen in paragraaf 5.6.2. Anders omgaan met regenwater langer vasthouden.
Wanneer het hemelwater te verontreinigd is, moet het ter plaatse, door de houder, worden gezuiverd (via een helofytenfilter, een zuiveringsfilter of een gelijksoortige voorziening). 7 (Uitvoeringsregel 11: Versnelde afvoer bij toename verhard oppervlak en 27 (alternatieve berging), Hoogheemraadschap van Rijnland)
30
LEIDSE REGIO
5.10 Afvoerstructuurplan Het afvoerstructuurplan geeft een blauwdruk van de riolering (buizen) die nodig is voor de verwerking van afval, hemel- en grondwater. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het klimaatbestendig maken van de fysieke leefomgeving. Bij vervanging (einde levensduur en herinrichting) van gemengde stelsels is het principe (zie ook paragraaf 5.8.2.) dat de ontvlechting van afvalwaterlozingen en hemelwaterlozingen wordt gerealiseerd tenzij dit niet doelmatig is. In de komende planperiode wordt hiervoor per gemeente een afvoerstructuurplan opgesteld (dan wel bijgesteld) waarin dit is opgenomen. We volgen hierbij voor wat betreft vormgeving en inhoud het afvoerstructuurplan dat in de afgelopen periode door de gemeente Leiden is opgesteld. Voor wat betreft de kwantitatieve afstemming tussen de uitstroming uit de riolering naar het watersysteem zijn de resultaten van de Droge-voetentoets (zie 5.13.2) input voor het afvoerstructuurplan. 5.11 Uitgangspunten beheer en onderhoud: voorkomen wateroverlast Soort stelsel of voorziening DWA HWA DWA+HWA Watergangen en duikers Oeverbescherming
Uitvoering Door het structureel reinigen van riolen, drainage, lijngoten, kolken en wegen, zorgen de gemeenten ervoor dat de afstroming naar de riolen en in de riolen gewaarborgd wordt. Verstoppingen worden daarmee zo veel mogelijk voorkomen. De watergangen en kunstwerken zoals duikers zijn schoon (baggeren en maaien). De oeverbeschermingen (zoals o.a. kademuren en beschoeiingen) worden zo onderhouden dat de watergangen het juiste profiel houden.
5.12 Grondwater 5.12.1 Grondwatertaak Gemeentelijke taak (zorgplicht) grondwater De gemeente is verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen in het openbaar gemeentelijke gebied om structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de fysieke leefomgeving toegedeelde functies zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. E.e.a. voor zover het treffen van die maatregelen doelmatig is en niet behoort tot de taak van een waterschap, een provincie of het Rijk. De gemeente is aanspreekbaar, maar niet aansprakelijk voor schade aan gebouwen als gevolg van te hoge of te lage grondwaterstanden en funderingsproblemen. De grondwatertaak bevat zeven elementen die tezamen bepalen of de gemeente verantwoordelijk kan worden gehouden om nadelige grondwaterstandgevolgen te voorkomen of te beperken. Het moet gaan om het: 1. treffen van maatregelen; 2. in openbaar gebied; 3. om structureel nadelige gevolgen voor de grondwaterstand; 4. voor de aan de grond gegeven bestemming; 5. zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken; 6. mits dit doelmatig is en voor zover er; 7. geen verantwoordelijkheid bestaat voor waterschap, provincie of Rijk (RWS).
Grondwatertaak particulier Een perceel-/gebouweigenaar heeft een eigen verantwoordelijkheid om te zorgen voor een goede staat van zijn perceel en daarop staande gebouwen en andere werken. Hiertoe behoort ook de fundering en kelder van een gebouw. Op grond van zowel het bestuurs- als privaatrecht heeft een particulier zelf een riolerings-, hemelwater- en grondwaterverantwoordelijkheid. In beginsel zijn pandeigenaren daarmee zelf verantwoordelijk voor funderingsonderhoud en grondwaterbeheer op eigen terrein. Kosten voor funderingsschade zijn dan ook voor pandeigenaren. Op eigen terrein is de perceeleigenaar zelf verantwoordelijk om een grondwaterprobleem op te lossen en te voorkomen; voor het verwerken van overtollig grondwater en te lage grondwaterstanden De gemeente stelt zich tot doel het de perceeleigenaar mogelijk te maken deze verantwoordelijkheid te nemen. Dit zal voornamelijk bestaan uit het verstrekken van informatie. 31
LEIDSE REGIO 5.12.2 Wanneer is sprake van overlast door grondwater? Er is sprake van grondwateroverlast als er hinder of schade in de woning, erf of tuin optreedt, als gevolg van een structureel te hoge of lage grondwaterstand. Om grondwateroverlast objectief vast te stellen, wordt een relatie gelegd met de gewenste grondwaterstand in het stedelijk gebied: de ontwateringsdiepte (zie figuur 5.12.1.) De gewenste ontwateringsdiepte is mede afhankelijk van het grondgebruik.
Figuur 5.12.1. Ontwateringsdiepte
De afgelopen jaren ontstaat in Nederland ook meer aandacht voor problemen door te lage grondwaterstanden in stedelijk gebied. Enerzijds in de vorm van schade aan houten paalfunderingen (vooral in laag Nederland). Anderzijds in de vorm van schade aan gebouwen die op staal zijn gefundeerd door onregelmatige zettingen door uitzakkende grondwaterstanden (in het hele land). 5.12.3 Grondwater: In- en uitbreidingen Bij in- en uitbreidingen moet in de planfase aandacht besteed worden aan grondwater. De initiatiefnemer behoort daartoe onderzoek te verrichten ter onderbouwing van zijn plan om grondwateroverlast (te hoge grondwaterstand) en grondwateronderlast (bijvoorbeeld schommelingen door periodes van droogte) zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij moet de relatie met de overige disciplines binnen de openbare ruimte zichtbaar gemaakt worden. De eventueel hiermee gemoeide kosten van noodzakelijke maatregelen moeten ten laste komen van de (grond)exploitatie. 5.12.4 Grondwatermodel De gemeenten werken aan een regionaal grondwatermodel. Een grondwatermodel is een belangrijk instrument om inzicht te krijgen in de werking van het grondwatersysteem. Dit model richt zich op het stedelijk gebied van de gemeenten. Het grondwatermodel wordt ingezet als praktisch gericht, geohydrologisch gereedschap. Het model is opgezet met inachtneming van de volgende punten. • • • •
•
Het model moet in staat zijn om berekeningen uit te voeren op lokale schaal, zoals voor bouwputbemalingen, rioolwerkzaamheden of maatregelen tegen grondwateroverlast. Het model moet ingezet kunnen worden voor regionale studies. Denk aan de gevolgen van klimaatveranderingen, peilwijzigingen en afkoppelen (en infiltreren) van hemelwater. Het model kan ingezet worden als beleidsondersteunend instrument. De modelresultaten (zoals kaarten van de ontwateringsdiepte) kunnen worden ingezet om kans- en risicogebieden te definiëren. Modelresultaten kunnen worden gebruikt voor het gemeentelijk waterloket. Vlakdekkende kaarten van bijvoorbeeld de ontwateringsdiepte kunnen voor bewoners op een duidelijke manier inzicht verschaffen in het watersysteem van de gemeente. Het grondwatermodel moet gekalibreerd zijn aan de hand van peilbuismetingen.
5.12.5 Uitgangspunten grondwater ➢
➢
Bij het aanleggen en vervangen van de riolering worden in principe ook grondwater regulerende maatregelen genomen. Scenario-berekeningen met het grondwatermodel tonen aan dat deze nodig zijn. Het doel is om uiteindelijk voor het stedelijk gebied, een grondwaterregulerend systeem te ontwerpen en aan te leggen dat de sponswerking van de bodem intact kan houden. Dit grondwaterregulerend systeem kan dan in de toekomst gelijktijdig met rioleringsen/of wegwerkzaamheden worden aangelegd. Bij vervangen van oude riolering en relinen zijn de gemeenten alert op ongewenste stijging van de grondwaterstand door het wegvallen van de drainerende werking van oude lekkende riolen. Indien nodig legt de gemeente drainage mee met de nieuwe riolering. Gemeenten zijn ook alert op het voorkomen, bij maatregelen of tijdens perioden van droogte, van een grondwaterstand die mogelijk te laag wordt met schade aan funderingen als gevolg. Het kan in die gevallen doelmatig zijn via drainerende buizen grondwater te infiltreren. Dit dient van geval tot geval onderzocht te worden. 32