CConstaterende datWaddinxveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Vredenburghzone deelgebied Tweede Bloksweg_Toelichting

Besluitvormende raadsvergadering 26 maart 2025, gemeente WaddinxveenBij agendapunt: Bijlage 112.806 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De veiligheidsregio heeft in het kader van de fysieke veiligheid aangegeven dat geen verdere advisering nodig is. Onderstaande punten zijn daarbij beoordeeld: Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de bereikbaarheid voor hulpdiensten. De percelen zijn via de openbare weg goed te bereiken. Er zijn geen bijzonderheden ten aanzien van de bluswaterwinning (brandkraan en open water zijn aanwezig). Het plangebied is vanuit het Regionale dekkingsplan gelegen in een buurt met de classificatie 'Categorie 3' met het overheersende kenmerk 'Verspreid liggende woningen' / 'Verspreid liggende gebouwen voor zelfredzame personen'. De nieuwe ontwikkeling past binnen het profiel van de vastgestelde categorie. De referentiewaarde voor deze categorie is 15 minuten. De daadwerkelijke opkomsttijd (prognosetijd) valt hier ruim binnen. 31/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

Bij een brand in de omgeving (of een toxische wolk) is het handelingsperspectief voor de aanwezigen schuilen binnen een bouwwerk. Bouwwerken kunnen hiervoor enige tijd bescherming bieden, mits de ramen en deuren gesloten kunnen worden en de (mechanische) ventilatie afgeschakeld kan worden. Er wordt dan ook geadviseerd om de bouwwerken te voorzien van de mogelijkheid om de ventilatie met één druk op de knop af te kunnen schakelen. In het toekomstige Besluit Bouwwerken Leefomgeving (Bbl) is in artikel 4.124, lid 4 geregeld dat de mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig moet kunnen worden uitgeschakeld. Dit zal verder verwerkt moeten worden in de uiteindelijke uitwerking van het bouwplan.

5.5.3 Conclusie en advies Het aspect externe veiligheid staat het vaststellen van het bestemmingsplan niet in de weg.

5.6 Bedrijven en milieuzonering 5.6.1 Wet- en regelgeving Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Door aanwezigheid van bedrijven kan mogelijk hinder voor de omgeving ontstaan met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, het Activiteitenbesluit milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten.

5.6.2 Onderzoek In het bestemmingsplan "Vredenburghzone" worden nieuwe woonbestemmingen mogelijk gemaakt. In het onderzoek is alleen de bedrijvigheid buiten het plangebied onderzocht, omdat het plan geen bedrijvigheid mogelijk maakt. Daarbij hoort volgens de VNG handreiking Bedrijven en Milieuzonering de volgende aanpak. Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van de richtafstanden van Bedrijven en Milieuzonering. Rondom het plangebied zijn de volgende bedrijfsmatige activiteiten aanwezig: Afvalbrengstation Langs de zuidelijke rondweg 250 is een gemeentelijk afvalbrengstation gelegen. Dit station produceert hinder in de vorm van geluid (50 meter) en geur en stof (beiden 30 meter). De nieuwe woningen liggen op een afstand groter dan 50 meter van het station. Dit station vormt geen belemmering.

Wagro Op basis van het vastgestelde bestemmingsplan 'Tweede Bloksweg 54b-58, Waddinxveen' heeft het bedrijfsperceel deel de milieucategorie 3.2 en deels 4.2. Voor bedrijven in milieucategorie 4.2 dient rekening te worden gehouden met een afstand van minimaal 200 meter in gemengd gebied (300 meter in rustig buitengebied). De afstand van het bedrijfsperceel tot de woonbestemming in dit plan betreft ruim 400 meter. Hiermee wordt ruim voldaan aan de 32/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

afstand. Gelet op de bedrijfsactiviteiten van de Wagro, speelt het aspect geur een belangrijke rol. De juridische uitgangssituatie van Wagro betreft: I.

Op 8 oktober 2015 heeft Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland een revisievergunning verleend aan de Wagro (de oude vergunde situatie). II. Op 18 september 2024 heeft de gemeenteraad van Waddinxveen het bestemmingsplan vastgesteld die de bouw van een (composterings)hal mogelijk maakt. Dit besluit is nog niet onherroepelijk. III. Op 19 september 2024 heeft GS een besluit genomen op de aanvraag omgevingsvergunning van de Wagro om de bestaande buitencompostering onder te brengen in een hal (een zogeheten tunnelcompostering). Dit besluit is nog niet onherroepelijk. Bij het bouwen van geurgevoelige objecten (waaronder woningen) moet rekening worden gehouden met de geurcontouren van omliggende bedrijven. Het huidig bestemmingsplan heeft een agrarische bestemming met enkele bouwvlakken. Op het middelste perceel is een bedrijfswoning toegestaan. In de nieuwe, gewenste situatie, wordt deze bestemming omgezet naar de bestemmingen 'Wonen' en een deel 'Recreatie'. Binnen de woonbestemmingen wordt het mogelijk gemaakt om drie grondgebonden woningen te maken met bijbehorende bijgebouwen.

Een geurgevoelig object is conform de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gedefinieerd als: “gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt”. Aan de noordwestzijde van het perceel worden, gezien deze definitie, drie woningen met bijbehorende woonbestemmingen opgericht die gezien moeten worden als geurgevoelige objecten. Toetsing Gelet op de juridische situatie omtrent het vastgestelde bestemmingsplan en verleende omgevingsvergunning, die nog niet onherroepelijk zijn, is de situatie getoetst aan de oude vergunde situatie (2015) én vervolgens aan de nieuwe vergunde/bestemde situatie. Oude vergunde situatie (2015) In de oude vergunde situatie is het aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld. De grootste geurcontour betreft de 6 OUE/m3 de 99,9-percentiel. Bij het vaststellen van dit bestemmingsplan wordt rekening gehouden met deze oude vergunde geurcontour, aangezien de nieuwe vergunde/bestemde situatie nog niet onherroepelijk is. Er worden geen woningen (geurgevoelige objecten) toegevoegd binnen deze contour. Ook de woonbestemming is volledig buiten deze geurcontour geprojecteerd, om te voorkomen dat alsnog vergunningvrije geurgevoelige objecten worden gerealiseerd binnen de woonbestemming.

Nieuwe vergunde/bestemde situatie Bij de vaststelling van bestemmingsplan voor Wagro is het aanvaardbaar hinderniveau gesteld op een waarde van 0,5 OUE/m3 als 98-percentiel. Hierover het volgende: I.

De gemeente heeft geen geurbeleid en kan in iedere situatie de afweging maken wat acceptabel is, binnen de grenzen van het geurbeleid van de provincie. II. Voor het vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau is gebruik gemaakt van het geurhinderbeleid van de Provincie Zuid-Holland (Geurhinderbeleid provincie Zuid-Holland Actualisatie 2019). III. Het afwegingsgebied voor het vaststellen van het aanvaardbaar hindeniveau ligt op basis van dit beleid tussen de hindergrens (0,5 OUE/m3) en de ernstige hindergrens (5 OUE/m3 als 33/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

98-percentiel). IV. Het geurhinderniveau van de oude vergunde situatie valt binnen het afwegingsgebied. V. Bij een uitbreiding van de productiecapaciteit van een bestaande installatie met meer dan 50% moet het aanvaardbaar hinderniveau opnieuw moet worden vastgesteld (§4.2.1 van het geurbeleid). VI. Bij het (opnieuw) vaststellen van het aanvaardbaar hinderniveau wordt rekening gehouden met de best beschikbare technieken (BBT). VII. De gemeenteraad heeft bij de vaststelling van het bestemmingsplan die de bouw van een (composterings)hal mogelijk maakt beoordeeld dat door toepassing van BBT een geurhinderniveau van 0,5 OUE/m3 als 98-percentiel mogelijk is. VIII. De gemeenteraad heeft dit niveau voor de nieuwe (toekomstige) situatie vastgesteld als het aanvaardbaar hinderniveau. IX. In de nieuwe (toekomstige) situatie wordt ter plaatse van de nieuwe woningen voldaan aan het geurhinderniveau van 0,5 OUE/m3 als 98-percentiel door toepassing van BBT. X. Er zicht is op de nieuwe (toekomstige) situatie omdat de vergunning is verleend en het bestemmingsplan is vastgesteld voor de bouw van een (composterings)hal.

Geconcludeerd wordt dat op basis van zowel de oude vergunde als de nieuwe vergunde situatie van Wagro wordt voldaan aan het daarbij behorende aanvaardbaar hinderniveau bij de woningen én daardoor geen sprake is van onevenredige aantasting van de belangen van nabijgelegen bedrijvigheid. Distripark en Windmolens A12 Het Distripark ligt ten zuiden van de A12 meer dan 850 meter van het plangebied. Er is geen invloed van de bedrijvigheid van het Distripark op de woonbestemmingen binnen het bestemmingsplan Tweede Bloksweg. Op het Distripark staan vier windmolens. Windmolens kunnen in de omgeving overlast veroorzaken zoals slagschaduw, geluid en gevaar. Ten aanzien van schaduw, geluid en gevaar zijn voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het plangebied ligt echter op een dusdanig grotere afstand dat er geen sprake is van hinder van slagschaduw. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk. Overige bedrijven Ten zuiden van de Zuidelijke rondweg en ten westen van de Beijerincklaan zijn verschillende akker-, tuinbouw-, en loonbedrijven gelegen. Deze bedrijven liggen op een dusdanige afstand van het plangebied (dichtstbijzijnde op 200 meter) dat geen van deze bedrijven een belemmering vormt.

5.6.3 Conclusie en advies Het aspect bedrijven en milieuzonering staat het vaststellen van het bestemmingsplan niet in de weg.

34/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

5.7 Archeologie 5.7.1 Wet- en regelgeving Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd: archeologisch erfgoed betreft onvervangbaar onderdeel van ons cultureel erfgoed. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen o.a. het meewegen van archeologie in de besluiten op het gebied van de Ruimtelijke Ordening (zoals omgevingsvergunning) en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming daarvan krijgt gestalte door het opnemen van voorschriften in het bestemmingsplan ten aanzien van de afgifte van een omgevingsvergunning voor bodemverstorende activiteiten in die gebieden die als archeologisch waardevol zijn aangemerkt. Deze voorschriften kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de vergunning zelf kunnen aanvullende voorwaarden worden verbonden, met als uiterste de verplichting tot planaanpassing of het laten verrichten van een opgraving. De gemeente Waddinxveen heeft sinds 2012 een eigen archeologiebeleid vastgesteld.

Aan de hand van de archeologische waardenkaart is per gebied bepaald of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Wanneer een archeologisch onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen van archeologische aard voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wanneer een archeologisch onderzoek verplicht is, dienen verschillende stappen van onderzoek en besluitvorming gevolgd te worden. Deze stappen worden beschreven in de cyclus van de Archeologische Monumentenzorg. De archeologische waardenkaart is in 2018 geactualiseerd en vastgesteld door middel van het Parapluplan Archeologie en Parkeren (19 september 2018). Het bestemmingsplan wordt opgesteld naar aanleiding van de functiewijziging van agrarische gronden met bouwvlak naar de bestemming 'Woongebied'.

5.7.2 Onderzoek In het kader van het bestemmingsplan wordt inzicht gegeven in de verwachtingswaarden en bijbehorend beleid in het bestemmingsplangebied. Hiervoor zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Parapluplan Archeologie en Parkeren (2018). In de onderstaande afbeedling is een uitsnede van het bestemmingsplan met daarbij archeologische waardenkaart (gelijk aan het Parapluplan Archeologie en Parkeren) van de gemeente Waddinxveen weergegeven.

35/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

Afbeelding - uitsnede bestemmingsplan met de waardenkaart. Een zeer klein deel van de planlocatie ligt binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Het plangebied is slechts voor een klein deel gelegen binnen de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' waarin een verhoogde kans is op het aantreffen van archeologische waarden. Dit betreft het uiterste zuidoostelijk gelegen deel, ver buiten het bouwvlak. Op de locatie waar de nieuwe woningen worden gerealiseerd geleden geen archeologische vereisten en is dus ook geen nader archeologisch onderzoek nodig. De bestaande dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' inclusief regels worden meegenomen in het nieuwe plan.

5.7.3 Conclusie en advies Vanwege de lage verwachting van archeologische waarden is ten behoeve van de ruimtelijke procedure geen nader archeologisch onderzoek nodig. De bestaande delen waar een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' geldt worden inclusief regels meegenomen in het nieuwe bestemmingsplan. Derhalve zijn geen nadelige effecten te verwachten voor het onderdeel archeologie. Ook als archeologisch onderzoek niet verplicht is, kunnen archeologische resten onverhoopt toch nog aanwezig zijn. Mocht blijken bij uitvoer dat deze aanwezig zijn, dan moet het bevoegd gezag (zijnde gemeente Waddinxveen) meteen op de hoogte gesteld worden en een beslissing nemen over hoe om te gaan met de resten. Dit conform paragraaf 5.4, artikel 5.10 van de Erfgoedwet.

36/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

5.8 Kabels en leidingen Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. Conclusie Aan de noordzijde van het plangebied ligt een belangrijke drinkwatertransportleiding. Deze leiding voorziet Leiderdorp, Hazerswoude, Alphen aan de Rijn en een deel van Nieuwkoop van schoon drinkwater. In het voormalig bestemmingsplan was deze leiding beschermd. Deze beschermingzone is overgenomen in het nieuwe bestemmingsplan door middel van de dubbelbestemming 'Leiding - Water'. Tevens zal ten zuiden van deze transportleiding, tussen de twee woningen, een nieuwe leiding worden aangelegd. Om ook deze te beschermen zal een nieuwe dubbelbestemming worden opgenomen.

5.9 Milieueffectrapportage 5.9.1 Wet- en regelgeving De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen. In Besluit m.e.r. is opgenomen wanneer een m.e.r. verplicht is. Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.. 1. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor een activiteiten uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan-m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling. b. De activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk). Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. 2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: a. De activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r. b. b.

De initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden. Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D va het Besluit m.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen). 3. Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r. Als de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dan moet de in de wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure beschreven worden. Als de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dan 37/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

moet beoordeeld worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling.

5.9.2 Onderzoek De Activiteiten zijn derhalve kleinschalig van aard en uit de nader onderzochte deelaspecten is gebleken dat er geen effect te verwachten is op bestaande waarden. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Er worden twee woningen toegevoegd, daarmee zit het plan ruim onder de grenswaarden voor uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject (Zie bijlage van het Besluit milieueffectrapportage, D11.2 kolom 2) Een m.e.r. procedure of een m.e.r.-beoordeling is derhalve niet aan de orde omdat de ontwikkeling niet voorkomt in het Besluit m.e.r.

5.9.3 Conclusie en advies Gezien de beperkte omvang van het voornemen en de omschrijving van de deelaspecten, waaruit blijkt dat enig effect voorkomen wordt, is een m.e.r. procedure niet noodzakelijk.

38/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

Hoofdstuk 6 W ijze van bestemmen 6.1 Algemene juridische opzet In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit bestemmingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. De regels van het onderhavige bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan.

Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel zonder meer omgevingsvergunning worden verleend. In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd. In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is.

39/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

6.2 Bestemmingsregels In deze paragraaf wordt per bestemming een korte toelichting gegeven op de bestemmingsregeling. In voorliggend bestemmingsplan komende volgende bestemmingen voor: Artikel 3 Recreatie De gronden binnen het plangebied zijn deels voorzien van de bestemming 'Recreatie'. Binnen deze bestemming is een natuurgebied met extensieve (dag)recreatie en wateropvang/-berging toegestaan. Daarbij zijn onder andere kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen en speelweides toegestaan. De bouwmogelijkheden zijn beperkt en enkel mogelijk ten behoeve van voorzieningen voor openbaar nut en bouwwerken geen gebouw zijnde. Tevens is een regeling opgenomen inzake Omgevingsvergunning(plicht) voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Artikel 4 Water De bestaande watergang langs de Tweede Bloksweg is bestemd als 'Water'. De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor watergangen, oevers en waterpartijen, waterhuishoudkundige voorzieningen, bermen, taluds en groenvoorzieningen, extensieve recreatie en kunstwerken. Tevens is een regeling opgenomen inzake Omgevingsvergunning(plicht) voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Artikel 5 Wonen De beoogde kavels binnen het plangebied zijn voorzien van de bestemming 'Wonen'.

Hoofdgebouwen binnen deze bestemming mogen uitsluitend ter plaatse van het 'bouwvlak' worden gebouwd, waarbij er per 'bouwvlak' ten hoogste 1 woning mag worden gerealiseerd. Daarnaast gelden bouwregels voor bijbehorende bouwwerken, bouwwerken geen gebouw zijnde en overige bouwwerken. Ook is een regeling opgenomen inzake Omgevingsvergunning(plicht) ten aanzien van aspecten vanuit externe veiligheid en geluid. Voor het verharden van tuinen is een specifieke regel opgenomen. Tevens is een regeling opgenomen inzake Omgevingsvergunning(plicht) voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.

6.3 Dubbelbestemmingen Wanneer een andere bestemming samenvalt met de dubbelbestemming, gaan de regels, die horen bij de dubbelbestemming, voor. Artikel 6 Leiding - Water De in het plangebied gelegen hoofdtransportleidingen die bescherming behoeft heeft een dubbelbestemming gekregen. Voor deze leidingen is er een belemmeringszone (vrijwaringszone) ter weerszijden van de leiding opgenomen waarin in principe niet gebouwd mag worden van 5 meter aan weerszijden. Artikel 7 Waarde - Archeologie 3 Ten behoeve van de, blijkens het paraplubestemmingsplan archeologie en parkeren, op het deelgebied 2 aanwezige archeologische verwachtingswaarden is een dubbelbestemming opgenomen voor dit gedeelte van het plangebied. Deze archeologische dubbelbestemming is gelijk aan de dubbelbestemming die op is genomen in het 'paraplubestemmingsplan 40/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

Archeologie en parkeren'.

41/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting van een bestemmingsplan minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Afhankelijk van de aard van het plan dient nader te worden ingegaan op de beargumentering dat het plan economisch uitvoerbaar is. Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het bestemmingsplan 'Vredenburghzone deelgebied Tweede Bloksweg' is een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien.

In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen indien: het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld via gronduitgifte, een anterieure overeenkomst over grondexploitatie); het niet noodzakelijk is een tijdvak voor de exploitatie, dan wel een fasering in de uitvoering van werken, werkzaamheden, maatregelen en bouwplannen vast te stellen; het stellen van eisen voor de werken en werkzaamheden voor het bouwrijp maken van het exploitatiegebied, de aanleg van nutsvoorzieningen en het inrichten van de openbare ruimte in het exploitatiegebied, dan wel het stellen van regels omtrent het uitvoeren van die werkzaamheden, dan wel een uitwerking van de regels met betrekking tot de uitvoerbaarheid niet nodig is. De gemeente is zelf initiatiefnemer en de financiering voor het plan is geregeld. Eventueel uit het plan voortvloeiende planschade is voor rekening van de gemeente.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.2.1 Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro Ter voldoening aan artikel 3.1.1 van het Bro, is het voorontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan betrokken overheden.

7.2.2 Ontwerp bestemmingsplan Met ingang van 27 december 2023 tot en met 7 februari 2024 heeft het ontwerp-bestemmingsplan 'Vredenburghzone deelgebied Tweede Bloksweg' met bijbehorende stukken gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Het besluit is op 27 december 2023 gepubliceerd in de Staatcourant. Tevens heeft publicatie plaatsgevonden via elektronische kennisgeving op de website van de gemeente Waddinxveen. 42/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

Tijdens de termijn van terinzagelegging zijn drie zienswijzen ingediend op het ontwerp-bestemmingsplannen. Deze zienswijzen zijn samengevat in de Zienswijzennota samengevat en beantwoord. Beoordeeld is of de zienswijzen ontvankelijk en gegrond worden geacht en of dit aanleiding geeft tot aanpassing van het bestemmingsplan. Tevens worden in de Zienswijzennota ambtshalve wijzigingen benoemd. De Zienswijzennota in opgenomen in Bijlage 7.

43/43 - v astgesteld - NL.IMRO.0627.BP85211-0401 -

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15153630/2