Vredenburghzone deelgebied Tweede Bloksweg_Bijlagen bij de toelichting Quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna
Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
In opdracht van: Omgevingsdienst Midden-Holland 1 februari 2024
Colofon © 2024 Laneco / Omgevingsdienst Midden-Holland Tekst en samenstelling: Ing. A. Borgers Tweede lezer:
Ir. D. van Pijkeren
Projectnummer:
159.23.01
In opdracht van:
Omgevingsdienst Midden-Holland
Wijze van citeren:
Borgers, A (2024). Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh, fase 3 te Waddinxveen. Voorthuizen, Nederland: Laneco.
Laneco is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologisch advies en onderzoek.
Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd, gewijzigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en Laneco. Noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. Laneco is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Laneco. De opdrachtgever vrijwaart Laneco voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
INHOUD 1
INLEIDING .................................................................................................... 4
1.1 1.2 2
GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN ................................................................................... 6
TOETSING .................................................................................................... 10
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 3
AANLEIDING ................................................................................................................................. 4
ONDERZOEKSMETHODIEK .............................................................................................................. 10 NATUURNETWERK NEDERLAND ...................................................................................................... 11
OMGEVINGSWET – ONDERDEEL NATURA2000-ACTIVITEITEN .............................................................. 12 OMGEVINGSWET – BESCHERMING HOUTOPSTANDEN......................................................................... 13 OMGEVINGSWET – FLORA- EN FAUNA-ACTIVITEIT .............................................................................. 13 SPECIFIEKE ZORGPLICHT ................................................................................................................ 22
CONCLUSIE .................................................................................................. 24
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7
NATUURNETWERK NEDERLAND ...................................................................................................... 24
OMGEVINGSWET – ONDERDEEL NATURA2000-ACTIVITEITEN .............................................................. 24 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN............................................................................. 25 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL FLORA- EN FAUNA-ACTIVITEITEN .......................................................... 25 CONSEQUENTIES ......................................................................................................................... 28 ALGEMENE VOORWAARDEN .......................................................................................................... 29 AANBEVELINGEN NATUURINCLUSIEF ONTWERPEN .............................................................................. 29
BIJLAGE 1
WETTELIJK KADER ...................................................................... 31
BIJLAGE 2
LITERATUURLIJST ....................................................................... 35
1
INLEIDING 1.1 AANLEIDING Het plangebied ‘Park Vredenburg fase 3’ ligt in Waddinxveen, in de gelijknamige gemeente Waddinxveen (provincie Zuid-Holland). Het plangebied bestaat uit bestaat uit onder andere agrarische percelen met omliggende sloten en bebouwde percelen. De gemeente Waddinxveen is voornemens om een aantal percelen ten westen van de bebouwde kom van Waddinxveen om te vormen naar een natuur- en recreatiegebied. Daarbij is de gemeente voornemens om o.a. de volgende activiteiten uit te voeren: •
Een deel van de sloten dempen;
•
Nieuwe watergangen graven;
•
Mogelijke kap van enkele bomen;
•
Mogelijk enkele opstallen slopen;
•
Wandelpaden, bruggen, duikers, banken, prullenbakken en hekwerken aanleggen;
•
Bomen en beplanting aanplanten.
Het plangebied is globaal op te delen in 2 delen, gescheiden van elkaar door de N453 Beijerincklaan. Deel 1 van het plangebied betreft het noordwestelijke gedeelte (zie Figuur 1). Dit eerste deel bestaat uit (delen van) de percelen: 2000, 5557 en 5560.
Deel 1
Figuur 1 Globale ligging gedeelte plangebied deel 1 (gele contour) (PDOK, 2024)
LANECO 4
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
Deel 2 van het plangebied betreft het zuidoostelijke gedeelte (zie Figuur 2). Dit tweede gedeelte bestaat uit (delen van) de percelen: 310, 575, 685, 768, 1742, 1905, 1906, 4183, 5947, 6030 en 6704.
Deel 2
Figuur 2 Globale ligging plangebied deel 2 (gele contour) (PDOK, 2024) In deze quick scan zijn de habitatgeschiktheid van beschermde planten- en diersoorten en de verwachte effecten op deze soorten beoordeeld op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een eenmalige veldverkenning. Dit resulteert in conclusies en aanbevelingen. Deze quickscan is uitgevoerd op basis van de momenteel geldende uitwerking en interpretatie van beleid en wetgeving. In beide deelgebieden maakt de eerste vijftien meter vanaf de weg (inclusief de daar aanwezige bebouwing) geen onderdeel uit van dit onderzoek.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
5
1.2 GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN 1.2.1 Plangebied deel 1 Deel 1 van het plangebied ligt ten westen van de woonwijk ‘Zuidplas 90’ van Waddinxveen. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom van de gemeente Waddinxveen. Ten zuiden van het plangebied ligt de N453 Beijerincklaan. Ten westen van het plangebied ligt de N457 Vredenburghlaan. Aan de noordwestzijde liggen een aan agrarisch bedrijf en een tuinbouwbedrijf. De percelen binnen het plangebied worden voornamelijk agrarisch gebruikt. Het gaat om graslanden met veelal een monocultuur van engels raaigras (Lolium perenne). De graslanden worden omsloten door verschillende watergangen, de brede watergang aan de zuidoostzijde betreft een primaire watergang. De overige sloten in het plangebied worden op de legger van het waterschap aangeduid als overige watergangen. De watergangen en sloten hebben veelal steile taluds en fungeren als ontwatering van de percelen. De percelen zijn afgerasterd door middel van houten palen en schriklint voor paarden. De percelen liggen in een veelal open landschap met aan de noordwestkant een aantal volwassen bomen. Een impressie van deel 1 van het plangebied tijdens het veldbezoek op 14 december 2023 is weergegeven in Figuur 3.
LANECO 6
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
Figuur 3 Foto's veldbezoek 14-12-2023 in deel 1 plangebied (Laneco, 2023)
1.2.2 Plangebied deel 2 Deel 2 van het plangebied ligt ten westen van de woonwijk Triangel. Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom van de gemeente Waddinxveen. Ten noorden van het plangebied ligt de N453 Beijerincklaan. Ten westen van het plangebied ligt de N457 Vredenburghlaan. Ten zuiden van het plangebied ligt de N451 met het naastgelegen fietspad met de naam Moerkapellepad. Aan de oostzijde ligt een waterrijk natuurgebied in pioniersfase met een aantal kleine bosschages. In deze bosschages staan ook naaldbomen. Aan de noordzijde van het plangebied liggen een drietal woningen, waarvan twee stuks binnen het plangebied. In de quickscan is het uitgangspunt dat de gebouwen in stand worden gehouden. De derde woning net buiten het plangebied betreft een agrarisch bedrijf met paarden. De percelen binnen het plangebied worden voornamelijk agrarisch gebruikt. Ongeveer op 1/3 van het zuiden van het plangebied ligt een primaire watergang. De percelen ten zuiden van deze primaire watergang zijn verruigd met een kruidenrijke vegetatie. De percelen ten noorden van de primaire watergangen zijn voornamelijk om graslanden met veelal homogeen engels raaigras (Lolium perenne). Eén van de percelen is gebruikt voor het verbouwen van mais. De percelen worden omsloten door verschillende watergangen.
De brede watergang op 1/3 van het zuiden en de brede watergang aan de noordzijde van het plangebied zijn primaire watergangen. Deze watergangen hebben steile strakke taluds met rechte lijnen. De overige sloten in het plangebied worden op de legger van het waterschap aangeduid als overige watergangen. De sloten in het zuidelijke gedeelte van het plangebied hebben een natuurlijk karakter met afwisselende taluds, verlandende oevers. De taluds zijn afgewisseld met vegetatie en open plekken. De percelen zijn veelal niet afgerasterd, behoudends de meest noordelijke percelen waar de afrastering bestaat uit houten palen met een draad. De percelen liggen in een veelal open landschap. Aan de noordwestkant van het plangebied staat een aantal volwassen bomenrijen langs de percelen met soorten als zwarte els (Alnus glutinosa) en wil (Salix spec.). Aan een aantal bomen hangen vleermuiskasten nabij het perceel van Tweede Bloksweg 48.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
7
Een impressie van deel 2 van het plangebied tijdens het veldbezoek op 14 december 2023 is weergegeven in Figuur 4.
LANECO 8
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
Figuur 4 Foto's veldbezoek 14-12-2023 in deel 2 plangebied (Laneco, 2023) Rij 1, 2 en 3 betreft foto’s ruige terrein ten zuiden van primaire watergang Rij 4, 5 en 6 betreft foto’s van noordelijke percelen en bomenrijen incl. tijdelijke nestkasten vleermuizen
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
9
2
TOETSING 2.1 ONDERZOEKSMETHODIEK Via de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2014 t/m 2024) en de module Besi kan een indruk worden verkregen van de beschikbaarheid van soortengegevens. De gegevens
geven
echter
alleen
een
indicatie.
Daarom
zijn
ook
andere
verspreidingsbronnen geraadpleegd (zie literatuurlijst in bijlage 2). De meeste gegevens betreffen relatief globale verspreidingsgegevens. Omdat deze gegevens vrij globaal zijn is de beoordeling in de quickscan vooral gebaseerd op een veldbezoek door een ecoloog. De aanwezigheid van soorten in een gebied is bepaald bij een reikwijdte van 5 kilometer rondom het plangebied. Wanneer er naar de directe omgeving wordt gerefereerd, betreft het een straal van circa 100 meter rondom het plangebied. Op 14 december 2023 hebben twee ecologen van Laneco het plangebied en de directe omgeving verkend. Het doel van het veldbezoek was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid van habitat voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Dit veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie en geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Het veldbezoek is uitsluitend uitgevoerd vanaf openbaar terrein, de betreffende perceeleigenaren verleenden geen toegang tot de betreffende percelen. Dit betekend dat het veldonderzoek uitsluitend vanaf de randen van het plangebied is uitgevoerd door visuele waarnemingen op afstand. In het onderzoek wordt onderscheid gemaakt tussen plangebied deel 1 en 2 zover dit nodig is om de natuurwaarde specifiek te omschrijven.
Als het totale plangebied wordt beschreven dan wordt daarmee bedoelt zowel plangebied deel 1 als 2.
LANECO 10
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
2.2 NATUURNETWERK NEDERLAND Het totale plangebied ligt niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 270 meter afstand van het plangebied, zie Figuur 5. Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNNgebied verloren.
Figuur 5 Globale ligging plangebied (rode kader) ten opzichte van het dichtstbijzijnde NNN gebied (groene vlak) (Atlas leefomgeving, 2024)
Gezien de aard van de ingreep en de al aanwezige agrarische activiteiten kunnen negatieve effecten op het NNN-gebied worden uitgesloten. 2.2.1 Overige beleidskaders Er zijn geen andere beleidskaders uit het Natuurbeleidsplan (NBP) van toepassing in het plangebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er in het kader van het NBP dan ook geen consequenties te verwachten.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
11
2.3 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL NATURA2000-ACTIVITEITEN Het plangebied ligt op ongeveer 7,8 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ (Atlas voor de leefomgeving, 2024). Door de voorgenomen ingreep gaat geen oppervlakte aan Natura 2000-gebied verloren.
Figuur 6 Globale ligging plangebied (rode kader) ten opzichte van het dichtstbijzijnde N2000 gebied (blauwe vlak) (Atlas leefomgeving, 2024) Voor de meeste externe invloeden van de werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling, kunnen gezien de afstand en de reeds aanwezige bedrijvigheid, effecten op het Natura 2000-gebied worden uitgesloten. De bestemming van het plangebied en mogelijk de gebruiksintensiteit wijzigen als gevolg van de ontwikkeling. De geplande ontwikkeling kan hiermee leiden tot een dermate verhoogde verkeersintensiteit dat effecten kan worden verwacht op Natura 2000-gebieden. In de bouwfase kan de uitstoot tijdelijk verhoogd zijn met mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Een AERIUS berekening is volgens het meest recente stikstofbesluit, nodig om dit definitief te bepalen voor de diverse planfasen tenzij middels een voortoets negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.
LANECO 12
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
2.4 OMGEVINGSWET – BESCHERMING HOUTOPSTANDEN Het plangebied ligt buiten de bebouwingscontour houtkap en daarmee binnen het toepassingsgebied
voor
de
bescherming
van
houtopstanden.
Het
onderdeel
houtopstanden van de Omgevingswet is hier om die reden van toepassing. Indien er tot het verwijderen van bomen wordt overgegaan dient rekening te worden gehouden met de bepalingen uit de omgevingswet ten aanzien van het kappen en/of vellen van bomen uit een houtopstand.
2.5 OMGEVINGSWET – FLORA- EN FAUNA-ACTIVITEIT In het kader van de Omgevingswet flora- en fauna-activiteit moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op (potentiële) verblijfplaatsen of (potentieel) leefgebied van beschermde planten en dieren.
2.5.1 Vaatplanten Het plangebied bestaat voornamelijk uit graslanden met veelal een homogene grasmat van engels raaigras (Lolium perenne). Aan de zuidoostzijde van plangebied deel 2 ligt een aantal verruigde percelen met een voedselrijke kruidenrijke vegetatie. Beschermde soorten vaatplanten zijn over het algemeen gebonden aan specifieke standplaatsen in natuurgebieden, op schrale (graan)akkers of andere bijzondere groeiplaatsen. Deze habitats komen binnen het relatief voedselrijke plangebied niet voor. De aanwezigheid van beschermde vaatplanten binnen het plangebied is uitgesloten. 2.5.2 Grondgebonden zoogdieren Om een goed beeld te krijgen van de te verwachten soorten grondgebonden zoogdieren in de directe omgeving van en binnen het plangebied zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen et al., 2016) en Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2014 t/m 2024). Nationaal beschermde soorten met provinciale vrijstelling Binnen het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied kunnen verschillende
nationaal
beschermde
zoogdiersoorten
voorkomen,
zoals
bunzing
(Mustela putorius), egel (Erinaceus europaeus), haas (Lepus europaeus), hermelijn (Mustela erminea), konijn (Oryctolagus cuniculus), ree (Capreolus capreolus), vos (Vulpes vulpes), wezel (Mustela nivalis) en verschillende algemeen voorkomende soorten muizen en spitsmuizen. Voor deze soorten geldt in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling een vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen, mits de zorgplicht in acht wordt genomen (zie bijlage 1).
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
13
Niet-vrijgestelde nationale en Europees beschermde soorten Van de niet-vrijgestelde beschermde zoogdiersoorten is volgens bovengenoemde bronnen in de ruime omgeving van het plangebied het voorkomen bekend van bever (Castor fiber), boommarter (Martes martes), damhert (Dama dam), otter (Lutra lutra), steenmarter (Martes foina), noordse woelmuis (Alexandromys oeconomus) en waterspitsmuis (Neomys fodiens) in de omgeving. De bever en otter komen voor in moerassen, beken, rivieren of kanalen. Daarbij is de aanwezigheid van bomen en struiken op de oever van belang voor de bever. Het plangebied bevat open water, maar dit open water is te kleinschalig voor een bever. Daarnaast is het landschap in het plangebied veelal open met weinig tot geen bomen en struiken aan de oevers. De aanwezigheid van bever en otter in het plangebied wordt uitgesloten. De boommarter is een boombewonende soort die leeft op rustige plaatsen in aaneengesloten bos en een nest maakt in oude spechtholen of eekhoornnesten. Het plangebied is een veelal open landschap met een aantal bomenrijen van zwarte els en wilg die niet voldoende robuust zijn als leefgebied. Geschikte gaten voor boommarter zijn niet in het plangebied aangetroffen. De aanwezigheid van boommarter in het plangebied wordt uitgesloten. Darmhert leeft voornamelijk in uitgestrekte bossen, graslanden en uiterwaarde van rivieren.
De soorten zijn vaak mensschuw en hebben hun leefgebied niet binnen de bebouwde kom. Het plangebied ligt aan de rand van de bebouwde kom van Waddinxveen. Daarnaast geldt voor damhert een nulstandsbeleid buiten de Veluwe. De aanwezigheid van damhert in het plangebied wordt daarom uitgesloten. De steenmarter komt zowel binnen als buiten de bebouwde kom voor. Het territorium varieert van 80 tot 700 hectare, afhankelijk van de geschiktheid en het voedselaanbod. Deze martersoort leeft voornamelijk in bebouwing, en heeft een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw. De steenmarter jaagt waar hij kan op kleine prooien. Binnen het plangebied staat bebouwing en er zijn kleinschalige landschapselementen in de
omgeving
aanwezig.
Tijdens
het
veldbezoek
zijn
er
geen
sporen
en/of
toegangsmogelijkheden tot de bebouwing aangetroffen in het plangebied. De bestaande gebouwen konden niet geïnspecteerd worden, omdat er tijdens het veldbezoek geen toestemming was verleend voor het betreden van deze percelen. Hierdoor is op voorhand niet uit te sluiten dat er steenmarter aanwezig is in één van de gebouwen. Het plangebied is geschikt als foerageergebied gelet op de mogelijke aanwezigheid van voedsel voor de steenmarter. Daarentegen is er weinig tot geen dekking aanwezig in het plangebied in de vorm van struwelen en houtwallen. Dit maakt het plangebied suboptimaal voor steenmarter. Omdat er in de quickscan vanuit wordt gegaan dat de huidige gebouwen blijven staan en het toekomstige park beter geschikt wordt als leefgebied is nader onderzoek naar steenmarter niet benodigd.
LANECO 14
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
Het habitat van de noordse woelmuis bestaat uit natte drassige hooi- en rietlanden, moeras en vochtige duinvalleien. Belangrijk voor de noordse woelmuis is de afwezigheid van concurrentie met andere woelmuizen. Waar soorten als veldmuis en aardmuis voorkomen, wordt de noordse woelmuis weg geconcurreerd. De planlocatie is gezien de vrij droge randen wel geschikt voor andere soorten woelmuizen. Ook zijn de wat ruigere en nattere oeverzones voor deze grote woelmuizensoort erg smal. Natte rietlanden en moerasachtige zones komen in het plangebied niet voor. Aanwezigheid van noordse woelmuis kan dan ook worden uitgesloten. De waterspitsmuis is te vinden langs beken, rivieren, sloten en plassen. Binnen een straal van 500 meter dient schoon water aanwezig te zijn, met een goed ontwikkelde watervegetatie en begroeide flauwe oevers met voldoende schuilmogelijkheden. De sloten in het zuidoostelijke deel van plangebied deel 2 bieden geschikt waterbiotoop. De smalle oeverzones zijn geschikt als landbiotoop. Wanneer er werkzaamheden binnen twee meter van de oever worden uitgevoerd, kunnen negatieve effecten op waterspitsmuis niet worden uitgesloten. Conclusie Op
basis
van
de
verspreidingsgegevens
en
biotoopinschattingen
tijdens
de
veldverkenning wordt de aanwezigheid van vaste rust- of verblijfplaatsen van de beschermde soorten grondgebonden zoogdieren bever, boommarter, damhert, otter , steenmarter en noordse woelmuis binnen het plangebied uitgesloten. Wanneer binnen twee meter van de oevers van de sloten in het zuidoostelijke deel van plangebied deel 2 ingrepen worden uitgevoerd, kunnen negatieve effecten voor waterspitsmuis niet worden uitgesloten. Van de algemeen voorkomende zoogdiersoorten mogen de verblijfplaatsen bij ruimtelijke ingrepen en wijzigingen van beheer op basis van een provinciale vrijstelling worden aangetast. Hiervoor geldt wel de algemene zorgplicht. 2.5.3 Vleermuizen Om inzicht te krijgen in de aanwezige soorten vleermuizen in de directe omgeving van en binnen het plangebied zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Atlas van de Nederlandse vleermuizen (Limpens et al., 1997), Atlas van de Nederlandse zoogdieren (Broekhuizen et al., 2016) en Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2014 t/m 2024). Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die aan de hand van echolocatie hun positie bepalen. Deze nachtdieren verblijven overdag in besloten ruimtes. Vleermuizen worden globaal onderverdeeld in gebouwbewonende soorten en boombewonende soorten. Er zijn ook soorten die van beide elementen gebruik maken. Ook is er onderscheid te
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
15
maken in de zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Een groot aantal soorten overwintert in bunkers, grotten en kelders. Dit geldt ook voor sommige soorten die ’s zomers in boomholten verblijven. Andere soorten vleermuizen verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen en dergelijke) of bomen (in holten of achter de bast). Alle vleermuissoorten, hun verblijfplaatsen en belangrijke onderdelen van het leefgebied zijn beschermd in Omgevingswet (artikel 11.46 van deze wet en bijlage IV van de Habitatrichtlijn). Volgens de verspreidingsgegevens uit bovengenoemde bronnen komen in de omgeving van het plangebied verschillende soorten vleermuizen voor zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), meervleermuis (Myotis dasycneme), rosse vleermuis (Nyctalus noctula), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii). Van deze soorten is de rosse vleermuis overwegend een boombewonende soort. De ruige dwergvleermuis verblijft in zowel gebouwen als in bomen en de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis zijn overwegend gebouwbewonend. Verblijfplaatsen Het plangebied bestaat uit graslanden in agrarisch gebruik met omliggende sloten. Daarnaast zijn er een aantal bomen(rijen) en gebouwen aanwezig in het plangebied.
Tijdens het veldbezoek was het niet mogelijk om de percelen te betreden en de bomen en gebouwen gedetailleerd te onderzoeken. Het is niet bekend of er holtes en/of spelen in bomen aanwezig zijn of anderzijds de gebouwen toegankelijk zijn voor vleermuizen. In plangebied deel 2 zijn tijdelijke vleermuiskasten aangetroffen in bomenrijen aan de noordoostzijde van het plangebied nabij Tweede Bloksweg 48. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in de bomen en gebouwen kan niet worden uitgesloten. Als er bebouwing wordt gesloopt of bomen worden gekapt is vervolgonderzoek noodzakelijk. Vliegroutes en foerageergebied Van vleermuizen is bekend dat zij lijnelementen, zoals bomenrijen of bebouwing, gebruiken als vliegroute van en naar foerageergebieden en verblijfplaatsen. Rondom het plangebied zijn verschillende lijnelementen aanwezig. In plangebied 1 ligt aan de westzijde van het plangebied een brede watergang parallel aan de watergangen. In plangebied 2 liggen aan de noordwestzijde diverse bomenrijen en aan de westzijde van het plangebied ligt een brede watergang parallel aan het plangebied. Aan de zuidoostzijde van plangebied 2 ligt een brede watergang haaks op het plangebied. Deze lijnelementen zijn potentieel geschikt als foerageergebied en als vliegroute en vormen mogelijk een essentieel onderdeel van het functionele leefgebied van vleermuizen.
Als deze watergangen deels worden gedempt; of de invloed van verlichting op deze watergangen neemt toe, dan zijn effecten op vliegroutes niet uit te sluiten.
LANECO 16
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
Conclusie Als er bij de voorgenomen ontwikkeling gebouwen en/of bomen worden gekapt is een nadere inspectie naar mogelijke holtes, spleten en invliegopeningen noodzakelijk met mogelijk vervolgonderzoek naar verblijfplaatsen van gebouw bewonende en/of boombewonende vleermuizen noodzakelijk. Als er bij de voorgenomen ontwikkelingen bomenrijen en watergangen worden gedempt welke zijn aangeduid als mogelijk essentieel leefgebied voor vleermuizen, is nader onderzoek naar vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen noodzakelijk. Indien gebouwen, bomen, bomenrijen en brede watergangen behouden blijven in de voorgenomen ontwikkeling, kunnen negatief effecten op vleermuizen en/of essentiële functies
worden
uitgesloten.
Nader
onderzoek
naar
vleermuizen
is
dan
niet
noodzakelijk. Bij werkzaamheden dient wel rekening te worden gehouden met de zorgplicht, door bijvoorbeeld overdag te werken en verstoring door licht te voorkomen. 2.5.4 Vogels Alle vogels zijn strikt beschermd in de Omgevingswet (Artikel 11.37 en artikel 11.38 uit het Bal). Aantasting van actief gebruikte nesten is niet toegestaan. Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten en nestlocaties (verblijfplaatsen en leefgebied) het gehele jaar door beschermd. Deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil (Athene noctua)). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden (voorbeeld: huismus (Passer domesticus)). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders (voorbeeld: kerkuil (Tyto alba) en slechtvalk (Falco peregrinus)). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: ransuil (Asio otus)). De vogels uit deze categorieën zijn meestal zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar.
Door de leefwijze van deze soorten is het niet mogelijk om bij directe verstoring van de nesten te voldoen aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming. De lijst van jaarrond beschermde vogels is in september 2009 door het ministerie van LNV gepubliceerd. Ook is er een lijst vogels aangewezen waarvan alleen bij effecten op populatieniveau maatregelen nodig zijn; de zogenaamde categorie 5. In het plangebied en de ruime omgeving komen volgens de verspreidingsgegevens de soorten steenuil (Athene noctua), kerkuil (Tyto alba), ransuil (Asio otus), sperwer (Accipiter nisus), slechtvalk (Falco peregrinus), boomvalk (Falco subbuteo), buizerd
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
17
(Buteo buteo), havik (Accipiter gentilis), wespendief (Pernis apivorus), ooievaar (Ciconia ciconia), roek (Corvus frugilegus), grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), huismus (Passer domesticus), gierzwaluw (Apus apus) en zwarte wouw (Milvus migrans) voor. Gierzwaluw is een soort die in Nederland broedt in bebouwing, bijvoorbeeld onder dakpannen. Ze broeden graag in kolonies en hebben minimaal 3 meter vrije ruimte onder de nestlocatie nodig om weg te kunnen vliegen. De huismus leeft in en nabij menselijke bebouwing, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Het dier bouwt zijn nest in of tegen bebouwing (bijvoorbeeld in een dichte klimop of onder een dakpan). Er moet altijd voldoende voedsel, schuilgelegenheden (dichte bosschages) en zandbaden nabij de nestplaats aanwezig zijn. De gebouwen en de omgeving van de gebouwen in plangebied deel 2 en aan de rand van deel 1 vormen potentieel geschikt habitat voor huismus
en
gierzwaluw.
Indien
gebouwen
worden
gesloopt
of
verstorende
werkzaamheden in de nabije omgeving van de gebouwen worden uitgevoerd, is nader onderzoek noodzakelijk. Indien gebouwen behouden blijven in de voorgenomen ontwikkeling, kunnen negatief effecten op huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. Grote gele kwikstaart nestelt graag langs snelstromende beken en rivieren in natuurlijke oevers, onder bruggen, bij watermolens en stuwtjes. Roek nestelt in hoge bomen en vormt vaak grote kolonies. Geschikte nestlocaties voor deze soorten zijn niet aanwezig in het plangebied. Negatieve effecten op deze soorten in het plangebied zijn uitgesloten. De ooievaar maakt vaak gebruik van kunstmatige nestgelegenheden, maar broedt ook op telefoonpalen, schoorstenen of kerktorens. Deze elementen zijn niet aanwezig in het plangebied. Daarmee is het plangebied niet geschikt voor nestplaatsen van ooievaar. Effecten op deze soort in het plangebied worden niet verwacht. Roofvogels broeden zowel in cultuur- (sperwer), halfopen cultuur- (boomvalk en slechtvalk) en natuurlandschappen (buizerd, havik, wespendief, zwarte wouw). Broedplaatsen van deze en andere soorten roofvogels kunnen gezien de afwezigheid van oudere bomen en horsten (nesten) in het sterk gecultiveerde plangebied worden uitgesloten.
Om op bijvoorbeeld muizen, konijnen en vogels te kunnen jagen, hebben roofvogels in het algemeen agrarisch gebied, halfopen cultuurlandschap en/of bosrijk gebied nodig. Het plangebied vormt geschikt jachtgebied. Echter is geschikt jachtgebied in de omgeving voldoende aanwezig en kan daarom worden uitgesloten dat het plangebied een essentieel onderdeel van het jachtgebied vormt. Ook zijn in het plangebied geen nesten aangetroffen. Daarmee kan de aanwezigheid van nesten en de aanwezigheid van essentiële onderdelen van het leefgebied van roofvogels worden uitgesloten. Ransuil maakt gebruik van oude kraaien- en eksternesten om in te broeden. Deze bevinden zich voornamelijk in hoge, donkere plekken in grote bomen, vooral in naaldbomen. Binnen het plangebied zijn geen geschikte nestlocaties door de afwezigheid geschikte bomen. Tijdens het veldbezoek zijn geen oude kraaien- en eksternesten aangetroffen. Gezien de grote actieradius van deze soorten is er voldoende
LANECO 18
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
alternatief leefgebied in de omgeving beschikbaar. Negatieve effecten op ransuil worden uitgesloten. Kerkuil komt voor in halfopen agrarisch landschap. De soort broedt op relatief rustige plaatsen en is veelal afhankelijk van nestkasten. De kerkuil broedt voornamelijk in schuren. Binnen het plangebied zijn geschikte nestlocaties aanwezig in de vorm van bebouwing in plangebied deel 2. Gezien de grote actieradius van deze soorten is er voldoende alternatief leefgebied in de omgeving beschikbaar; en ook na de ingreep blijft het landschapspark beschikbaar als leefgebied. Indien gebouwen worden gesloopt is nader onderzoek naar de aanwezigheid van kerkuil noodzakelijk. Indien gebouwen behouden blijven in de voorgenomen ontwikkeling, kunnen negatief effecten op kerkuil worden uitgesloten. Steenuil is een soort met een zeer klein territorium. Als steenuil op de naburige percelen aanwezig is, kunnen de geplande werkzaamheden essentieel leefgebied voor de steenuil (tijdelijk)
aantasten.
De
agrarische
percelen
vormen
namelijk
een
geschikt
foerageergebied voor steenuil. Om effecten op deze soort uit te kunnen sluiten moeten de aanwezige territoria in kaart worden gebracht om na te gaan of, en waar alternatieven aanwezig zijn. Conclusie Op
basis van
het
veldbezoek en
aanvullende verspreidingsgegevens kan
de
aanwezigheid van nestplaatsen van boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, wespendief en zwarte wouw worden uitgesloten. De aanwezigheid van essentieel leefgebied voor de steenuil kan niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk om de functie van het plangebied voor deze soort aan te tonen. Indien gebouwen worden gesloopt of verstorende werkzaamheden in de nabije omgeving van de gebouwen worden uitgevoerd, is nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw noodzakelijk. Indien gebouwen behouden blijven in de voorgenomen ontwikkeling, kunnen negatief effecten op huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. Ten allen tijde geldt de zorgplicht en dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot half juli. Dit om verstoring en daarmee het broedsucces van soorten binnen en naast het plangebied zoveel mogelijk te voorkomen. De werkzaamheden mogen alleen in het broedseizoen uitgevoerd worden als er een gerichte controle naar broedvogels is gedaan voor aanvang van de werkzaamheden.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
19
2.5.5 Reptielen en amfibieën Om een goed beeld te krijgen van de soorten reptielen die binnen het plangebied en de omgeving voorkomen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: Atlas van Amfibieën en Reptielen (De Wild et al., 2016), De amfibieën en reptielen van Nederland (Creemers & Van Delft, 2009) en Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF, 2014 t/m 2024). Reptielen stellen strikte eisen aan hun omgeving en alle inheemse reptielen zijn in de Wet
natuurbescherming
beschermd.
De
meeste
reptielensoorten
houden
zich
voornamelijk op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos-, heide- en veengebieden (bijvoorbeeld heide en/of heischrale graslanden in combinatie met bossen en/of kleine landschapselementen). Habitat van amfibieën is onder te verdelen in water- of voortplantingshabitat (vaak een poel, vijver of smalle watergang zonder grote vissen) en landhabitat (bosjes, struwelen en dergelijke). Sommige soorten amfibieën zoals de rugstreeppad houden zich op in vergraafbaar zand. Nationaal beschermde soorten met provinciale vrijstelling Van amfibieën kunnen diverse nationaal beschermde soorten in en in de directe omgeving van het plangebied voorkomen zoals bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus), bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo) kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) en meerkikker (Pelophylax ridibundus). Voor deze soorten geldt in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling een vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen. Niet-vrijgestelde nationale en Europees beschermde soorten Uit de ruime omgeving is het voorkomen van de nationaal beschermde soorten en Europees beschermde soorten amfibieën en reptielen bekend, zoals heikikker (Rana arvalis), ringslang (Natrix natrix) en rugstreeppad (Epidalea calamita).
De heikikker is een soort die onder andere ondiepe wateren en sloten als voortplantingswater gebruikt, ook in agrarisch gebied. De sloten in en langs het plangebied van deel 1 en deel 2 vormen geschikt habitat voor heikikker. Heikikkers gebruiken zowel grasland als dichte vegetaties als landhabitat. Het gebruik van het plangebied als landhabitat door deze soort kan dan ook niet uitgesloten worden. Nader onderzoek naar heikikker is vereist. Ringslang is een soort die sterk gebonden is aan water. De habitat van ringslang ligt veelal op de overgang van zandgronden naar veen- en kleigronden. Beide gradiënten zijn cruciaal voor habitat van ringlang voor de verschillende levensstadia van ringslang. Voor de voortplanting is ringslang afhankelijk van broeihopen. Deze kunnen worden gevormd door compost- of bladhopen of andere opstapelingen van organisch composterend materiaal. Ten tijde van het veldbezoek zijn geen broeihopen aangetroffen. Het plangebied bestaat uit een nat veenweidelandschap met diverse
LANECO 20
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
watergangen. In het plangebied liggen een aantal hoger gelegen erven, welke geschikt zijn als droger landhabitat. Daarmee biedt het plangebied voldoende gradiënten voor het habitat van ringslang. Nader onderzoek naar ringslang is noodzakelijk. Rugstreeppad is een soort die zich voortplant in ondiepe soms tijdelijke poelen en plassen. Buiten de voortplantingsperiode graaft rugstreeppad zich graag in of rust onder bijvoorbeeld tegels of puin en heeft daarom een goed vergraafbare bodem of beschikbare schuilplaatsen nodig. In het plangebied zijn geen (tijdelijke) poelen aanwezig. Tijdens het veldbezoek zijn er laagtes met een laagje water in de weilanden van plangebied deel 1 geconstateerd. Deze ondergelopen laagtes bieden optimaal voortplantingshabitat voor rugstreeppad. In 2021 is rugstreeppad aangetroffen op een bouwterrein binnen 1,3 kilometer van plangebied deel 1. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van rugstreeppad is noodzakelijk. In het plangebied is geen vergraafbaar zand aanwezig voor rugstreeppad. Als gevolg van de werkzaamheden is de kans erg groot dat er tijdelijk vergraafbaar zand ontstaat, waardoor het plangebied tijdens de werkzaamheden optimaal habitat vormt voor rugstreeppad. Het is daarom belangrijk dat er voorafgaand aan de werkzaamheden maatregelen worden getroffen om negatieve effecten op de soort rugstreeppad te voorkomen.
Conclusie Negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op heikikker, ringslang en rugstreeppad zijn niet uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk. Daarnaast zijn er tijdelijke maatregelen nodig tijdens de realisatie om negatieve effecten op rugstreeppad te voorkomen.
2.5.6 Vissen, weekdieren en ongewervelden Beschermde
vissen,
tweekleppigen,
mollusken
en
insecten
(vlinders,
libellen,
sprinkhanen) stellen strikte eisen aan hun omgeving. Beschermde vissoorten zijn over het algemeen gebonden aan specifieke beek- of riviersystemen of watergangen met een goed ontwikkelde watervegetatie en een sliblaag. In de omgeving van het plangebied komt de grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) voor. Op de bodem van de sloten bevindt zich mogelijk een voor grote modderkruiper geschikte sliblaag. De aanwezigheid van grote modderkruiper in deze watergangen kan niet worden uitgesloten. Daarnaast kunnen trillingen als gevolg van de werkzaamheden een negatief effect hebben op de soort. Nader onderzoek naar deze soort is noodzakelijk.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
21
Conclusie Negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op grote modderkruiper zijn niet uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soort is noodzakelijk.
2.5.7 Insecten (vlinders, libellen, sprinkhanen) en overige soortengroepen Slechts een beperkt aantal van de zeer soortenrijke groep van de insecten is beschermd. De habitateisen van beschermde soorten binnen deze groep zijn vaak zeer locatie specifiek en gebonden aan zeer bijzondere biotopen en/of specifieke waardplanten. Om een goed beeld te krijgen van de soorten insecten die binnen het plangebied en de directe
omgeving
voorkomen,
zijn
de
volgende
bronnen
geraadpleegd:
De
vlinderstichting (2020) en de Nationale Databank Flora en Fauna (2014 t/m 2024). In de omgeving van het plangebied komt groene glazenmaker (Aeshna viridis) en platte schijfhoren (Anisus vorticulus) voor. Groene glazenmaker is gebonden aan schone wateren met krabbenscheervegetaties. De sloten binnen en rondom het plangebied zijn voedselrijk en bevatten geen krabbenscheer. Aanwezigheid van de groene glazenmaker binnen het plangebied is uitgesloten door het ontbreken van geschikt leefgebied. Platte schijfhoren komt in verschillend habitat voor, leeft in watergangen met helder, schoon water en goed ontwikkelde watervegetatie en is ook te vinden in sloten met draadalgvegetatie. Negatieve effecten op de platte schijfhoren kunnen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar platte schijfhoren is vereist. Andere strikt beschermde soorten mollusken en tweekleppigen kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Conclusie Op
basis
van
de
verspreidingsgegevens
en
biotoopinschattingen
tijdens
de
veldverkenning is nader onderzoek benodigd naar platte schijfhoren.
2.6 SPECIFIEKE ZORGPLICHT In de Omgevingswet is voor alle natuuractiviteiten (Natura2000, houtopstanden en flora en fauna) een specifieke zorgplicht van toepassing. Deze specifieke zorgplicht is van toepassing bij alle activiteiten die effecten kunnen hebben op natuurwaarden, als men weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handeling nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Bij het artikel in het Bal over een specifieke zorgplicht staat een verplichting in drie stappen. Degene die een activiteit verricht is verplicht:
LANECO 22
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
•
Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen.
•
Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
•
Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. (IPLO, 2024)
Naast het voorkomen van onnodig lijden (artikel 11.28, Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), zijn maatregelen nodig om soorten te beschermen, maar ook om effecten op die soorten ongedaan te maken. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten; waarbij onder andere ‘Rode Lijst soorten’ specifiek worden benoemd. In deze quickscan is voor het onderdeel flora- en fauna-activiteiten daarom, op basis van verspreidingsgegevens uit de NDFF en BESI, nagegaan of er in en direct nabij het plangebied soorten te verwachten zijn van onder andere de Rode lijsten. Vervolgens is op basis van de aangetroffen biotopen, nagegaan of deze soorten binnen het plangebied kunnen voorkomen. Omdat vrijwel overal flora en fauna aanwezig is, is gefocust op het voorkomen van doden en verwonden en op het in de nieuwe situatie opnieuw creëren van leefgebied voor de zeldzamere ‘Rode lijst soorten’ die mogelijk negatief door de ingreep worden beïnvloed. Het plangebied bestaat uit een agrarisch landschap omsloten door watergangen en een aantal solitaire bomen en bomenrijen. De gemeente Waddinxveen is voornemens om de percelen om te vormen naar een natuur- en recreatiegebied.
Bij de inrichting van het nieuwe natuur- en recreatiegebied is het belangrijk om de bestaande habitats te behouden waarbij valt te denken aan structuurrijke watergangen, graslanden, bomenrijen, solitaire bomen, laagtes en verruigde kruidenrijke terreinen. Met behoud van deze habitats in het nieuwe inrichtingsplan worden permanente negatieve effecten op Rode lijst soorten niet verwacht.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
23
3
CONCLUSIE Het plangebied ‘Park Vredenburg fase 3’ ligt in Waddinxveen, in de gelijknamige gemeente Waddinxveen (provincie Zuid-Holland). Het plangebied bestaat uit bestaat uit onder andere agrarische percelen met omliggende sloten en bebouwde percelen. De gemeente Waddinxveen is voornemens om een aantal percelen ten westen van de bebouwde kom van Waddinxveen om te vormen naar een natuur- en recreatiegebied. Voordat
werkzaamheden
plaatsvinden,
dienen
de
gevolgen
voor
beschermde
natuurwaarden en de consequenties met betrekking tot de natuur wet- en regelgeving in beeld te zijn gebracht.
3.1 NATUURNETWERK NEDERLAND Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 270 meter afstand van het plangebied. Door het uitvoeren van de werkzaamheden gaat geen oppervlakte aan NNN-gebied verloren. Negatieve effecten op het NNN-gebied worden uitgesloten. 3.1.1 Overige beleidskaders Er zijn geen andere beleidskaders uit het Natuurbeheerplan (NBP) van toepassing in het plangebied. Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn er in het kader van het NBP dan ook geen consequenties te verwachten.
3.2 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL NATURA2000-ACTIVITEITEN Het plangebied ligt op ongeveer 7,8 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein’ (Atlas voor de leefomgeving, 2024). Door de voorgenomen ingreep gaat geen oppervlakte aan Natura 2000-gebied verloren. De bestemming van het plangebied en mogelijk de gebruiksintensiteit wijzigen als gevolg van de ontwikkeling. De geplande ontwikkeling kan hiermee leiden tot een dermate verhoogde verkeersintensiteit dat effecten kan worden verwacht op Natura 2000-gebieden. In de bouwfase kan de uitstoot tijdelijk verhoogd zijn met mogelijk negatieve effecten op Natura 2000-gebieden. Een AERIUS berekening is volgens het meest recente stikstofbesluit, nodig om dit definitief te bepalen voor de diverse planfasen tenzij middels een voortoets negatieve effecten kunnen worden uitgesloten.
LANECO 24
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
3.3 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN Het plangebied ligt buiten de bebouwingscontour houtkap en daarmee binnen het toepassingsgebied
voor
de
bescherming
van
houtopstanden.
Het
onderdeel
houtopstanden van de Omgevingswet is hier om die reden van toepassing. Indien er tot het verwijderen van bomen wordt overgegaan dient rekening te worden gehouden met de bepalingen uit de omgevingswet ten aanzien van het kappen en/of vellen van bomen uit een houtopstand.
3.4 OMGEVINGSWET – ONDERDEEL FLORA- EN FAUNA-ACTIVITEITEN In het kader van de Omgevingswet moet worden nagegaan of vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soorten door de ingreep worden aangetast. Voor een aantal soorten die in de omgeving en mogelijk in het plangebied voorkomen zoals muizen, bruine kikker en gewone pad geldt provinciale vrijstelling voor aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen. Binnen het plangebied kunnen een aantal nationaal en Europees beschermde soorten voorkomen,
waarvoor
voor
aantasting
van
rust-
en
verblijfplaatsen
een
omgevingsvergunning nodig is in het kader van de Omgevingswet. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van de individuele diersoorten zijn de volgende soorten niet uit te sluiten binnen het plangebied: Waterspitsmuis Wanneer binnen twee meter van de structuurrijke oevers van de sloten in het zuidoostelijke deel van plangebied deel 2 (zie Figuur 7) ingrepen worden uitgevoerd, kunnen negatieve effecten voor waterspitsmuis niet worden uitgesloten.
Figuur 7: Structuurrijke sloten (gele stippellijn) met zuidoostelijke deel plangebied deel 2 (PDOK, 2024).
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
25
Vleermuizen Indien er bij de voorgenomen ontwikkeling gebouwen en/of bomen worden gekapt is een nadere inspectie naar mogelijke holtes, spleten en invliegopeningen noodzakelijk met mogelijk vervolgonderzoek naar verblijfplaatsen van gebouw bewonende en/of boombewonende vleermuizen noodzakelijk. Als er bij de voorgenomen ontwikkelingen bomenrijen (Figuur 8) en watergangen (Figuur 9) worden gedempt of meer lichtuitstraling ondervinden welke zijn aangeduid als mogelijk essentieel leefgebied voor vleermuizen, is nader onderzoek naar vliegroutes en/of foerageergebieden van vleermuizen noodzakelijk.
Figuur 8: Essentiële bomenrij (gele stippellijn) voor leefgebied vleermuizen (PDOK, 2024).
Figuur 9: Essentiële watergangen (gele stippellijn) voor leefgebied vleermuizen (PDOK, 2024).
LANECO 26
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
Steenuil De aanwezigheid van essentieel leefgebied voor de steenuil kan niet worden uitgesloten. Nader onderzoek is noodzakelijk om de functie van het plangebied voor deze soort aan te tonen. Huismus en gierzwaluw Indien gebouwen worden gesloopt of verstorende werkzaamheden in de nabije omgeving van de gebouwen worden uitgevoerd, is nader onderzoek naar huismus en gierzwaluw noodzakelijk. Indien gebouwen behouden blijven in de voorgenomen ontwikkeling, kunnen negatief effecten op huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. Heikikker, ringslang en rugstreeppad Negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op heikikker, ringslang en rugstreeppad zijn niet uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soorten is noodzakelijk in de structuurrijke watergangen (Figuur 7). Daarnaast zijn er tijdelijke maatregelen nodig tijdens de realisatie om negatieve effecten op rugstreeppad te voorkomen. Grote modderkruiper en platte schijfhoren Negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op grote modderkruiper zijn niet uitgesloten. Nader onderzoek naar deze soort is noodzakelijk in de structuurrijke watergangen (Figuur 7). Overige soorten Een algemene voorwaarde is dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen van vogels (globaal begin februari tot half juli) plaatsvinden om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen.
Alleen op basis van gericht onderzoek door een ecoloog (naar broedende vogels), mag van deze voorwaarde worden afgeweken. Van de overige in de omgeving voorkomende (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde diersoorten worden geen verblijfplaatsen of belangrijke onderdelen van het leefgebied verwacht in het plangebied.
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
27
3.5 CONSEQUENTIES 3.5.1 Nader onderzoek flora- en fauna-activiteit Aantasting van essentieel leefgebied en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van in de Omgevingswet beschermde soorten, kan niet worden uitgesloten zonder de volgende nader onderzoeken. •
Waterspitsmuis: Omgevingswet, Nationaal beschermd. Nader onderzoek met Lifetraps in het najaar.
•
Steenuil:
Omgevingswet,
Vogelrichtlijn.
Nader
onderzoek
door
drie
onderzoeksrondes in het voorjaar. •
Heikikker: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek door meerdere rondes in het voorjaar en de zomer.
•
Ringslang:
Omgevingswet,
Habitatrichtlijn.
Nader
onderzoek
met
vijf
onderzoeksrondes tussen april en september. •
Rugstreeppad: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek met drie onderzoeksrondes tussen half april en mei.
• Slopen gebouwen Indien gebouwen worden gesloopt kan aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van in de Omgevingswet beschermde soorten, niet worden uitgesloten zonder de volgende nader onderzoeken. •
Vleermuizen: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek met drie onderzoeksrondes in de periode 15 mei tot 15 juli en drie onderzoeksrondes in de periode 15 augustus tot 1 oktober.
•
Huismus:
Omgevingswet,
Vogelrichtlijn.
Nader
onderzoek
met
twee
met
drie
onderzoeken 1 april en 15 mei. •
Gierzwaluw:
Omgevingswet,
Vogelrichtlijn.
Nader
onderzoek
onderzoeken tussen 1 juni en 15 juli. Kappen bomen en/of dempen watergangen Indien bomen worden gekapt en/of brede watergangen worden gedempt kan essentieel leefgebied van in de Omgevingswet beschermde soorten niet worden uitgesloten zonder de volgende nader onderzoeken. •
Vleermuizen: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen met twee onderzoeksrondes in de periode 15 april tot 1 oktober.
•
Platte schijfhoren: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek met behulp van eDNA-onderzoek tussen april en mei.
•
Grote modderkruiper: Omgevingswet, Habitatrichtlijn. Nader onderzoek met behulp van eDNA-onderzoek tussen april en mei.
LANECO 28
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
3.5.2 Nader onderzoek gebiedsbescherming Een stikstofberekening is noodzakelijk om inzicht te geven over de stikstofemissie als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en de depositie op Natura 2000-gebieden. De berekening moet worden uitgevoerd middels de AERIUS Calculator.
3.6 ALGEMENE VOORWAARDEN Twee algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming zijn altijd van toepassing: •
De start van werkzaamheden dient buiten het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) plaats te vinden om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Alleen op basis van gericht onderzoek (naar broedende vogels), mag van deze voorwaarde worden afgeweken.
•
Op
basis van
de
(specifieke)
zorgplicht
dient bij
de
uitvoering
van de
werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt en dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: o
graafwerkzaamheden te starten buiten het voortplantingsseizoen (april -
o
het beperken van verlichting tijdens de avonduren ten behoeve van
augustus) en het winter(slaap)seizoen (november - februari); vleermuizen en andere nachtdieren of te werken met vleermuisvriendelijke armaturen. o
Rekening houden met zonnende ringslangen op het zand of langs bermen. Als blijkt dat er ringslangen aan het opwarmen zijn in het plangebied, dan zal een ecoloog ingeschakeld moeten worden. De ecoloog zal adviseren welke stappen nodig zijn. Veelal betekent dit tijdelijk een locatie afzetten, totdat de soort uit zichzelf weggaat.
o
Voorkomen dat de oeverzwaluw in het werkgebied broedt door geen steile taluds tijdens een dag werken achter te laten en in periode van afwezigheid (flauwe) taluds af te dekken in de periode april tot en met augustus.
•
Bovengenoemde
werkzaamheden
borgen
door
middel
van
een
ecologisch
werkprotocol en ecologische begeleiding.
3.7 AANBEVELINGEN NATUURINCLUSIEF ONTWERPEN Er zijn vanuit ecologisch oogpunt aanbevelingen te doen ten aanzien van de inrichting: •
Bij het aanbrengen van beplanting wordt aanbevolen om gebruik te maken van inheemse bes- en bloemdragende bomen, struiken en planten zoals: zwarte els (Alnus glutinosa), zomerlinde (Tilia platyphyllos), winterlinde (Tilia cordata), zomereik (Quercus robur), zoete kers (Prunus avium), vuilboom (Rhamnus frangula), gewone vogelkers (Prunus padus), Gelderse roos (Viburnum opulus), wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), lijsterbes (Sorbus aucuparia),
LAN ECO Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
29
hazelaar (Corylus avellana), heggenroos (Rosa corymbifera), hondsroos (Rosa canina),
sleedoorn
(Prunus
spinoza)
en
eenstijlige
meidoorn
(Crataegus
monogyna); •
Gebruik bij de inrichting voor nieuwe verlichting gebundelde en naar beneden gerichte armaturen die niet uitstralen naar de omgeving.
•
Nieuwbouw kan geschikt worden gemaakt voor vleermuizen door: o
het gebruik van inbouwstenen speciaal voor vleermuizen;
o
door op een hoogte van 2,5 meter en hoger in muren in verschillende windrichtingen (voorkeur voor zuidgerichte zijden) open stootvoegen van 2 cm bij 5 cm breed aan te brengen;
o
het creëren van 2 cm ruimte achter houten gevelbetimmering of het aanbrengen van kierende planken;
o
Het ontsluiten van de tussenspouw tussen woningen/appartementen voor vleermuizen.
•
Realiseer groenstructuren in de wijk (tuinen, plantsoenen, parken, bermen, oevers, lanen, grachten en kanalen). Via deze structuren bewegen vleermuizen zich tussen verblijfplaatsen, jachtgebieden, winter- en zomergebieden.
•
Nieuwbouw kan ook geschikt worden gemaakt voor huismus en gierzwaluw door bijvoorbeeld: o
het plaatsen van gevelkasten;
o
het twee pannen hoger plaatsen van vogelschroot;
o
het laten oversteken van de nokpannen en het opruwen van de windveren onder de nokpannen.
•
Het realiseren van groene gevels en daken zorgt voor extra groen, zonder daar oppervlakte voor in te leveren.
•
Leg natuurvriendelijke oevers aan met een aflopende oever of gebruik alternatieve natuurlijke oeverbeschoeiing.
•
Pas halfbestrating toe op plaatsen die minder intensief gebruikt worden, zoals parkeerplaatsen.
LANECO 30
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quickscan flora en fauna Park Vredenburgh fase 3 te Waddinxveen
BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER 1.1
NATUURNETWERK NEDERLAND Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een onderdeel van het natuurbeleid en heeft als doel het behoud van biodiversiteit. Gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van NNN vormen een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. Per NNN-gebied zijn natuurdoelen vastgelegd in het ruimtelijke provinciale beleid, waarmee rekening gehouden moet worden bij planologische ontwikkelingen. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat activiteiten niet strijdig mogen zijn met de natuurdoelen.
1.1.1 Overige beleidskaders Naast het NNN kunnen ook andere provinciale en gemeentelijke beleidskaders van toepassing zijn in het plangebied. Ook deze beleidskaders zijn niet verankerd in natuurwetgeving, maar dienen wel een rol te spelen in de planologische afweging. 1.2
OMGEVINGSWET
1.1.2 Onderdeel gebiedsbescherming – Natura 2000 Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn worden aangemerkt als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van Natura 2000. De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Omgevingswet die per 1 januari 2024 van kracht is. Het is verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 1.1.3 Onderdeel houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Omgevingswet heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte bos- en houtopstanden in Nederland in stand te houden. Kort gezegd, alles wat bos is, moet bos blijven. Indien een houtopstand onder de Omgevingswet valt en deze gekapt gaat worden, moet een kapmelding worden gedaan. Ook verplicht de Omgevingswet om de betreffende grond binnen drie jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als bos definitief gekapt wordt, zal een vergunning of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden.
De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel. Houtopstanden vallen onder de Omgevingswet als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: