CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vredenburghzone Toelichting 1

Besluitvormende raadsvergadering 12 oktober 2022, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: RV.RB. Vaststellen bestemmingsplan Vredenburghzone11.034 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Aan de hand van de archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. De archeologische waardenkaart is in 2018 geactualiseerd en vastgesteld door middel van het Parapluplan Archeologie en Parkeren (19 september 2018). Het bestemmingsplan wordt opgesteld naar aanleiding van de functiewijziging van de deelgebieden A4 (ca. 2,3 ha) en C2 (ca. 3,6 ha). De plangebieden zijn momenteel in gebruik als agrarisch gebied. Het nieuwe gebruik wordt nat natuurgebied en waterberging.

5.7.2 Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan Vredenburghzone Waddinxveen deelgebied A4, deelgebied 2 en C2, wordt inzicht gegeven in de verwachtingswaarden en bijbehorend beleid in het bestemmingsplangebied. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Parapluplan Archeologie en Parkeren (2018); reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken ter hoogte van de plangebieden. In de onderstaande afbeedling is een uitsnede van de archeologische waardenkaart (gelijk aan het Parapluplan Archeologie en Parkeren) van de gemeente Waddinxveen weergegeven.

34/40 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

Afbeelding - uitsnede uit de waardenkaart; rode contour: plangebieden A4 en C2 en perceel 2, de donkere zone betreft de ligging van een stroomgordel met Waarde Archeologie 3 (WA3).

Het plangebied deelgebied 2 ligt gebied waar in de diepere ondergrond (2,5 m onder het maaiveld) de zandige en kleiige afzettingen aanwezig zijn van een oude rivierloop (stroomgordel). Deze afzettingen hebben een hoge archeologische verwachting omdat ze vaak de hoge en droge delen vormden in een verder nat en drassig landschap. Door de droge ligging vormden deze afzettingen ideale bewoningslocaties voor de prehistorische jagers en verzamelaars. Daarom is de kans groot dat er ter hoogte van oude stroomgordels archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. In het vigerend bestemmingsplan hebben deze afzettingen dan ook de Waarde Archeologie 3 en is er een archeologisch onderzoek voor bepaalde ontwikkelingen verplicht. Deze verplichting geldt bij ontwikkelingen bij een minimale maat vanaf 1000m2 en bij werkzaamheden dieper dan 2,5 meter onder de grond. Ter plaatse van deelgebied 2 zullen in het kader van dit bestemmingsplan geen werkzaamheden uitgevoerd worden die groter zijn dan deze drempelwaarden. Desondanks is voor dit deelgebied een dubbelbestemming 'waarde - archeologie 3' opgenomen, conform het 'paraplubestemmingsplan archelogie en parkeren'. Aan weerszijden van de stroomgordelafzettingen bevindt zich een nat en drassig landschap, de zogenaamde komgronden.

Dit landschap bestaat uit kleiige en venige afzettingen, hebben nooit droog gelegen en vormden dus geen geschikte bewoningslocaties in het verleden. Daarom geldt voor deze gebieden een kleine kans (lage verwachting) op de aanwezigheid van archeologische resten. Op deze gronden zijn de plangebieden A4 en C2 gelegen. Nu worden de dieper gelegen stroomgordelafzettingen en komgronden afgedekt door dun een pakket veen en een dikker pakket van klei en zand (wadafzettingen). Beide pakketten zijn gevormd onder water, waardoor er een lage kans is op de aanwezigheid van archeologische 35/40 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

resten. Het oorspronkelijke middeleeuwse veenlandschap is geheel vergraven vanwege de turfwinning, waardoor er geen kans meer is op de aanwezigheid van middeleeuwse archeologische resten. Kortom: ter hoogte van de deelgebieden A4 en C2 geldt een algehele lage archeologische verwachting voor de gehele ondergrond. Deze lage verwachting wordt bevestigd door twee archeologische onderzoeken. In 2004 is het plangebied Triangel door middel van 213 grondboringen onderzocht (adviesbureau RAAP, rapport 1031, november 2004). Deelgebied C2 grenst direct aan een deel dat door middel van 10 boringen is onderzocht. In 2017 is naar aanleiding van de aanleg van de Vredenburghlaan een archeologisch booronderzoek uitgevoerd (adviesbureau De Steekproef, rapport 2017-12/06, 12 februari 2018). De beide deelgebieden grenzen direct aan een gebied dat door middel van 34 boringen is onderzocht. Beide archeologische onderzoeken bevestigen de lage archeologische verwachting van de ondergrond ter hoogte van de deelgebieden A4 en C2 . Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van archeologische resten.

5.7.3 Conclusie en advies De deelgebieden A4 en C2 maken deel uit van een landschap dat niet geschikt is geweest voor bewoning in het verleden. Er geldt een lage archeologische verwachting, vanaf het maaiveld tot en met de diepere ondergrond. Voor het nieuwe bestemmingsplan is vanwege de lage verwachting geen archeologische dubbelbestemming nodig. Voor de voorgenomen natuurontwikkeling (met graafwerkzaamheden) is geen verder archeologisch onderzoek meer nodig. Ter plaatse van deelgebied 2 geldt wel een archeologische verwachting, maar hier worden geen werkzaamheden uitgevoerd die boven de drempelwaarden uitkomen (het deelgebied is zelfs kleiner dan de minimale maat van 1000m2 die geldt); desondanks is hier een archeologische dubbelbestemming opgenomen om te signaleren dat hier archeologische verwachtingswaarden gelden. Ook als archeologisch onderzoek niet verplicht is, kunnen archeologische resten onverhoopt toch nog aanwezig zijn. Mocht blijken bij uitvoer dat deze aanwezig zijn, dan moet het bevoegd gezag (zijnde gemeente Waddinxveen) meteen op de hoogte gesteld worden en een beslissing nemen over hoe om te gaan met de resten. Dit conform paragraaf 5.4, artikel 5.10 van de Erfgoedwet.

5.8 Kabels en leidingen Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. Conclusie In of nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig.

36/40 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

5.9 Milieueffectrapportage 5.9.1 Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.. 1. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor een activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan-m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r. b. b.

De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3. Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r. Als de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dan moet de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven worden. Als de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dan moet beoordeeld worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling.

5.9.2 Onderzoek Feitelijk komen de activiteiten niet voor in het besluit m.e.r. De Activiteiten zijn daarnaast derhalve kleinschalig van aard en uit de nader onderzochte deelaspecten is gebleken dat er geen effect te verwachten is op bestaande waarden. Een m.e.r. procedure of een m.e.r.-beoordeling is derhalve niet aan de orde.

5.9.3 Conclusie en advies Gezien de beperkte omvang van het voornemen en de omschrijving van de deelaspecten, waaruit blijkt dat enig effect voorkomen wordt, is een m.e.r. procedure niet noodzakelijk.Het college van B&W heeft naar aanleiding hiervan het besluit genomen dat geen milieueffectrapportage benodigd is, dit besluit is opgenomen in bijlage 5.

37/40 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

Hoofdstuk 6 W ijze van bestemmen 6.1 Algemene juridische opzet In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit bestemmingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. De regels van het onderhavige bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan.

Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel zonder meer omgevingsvergunning worden verleend. In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd. In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is.

38/40 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

6.2 Bestemmingsregels In deze paragraaf wordt per bestemming een korte toelichting gegeven op de bestemmingsregeling. In voorliggend bestemmingsplan komende volgende bestemmingen voor: Artikel 3 Recreatie De gronden binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Recreatie'. Binnen deze bestemming is een natuurgebied met extensieve (dag)recreatie en wateropvang/-berging toegestaan. Daarbij zijn onder andere kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen en speelweides toegestaan. De bouwmogelijkheden zijn beperkt en enkel mogelijk ten behoeve van voorzieningen voor openbaar nut en bouwwerken geen gebouw zijnde. Tevens is een regeling opgenomen inzake Omgevingsvergunning(plicht) voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

6.3 Dubbelbestemmingen Wanneer een andere bestemming samenvalt met de dubbelbestemming, gaan de regels, die horen bij de dubbelbestemming, voor. Waarde - Archeologie 3 Ten behoeve van de, blijkens het paraplubestemmingsplan archeologie en parkeren, op het deelgebied 2 aanwezige archeologische verwachtingswaarden is een dubbelbestemming opgenomen voor dit gedeelte van het plangebied. Deze archeologische dubbelbestemming is gelijk aan de dubbelbestemming die op is genomen in het 'paraplubestemmingsplan Archeologie en parkeren'. Artikel 5 Waterstaat - Waterberging Ten behoeve van het veilig stellen van de onderhoudszone rondom de Zuidelijke Dwarstocht is aan weerszijden hiervan een zone van 5 m opgenomen waar deze dubbelbestemming geldt. De breedte van de onderhoudsstrook geldt vanaf de boveninsteek van het talud, tenzij het talud dermate flauw is (1:7 of flauwer) dat onderhoudsmaterieel hierop kan rijden.

39/40 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Afhankelijk van de aard van het plan dient nader te worden ingegaan op de beargumentering dat het plan economisch uitvoerbaar is. Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het bestemmingsplan 'Vredenburghzone' is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien.

In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. De gemeente is zelf initatiefnemer en de financiering voor het plan is geregeld. Eventueel uit het plan voortvloeiende planschade is voor rekening van de gemeente.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Ter voldoening aan artikel 3.1.1 van het Bro, is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan betrokken overheden.

7.2.2 Ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp van dit bestemmingsplansplan heeft vanaf 16 juni 2022 tot en met 27 juli 2022 ter inzage gelegen. Tijdens de ter inzage legging van het ontwerp zijn geen zienswijzen ontvangen. Gelijktijdig met de terinzagelegging is het bestemmingsplan voor advies voorgelegd aan de wettelijk verplichte relevante overlegpartners.

40/40 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BPVredenburghzone-0401 -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11864780/1