Bijage 1 - Was-wordt-tabel
Tekst van het document
Bijlage 1 Was-wordt-tabel wijziging Algemene plaatselijke verordening Wassenaar 2014
WAS
WORDT
Artikel 1:1 (Definities), definitie voertuig: (artikel I, onderdeel A, van het wijzigingsbesluit) - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met
- voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met
uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
Toelichting: De definitie in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV 1990) eindigt op wagens. De uitzondering maakt duidelijk dat kleine wagens geen voertuig zijn. Rolstoelen zijn een uitzondering op gehandicaptenvoertuigen zoals genoemd in de definitie in het RVV 1990. Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg, vierde lid: (artikel I, onderdeel B, van het wijzigingsbesluit) 4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
a. evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
b. standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
c. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
c. vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen en niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt;
d. zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; en - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; -geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; e.de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; f. voertuigen; g. afvalstoffen, voor zover de inzameling en aanbieding geschieden overeenkomstig het bepaalde in de Afvalstoffenverordening Wassenaar;
d. zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg en mits: - geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; en - geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 0,5 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de weg bevindt; -geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt; e.de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de weg gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg verwijderd zijn en de weg daarvan gereinigd is; f. voertuigen; g. afvalstoffen, voor zover de inzameling en aanbieding geschieden overeenkomstig het bepaalde in de Afvalstoffenverordening Wassenaar;
WAS
WORDT
h. uitstallingen die vallen onder de door het college vastgestelde nadere regels.
h. uitstallingen die vallen onder de door het college vastgestelde nadere regels. i. terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid;
Toelichting: Aan artikel 2:10, vierde lid, wordt sub i toegevoegd. Ingevolge artikel 2:27, tweede lid, maken terrassen onderdeel uit van de exploitatievergunning van openbare inrichtingen. In deze vergunning worden derhalve eisen gesteld aan het terras. Ingevolge artikel 2:10 APV is het verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Dat brengt met zich mee dat er ten behoeve van een terras bij een openbare inrichting tevens een vergunning op grond van dit artikel verleend moet worden. Dat is overbodig en brengt administratieve en bestuurlijke lasten met zich mee. Om deze reden wordt aan het vierde lid van artikel 2:10 APV, een uitzondering toegevoegd inhoudende dat het verbod ex artikel 2:10 APV niet geldt voor terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid, APV.
Artikel 2:24 (Definities), eerste lid, onder b: (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 2:25 (Evenementenvergunning), zevende lid: (artikel I, onderdeel D, van het wijzigingsbesluit) 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder g, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is.
7. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder g, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
Toelichting: Zevende lid: Aanpassing aan de formulering van slecht levensgedrag in de artikelen 2:28, derde lid, onder b, en 3:7. In de toelichting op dit artikel vermelden wij de jurisprudentie.
Artikel 2:28 (Exploitatie openbare inrichting), derde, vijfde, zesde en achtste lid: (artikel I, onderdeel E, van het wijzigingsbesluit) 3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat: a. de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of b. de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
WAS
WORDT
5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan de
5. Er wordt geen vrijstelling verleent van het verbod genoemd in het eerste lid.
op het moment van de inwerkingtreding van deze bepaling reeds bestaande openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet, indien zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting. 6. De vrijstelling zoals genoemd in lid 5, wordt niet meer verleend indien de exploitatie van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet wijzigt.
6. In het verleden verleende vrijstellingen van het eerste lid worden ingetrokken indien: a. de exploitatie van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet wijzigt; b. er zich in of bij de inrichting een incident gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel heeft voorgedaan.
8. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning en op de vrijstelling.
8. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de aanvraag om vergunning en op de vrijstelling.
Toelichting: Derde lid: De toegevoegde weigeringsgrond is aan de gemeentelijke praktijk ontleend. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ‘slecht levensgedrag’ een voldoende duidelijke weigeringsgrond is. Wel is het noodzakelijk dat de burgemeester beleidsregels vaststelt, waaruit voldoende duidelijk blijkt hoe hij deze weigeringsgrond invult.. Vijfde en zesde lid: Toen in 2018 de exploitatievergunning voor openbare inrichtingen in de APV werd geïntroduceerd werden ingevolge lid 5 van dit artikel, horecabedrijven door de burgemeester van de vergunningplicht vrijgesteld (ambtshalve of op verzoek) indien zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hadden voorgedaan in of bij de inrichting. Daarmee werd voorzien in een soort van overgangsrecht wat nu niet langer onderdeel hoeft uit te maken van de APV. Het vijfde en zesde lid zijn om deze reden aangepast. Horecabedrijven die nu nog ingevolge deze vrijstelling zonder exploitatievergunning opereren kunnen dat blijven doen totdat de exploitatie wijzigt of er zich een incident voordoet gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel heeft. Achtste lid: Redactionele verbetering.
Artikel 2:29 (Sluitingstijd), eerste lid: (artikel I, onderdeel F, van het wijzigingsbesluit) 1.Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 00.30 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 05.00 uur.
1.Openbare inrichtingen zijn gesloten: a. van 24.00 tot 05.00 uur voor zover het niet de categorie “middelzware horeca” of “zware horeca” betreft; b. van maandag tot vrijdag van 00.30 tot 05.00 uur, en zaterdag en zondag van 03.00 tot 05.00 uur ingeval van de categorie “middelzware horeca” en “zware horeca”.
WAS
WORDT
Toelichting: Het huidige artikel 2:29,lid 1, geeft aan dat openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 00.30 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 03.00 uur en 05.00 uur. Binnen het bestemmingsplan vindt er echter een nadere differentiatie plaats met betrekking tot openingstijden in relatie tot verschillende categorieën van horeca-bedrijven. Een juist beeld over geldende sluitingstijden wordt derhalve eerst verkregen na raadpleging van zowel de APV als het vigerende bestemmingsplan. Om deze reden heeft de bezwaarschriftencommissie al eens verzocht om verduidelijking. Om deze reden vindt in artikel 2:29, lid 1, APV, een nadere verduidelijking plaats. Artikel 2:57 (Loslopende honden), eerste lid, onder b: (artikel I, onderdeel G, van het wijzigingsbesluit) b. binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd;
b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
Toelichting: Volgens het huidige onderdeel b geldt een verbod voor honden op de weg indien ze niet aangelijnd zijn. Dus op andere openbare plaatsen dan de weg mag een hond niet aangelijnd lopen, behalve op een krachtens onderdeel a genoemde plaats/aangewezen plaats. De wijziging breidt het verbod voor niet-aangelijnde honden uit tot andere plaatsen binnen de bebouwde kom dan de weg, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over ‘aangewezen plaatsen’. Artikel 2:65 (Bedelarij): (artikel I, onderdeel H, van het wijzigingsbesluit) Artikel 2:65 Bedelarij
Artikel 2:65 Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
Toelichting: Het verbod zou ook in bijvoorbeeld parken of plantsoenen zou moeten gelden. Uit de toelichting in artikel 1:1 op openbare plaats: het verblijf op die plaats [mag] niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden zijn. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. ‘Een voor het publiek toegankelijk gebouw’ voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is dus ook een openbare plaats. Eigenaren/exploitanten van stadions enz. en gemeentehuis’ moeten zelf reguleren. Artikel 2:65a. (Voederen van dieren) (artikel I, onderdeel I, van het wijzigingsbesluit) Artikel 2:65a. Voederen van dieren Het is verboden om, op door het college aan te wijzen locaties en perioden, dieren te voeren indien: a.er door het voeren verkeersonveilige situaties ontstaan; b.er door de frequente aanwezigheid van dieren problemen ontstaan door de uitwerpselen; c. dieren ook ’s nachts op of bij voerplaatsen aanwezig blijven en dan geluidsoverlast veroorzaken; d.er door de aanwezigheid van voer ook dieren aangetrokken worden die minder gewenst zijn;
WAS
WORDT e.er door een overdaad aan voer, gezondheidsproblemen voor de gevoerde dieren ontstaan.
Toelichting: In de gemeente Wassenaar bestaat bij een groep bewoners van de Duivenvoordelaan structurele overlast van onder meer ratten en vogels. Deze overlast zou het gevolg zijn van het overmatig voer aanbieden in zowel de publieke als private ruimte (eigen tuin) om en nabij de Duivenvoordelaan. Daartoe wordt onderzoek gedaan. Indien uit het onderzoek blijkt dat er een causaal verband bestaat tussen de ervaren overlast en het bovenmatig voeren van dieren dan kan op grond van dit artikel een gebied worden aangewezen waar niet gevoerd mag worden. Artikel 2:74 (Drugshandel op straat), tweede lid: (artikel I, onderdeel J, van het wijzigingsbesluit) 2. Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te doenen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeven van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben. Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:80 (Sluiting van voor publiek toegankelijke gebouwen): (artikel I, onderdeel K, van het wijzigingsbesluit)
2. Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeven van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voorhanden te hebben.
WAS
WORDT Artikel 2:80 Sluiting van voor publiek toegankelijke gebouwen 1. De burgemeester kan de sluiting bevelen van een voor publiek toegankelijk gebouw, inrichting of ruimte als daar: a. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; b. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; c. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; d. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend of e. zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het geopend blijven van het gebouw, de inrichting of de ruimte ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. 2. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als naar zijn oordeel de in het eerste lid genoemde belangen voortzetting van de sluiting niet langer vereisen. 3. De burgemeester draagt zorg voor het aanbrengen van het bevel tot sluiting bij de toegang van het gebouw, de inrichting of de ruimte, of in de directe nabijheid daarvan. 4. De rechthebbende laat toe dat een afschrift van het sluitingsbevel wordt aangebracht. 5. Het is verboden een gebouw, inrichting of ruimte te betreden waarvan de sluiting is bevolen. 6.
Het is de rechthebbende verboden zonder toestemming van de burgemeester bezoekers toe te laten of zelf het gebouw, de inrichting of de ruimte te betreden. 7. Het derde, vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing als de burgemeester krachtens artikel 174a van de Gemeentewet of artikel 13b van de Opiumwet heeft besloten tot sluiting van een woning, een lokaal of een bij de woning of dat lokaal behorend erf.
Toelichting: Steeds meer gemeenten kennen een bepaling op grond waarvan de burgemeester de bevoegdheid heeft om in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de gehele of gedeeltelijke sluiting te bevelen van een voor het publiek toegankelijk gebouw (niet zijnde een horeca-inrichting of seksinrichting) of een bij dat gebouw behorend erf. In de praktijk kan een dergelijke bevoegdheid worden ingezet als er bijvoorbeeld sprake is van witwassen of andere ondermijnende strafrechtelijke activiteiten vanuit winkels, garagebedrijven etc. Het RIEC heeft gemeenten in de regio geadviseerd een dergelijke bepaling in de APV op te nemen omdat deze in de (bestuurlijke) aanpak van ondermijning zeer betekenisvol kan zijn. Artikel 3:5 (Gedragseisen exploitant en beheerder), eerste lid, onder a: (artikel I, onderdeel L, van het wijzigingsbesluit)
WAS a. staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
WORDT a.
staan niet onder curatele;
Toelichting: Artikel 3:5. lid 1, sub a, luidde: “staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij”. Sinds 2015 is wettelijk gezien niet langer sprake van ‘ontzet zijn‘ maar van ‘beëindiging van ouderlijk gezag of voogdij’. Beëindiging van het ouderlijk gezag is veel ruimer dan de zeer beperkte groep ontzette ouders. Om deze reden is deze weigeringsgrond op diverse plaatsen, waaronder bijvoorbeeld de Drank- en Horecawet, komen te vervallen. De weigeringsgrond wordt met deze wijziging tevens uit de APV gehaald. Artikel 4:8a Verbod oplaten ballonnen (artikel I, onderdeel M, van het wijzigingsbesluit) Artikel 4:8a Verbod oplaten ballonnen 1. Het is verboden één of meerdere ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen. 2. Onder ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon, etc. 3. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod. Toelichting: Opgelaten ballonnen - waaronder de biologisch afbreekbare exemplaren - die in de natuur terechtkomen, brengen volgens deskundigen ernstige schade toe aan natuur en milieu.
Ze worden bijvoorbeeld opgegeten door vissen, vogels en andere dieren. Daarmee zorgen ze voor dierenleed door verstrikking in linten, of uithongering na het eten van ballonresten. Om deze reden nemen steeds meer gemeenten in de milieuparagraaf van de APV een verbod tot het oplaten van ballonnen op. Het voorgestelde artikel 4:8a voorziet ook in een dergelijk verbod. Artikel 4:20 Schuilmiddelen ten behoeve van nachtsportvisserij (artikel I, onderdeel N, van het wijzigingsbesluit)
WAS
WORDT Artikel 4:20 Schuilmiddelen ten behoeve van nachtsportvisserij 1.Artikel 4:19, eerste lid, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:19, vierde lid. 3. Het verbod van artikel 4:19, eerste lid, geldt niet voor nachtvissen, wanneer wordt voldaan aan de navolgende voorwaarden: a. De visser en het gezelschap mogen geen nachtelijk lawaai veroorzaken en mogen geen rommel achterlaten bij de visplek. Muziek en open vuur zijn niet toegestaan. b. Het is verboden om de oever en de oevervegetatie aan te tasten. c. Het gebruik van een schuilmiddel is toegestaan. d. Het schuilmiddel mag geen grotere afmetingen hebben dan 3 bij 3 meter en moet een neutrale groene, bruine of camouflagekleur hebben. e. De afstand tussen het schuilmiddel en de waterkant mag niet groter zijn dan 3 meter. Als waterkant wordt gerekend daar waar het water de oever raakt. f. Het schuilmiddel mag niet langer worden gebruikt dan maximaal 48 uur achtereen. g. Er moet een voorziening zijn getroffen om de natuurlijke behoefte te kunnen doen. h. De sportvisser dient in het bezit te zijn van een geldige landelijke Vispas. 4. Het college is bevoegd om nadere regels te stellen omtrent het schuilmiddel en de locaties waarbinnen het is toegestaan om te nachtvissen.
Toelichting: In Wassenaar is verzocht om het gebruik van kampeermiddelen (paraplu, kleine karpertent) tijdens het nachtvissen mogelijk te maken. Ingevolge de Visserijwet is nachtvissen in Nederland toegestaan in de maanden juni, juli en augustus. Dat vindt in de praktijk veelal plaats met kleine kampeermiddelen om op deze wijze beschermd te zijn tegen slechte weersomstandigheden. Art. 4:19, lid 1, verbiedt echter de plaatsing van deze kampeermiddelen buiten aangewezen kampeerterreinen. Om deze reden wordt voorgestelde om artikel 4:20 aan de APV toe te voegen. Met verzoekers is gezocht naar een locatie waar er voor omwonenden geen overlast zal zijn van het gebruik van kleine kampeermiddelen bij het nachtkamperen. Deze locatie betreft: de Zijlwatering (Wassenaarse wetering) op het gedeelte tussen de van Duivenvoordelaan en de grens met Valkenburg. Deze locatie zal na wijziging van de APV worden aangewezen. Dit betreft dan de enige locatie waar nachtvissen met kleine kampeermiddelen is toegestaan. De voorwaarden in het derde lid beogen verdere eventuele overlast van het nachtvissen te voorkomen. Artikel 5:14 (Definitie), tweede lid, onder b: (artikel I, onderdeel C, van het wijzigingsbesluit)
WAS
WORDT
b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op
b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en
jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of een snuffelmarkt als bedoeld in artikel 2:24;
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of een snuffelmarkt als bedoeld in artikel 2:24;
Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 5:17 (Definitie), tweede lid, onder a: (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 5:22 (Definitie), tweede lid, onder a: (artikel I, onderdeel O, van het wijzigingsbesluit) a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 5:31b (Detectorverbod): (artikel I, onderdeel P, van het wijzigingsbesluit) Artikel 5:31b Detectorverbod 1.Het college kan gebieden aanwijzen waarop het verboden is zich met een metaaldetector te bevinden. 2.Het college kan ontheffing verlenen van het in lid 1 bedoelde verbod.
Toelichting: Gemeenten kunnen aanvullende beperkingen voor metaaldetectie vastleggen in de APV. Dergelijke beperkingen kunnen nodig zijn in relatie tot de bescherming van natuurschoon of bijvoorbeeld het tegengaan van veiligheidsrisico’s die bestaan door het in de grond voorhanden zijn van wapens of munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Dunea heeft om deze redenen verzocht om een verbod op metaaldetectoren in het duingebied (natura 2000 gebied). Het college zal het betreffende gebied aanwijzen op grond van het eerste lid van artikel 5:31b. Artikel 5:32 (Crossterreinen), eerste lid: (artikel I, onderdeel Q, van het wijzigingsbesluit)
WAS
WORDT
1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten
voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
Toelichting: Er zijn gemeenten met een terrein (in het buitengebied) waar incidenteel een paar uurtjes gecrost wordt met brommers. Het crossen is puur recreatief, dus niet ter voorbereiding op wedstrijden. Om hiertegen te kunnen optreden bij (geluids)overlast is het crossen buiten wedstrijdverband aan het eerste lid toegevoegd. Artikel 7:7 (Citeertitel) (artikel I, onderdeel R, van het wijzigingsbesluit) Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Wassenaar 2014
Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Wassenaar 2021
Het blijven hanteren van de oude citeertitel “Algemene plaatselijke verordening Wassenaar 2014” zorgt voor onduidelijkheden omdat het lijkt of er sprake is van een niet recente versie. Om deze reden wordt de titel gewijzigd in “Algemene plaatselijke verordening Wassenaar 2021”.