De Passage_Toelichting
Tekst van het document
Wanneer uit het onderzoek blijkt dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel, dient vóór aanvang van de bouwwerkzaamheden een bodemsanering te worden uitgevoerd om de bodem wel geschikt te maken, of dient de omgevingsvergunning te worden geweigerd. Onderzoek In 2022 is een vooronderzoek bodem uitgevoerd (De Passage te Waddinxveen Vooronderzoek bodem, Royal HaskoningDHV, 22 september 2022, Bijlage 7). Met het vooronderzoek is middels een bureaustudie inzicht verkregen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem binnen de gebiedsontwikkeling de Passage. Hierbij is een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Als kader voor het vooronderzoek is de Wet bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit gehanteerd. Voorafgaand aan het gebruik als centrum is het plangebied in gebruik geweest als akkerland/grasland, oppervlaktewater en wonen. Op basis van alle verzamelde informatie kan het volgende worden geconcludeerd: In het gebied heeft demping van sloten en oppervlaktewater plaatsgevonden en grootschalige ophoging. Als gevolg hiervan is het gebied verdacht voor puinhoudende dempingsmaterialen in de ondergrond. De ophooglaag in het plangebied is heterogeen licht tot sterk verontreinigd met PAK. Plaatselijk zijn tevens zware metalen sterk verhoogd aanwezig.
Het plangebied is niet verdacht voor een verontreiniging met asbest. Binnen het plangebied zijn drie potentieel bodembedreigende activiteiten aanwezig welke onvoldoende zijn onderzocht. Het betreft de activiteiten aan de Juliana van Stolberglaan 4 (tandarts), Passage 47 (voormalige fotowinkel) en Stationsstraat 22 (voormalige kolenopslag, cokes-, kolenbreek- en sorteerinrichting (zifterij) en brandstoffen-detailhandel). In en grenzend aan het plangebied zijn diverse ondergrondse tanks buiten gebruik gesteld of verwijderd. De ondergrondse tanks (uitgezonderd Passage 1 en 53) zijn niet (voldoende) onderzocht. Grenzend aan het plangebied is een tankstation aanwezig met meerdere ondergrondse tanks. De huidige kwaliteit van de bodem (met name grondwater) en daarmee mogelijke beïnvloeding van de bodemkwaliteit in het plangebied is onbekend.
50
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
In het kader van grondverzet is bodemonderzoek noodzakelijk om de hergebruiksmogelijkheden te kunnen bepalen. Binnen het plangebied zijn heterogeen verdeeld sterk verhoogde gehalten zware metalen of PAK aanwezig. Om de bodem geschikt te maken voor de geplande ontwikkeling zijn sanerende maatregelen noodzakelijk. Naar verwachting kan worden volstaan met een eenvoudige saneringsmaatregel zijnde een duurzame afdeklaag (leeflaag of isolatielaag). In aanvulling op voorgaande is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd (De Passage Waddinxveen Verkennend en aanvullend bodemonderzoek, Ingenieursbureau Land, 4 november 2024, Bijlage 8). Op basis van de resultaten van het onderzoek worden de volgende conclusies getrokken. Conclusies Bij een van de voormalige sloten is een sterke zinkverontreiniging vastgesteld in de veenlaag van 0,5-1,3 mmv. Deze is verticaal en (deels) horizontaal afgeperkt. De verontreiniging heeft een omvang van ca. 212 m3 sterk met zink verontreinigde grond. De voorlopige veiligheidsklasse voor werkzaamheden is 'basishygiëne'. Nabij de tandartspraktijk (Juliana van Stolberglaan 4) is een sterke PAK-verontreiniging vastgesteld tussen 1,5-2,8 m-mv (tussen 4,1 . 5,6 m-NAP). Deze is verticaal en (deels) horizontaal afgeperkt. De verontreiniging heeft een omvang van ca. 244 m3 sterk met PAK verontreinigde grond.
De voorlopige veiligheidsklasse voor werkzaamheden is 'basishygiëne'. In de grond zonder sterke verontreinigingen zijn overschrijdingen van de maximale waarde voor 'Landbouw/Natuur' voor de parameters PAK, minerale olie en diverse zware metalen aangetoond. De te verwachten bodemkwaliteitsklasse varieert van 'Landbouw/Natuur' tot 'Industrie'. De onderzoeksresultaten duiden erop dat de eerdere sanering van de sterke PAK-verontreiniging conform het saneringsplan is uitgevoerd op de parkeerplaats ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. In het grondwater zijn geen overschrijdingen van de Voorkeurswaarde aangetoond. Op basis van het bodemonderzoek is er voldoende informatie over de bodemkwaliteit bekend om de voorgenomen werkzaamheden te kunnen verrichten. Mits buiten de parkeergarage niet verder gegraven gaat worden tot 3,7 m-mv wordt verder aanvullend onderzoek niet nodig geacht. Conclusie Voor het bestemmingsplan is de bodemkwaliteit voldoende duidelijk in beeld gebracht. Mits buiten de parkeergarage niet verder gegraven gaat worden tot 3,7 m-mv wordt verder aanvullend onderzoek niet nodig geacht. Daarmee is zeker gesteld dat het bestemmingsplan met het oog op de bodemkwaliteit uitvoerbaar is.
5.9
Water
Wettelijk kader / inleiding In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Onderzoek Ten behoeve van het bestemmingsplan is een waterparagraaf opgesteld (Waterparagraaf De Passage Waddinxveen, Royal HaskoningDHV, september 2023, Bijlage 9). Het plangebied valt binnen het ambtsgebied van het hoogheemraadschap van Rijnland. In de waterparagraaf is ingegaan op alle relevante wateronderwerpen.
Toelichting
51
bestemmingsplan De Passage
Hemelwater Tabel 5.9: Compensatieopgave verhard oppervlak per peilgebied
Door de transformatie van het plangebied neemt het verharde oppervlak toe met maximaal 4.027 m2, dit is het verschil tussen de bestaande feitelijke verharding vóór sloop van de panden en verhardingen en de maximaal toegestane verharding in dit bestemmingsplan. Volgens de Algemene Regels van het Hoogheemraadschap van Rijnland geldt een compensatieverplichting en dient een verhardingstoename gecompenseerd te worden met 15% open water. Dit komt neer op een oppervlak van 605 m2 dat gecompenseerd moet worden in twee peilgebieden. Compensatie vindt plaats op de volgende manier: voor het zuidelijk peilgebied: er worden regentuinen aangelegd die worden aangesloten op het lekriool, hiermee wordt 120 m2 gecompenseerd, dit lekriool leidt naar de plas De Pette binnen het peilvak gelegen direct westelijk van het plangebied en westelijk van de spoorlijn Gouda – Alphen aan den Rijn. De overige 383 m2 dient rechtstreeks opgevangen te worden in de plas De Pette. voor het noordelijk peilgebied: aansluitend op de waterpartij aan de noordkant van De Passage en binnen het plangebied. Oppervlaktewatersysteem De werking van het watersysteem zal door de ruimtelijke inrichting niet grootschalig veranderen. De vijver ten zuiden van het wooncomplex Souburgh verandert van vorm. Riolering In het plangebied ligt een gemengd stelsel waarin huishoudelijk afvalwater en hemelwater gezamenlijk worden afgevoerd.
De gemeente is voornemens om binnen het nieuwbouwplan van de Passage het hemelwater af te koppelen. Hiermee wordt de ervaren overlast in het plangebied tijdens hevige regenbuien verminderd. Waterveiligheid Door het plangebied loopt een regionale waterkering. In de beschermingszones van deze waterkering vinden werkzaamheden plaats. Ter bescherming van de waterkering mogen werkzaamheden niet zomaar worden uitgevoerd. In de planregels is dan ook een vergunningenstelsel opgenomen voor het bouwen en aanleggen binnen de beschermingszones van de waterkering. Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit De aan te brengen verharding lijkt geen invloed te hebben op de waterkwaliteit van de nabijgelegen waterlichamen aangezien er sprake is van met name inbreiding met niet vervuilende activiteiten. Wanneer reguliere maatregelen (niet gebruiken van uitlogende materialen en het aanbrengen van bodempassages (gebruik van de bodem als filter)) worden getroffen, zal het effect op grondwater- en oppervlaktewaterkwaliteit beperkt zijn. Watertoets In het kader van de verplichte watertoets wordt de waterparagraaf samen met dit bestemmingsplan ter
52
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
toetsing voorgelegd aan het hoogheemraadschap van Rijnland. Conclusie Alle relevante wateraspecten zijn hierboven behandeld en zullen geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
5.10
Ecologie
Wettelijk kader De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Voorheen was de soortenbescherming in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998. Sinds 1 januari 2017 zijn de Natuurbeschermingswet, Flora- en faunawet en de Boswet opgegaan in één nieuwe wet: de Wet natuurbescherming (Wnb). Gebiedsbescherming wordt ook gewaarborgd onder het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De Wnb heeft tot doel in het wild voorkomende planten- en diersoorten in stand te houden en te beschermen. De wet kent daardoor zowel verbodsbepalingen, gebiedsbescherming als een algemene zorgplicht. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden.
Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000-gebieden), gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Onderzoek De voorgenomen ontwikkeling is getoetst aan natuurwet- en regelgeving. De resultaten zijn weergegeven in een natuurtoets (Natuurtoets De Passage Waddinxveen, Royal HaskoningDHV, 19 mei 2023, Bijlage 10 Natuurtoets). In de natuurtoets is een onderzoeksgebied beschouwd dat groter is dan het plangebied dat in dit bestemmingsplan is betrokken. Het onderzoeksgebied omvat wel het hele plangebied, maar gaat dus ook in op gebieden en gebouwen die buiten het plangebied zijn gelegen. Aanvullend op het hiervoor genoemde onderzoek is voor de C1000-locatie soortgericht onderzoek uitgevoerd (Aanvullend Soortgericht onderzoek De Passage in Waddinxveen, Staring Advies, 6 november 2024, Bijlage 11). Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein en ligt op ongeveer 6 kilometer afstand van het plangebied. Vanuit het voornemen zijn negatieve effecten verzuring en vermesting niet op voorhand uitgesloten. Derhalve is een berekening ten aanzien van stikstofdepositie uitgevoerd (Stikstofdepositie Passage Waddinxveen, Royal HaskoningDHV, 24 juli 2023, Bijlage 12).
Uit AERIUS Calculator blijkt dat er in de permanente gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie wordt berekend. Uit de AERIUS Calculator blijkt dat er ook tijdens de tijdelijke aanlegfase geen toename in stikstofdepositie wordt berekend (0,00 mol N/ha/j). Hierdoor kunnen significant negatieve effecten binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Soortenbescherming Algemeen voorkomende beschermde zoogdieren Tijdelijk Door de inzet van zwaar materieel en gebruik van verlichting kunnen algemeen voorkomende soorten als konijn en muizen tijdelijk worden verstoord. Voor deze algemeen voorkomende beschermde soorten bestaat in de provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij
Toelichting
53
bestemmingsplan De Passage
overtreding van verbodsbepalingen. Om deze reden hoeft voor de tijdelijk optredende verstoring door het verwijderen van de ondergroei en/of het deels dempen van de watergang, geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om doding of verwonding zo veel mogelijk te voorkomen. De maatregelen komen overeen met de maatregelen om invulling te gegeven aan de algemene zorgverplichting, die te allen tijde van toepassing is voor zowel beschermde als vrijgestelde of niet-beschermde soorten. Vleermuizen Tijdelijk De effecten van de werkzaamheden zijn afhankelijk van het moment van uitvoering (periode in het jaar en op de dag). Wanneer de werkzaamheden ’s nachts worden uitgevoerd in het actieve seizoen van vleermuizen (grofweg half maart t/m half november) en daarbij kunstverlichting wordt toegepast, is verstoring van langsvliegende en foeragerende vleermuizen niet uit te sluiten. Ook kunnen potentiële verblijfplaatsen in en direct langs het plangebied ongeschikt worden omdat vleermuizen gevoelig zijn voor lichtverstoring. De werkzaamheden kunnen daardoor leiden tot een overtreding van artikel 3.5, lid 2 en 4, van de Wnb (thans Omgevingswet). Tijdens het aanvullend soortgerichte onderzoek zijn drie zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld op de C1000-locatie.
Vlak buiten de C1000-locatie is een essentiële vliegroute van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Een deel van de verblijfplaatsen kan worden behouden tijdens en na de herinrichting van het plangebied. Omdat op de zuidoostelijke hoek van de C1000-locatie een gebouw wordt geplaatst tegen het bestaande appartementencomplex, gaan een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en een paarverblijfplaats van een ruige dwergvleermuis verloren. Er is derhalve sprake van een flora- en fauna-activiteit en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is noodzakelijk. De verblijfplaatsen die verloren gaan moeten worden gecompenseerd. Er kunnen tijdelijke voorzieningen aan het pand getroffen worden en in de nieuwbouw kunnen permanente voorzieningen voor vleermuizen getroffen worden. Het is dan ook aannemelijk dat de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit verleend zal worden. Permanent De voorgenomen ontwikkeling heeft mogelijk effect op verblijfplaatsen en vliegroutes gezien geschikte locaties (gebouwen met spouwmuur: C1000-locatie en kavel 7) voor verblijfplaatsen binnen het plangebied worden gesloopt. Hierbij kunnen vleermuizen incidenteel worden gedood. Daarnaast kunnen door kunstverlichting in de nieuwe situatie nabij gelegen vleermuizen die gebruik maken van verblijfplaatsen en vliegroutes binnen het plangebied worden verstoord.
De werkzaamheden kunnen daardoor leiden tot een overtreding van artikel 3.5, lid 1, 2 en 4 van de Wnb. Gezien het nieuwbouw betreft kan in de nieuwe situatie gebruik gemaakt worden van inbouwkasten voor vleermuizen. Hierdoor kunnen er in de nieuwe situatie weer extra vleermuisverblijfplaatsen worden gecreëerd. Door de omgeving groen (kruidenrijk voor meer insecten en beter foerageergebied) in te richten kan in combinatie met de vleermuiskasten weer (meer) geschikt alomvattend leefgebied worden gecreëerd. Zoals onder de tijdelijke situatie beschreven is, is er een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit nodig voor het verloren gaan van verblijfplaatsen. De te verliezen verblijfplaatsen moeten gecompenseerd worden. Dit kan ondermeer door in de nieuwbouw permanente voorzieningen voor vleermuizen te treffen. Maatregelen en vervolgstappen Aanlegwerkzaamheden tijdens de actieve periode van vleermuizen bij daglicht uitvoeren of bij nachtelijke werkzaamheden aangepaste verlichting gebruiken die gericht is op de bouwplaats en niet op het omringende landschap.
54
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
Vogels Tijdelijk Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen broedende vogels in het plangebied en de directe omgeving worden verstoord. De werkzaamheden hebben geen effect op boombroedende vogels met een jaarrond beschermd nest. Permanent De kap van bomen kan leiden tot vernietiging van nesten en verstoring en/of doding van broedvogels. De werkzaamheden leiden daardoor potentieel tot een overtreding van 3.1, lid 1, 2 en 4 van de Wnb. Gezien er nieuwbouw plaatsvindt kan in de nieuwe situatie gebruik gemaakt worden van inbouwkasten voor huismussen en gierzwaluwen. Hierdoor kunnen er in de nieuwe situatie weer extra broedplaatsen worden gecreëerd voor de huismus en gierzwaluw. Door de omgeving groen (met dichte struiken voor schuilplaatsen) in te richten kan in combinatie met de nestkasten weer (meer) geschikt alomvattend leefgebied worden gecreëerd. Maatregelen en vervolgstappen broedvogels zonder jaarrond beschermd nest Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels. Deze periode loopt globaal van 1 maart t/m 1 augustus. Werkzaamheden tijdens het broedseizoen zijn alleen toegestaan door: 1. de werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen en; 2. enkele dagen voor aanvang van de werkzaamheden te laten inspecteren door een ter zake kundig ecoloog.
In de periode van november tot en met januari is dit niet nodig omdat de kans op broedgevallen dan nihil is. Maatregelen en vervolgstappen broedvogels met jaarrond beschermd nest De werkzaamheden hebben mogelijk effect op in de omgeving mogelijk aanwezige gebouwbroedende soorten met een jaarrond beschermd nest als huismus en gierzwaluw. Derhalve is nader soortgericht onderzoek uitgevoerd. Uit dat onderzoek blijkt dat negatieve effecten op de huismus en de gierzwaluw op voorhand kunnen worden uitgesloten. Het aanvragen van een Omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is daarom niet noodzakelijk. Amfibieën Tijdelijk Er wordt geen leefgebied aangetast van de rugstreeppad. Derhalve kunnen overtredingen van artikel 3.5 lid 4 op voorhand kunnen worden uitgesloten. Wel kan er door de werkzaamheden geschikt leefgebied (voortplantingsplaatsen en verblijfplaatsen) ontstaan voor de rugstreeppad in de vorm van open vergraafbare gronden, plassen en onder gedeponeerd materiaal. Rugstreeppadden kunnen het plangebied betreden en tijdens de werkzaamheden door aanwezig materieel worden gedood en rust- en voorplantingsplaatsen worden vernield. Dat is een overtreding op artikel 3.5, lid 1, 2 en 4 van de Wnb.
Maatregelen en vervolgstappen Een overtreding van verbodsbepalingen kan voorkomen worden door in de winterrustperiode te werken of met een aantal preventieve maatregelen, zodat de rugstreeppad zich niet vestigt in het plangebied: Goede afwatering om plasvorming te voorkomen. Gebruik van rijplaten om spoorvorming te voorkomen. Afschermen tijdelijke gronddepots. Algemeen voorkomende beschermde amfibieën Tijdelijk Door de inzet van zwaar materieel en gebruik van verlichting kunnen algemeen voorkomende soorten als
Toelichting
55
bestemmingsplan De Passage
bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker worden verwond of verstoord. Voor deze soorten bestaat in de provincie Zuid- Holland een algemene vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding van verbodsbepalingen. Om deze reden hoeft voor de tijdelijk optredende verstoring door het verwijderen van de ondergroei en het deels dempen van de watergang, geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om doding of verwonding zo veel mogelijk te voorkomen. De maatregelen komen overeen met de maatregelen om invulling te gegeven aan de algemene zorgverplichting, die te allen tijde van toepassing is (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming), voor zowel beschermde als vrijgestelde of niet-beschermde soorten. Algemene zorgplicht Voor alle soorten, beschermd of niet, geldt te allen tijde de algemene zorgplicht. Houtopstanden Er is sprake van de kap van houtopstanden, zoals bedoeld in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De te kappen bomen vallen echter buiten de lijst van bijzondere bomen en het NNN. Derhalve kunnen de bomen vergunningsvrij worden gekapt. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van omliggende NNN-gebieden zijn op voorhand uitgesloten.
Er hoeven geen extra maatregelen getroffen te worden met betrekking tot het NNN. Conclusie Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn op voorhand uit te sluiten. Er dienen maatregelen getroffen te worden om negatieve effecten op beschermde soorten te compenseren. De uitvoerbaarheid hiervan is aannemelijk. Daarmee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van het aspect ecologie.
5.11
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk en beleidskader Archeologie Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet bundelt meerdere wetten en regelingen op gebied van behoud en beheer van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1998. Het deel van de Monumentenwet dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet welke in 2024 in werking treedt. Tot die tijd valt dit onderdeel binnen de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Hierin staat dat bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de in de grond aanwezige danwel te verwachten monumenten. Cultuurhistorie De Modernisering Monumentenwet (MoMo) heeft op 1 januari 2012 tot een wijziging van artikel 3.6.1, lid 1 van het Bro geleid. Ieder ruimtelijk plan dient nu tevens een analyse van cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover sprake is van cultuurhistorie dient daarnaast aangegeven te worden op welke wijze met de mogelijk in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden. Gemeentelijk beleid De gemeente Waddinxveen heeft op 14 november 2012 een eigen archeologiebeleid vastgesteld, dit beleid is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie en Parkeren' (vastgesteld 19 september 2018).
Het beleid bestaat uit de Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen en de Toelichting op de archeologische waarden- en verwachtingen en beleidskaart van Waddinxveen. Door nieuwe inzichten, ontwikkelingen en nieuwe onderzoeken is de bij het beleid horende archeologische
56
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
verwachtingenkaart en daarmee de beleidskaart in 2016 geactualiseerd. De Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen geeft een algemeen inzicht in de beleidsmatige, juridische en financiële aspecten van het beleid. De essentie van het archeologiebeleid van de gemeente Waddinxveen bestaat uit het 'archeologieproof' maken van nieuwe bestemmingsplannen en beheersverordeningen en voldoet hiermee aan de eisen van de Erfgoedwet. In de beleidskaart wordt aangegeven in welke mate met archeologie in de ruimtelijke ordening rekening gehouden moet worden. Het archeologiebeleid van de gemeente Waddinxveen onderscheidt vijf categorieën van archeologische waarden (Waarde Archeologie 1 t/m 5). Per categorie is aangegeven welke bekende en verwachte waarden zijn onderscheiden en wat de vastgestelde vrijstellingsgrens is. Een vrijstellingsgrens bestaat uit een oppervlaktemaat en een dieptemaat. Wordt zowel het oppervlakte als de dieptemaat overschreden, dan dient de aanvrager volgens het beleid een (archeologisch) rapport te overleggen waarin aangegeven is of er archeologische waarden aanwezig zijn. Zijn er daadwerkelijke archeologische waarden aanwezig, dan dient ook aangegeven te worden hoe er met deze waarden rekening wordt gehouden tijdens de voorgenomen ontwikkelingen.
Onderzoek Archeologie Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart geldt in het overgrote deel van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde (waarde archeologie 2). Voor deze waarde geldt een vrijstellingsgrens van 100 m2 en 30 centimeter diep. Bij ingrepen groter dan de vrijstellingsgrens dient middels onderzoek aangetoond te worden dat er geen archeologische waarden geschaad zullen worden. Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden is de dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 met bijbehorende vergunningenstelstel opgenomen op de verbeelding en in de planregels. Cultuurhistorie In het plangebied staan geen cultuurhistorische waardevolle gebouwen meer. Ook heeft de huidige structuur geen cultuurhistorische waarde. In het verleden stond op de locatie de Spijsfabriek. Ondanks dat dit gebouw er niet meer staat, staat het gebouw nog wel steeds symbool voor de industriële, monumentale kant van Waddinxveen. Kavel 8 wordt ontwikkeld met een knipoog naar deze Spijsfabriek. Conclusie Ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden is voor het gehele plangebied de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 met bijbehorende vergunningenstelstel opgenomen op de verbeelding en in de planregels. Daarmee is het bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van het aspect archeologie.
5.12
Bezonning
Wettelijk en beleidskader Binnen Nederland bestaan geen formele (wettelijke) normen en eisen ten aanzien van de bezonning van woningen en/of bebouwing. Om een indruk te krijgen van de bezonningssituatie, wordt in de praktijk vaak gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘TNO-norm’. Er zijn twee verschillende TNO-normen, een lichte en een zware variant. Bij de lichte variant voldoet een gebouw aan deze norm wanneer er gedurende twee uren per etmaal bezonning mogelijk is in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Bij de zware variant is dit drie uren per etmaal in de periode 21 januari tot en met 22 november. De bezonning hoeft niet aaneensluitend plaats te vinden. De TNO-norm is geen harde norm maar een hulpmiddel om de bezonning te beoordelen. Bij twee uur zon per etmaal is de bezonning in ieder geval
Toelichting
57
bestemmingsplan De Passage
acceptabel. Bij minder dan twee uur zon kan dat ook het geval zijn. In dat geval wordt afgewogen of de bezonningssituatie op die locaties aanvaardbaar is. Onderzoek Middels een bezonningsstudie (Bezonningsstudie Passage Waddinxveen, Royal HaskoningDHV, 5 april 2024, Bijlage 13) is vastgesteld welke gevolgen het planvoornemen heeft op de bezonning van en schaduwwerking op omliggende bestaande en reeds vergunde bebouwing. In de bezonningsstudie is allereerst beoordeeld of aan de zware TNO-norm voldaan kan worden. Uit het onderzoek blijkt dat alleen in de wintermaanden de schaduw van de nieuwe bebouwing op de omliggende bebouwing valt. De conclusie is dat de impact van de schaduw minimaal is en in de wintermaanden vaak minder dan een uur extra schaduw oplevert. Daarmee blijven er op de omliggende panden voldoende uren bezonning over en wordt er voldaan aan de zware TNO-norm. Uitzondering hierop is de woning Juliana van Stolberglaan 8. Op deze woning wordt noch de zware noch de lichte TNO-norm gehaald. Geadviseerd wordt hierover in gesprek te gaan met de eigenaren van de woning Juliana van Stolberglaan 8. Conclusie Op de omliggende panden blijven voldoende uren bezonning over; er wordt voldaan aan de zware TNO-norm. Uitzondering hierop is de woning Juliana van Stolberglaan 4-8. Op deze woning wordt noch de zware noch de lichte TNO-norm gehaald.
Hierover dient gesproken te worden met de eigenaren van deze woning. Het bestemmingsplan kan uitvoerbaar worden geacht ten aanzien van het aspect bezonning.
58
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
Hoofdstuk 6 6.1
Juridische planopzet
Algemeen
Het bestemmingsplan is een ruimtelijk besluit, waarin de regels voor het gebruik en het bebouwen van gronden worden vastgelegd. In een bestemmingsplan wordt door middel van bestemmingen en aanvullende aanduidingen aangegeven op welke gronden welke functies toegestaan zijn en hoe deze gronden bebouwd mogen worden. Het bestemmingsplan is een digitaal bestand in gml-formaat, waarin geometrisch bepaalde planobjecten zijn vastgelegd. Technisch gezien is een bestemmingsplan zodoende een verzameling objecten (zoals bestemmingsvlakken), waaraan informatie (zoals ligging en naam) is gekoppeld. Om het plan te kunnen raadplegen zijn in feite drie onderdelen van belang: een digitale en analoge verbeelding van de geometrisch bepaalde planobjecten (plankaart); de juridisch bindende regels van het bestemmingsplan (planregels); een bijbehorende toelichting (plantoelichting). Het bestemmingsplan kan geraadpleegd worden door middel van computersoftware; in ieder geval via de internetpagina www.ruimtelijkeplannen.nl. Met de software kunnen verschillende kaarten van het bestemmingsplan opgeroepen worden door het aan- of uitvinken van planobjecten. Door interactie met het kaartbeeld worden de regels van de betreffende bestemmingen weergegeven. Ook kan de toelichting worden opgeroepen.
Om de vergelijkbaarheid te bevorderen bestaat er een landelijke standaard voor de verbeelding van bestemmingsplannen (SVBP2012). De toepassing van de SVBP2012 is verplicht. Hiermee wordt geborgd dat alle bestemmingsplannen overeenkomen voor wat betreft kleurgebruik, naamgeving, gebruik van arceringen en dergelijke. Dit hoofdstuk geeft een toelichting op de koppeling tussen de regels en de verbeelding. In de volgende paragraaf staat uitgelegd welke systematiek voor dit bestemmingsplan gehanteerd is en hoe de eigenschappen van het plangebied zich hebben vertaald in de toegekende bestemmingen. De paragraaf daarna geeft een korte toelichting per artikel van de planregels.
6.2
Plansystematiek
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. Alleen de regels en de verbeelding zijn juridisch bindend. De plantoelichting bevat de achtergronden, onderzoeken en motieven van het plan. De toelichting is enerzijds voor de besluitvorming van belang, maar kan daarnaast van belang zijn bij het interpreteren van de regels of de verbeelding. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels en op de verbeelding van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. De juridische planopzet en de inhoud van de toegekende bestemmingen worden in dit hoofdstuk toegelicht. Dit bestemmingsplan is opgezet conform de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Voortvloeiende uit de Wro is het plan mede gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Op de verbeelding zijn bestemmingen toegekend aan de diverse aanwezige functies. Bij het opstellen van de verbeelding is gebruik gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT). Het bestemmingsplan is een gedetailleerd eindplan. Weliswaar wekt de verbeelding de suggestie dat het bestemmingsplan globaal van aard is, de planregeling maakt het bestemmingsplan gedetailleerd.
Omdat het plan nog gerealiseerd moet worden is op de verbeelding niet exact weer te geven waar
Toelichting
59
bestemmingsplan De Passage
gebouwd en waar gebruikt gaat worden. Op het moment dat (delen van) het plan gerealiseerd zijn, kan de gemeente ervoor kiezen dit bestemmingsplan te herzien en de bestaande situatie als dan ook vast te leggen op de verbeelding.
6.3
Toelichting op de regels
Deze paragraaf bevat een beschrijving van de bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven. Daarnaast wordt in deze paragraaf ingegaan op de overige regels uit het bestemmingsplan. Conform SVBP2012 zijn de regels onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels. Hoofdstuk2 Bestemmingsregels Artikel 3 Gemengd Daar waar het wonen gecombineerd kan worden met andere functies als kantoren, dienstverlening, maatschappelijke dienstverlening en horeca zijn de gronden bestemd als 'Gemengd'. Groenvoorzieningen en fietspaden zijn ook toegestaan. Indien deze bij de bestemming passend zijn, zijn ook tuinen, erven en terreinen, wegen en paden, parkeervoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, kunstwerken en speeltoestellen toegestaan.
Wonen is alleen op de verdieping toegestaan, tenzij nadrukkelijk is aangeduid dat ook op de begane grond wonen is toegestaan. Aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten zijn ook toegestaan onder voorwaarden. Middels afwijking van het bestemmingsplan is een bed & breakfast bij een woning toegestaan, evenals een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal. Artikel 4 Groen De openbare (hoofd)groenvoorziening in het plangebied is bestemd als 'Groen'. Deze bestemming omvat ook bij de bestemming passende paden, parkeren, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, (infrastructurele) kunstwerken, objecten van beeldende kunst en speeltoestellen. Het is binnen de bestemming 'Groen' niet toegestaan om gebouwen te bouwen, alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn toegestaan. Artikel 5 Tuin Voortuinen behorende bij in andere bestemmingen gelegen hoofdgebouwen zijn bestemd als 'Tuin' als in dit gebied geen gebouwen gebouwd mogen worden. Indien bij de bestemming passend zijn ook in- en uitritten, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en objecten van beeldende kunst toegestaan. Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied De (hoofd)ontsluitingswegen naar en door het plangebied zijn bestemd als 'Verkeer'.
Deze bestemming omvat ook bij de bestemming passende ongebouwde parkeervoorzieningen, fietsenstallingen, paden, groenvoorzieningen, kunstwerken, objecten van beeldende kunst, standplaatsen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
60
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
Het is binnen de bestemming 'Verkeer' niet toegestaan om gebouwen te bouwen. Alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn toegestaan. Artikel 7 Water Het water aan de noordzijde van het gebied is bestemd als 'Water'. Ook bermen, taluds, groenvoorzieningen en (infrastructurele) kunstwerken zijn toegestaan. Het water mag gebruikt worden voor extensieve recreatie. Het is binnen de bestemming 'Water' niet toegestaan om gebouwen te bouwen. Alleen bouwwerken, geen gebouw zijnde zijn ten dienste van de bestemming zijn toegestaan. Artikel 8 Wonen Daar waar enkel woningen bij behorende functies zijn toegestaan geldt de bestemming 'Wonen'. Aan huis verbonden beroeps- en bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan bij een woning. Daarnaast zijn bij de bestemming horende functies toegestaan, zoals tuinen, erven en terreinen, paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, objecten van beeldende kunst en speeltoestellen. Middels afwijking van het bestemmingsplan is een bed & breakfast toegestaan Artikel 9 Waarde - Archeologie 2 Deze dubbelbestemming dient ter bescherming van de archeologische belangen. Het plangebied kent deels een hoge archeologische verwachtingswaarde ten aanzien van archeologie.
Artikel 10 Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemming dient ter bescherming van de waterstaatsbelangen aangaande de door het plangebied lopende waterkering. Bij ingrepen in de waterkering is een positief advies van de waterbeheerder, in dit geval het hoogheemraadschap van Rijnland, nodig. Hoofdstuk3 Algemene regels Artikel 11 Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelregel moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 12 Algemene bouwregels In deze regels zijn algemene bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen in het plan gelden, voor zover er geen voor de bestemming geldende bouwregels van toepassing zijn. Hierin zijn ondermeer regels opgenomen ten behoeve van bestaande situaties en voor heroprichting van bouwwerken. Artikel 13 Algemene gebruiksregels In deze regels zijn algemene gebruiksregels opgenomen die voor alle bestemmingen in het plan gelden.
Op grond van de algemene gebruiksregels wordt algemeen ongewenst gebruik verboden, tenzij een bepaald gebruik juist bedoeld is toe te laten op grond van de bestemmingen, direct hetzij indirect. In de algemene gebruiksregels zijn onder meer de eisen ten aanzien van het parkeren geregeld. Artikel 14 Algemene aanduidingsregels In het uiterlijke westen van het plangebied ligt een veiligheidszone als gevolg van een aanwezige aardgastransportleiding. Binnen deze zone mogen geen beperkt kwetsbare objecten gerealiseerd of gebruikt worden.
Toelichting
61
bestemmingsplan De Passage
Artikel 15 Algemene afwijkingsregels In deze regels is aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Deze regels zijn niet van toepassing, indien en voor zover er specifieke in de bestemming zelf geregelde afwijkingsregels van toepassing zijn. Ten slotte zijn de criteria voor de toepassing van deze afwijkingsregels hier opgenomen. Hoofdstuk4 Overgangs- en slotregels Artikel 16 Overgangsrecht Het overgangsrecht is vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Artikel 17 Slotregel Deze regel bevat de citeerregel van het plan.
62
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Financiële haalbaarheid Conform artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient de toelichting op een bestemmingsplan inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van het plan. Dit bestemmingsplan maakt een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan mogelijk als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Onder aangewezen bouwplan wordt krachtens artikel 6.2.1 van het Bro onder andere bedoeld: a. de bouw van één of meer woningen; b. de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; c. de uitbreiding van een gebouw met ten minste 1000 m2 bruto-vloeroppervlakte of met een of meer woningen; d. de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd. De bouw- en verbouwmogelijkheden voor de locaties die in dit bestemmingsplan worden geboden moeten dan ook in beginsel worden aangemerkt als aangewezen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Op grond van artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijk ordening (Wro) dient de gemeenteraad voor gronden die niet door de gemeente worden uitgegeven een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop dergelijke bouwplannen zijn voorzien.
De gemeenteraad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ook besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien het kostenverhaal van de grondexploitatie anderszins is verzekerd en het bepalen van een tijdvak of fasering en het stellen van eisen en regels niet noodzakelijk is. Het initiatief betreft de bouw van 158 woningen en maximaal 1.673 m2 aan maatschappelijke voorzieningen c.q. gemengde functies in Waddinxveen en de herinrichting van openbaar gebied. De functies worden tegen marktconforme prijzen aangeboden. In hoofdstuk 3 (“planbeschrijving”) is aangetoond dat hier behoefte aan is. Voor de uitgifte wordt gerekend met een verkoopprijs welke passend is bij de markt voor Waddinxveen en vergelijkbaar is met ontwikkelingen in omliggende gemeenten. Exploitatieplan De gronden aangemerkt als kavel 7, 8, 9 en Stationsstraat 8-10 zijn in eigendom van de gemeente. De gemeente zorgt voor het bouwrijp maken en de uitgifte van de bouwkavel. Met deze uitgangspunten is sprake van een sluitende grondexploitatie. Omdat de gronden in het plangebied waar diverse functies worden ontwikkeld in eigendom zijn van de gemeente, is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk en zal hiervan worden afgezien. Facilitaire deellocatie Een deel van de gronden is niet in eigendom van de gemeente.
Echter kan voor deze gronden zonder medewerking van de gemeente geen omgevingsvergunning voor de bouw worden verleend. Dit komt omdat het bestemmingsplan op deze locatie, de C1000-locatie, alleen aaneengebouwde woningen toestaat. De gemeente is tevens eigenaar van een deel van deze gronden, waardoor zonder medewerking van de gemeente niet voorzien kan worden in de bouw van aaneengebouwde woningen en daarmee niet voldaan kan worden aan de regels gesteld in voorliggend bestemmingsplan. De gemeente beoogt uiteraard om op voorhand haar kostenverhaal met de initiatiefnemer te verzekeren
Toelichting
63
bestemmingsplan De Passage
door middel van een anterieure overeenkomst. Wanneer dit binnen de gewenste tijd, voor vaststelling, niet mocht lukken, dan zal in de nog te sluiten verkoopovereenkomst van de uit te geven gemeentelijke gronden de definitieve afspraken rondom het kostenverhaal worden opgenomen. Hierbij geldt dat zonder de gronduitgifte door de gemeente aan de initiatiefnemer niet kan worden overgegaan tot herontwikkeling van de C1000-locatie. Hiermee is de financieel economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan geborgd. Planschade Een belanghebbende kan, na een besluit tot vaststellen van een bestemmingsplan, een verzoek indienen om een tegemoetkoming in de schade, indien die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in artikel 6.1 tweede lid Wro genoemde oorzaak (artikel 6.1 Wro). Conclusie Dit bestemmingsplan mag economisch uitvoerbaar worden geacht.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Inspraak Op grond van artikel 3.1.6 onder e van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gaan een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor, vergezeld van een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. De gemeente Waddinxveen heeft diverse informatiebijeenkomsten georganiseerd rondom het Sleutelkwartier in het algemeen en de Passage in het bijzonder. Dit betreffen: 14 juli 2021 digitaal; 21 april 2022 in het SK Lab; 21 november 2022 in het gemeentehuis; 11 april 2023 in het SK Lab. Verder hebben er met bewoners, omwonenden, ondernemers en andere belanghebbenden gesprekken op individuele basis plaatsgevonden. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat het bestuursorgaan, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg pleegt met instanties, zoals omliggende gemeenten, waterschappen, provinciale diensten en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een concept van het ontwerpbestemmingsplan is in een vooroverleg besproken met de vooroverlegpartners.
Zienswijzen Op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft het ontwerpbestemmingsplan van 9 november 2023 tot en met 3 januari 2024 gedurende zes weken voor een ieder ter visie gelegen. Een ieder is in de gelegenheid gesteld zienswijzen in te dienen tegen het bestemmingsplan. Er zijn in totaal dertien zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn in de zienswijzennota (Bijlage 14) van een reactie voorzien.
64
Toelichting