Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving (CONCEPT 2 0)-gecomprimeerd
Tekst van het document
Bomen die op de 'Zwarte lijst’ staan worden niet aangeplant door de gemeente. Dit zijn bomen die schadelijk kunnen zijn voor de natuur en in sommige gevallen verboden zijn door de Europese Unie
Niet alleen de afmeting van de boomspiegel (de groenruimte om een boom) is van belang maar ook de samenstelling van het oppervlak. Hoe bomen beschermd kunnen worden tegen droogte door het aanbrengen van het juiste materiaal in de boomspiegel is beschreven in de Handreiking droogtebestendig openbaar groen Waddinxveen. Hierin is o.a. beschreven dat het maaien rondom bomen (bijmaaien) schadelijk is en daarom zo min mogelijk plaatsvindt Openbaar Groen
7
We borgen de veiligheid
We borgen de gemeentelijke verantwoordelijkheid met betrekking tot de veiligheid en aansprakelijkheid door middel van structurele en periodieke inspecties op de boomveiligheid
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
81
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
Openbaar Groen
15
Voorkom invasieve soorten
Planten die op de ‘lijst van invasieve exoten’ staan, zoals berenklauw en duizendknoop, worden door groenbeheerders van de gemeente bestreden als ze worden aangetroffen tijdens onderhoudswerkzaamheden. Het bestrijden van dieren die op de lijst van invasieve exoten staan zoals de rivierkreeft, Nijlgans en de Aziatische hoornaar is formeel de verantwoordelijkheid van de Provincie en Hoogheemraadschappen. Aan de gemeente kan worden gevraagd om te helpen bij het bestrijden. In Waddinxveen doen wij dit ongevraagd omdat de gevolgschade van invasieve exoten wel voor onze rekening komt en deze vervolgschade voorkomen we door actieve bestrijding
Openbaar Groen
16
Snippergroen wordt in beginsel niet verkocht
Onder snippergroen en restkavels wordt verstaan: kavels, onbebouwde gemeentegrond (waaronder water), deel uitmakend van de openbare ruimte en met een maximale grootte van 150 m2. Snippergroen en restkavels worden bij voorkeur niet verkocht.
Bijlagen
Gezien de uitdagingen op het gebied van klimaatadaptie en biodiversiteit en de toenemende druk op zowel de boven- als ondergrondse infrastructuur zijn we zeer terughoudend met de uitgifte van snippergroen en restkavels. Verkoop is alleen mogelijk aan de eigenaar van een direct aanliggend perceel én als is aangetoond dat verkoop strategische, tactische of planologische voordelen heeft voor de gemeente Openbaar Groen
17
Adoptie van groen is gewenst
De gemeente ondersteunt en stimuleert ‘adoptie’ van openbaar groen door bewoners. Onder adoptiegroen verstaan we een stukje openbaar groen of een boomspiegel dat buurtbewoners in overleg met de gemeente opknappen en waarvan ze het onderhoud overnemen. Hiervoor wordt een overeenkomst gesloten. Ook verenigingen, scholen, bedrijven etc. kunnen groen adopteren. Inwoners die groen adopteren krijgen van de gemeente een overzicht met planten die geschikt zijn om te planten
Openbaar Groen
18
Raadpleeg het IBOR voor het beheerniveau
Bij het schoon en veilig onderhouden van de openbare ruimte worden verschillende beheerniveau 's gehanteerd op basis van de Kwaliteitscatalogus Openbare Ruimte van het Kennisplatform CROW. Het beheerniveau per gebied wordt iedere 5 jaar vastgesteld in het Integraal Beheerplan Openbare Ruimte (IBOR) op basis van de beheerprincipes uit dit Omgevingsprogramma duurzame leefomgeving. In het IBOR wordt beschreven hoe het beheer zowel operationeel als financieel wordt uitgevoerd. Het gaat hierbij om het opruimen van zaken die niet in de openbare ruimte thuishoren en het netjes en veilig houden van bankjes, afvalbakken, verkeersborden e.d. Ook gaat het om het verwijderen van planten die tussen de tegels van het trottoir groeien en andere verharde delen waar de primaire functie wandelen of rijden is. De beheerniveaus zijn niet van toepassing op het netjes houden van groen in bermen, groenstroken, groenvakken, plantenbakken, gazons, speeltuinen, parken etc. Daarvoor geldt dat er in alle gebieden van Waddinxveen groen wordt aangeplant en onderhouden dat een positieve bijdrage levert aan biodiversiteit en/of klimaatadaptatie. Dat betekent dat planten die van nature voorkomen zoals madeliefjes en paardebloemen niet worden weggemaaid rondom bomen, lantarenpalen of in gazons. Het doel van groen is niet om netjes te zijn maar waardevol.
Recreatie
1
Bekijk de beheerprincipes bij natuur
De beheerprincipes vanuit het onderwerp Natuur zijn ook gewenst binnen de natuurgebieden. Het is de rol van de gemeente om deze principes onder de aandacht te brengen bij de desbetreffende natuurorganisaties.
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
82
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
II
Bijlagen
Adviesrapport Ecologische Verbindingszone 1.
Samenvatting per EVZ Stedelijk groen
Water
Poel of sloot (met natuurvriendelijke oever)
Geen pesticidengebruik
Geen pesticidengebruik
Veilige verbindingen
Geleidende structuren naar omgeving
Gefaseerd (extensief) maaibeheer
Gefaseerd (extensief) maaibeheer
Strooisellaag
Strooisellaag
Rustige (overwinterings) plekken
Dichte struwelen, wortelkluiten, boomstronken met holtes, bladerenof takkenhopen
Oppervlakte minimaal
0,5 ha
Max afstand tussen stapstenen
1000 meter
Bomen en bosschages
Diverse, inheemse soorten, waaronder meidoornhagen, ligusterhagen en haagbeukhagen met een hoogte van doorgaans 2 á 3 meter
Besdragers
Lijsterbes, meidoorn, sleedoorn, vlier, braam, sporkehout
Zaaddragende kruiden
Straatgras, herderstasje, weegbree, distels, grote kaardenbol
Water
Kleine vijver met natuurvriendelijke oever of moerasplanten
Oppervlakte minimaal
200 ha
Stukjes kaal zand
Stukjes kaal zand. Een zandbad o.a. om zich van parasieten te ontdoen
Max afstand tussen stapstenen
Aaneengesloten
In de omgeving van nestgelegenheid
Woningen met dakpannen, dichte bomen en struiken
Minimale breedte EVZ
>5 meter oever en <10 meter water
Veilige verbindingen
Middels geleiding een veilige route
Natte infrastructuur
Natte, onverlichte infrastructuur, die niet droogvalt
Medewerking van bewoners
Bladeren op een grote hoop harken op rustige plek in de tuin; openingen in schuttingen in de hele wijk (min. 13x13 cm); tegels wippen in tuinen en vervangen door vaste, inheemse planten
Open, vochtige omgeving
Hoge (natuurlijk variabele) waterstand (rietvelden, natte graslanden). GLG max 50 cm onder maaiveld. 1% van het oppervlak plasdras
Verstopplekken
Centrale bladhopen, houtstapels, takkenrillen
Gevarieerde vegetatiestructuur, zowel in hoogte als dichtheid
Met echte koekoeksbloem, ratelaar, reukgras, scherpe boterbloem, rood zwenkgras, beemdlangbloem, smalle weegbree, zwarte zegge, hazenzegge en rode klaver
Gradiënt in vegetatiestructuur met vooral heel veel vrij zicht
Een rand met kortere vegetaties (40-60 cm), zoals hooilanden, zeggenvegetaties, overgaand in uitgestrekte lage kruidige graslanden
Licht
Veel licht vanwege moeras-/oevervegetaties
Bodem
Humeuze bodem
Maaien
Afhankelijk van vegetatietype
Water
Helder, schoon, voedselrijk (tot matig voedselrijk) water met baggerlaag
Onderwatervegetatie
Rijke onderwatervegetatie, met draadalgvegetaties
Oevervegetatie
Lage oevervegetatie die de watergang niet beschaduwd
Geen pesticidengebruik
Geen herbiciden en pesticiden gebruik en geen inlaat (ionenrijk) gebiedsvreemd water.
Rust
Menselijke verstoring vermijden
Droge EVZ Oppervlakte minimaal
2 ha
Max afstand tussen stapstenen
200 meter
Minimale breedte EVZ
20 meter
Bomen en bosschages
Westzijde Waddinxveen is klei. Daar passen soorten zoals: gewone es, schietwilg, gladde iep (Ulmus minor), zwarte els, sleedoorn, meidoorn en rozen. Oostzijde Waddinxveen is vooral veen: daar passen soorten zoals: schietwilg, zwarte els, zomereik, gewone vlier en schietwilg.
Bloemrijke bermen
Kleinschalig mozaïek
o.a. reigersbekken, boerenwormkruid, jakobskrui, duizendblad (in elk geval voorjaars-, zomer- en najaarsbloeiers). Vergrassing voorkomen.
Vochtige EVZ
Open, zonnige, bloemrijke plekken met houtwallen, struwelen en zomen, vergrassing voorkomen
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
83
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
Bijlagen
2. Natte EVZ
Eisen doelsoorten per EVZ Stedelijk groen
Oppervlakte minimaal
1000 ha mits verbonden door EVZ
Max afstand tussen stapstenen
200 meter
Minimale breedte EVZ
Waterloop + 15 meter aan beide zijden. Dit mag onder een helling zijn (bijv. 1:3 of flauwer)
Geïsoleerde poelen
Merel
Huismus
Egel
(indien woonwijken zijn meegenomen)
Oppervlakte minimaal
0,5 ha
0,5 ha
0,5 ha
Max afstand tussen stapstenen
5000 meter
100 meter
20 meter
Zonder vegetatie, 1 á 2 jaarlijks geschoond, mogen droogvallen (in de loop van het seizoen)
Stilstaand of langzaam stromend, permanent waterhoudende watergang van 30 - 150 cm diep
Rijke onderwatervegetatie en ruige rietkragen en natte strooiselruigten
Bomen en bosschages
Bomen en bosschages
Bomen en bosschages (waaronder wintergroen)
Bomen en bosschages
Inrichting
Schuilplaatsen
Binnen 50 meter van wateren, dit is belangrijk voor overwintering van amfibieën. Struwelen, houtstapels, hopen bladeren, takkenrillen
• •
Vergraafbare grond(hopen)
Gewenst vanwege rugstreeppad (overwintering)
Periodiek, gefaseerd maaibeheer
Opschot verwijderen
Voedsel
In vegetatiestructuur, temperatuur en vocht
Zaden, granen, bessen, ongewervelden
Ongewervelden
Variaties en gradiënten
Bessen, vruchten, ongewervelden
Intensief landgebruik voorkomen
Extensieve begrazing is mogelijk (en gunstig voor steenuil)
Water
Aanwezigheid water
Aanwezigheid water
Aanwezigheid water
Geen pesticidengebruik
Geen pesticidengebruik
Menselijke verstoring vermijden in de EVZ zelf (dus incl. oevers), maar daar omheen geen probleem.
Mest en pesticiden
Geen pesticidengebruik
Rust
Nestruimte
Waterkwaliteit
Hoge waterkwaliteit. Vooral vanwege otter en zijn visrijke dieet. Gifstoffen stapelen zich op en kan de otter fataal worden
Struiken en heggen, met name in de buurt van gazons (voedsel)
Nestgelegenheid in omgeving (rijtjeswoningen)
Overwinteringsplekken (bladhopen, takkenhopen etc)
Vissenpopulatie
Veel vis
Extra informatie
Veilige oversteekplaatsen
Corridors/duikers/EVZs
Geen pesticidengebruik
Geen pesticidengebruik
De afwisseling tussen groen en bebouwing is gunstig voor de merel. De afwisseling tussen huizen, groene tuinen, struwelen en gazons zijn in het bijzonder gunstig voor deze soort. Hoofdwegen en openheid zijn negatief. Ook is aandacht gewenst voor de negatieve invloed van katten
De huismus is deels afhankelijk van de mens voor zijn voedselvoorziening. Bijvoeren kan de soort ondersteunen. Inheemse bomen en struiken kunnen voorzien in insecten (eiwitrijk voedsel) die benodigd is in de periode dat ze jongen hebben
Wordt plussoort als bewoners participeren: bladeren op een grote hoop harken op rustige plek in de tuin; openingen in schuttingen in de hele wijk (min. 13x13 cm); tegels wippen in tuinen en vervangen door vaste, inheemse planten. In dat geval niet enkel stedelijk groen als leefgebied aanduiden, maar ook woonwijken met tuinen
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
Rustige plekken Veel struweel, gazons voor voedsel (wormen), parken en bosschages. De oppervlakte aan groen is leidend.
• •
Rustige plekken Stukjes kaal zand
• •
Rustige plekken Veilige verbindingen
84
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
Bijlagen
Droge EVZ Egel
Weidehommel
Bunzing
+ Bruin Blauwtje
Oppervlakte minimaal
0,5 ha
Onbekend, maar 2-4 hectare kruidenrijk grasland is benodigd om een kolonie te faciliteren
1 ha
2 ha
Max afstand tussen stapstenen
20 meter
200 meter
N.v.t. mits geleiding aanwezig
200 meter
Minimale breedte EVZ
2 meter
2 meter
10 meter
20 meter
Bomen en bosschages
Bomen en bosschages
Kleinschalige openheid, bloemrijke bermen, ook in bossen/bosschages
Bomen en bosschages
Zonnig, open
Inrichting
• •
Rustige plekken Veilige verbindingen
•
•
In bebouwd gebied vormen plantsoenen met rode ribes en sneeuwbes een belangrijke voedselbron Eventueel stenen en composthopen om in nestgelegenheid te faciliteren
• • • • •
Rustige plekken Struwelen en zomen Kleinschalig mozaïek Houtwal Veilige verbindingen
•
• •
Kale grond (pioniermilieu) en bloemrijke graslanden (o.a. reigersbekken, boerenwormkruid, jakobskruid, duizendblad) Gefaseerd maaibeheer of extensief begrazen
Voedsel
Ongewervelden
Nectar: voorjaar, zomer, najaar
Amfibieën, knaagdieren en haasachtigen
Strooisellaag voor de verpopping (overwintering), dichtbij de waardplant
Water
Aanwezigheid water
Schuilplaatsen. Foerageert ook langs oevers
Water met natuurvriendelijke oevers
Vergrassing voorkomen
Mest en pesticiden
Geen pesticidengebruik
Geen pesticidengebruik
Geen pesticidengebruik
Geen pesticidengebruik
Nestruimte
Overwinteringsplekken (bladhopen, takkenhopen etc)
Nestgelegenheid (vooral natuurlijk, minder vaak kunstmatig)
Overwinteringsplekken (bladhopen, takkenhopen etc)
Overwinteringsplekken (bladhopen, takkenhopen etc)
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
85
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
Bijlagen
Vochtige EVZ Meervleermuis
Rietorchis
Platte Schijfhoren
+ Moerassprinkhaan
+ Grutto
+ Roerdomp
Oppervlakte minimaal
2 ha
2 ha
1-2 ha
2 ha
200 ha
2,5-25 ha
Max afstand tussen stapstenen
6.000 meter mits geleidende structuur aanwezig
100 meter
Zeer slechte verspreider, verbinding moet doorlopend zijn
100 meter
N.v.t.
1.000 - 10.000 meter
Minimale breedte EVZ
5 meter (water)
5 meter (oever)
< 10 meter (water)
5 meter (oever)
N.v.t.
10 meter
Inrichting
• •
Verbindingen tussen natuurgebieden Nabijheid van grotere, open wateren
• •
Vochtige omgeving (rietvelden, natte graslanden) Vochtige bodem
• • • •
Rijke onderwatervegetatie, met draadalgvegetaties Lage oevervegetatie die de watergang niet beschaduwd Geen droogval van water Hypertroof water wordt vermeden (langs maisakkers, akkerbouw etc.)
• •
Veel variatie in vegetatiestructuur Kortere vegetaties (40-60 cm), zoals hooilanden, zeggenvegetaties etc
• • • • • •
Open, vochtige graslanden met vrij zicht Rust Gevarieerde vegetatiestructuur (zowel in hoogte als dichtheid) Natte slootkanten 20% kuikenland Echte koekoeksbloem, ratelaar, reukgras, scherpe boterbloem, rood zwenkgras, beemdlangbloem, smalle weegbree, zwarte zegge, hazenzegge en rode klaver
• • • • •
Uitgestrekte rietvelden of -kragen van >10 m breed Minimaal 20% overjarig riet Rust: water- en landrecreatie beperken Ondiep moeras Verstoringsgevoelig: ca. 100 - 300 m afstand
Voedsel
Water, bloemrijke biodiversiteit
Aanwezigheid van bestuivers (biodiversiteit)
Algen en afgestorven organisch materiaal (op de bodem)
Grassen en cypergrassen, waaronder riet
De volwassen grutto eet regenwormen en emelten. Jonge vogels jagen op insecten zoals langpootmuggen
Vis, amfibieën
Water
Natte, onverlichte infrastructuur
Schuilplaatsen
Helder, schoon, voedselrijk (tot matig voedselrijk) water
Variabele waterstand met natuurlijke grondwaterschommeling
Hoge waterstand
Variabele waterstanden
Mest en pesticiden
Geen pesticidengebruik
Geen bemesting
Zeer gevoelig voor verontreiningen in het water door herbiciden, pesticiden en metaalionen, met name koper. Geen inlaat (ionenrijk) gebiedsvreemd water
Geen pesticidengebruik
Geen pesticidengebruik
Geen pesticidengebruik
Nestruimte
-
-
Baggerlaag om in te overwinteren
-
Overwinteringsplekken (bladhopen, takkenhopen etc)
Overwinteringsplekken (bladhopen, takkenhopen etc)
Extra informatie
Is opgenomen in het soortmanagementplan (SMP)
• •
Opschot verwijderen Maaien in april, eind juli en november
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
• •
Inventarisatie wenselijk om huidige aanwezigheid te onderzoeken Chemische analyse waterkwaliteit wenselijk om geschiktheid te bepalen
• •
Gefaseerd maaien of extensief begrazen.Niet maaien voor september Grote populaties komen voor bij een hoger en stabieler waterpeil, waarbij de gemiddelde zomermaxima niet dieper dan ca 50 cm onder het maaiveld zakken, vaak in aanwezigheid van kwel
•
•
Nu ca 192 ha geschikt: uitbreiding gewenst Maaibeheer afgestemd op broedseizoen Tussen half juni en half aug: 0,5 ha plasdras per 100 ha leefgebied. Vanaf 1 augustus waterpeil weer laten zakken
Verlanding voorkomen (maaien)
86
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
Bijlagen
Natte EVZ Kleine Karekiet
Kleine Watersalamander
Steenuil
Rugstreeppad
+ Otter
Oppervlakte minimaal
0,001 ha
1 ha
40 ha
1 ha
1000 ha mits verbonden door EVZ
Max afstand tussen stapstenen
N.v.t.
200 meter
5.000 meter
1.000 meter
0 meter
Minimale breedte EVZ
2 meter
10 meter
N.v.t.
1 meter
Waterloop* + 15 meter aan beide zijden
Inrichting
• •
Rietvelden/moerassen Rust
• •
Rijke onderwatervegetatie Schuilplaatsen op het land Variaties en gradiënten
• • • •
•
Variatie in open grasland en ruigtes Zonnig Knotwilgenrijen Kleinschalig cultuurlandschap (evt extensief begraasd met vee) Rust
• • • •
Zandige of lemige bodem, maar komt ook voor op klei en veen Niet of schraal begroeid terrein. Bij voorkeur pioniermilieu Kleine bosschages en zand- of stenenhopen om te overwinteren Vergraafbare grond is gewenst
• • • •
Gevarieerd, nat landschap Schuilplaatsen langs oever (bv struweel) Rust Veilige oversteekplaatsen
Voedsel
Biodiversiteit
Watervlooien, slakken, regenwormen en insecten
Muizen en kevers
Ongewervelden
Vis
Water
Langs het water, in en buiten het riet (ook in struweel)
Stilstaand of langzaam stromend water van 30 - 150 cm diep
Aanwezigheid van water
Voortplantingswateren: 1 a 2 jaarlijks geschoonde poelen
Goede waterkwaliteit
Pesticiden
Geen pesticidengebruik
Geen pesticidengebruik
Geen pesticidengebruik
-
Geen pesticidengebruik
Nestruimte
Bouwt een nest in rietvegetatie. Aan begin broedseizoen wordt uitsluitend overjarig riet bezet, in de loop van het seizoen kan eenjarig riet ook in aanmerking komen. Voorkeur voor waterriet
Overwinteringsplekken, binnen 50 meter van voortplantingswater
Nestgelegenheid in omgeving (oude knotbomen en nestkasten op erven)
Plant zich voorin pionierwateren, zonder vis
Overwinteringsplekken (bladhopen, takkenhopen etc)
Extra informatie
•
Soort van dynamische omstandigheden, dus combineert goed met agrarische activiteit (waaronder bijv. herenboeren)
•
• •
Periodiek, gefaseerd maaibeheer Vermijd droogval Opschot verwijderen
•
Intensief landgebruik voorkomen
•
Weinig verkeer vanwege aanrijdingen met overvliegende vogels
Menselijke verstoring vermijden
*Wanneer een waterloop onder een brug doorgaat en er geen doorlopende oever is, steken otters de bovenliggende weg over in plaats onder de brug door te zwemmen. Dit zorgt voor een hoge mortaliteit bij bruggen, duikers en andere onderdoorgangen zonder doorlopende oever of loopplanken. Waar een doorlopende oever niet mogelijk is kan dit worden opgelost door de aanleg van loopplanken
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
87
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
III
Bijlagen
Participatieverslag Voor het Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving (OPDL) zijn meerdere vormen van participatie toegepast om een brede doelgroep te bereiken. Het OPDL is specifiek en technisch van aard. Daarom is gekozen voor twee participatietrajecten: 1. Gericht op bewoners • Publieksenquête via Waddsup • Straatgesprekken (2 ochtenden op het Gouweplein) 2. Gericht op interne en externe experts • Expertsessie I (intern) • Expertsessie II (intern en extern) Inwonersparticipatie Voor het participatietraject gericht op bewoners is gekozen voor een samenwerking met Perspectief Waddinxveen 2050 omdat het OPDL enkele sociale vraagstukken bevat zoals het gebruik van natuur- en recreatiegebied, parkeren en gezondheid. Via een publieksenquête op Waddsup is gevraagd naar ideeën over het Waddinxveen van 2050. Hieruit kwam duidelijk naar voren dat inwoners sterke behoefte hebben aan meer groen. Verder werden de volgende onderwerpen als belangrijk genoemd: een betere gezondheid, een zekere toekomst op het gebied van wonen & voorzieningen, een sociale & inclusieve samenleving en aanpassing aan klimaat & water. De straatgesprekken ondersteunden deze publieksenquête. Hier konden we meer persoonlijke vragen stellen en doorvragen zodat duidelijk werd waarom inwoners een bepaalde voorkeur hebben. Alle wethouders en de burgemeester waren aanwezig en tevens de auteurs van het OPDL.
Uit deze twee ochtenden kwamen gelijke resultaten. Inwoners willen meer groen rondom de bebouwde kom, een veilige verkeerssituatie, meer voorzieningen, betaalbare woningen en meer sociale verbondenheid.
Expert participatie De eerste expertmeeting werd intern uitgevoerd. Deze sessie in september werd georganiseerd om interne vraagstukken boven te krijgen. De gemeente Waddinxveen heeft veel beleid en lopende projecten die raakvlakken kunnen hebben met het OPDL. Tijdens deze sessie werd vooral gekeken naar de mogelijkheden binnen de huidige beleidsmatige situatie en naar integrale samenhang tussen beleid. Naar aanleiding van deze sessie zijn de concept ontwerpprincipes opgesteld. Expertsessie II werd publiekelijk uitgevoerd voor interne en externe professionele belanghebbenden en experts. Hier werden concept ontwerpprincipes gepresenteerd waarop gereageerd kon worden. Uitgenodigde organisaties waren bijvoorbeeld overheidsinstanties, natuurbeheerders, stichtingen en vertegenwoordigers van ondernemers. Per thema was er een collega aanwezig om uitleg te geven en opmerkingen te noteren. Deze sessie in december werd drukbezocht door mensen die de ontwerp- en beheerprincipes kwamen inzien. Uit deze dag kwam goede feedback, maar we kregen voornamelijk een duidelijk groen licht voor het doorzetten van de ontwerp- en beheerprincipes. Alle opmerkingen zijn verwerkt en vervolgens is het conceptprogramma afgerond. Overige gesprekken Naast de 4 formele participatiemomenten zijn er losse gesprekken gevoerd met organisaties.
Dit waren de GGD Hollands Midden, Brandweer Waddinxveen, Staatsbosbeheer, ProRail en Stichting Weids Bloemendaal. Deze gesprekken hebben – net als de interne participatiegeleid tot het aanscherpen van ontwerp- en beheerprincipes.
De uitkomsten uit de publieksenquête en de straatgesprekken hebben input geleverd voor de ontwerpprincipes in het OPDL, metname voor het onderdeel natuur en recreatie. In het OPDL wordt ingezet op de maximaal haalbare variant van ecologische verbindingszones die waar mogelijk ook voorzien in de recreatiebehoefte.
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
88
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
IV
Bijlagen
Afwegingskader overlast van bomen In deze bijlage wordt het afwegingskader voor bomenkap bij overlast van bomen beschreven. Dit kader biedt handvatten om de waarde van de betreffende boom/bomen en de mate van overlast inzichtelijk te maken. Het afwegingskader heeft als doel om de afweging tussen het algemeen belang met de waarde van de boom en de ervaren mate van overlast transparant te maken en zo objectief mogelijk te waarderen. .
•
2.
Mate van overlast •
1.
Boomwaarde • •
•
• •
•
•
Boomstructuur: Aangewezen waardevolle bomen en bomen in de EVZ worden extra beschermd; Duurzaamheid boomsoort: bomen met een trage groeisnelheid en daarmee lange levensduur (zoals eik of beuk, paardenkastanje, linde) krijgen een hogere waardering dan niet duurzame soorten met een kortere omlooptijd (zoals populier, wilg, berk, sierkers, sierappel). Traag groeiende bomen krijgen pas laat hun uiteindelijke kenmerkende vorm en zijn beeldbepalend omdat ze langdurig in de openbare ruimte aanwezig zijn; Boomgrootte: soorten die uitgroeien tot grote bomen (1e grootte zoals een plataan) krijgen meer punten dan kleiner blijvende bomen (3e of 4e grootte, zoals een sierappel); Herkomst: toepassing van inheemse soorten heeft de voorkeur boven exoten, vanwege de hogere ecologische waarde en milieuwaarde van inheemse soorten; Zeldzaamheid in de gemeente: boomsoorten of cultivars die in de gemeente weinig voorkomen krijgen een hogere waardering dan algemeen in de gemeente voorkomende soorten; Stamdiameter op 1,3 m hoogte: de dikte van de boom wordt op borsthoogte (1,3 m) gemeten. De stamdiameter is een goede indicatie voor de grootte van de boom. Grotere bomen krijgen een hogere waardering dan kleinere bomen; Levensverwachting: bomen waarvan verwacht wordt dat deze nog lang kunnen blijven leven en groeien krijgen een hogere waardering dan bomen met een lagere verwachte restlevensduur.
De levensverwachting van de boom is afhankelijk van de actuele conditie, de algehele vitaliteit en de standplaats van een boom;
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
Snoeivorm: bomen met een bijzondere snoeivorm (zoals bolcultivars, lei- of vormbomen, knotbomen) worden extra gewaardeerd.
• •
• •
Soort overlast: Overlast van bessen, vruchten, stuifmeel, pluisvorming, plak, bladval en overhangende takken is onlosmakelijk verbonden met een boomrijke gemeente en is geen reden tot kap. Overlast die meegenomen wordt in de afweging staat in de tabel op de volgende pagina vermeld. Tijdsduur overlast: hierbij wordt rekening gehouden met zowel de periode in het jaar, als met de tijdsduur per dag waarin de overlast ervaren wordt; Schade die de boom veroorzaakt / kan veroorzaken: schade aan ondergrondse infrastructuur en de funderingen van gebouwen en andere (particuliere) eigendommen leidt tot grote kostenposten voor herstel en weeg het zwaarste. Schade aan bestrating of omheiningen weegt minder zwaar; Afstand van de boom tot de gevel of erfgrens: hoe dichter de boom in de openbare ruimte bij een gevel of erfgrens staat, hoe zwaarder de overlast meeweegt; Aantal bewoners in de directe omgeving dat aanpassingen wenst: het aantal bewoners dat overlast ervaart is mede bepalend voor de afweging. Hoe meer belanghebbenden overlast ervaren en aanpassingen aan de boom/bomen wensen, hoe zwaarder dit weegt. Daarbij telt elk huishouden en/of adres voor één. Tot de omgeving van een boom wordt een straal van 50 m1 vanaf de buitenzijde van de stam gerekend.
89
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
3.
Bijlagen
Afweging De criteria en waardering maken de afweging zo objectief mogelijk. Het is echter geen rekenkundige exercitie die bij bepaalde uitkomsten automatisch leidt tot een bepaalde actie (zoals kap). • • •
Uitgangspunt is het streven om de bomen te kunnen behouden in de openbare ruimte. Is de boomwaarde hoger dan de mate van overlast, dan wordt geen actie ondernomen die schade voor de boom met zich meebrengt. Is de waardering van de overlast aanzienlijk hoger dan de boomwaarde, dan is kap een uiterste middel. Waar mogelijk wordt gezocht naar minder drastische ingrepen, zoals snoei van overlast gevende takken.
De afweging en uiteindelijk advies zijn altijd maatwerk, afgestemd op de specifieke lokale omstandigheden. Uiteraard is er altijd beroep of bezwaar mogelijk volgens de reguliere procedures.
Figuur 73: Afwegingskader overlast van bomen
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
90
Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving
91