Vredenburghzone fase 3_Toelichting
Tekst van het document
Bij het (opnieuw) vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau wordt rekening gehouden met de best beschikbare technieken (BBT). De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan die de bouw van een (composterings)hal mogelijk maakt beoordeeld dat door toepassing van BBT een geurhinderniveau van 0,5 OUE/m3 als 98-percentiel mogelijk is ten opzichte van geurgevoelige objecten. De gemeenteraad heeft dit niveau voor de nieuwe (toekomstige) situatie vastgesteld als het aanvaardbaar hinderniveau ten aanzien van geurgevoelige objecten. De functies in het plangebied worden niet als geurgevoelig beschouwd. In de nieuwe (toekomstige) situatie is ter plaatse van het noordelijke plandeel sprake van een geurhinderniveau lager dan 0,5 OUE/m3 als 98-percentiel door toepassing van BBT en ter plaatse van het zuidelijke plandeel sprake van een geurhinderniveau tussen 0,5 en 1,5 OUE/m3 als 98-percentiel door toepassing van BBT. 34/43 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BP85217-0401 - datum_oplevering document
Er zicht is op de nieuwe (toekomstige) situatie omdat de vergunning is verleend en het bestemmingsplan is vastgesteld voor de bouw van een (composterings)hal. Geconcludeerd wordt dat er binnen het plangebied geen sprake is van een geurgevoelig object, daardoor is er geen sprake is van onevenredige aantasting van de belangen van nabijgelegen bedrijvigheid. Ook wordt op basis van bovenstaande geconcludeerd dat geen sprake is een onevenredige geurhindersituatie binnen het plangebied.
5.6.3 Conclusie en advies Het aspect bedrijven en milieuzonering staat het vaststellen van het bestemmingsplan niet in de weg.
5.7 Archeologie 5.7.1 Wet- en regelgeving Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. De gemeente Waddinxveen heeft sinds 2012 een eigen archeologiebeleid vastgesteld.
Aan de hand van de archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. De archeologische waardenkaart is in 2018 geactualiseerd en vastgesteld door middel van het Parapluplan Archeologie en Parkeren (19 september 2018).
5.7.2 Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan Park Vredenburgh fase 3 wordt inzicht gegeven in de archeologische verwachtingswaarden en bijbehorend beleid in het bestemmingsplangebied. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Parapluplan Archeologie en Parkeren (19 september 2018); het Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; Reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken. 35/43 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BP85217-0401 - datum_oplevering document
In figuur 7.1 is een uitsnede van het Parapluplan Archeologie en Parkeren weergegeven. Voor het plangebied gelden twee typen van een archeologische verwachting: Middelhoge archeologische verwachting (lichtgroen): deze zone betreft de loop van een oude rivier (Zuidplas stroomgordel). Op de afzettingen van deze fossiele rivierloop worden resten uit de prehistorie verwacht. Bij een verstoring met een oppervlakte groter dan 1000 m² en dieper dan 2,5 m is archeologisch onderzoek noodzakelijk. en dieper dan 30cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Lage archeologische verwachting (lichtgeel): binnen deze zone is er een geringe kans op het aantreffen van archeologische resten uit de prehistorie (dieper onder het maaiveld) en Middeleeuwen (vanaf het maaiveld). Hier is geen archeologisch onderzoek nodig.
Figuur - Uitsnede Parapluplan Archeologie en Parkeren. Rode kaders = plangebied Het plangebied ligt naast het tracé van de toekomstige Vredenburghlaan. Ter hoogte van de zone met een middelhoge archeologische verwachting heeft in 2017 een archeologisch bureauen booronderzoek plaatsgevonden (adviesbureau De Steekproef, rapport 2017-12/06, februari 2018). Hier zijn 21 boringen gezet tot een diepte van maximaal 3,5 m onder het maaiveld. De bodem bestaat (van boven naar beneden) uit een pakket wadafzettingen (klei en zand) op veen. De dieper gelegen stroomgordelafzettingen (klei en zand) zijn binnen de boordiepte niet aangetroffen. De middelhoge archeologische verwachting van de stroomgordelafzettingen blijft gehandhaafd. Op basis van het booronderzoek kan de vrijstellingsgrens van 2,5 m naar 3,5 m verruimd worden. Er zijn na 2018 geen onderzoeken en vondstmeldingen meer geregistreerd in Archis3.
36/43 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BP85217-0401 - datum_oplevering document
5.7.3 Conclusie en advies Voor een klein deel van het plangebied blijft de middelhoge archeologische verwachting gehandhaafd. Dit houdt in dat deze zone als een dubbelbestemming moet worden overgenomen. Het oppervlakte van de vrijstellingsgrens blijft 1.000 m², de diepte wordt verruimd meer 3,5 m onder het maaiveld. Het plangebied wordt bestemd voor natuur en recreatie. Gezien de diepe ligging van verwachte archeologische waarden (dieper dan 3,5 m), speelt het aspect archeologie binnen dit plan niet verder een rol. Wel is het advies om een (toekomstige) doorsnijding van deze afzettingen (sloten en waterpartijen) te voorkomen. Bij het aansnijden van diepe zandige lagen kan kwel ontstaan waarbij (mogelijk) sterk ijzerrijk en licht brakkig water aan het oppervlak kan komen.
5.8 Kabels en leidingen Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. Conclusie Aan de noordzijde van het plangebied ligt een belangrijke drinkwatertransportleiding. Deze leiding voorziet Leiderdorp, Hazerswoude, Alphen aan de Rijn en een deel van Nieuwkoop van schoon drinkwater. Deze beschermingzone is overgenomen in dit bestemmingsplan door middel van de dubbelbestemming 'Leiding - Water'.
5.9 Milieueffectrapportage 5.9.1 Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.. 1. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor een activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan-m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r b.
De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning 37/43 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BP85217-0401 - datum_oplevering document
voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3. Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r. Indien de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven te worden. Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient beoordeeld te worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling. Bij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage 4 van het Besluit m.e.r.
5.9.2 Onderzoek Deze ontwikkeling valt mogelijk onder D9 'Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan.' Het plan is kleiner dan de drempelwaarde: In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of 2°. vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer. Dit maakt dat het plan enkel m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Daarom wordt ingegaan op de beoordelingscriteria van bijlage III bij de Europese richtlijn. De kenmerken van het project De omvang van het project De omvang van het project betreft de realisatie van een natuur- en recreatiegebied in de Vredenburghzone op agrarische grond. De ontwikkeling ligt ruim onder de verplichting m.e.r.beoordelingsdrempel van 125 hectare. De cumulatie met andere projecten Cumulatieve effecten met andere projecten zijn niet aanwezig. Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, verontreiniging en hinder, risico van ongevallen. Aspecten als gebruik van natuurlijke hulpbronnen, productie van afvalstoffen en risico van ongevallen spelen hier niet of maar in zeer beperkte mate.
De plaats van het project Het bestaande grondgebruik Agrarisch grasland Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratieve vermogen natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het plangebied ligt in een gebied met deels een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Het grootste deel kent geen archeologische verwachting. Voor de voorgenomen natuurontwikkeling (met graafwerkzaamheden) is geen verder archeologisch onderzoek meer nodig. De verstorende werking van het realiseren van een natuur- en recreatiegebied is naar verwachting echter gering. Het opname vermogen van het natuurlijke milieu De functie wijziging naar 'natuur en recreatie' zal een positieve bijdrage leveren aan de biodiversiteit binnen het gebied, omdat het gebied aantrekkelijker wordt gemaakt voor zowel flora als fauna. Tijdens de werkzaamheden voor het ontwikkelen van dit gebied zullen maatregelen getroffen worden om de Wet natuurbescherming niet te overtreden. Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (Geografisch en grootte getroffen bevolking) Er zal geen sprake zijn van potentiële aanzienlijke effecten, zoals in het vorenstaande is 38/43 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BP85217-0401 - datum_oplevering document
aangetoond. Grensoverschrijdend karakter Niet van toepassing Orde van grootte en complexiteit, duur, frequentie en omkeerbaarheid effect Niet van toepassing
5.9.3 Conclusie en advies Gezien de beperkte omvang van het voornemen en de omschrijving van de deelaspecten, waaruit blijkt dat enig effect voorkomen wordt, is een m.e.r. procedure niet noodzakelijk. Het college moet een besluit nemen over het afzien van een m.e.r. procedure. Een voorzet voor het besluit hiervoor staat in Bijlage 1.
39/43 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BP85217-0401 - datum_oplevering document
Hoofdstuk 6 W ijze van bestemmen 6.1 Algemene juridische opzet In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit bestemmingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. De regels van het onderhavige bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan.
Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel zonder meer omgevingsvergunning worden verleend. In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd. In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is.
6.2 Bestemmingsregels In deze paragraaf wordt per bestemming een korte toelichting gegeven op de bestemmingsregeling. In voorliggend bestemmingsplan komende volgende bestemmingen voor: Artikel 3 Agrarisch De gronden aan de noordwestzijde zijn bestemd voor bestaande agrarische bedrijfsactiviteiten, ondergeschikte verkoop van bedrijfsgebonden producten en recreatief medegebruik. De 40/43 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BP85217-0401 - datum_oplevering document
bouwmogelijkheden zijn beperkt tot bouwwerken geen gebouw zijnde. Tevens is een regeling opgenomen inzake Omgevingsvergunning(plicht) voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Artikel 4 Recreatie De gronden binnen het plangebied zijn grotendeels voorzien van de bestemming 'Recreatie'. Binnen deze bestemming is een natuurgebied met extensieve (dag)recreatie en wateropvang/-berging toegestaan. Daarbij zijn onder andere kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen en speelweides toegestaan. De bouwmogelijkheden zijn beperkt en enkel mogelijk ten behoeve van voorzieningen voor openbaar nut en bouwwerken geen gebouw zijnde. Tevens is een regeling opgenomen inzake Omgevingsvergunning(plicht) voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Artikel 5 Water In het midden van het plangebied loopt een watergang. De watergang is voorzien van de bestemming 'Water'. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor watergangen, oevers en waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen, bermen, taluds en groenvoorzieningen, extensieve recreatie en kunstwerken. Tevens is een regeling opgenomen inzake Omgevingsvergunning(plicht) voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
6.3 Dubbelbestemmingen Wanneer een andere bestemming samenvalt met de dubbelbestemming, gaan de regels, die horen bij de dubbelbestemming, voor. Artikel 6 Leiding - Water Ten behoeve van het aanleggen, herstellen en instandhouding van de waterleiding nabij de Sterrenlaan en Beijerincklaan is de dubbelbestemming 'Leiding - Water' opgenomen. De dubbelbestemming is vrijwel gelijk aan de opgenomen regeling uit het voormalige bestemmingsplan. Artikel 7 Waarde - Archeologie 3 Ten behoeve van de, blijkens het paraplubestemmingsplan archeologie en parkeren, op het deelgebied 2 aanwezige archeologische verwachtingswaarden is een dubbelbestemming opgenomen voor dit gedeelte van het plangebied. Deze archeologische dubbelbestemming is gelijk aan de dubbelbestemming die op is genomen in het 'paraplubestemmingsplan Archeologie en parkeren'. Artikel 8 Waterstaat - Waterbergingsgebied Ten behoeve van het veilig stellen van de onderhoudszone rondom de Zuidelijke Dwarstocht is aan weerszijden hiervan een zone van 5 m opgenomen waar deze dubbelbestemming geldt. De breedte van de onderhoudsstrook geldt vanaf de boveninsteek van het talud, tenzij het talud dermate flauw is (1:7 of flauwer) dat onderhoudsmaterieel hierop kan rijden.
41/43 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BP85217-0401 - datum_oplevering document
Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Afhankelijk van de aard van het plan dient nader te worden ingegaan op de beargumentering dat het plan economisch uitvoerbaar is. Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het bestemmingsplan 'Vredenburghzone fase 3' is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien.
In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplangeen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. De gemeente is zelf initatiefnemer en de financiering voor het plan is geregeld. Eventueel uit het plan voortvloeiende planschade is voor rekening van de gemeente.
7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Ter voldoening aan artikel 3.1.1 van het Bro, is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan betrokken overheden.
7.2.2 Ontwerp bestemmingsplan Met ingang van 28 december 2023 tot en met 7 februari 2024 heeft het ontwerp-bestemmingsplan 'Vredenburghzone fase 3' met bijbehorende stukken gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens de termijn van terinzagelegging zijn zes zienswijzen ingediend op het ontwerp-bestemmingsplannen. Deze zienswijzen worden samengevat en beantwoord.
42/43 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BP85217-0401 - datum_oplevering document
43/43 - vastgesteld - NL.IMRO.0627.BP85217-0401 - datum_oplevering document