De Passage Toelichting Bijlage 9 Natuurtoets
Tekst van het document
RAPPORT Natuurtoets De Passage Waddinxveen
Klant:
Gemeente Waddinxveen
Referentie: BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001 Status:
Definitief/02
Datum:
19 mei 2023
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Koggelaan 21 8017 JN Zwolle Water & Maritime Trade register number: 56515154 +31 88 348 65 00 T info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Natuurtoets De Passage Waddinxveen Referentie: BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001 Status: 02/Definitief Datum: 19 mei 2023 Projectnaam: BP Passage Projectnummer: BH9789 Auteur(s): T.d.W Opgesteld door: T.d.W. Gecontroleerd door: J.O. Datum: 17 oktober 2022 Goedgekeurd door: F.B. Datum: 19 mei 2023
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat mogelijk persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V.. Voordat publicatie plaatsvindt (of anderzins openbaarmaking), dient dit document te worden geanonimiseerd of dient toestemming te worden verkregen om dit document met persoonsgegevens te publiceren. Dit hoeft niet als wet- of regelgeving anonimiseren niet toestaat. 19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
ii
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Doelstelling en scope onderzoek
1
1.3
Leeswijzer
1
2
Juridisch- en Beleidskader
2
2.1
Wet natuurbescherming
2
2.1.1 2.1.2 2.1.3
Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2 Wnb) Soorten (hoofdstuk 3 Wnb) Houtopstanden (hoofdstuk 4 Wnb)
2 2 3
2.2
Natuurnetwerk Nederland
3
3
Beschrijving onderzoeksgebied en voorgenomen ingreep
4
3.1
Beschrijving onderzoeksgebied en de directe omgeving
4
3.2
Voorgenomen ingreep
6
4
Toetsing wettelijk beschermde gebieden
7
4.1
Werkwijze onderzoek naar wettelijk beschermde gebieden
7
4.2
Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden
7
4.3
Storingsfactoren en effectenbeoordeling
8
4.4
Conclusie wettelijk beschermde gebieden
9
5
Toetsing wettelijk beschermde soorten
10
5.1
Werkwijze onderzoek naar beschermde soorten
10
5.2
Aanwezige of te verwachten wettelijk beschermde soorten
10
5.3
Effectenbeschrijving- en beoordeling
14
5.4
Voorzorgsmaatregelen en noodzaak vervolgstappen
16
5.5
Conclusie wettelijk beschermde soorten
18
6
Toetsing houtopstanden
19
6.1
Werkwijze onderzoek naar houtopstanden
19
6.2
Voorgenomen kapomvang en beoordeling
19
6.3
Conclusie wettelijk beschermde houtopstanden
19
7
Toetsing planologisch beschermde gebieden
20
7.1
Werkwijze onderzoek naar planologisch beschermde gebieden
20
7.2
Ligging onderzoeksgebied ten opzichte van het Natuurnetwerk
20
7.3
Toetsing NNN
20
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
iii
Projectgerelateerd
8
Conclusie en aanbevelingen
21
8.1
Gebiedsbescherming
21
8.2
Soortenbescherming
21
8.3
Houtopstanden
21
8.4
Natuurnetwerk Nederland
21
9
Literatuur
22
Inleiding Wet natuurbescherming
23
Natura 2000 (Wnb hoofdstuk 2)
23
Beschermde soorten (Wnb hoofdstuk 3)
24
Bescherming van houtopstanden (Wnb hoofdstuk 4)
27
Planologische gebiedsbescherming (NNN)
28
“Nee, tenzij” Wezenlijke kenmerken en waarden
28 28
Bijlagen Bijlage I: Juridisch- en Beleidskader
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
iv
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
De gemeente Waddinxveen is voornemens om in Waddinxveen ter hoogte van De Passage nieuwe woningen en commerciële ruimtes te realiseren. Het betreft ongeveer 160 woningen verdeeld over woningen en appartementen en circa 1.100 m2 bvo aan commerciële ruimtes. Het realiseren van de woningen en de commerciële ruimtes wordt gezien als een ruimtelijk plan. Ruimtelijke plannen en/of ingrepen moeten getoetst worden aan vigerende natuurwet- en regelgeving. In Nederland worden de natuurwaarden via de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) beschermd. Onder de Wnb is de bescherming geregeld van Natura 2000-gebieden, soorten die genoemd zijn in de vogelrichtlijn, de habitatrichtlijn alsook overige soorten opgenomen in de bijlagen van de Wnb en van houtopstanden. Naast de wettelijke bescherming worden natuurgebieden planologische beschermd via onder andere het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). Royal HaskoningDHV (RHDHV) is gevraagd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling te toetsen aan voorgenoemde natuurwet- en regelgeving.
1.2
Doelstelling en scope onderzoek
Dit rapport geeft een algemene indruk van het plangebied en de directe omgeving (gezamenlijk onderzoeksgebied)1 en de daar mogelijk voorkomende juridisch dan wel beleidsmatig beschermde natuurwaarden. Het doel van de natuurtoets betreft de toetsing van het voornemen aan de vigerende natuur- en regelgeving. Specifiek gaat het om de volgende onderdelen: Voortoets in het kader van Natura 2000, Quickscan Soortenbescherming, Indicatie te kappen (beschermde) houtopstand, Beoordeling planologisch beschermde Natuurnetwerk Nederland (NNN) Uit de natuurtoets volgt of er in het kader van Natura 2000 een passende beoordeling nodig is, of er in het kader van soortenbescherming vervolgstappen zoals het uitvoeren van een aanvullend onderzoek en een ontheffingsaanvraag noodzakelijk zijn. Daarnaast wordt beschreven of voor het kappen van de opstand een kapmelding ingediend dient te worden bij het bevoegd gezag en als laatste geeft de natuurtoets duidelijkheid over of vervolgstappen ten aanzien van het planologisch beschermde NNN nodig zijn.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 is het juridisch en beleidskader weergegeven waarin de wet- en regelgeving van de Wet natuurbescherming en het NNN beschreven wordt. Hoofdstuk 3 geeft een algemene beschrijving van het onderzoeksgebied en beschrijft de voorgenomen ontwikkelingen. In hoofdstuk 4 is de voortoets in het kader van Natura 2000-gebieden beschreven. In hoofdstuk 5 is de quickscan ten aanzien van beschermde soorten opgenomen. In hoofdstuk 6 is beoordeeld of te kappen bomen wettelijk beschermd zijn. Hoofdstuk 7 beschrijft effecten op het planologische beschermde NNN. Tot slot zijn in hoofdstuk 8 de conclusies samengevat en worden aanbevelingen gedaan.
1
In deze natuurtoets is een onderzoeksgebied beschouwd dat groter is dan het plangebied dat in het bestemmingsplan is betrokken. Het onderzoeksgebied omvat wel het hele plangebied, maar gaat dus ook in op gebieden en gebouwen die buiten het plangebied zijn gelegen.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
1
Projectgerelateerd
2
Juridisch- en Beleidskader
In dit hoofdstuk wordt het juridische (Wet natuurbescherming) en het planologische kader beschreven (Natuurnetwerk Nederland). Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar bijlage 1 van de rapportage.
2.1
Wet natuurbescherming
In Nederland is de bescherming van inheemse soorten planten en dieren geregeld in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). Deze wet bevat regels voor de bescherming van natuurgebieden, in het wild levende dier- en plantensoorten en houtopstanden in Nederland. Het uitgangspunt van de wet is de natuur te beschermen, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van biologische diversiteit zonder de lasten te verhogen. De provincies zijn over het algemeen het bevoegde gezag voor het al dan niet verlenen van vergunningen en ontheffingen in het kader van de Wnb. Bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid (zoals gaswinning en uitbreiding snelwegen), is het rijk in de vorm van de minister van LNV bevoegd gezag. Voor dit project is provincie Zuid-Holland bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming kent naast de algemene zorgplicht (art 1.11) drie onderdelen welke relevant zijn voor dit project. De relevante onderdelen van de Wnb worden onderstaand toegelicht. Voor de volledige wettekst zie: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01.
Algemene zorgplicht: de Wet natuurbescherming schrijft voor dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel als redelijkerwijs mogelijk is voorkomen moet worden, ongeacht of deze beschermd zijn of niet. In de volgende paragrafen worden de relevante wettelijke kaders behandeld.
2.1.1
Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2 Wnb)
Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn moeten Natura 2000−gebieden aangewezen worden om habitats en soorten van Europees belang te beschermen. Deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In totaal zijn er ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en/of habitattypen. Per soort en/of habitattype is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is of dat uitbreiding dan wel verbetering nodig is. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van (de aangewezen habitattypen en -soorten van) een Natura 2000-gebied.
2.1.2
Soorten (hoofdstuk 3 Wnb)
De Wnb kent drie beschermingsregimes: Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (paragraaf 3.2 van de Wnb). Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn. Beschermingsregime andere soorten (paragraaf 3.3 van de Wnb). Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A en B van de Wnb.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
2
Projectgerelateerd
Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen. Zo is het verboden om nesten van vogels te vernielen, of te beschadigen en is het verboden om soorten die vallen onder de Habitatrichtlijn te verstoren. De bepalingen in paragraaf 3.3 van de Wnb zien toe op de ‘nationale’ andere soorten die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen. In beginsel moet met voorzorgsmaatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast. Lukt dat niet en worden verbodsbepalingen overtreden, dan is een ontheffing nodig. Voor de ‘andere soorten’ van artikel 3.10 kunnen provincies en het ministerie van LNV een algemene vrijstelling van de ontheffingsplicht vaststellen middels een verordening. De lijst met vrijgestelde soorten kan daardoor per provincie verschillen.
2.1.3
Houtopstanden (hoofdstuk 4 Wnb)
Het is verboden om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder een melding te doen bij gedeputeerde staten. Indien een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld moet er herplant plaatsvinden van de gevelde houtopstand. De provincie hebben regels opgesteld over de herplant. Onder een houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of bestaat uit een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Er zijn een aantal uitzonderingen, zoals houtopstanden binnen de bebouwde kom, kweekbomen en populieren en wilgen als wegbeplanting.
2.2
Natuurnetwerk Nederland
Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN), is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied en het effectief functioneren van de ecologische verbindingszones. De bescherming van deze waarden vindt plaats conform de Provinciale Omgevingsverordeningen door toepassing van een specifiek afwegingskader: het “nee, tenzij”-regime. Nieuwe plannen en/of projecten niet zijn toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een groot openbaar belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden. Hiervoor is goedkeuring (of een verklaring van geen bezwaar) van Gedeputeerde Staten (bevoegd gezag voor Natuurnetwerk Nederland) vereist. De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland zijn gekoppeld aan de natuurdoelen voor een gebied. Deze inhoudelijke doelen zijn per provincie uitgewerkt in het Natuurbeheerplan (natuurtypen) en aanvullende provinciale documenten. In geval van Natuurnetwerk Nederland hoeft in beginsel geen rekening gehouden te worden met externe werking, zoals wel het geval is voor de Wet natuurbescherming.
Echter, Gedeputeerde Staten zijn vrij hiervan af te wijken. De provincie kan als bevoegd gezag daar strenger mee omgaan.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
3
Projectgerelateerd
3
Beschrijving onderzoeksgebied en voorgenomen ingreep
3.1
Beschrijving onderzoeksgebied en de directe omgeving
Het onderzoeksgebied 2 is gelegen in het centrum van Waddinxveen, te Zuid-Holland. Het onderzoeksgebied bestaat uit een woonwijk met flatgebouwen, woonhuizen, winkels, kerk en parkeerplaatsen. Ten noorden wordt het onderzoeksgebied begrensd door een watergang. Ten oosten wordt het onderzoeksgebied begrensd door de Juliana Van Stolberglaan. Ten zuiden ligt de grens bij de Stationsstraat en westelijk bij het Stationsplein en de Prinses Beatrixlaan. Door het onderzoeksgebied lopen verschillende groenstructuren. In Figuur 3-1 is de ligging van het onderzoeksgebied weergegeven.
Figuur 3-1 De ligging van het onderzoeksgebied in de omgeving (bron?).
De watergang aan de noordkant van het onderzoeksgebied had een flauw talud met veelal kort gemaaide vegetatie. Daarnaast is er een bomenrij aanwezig bestaande uit knotwilgen. Verder zijn er verschillende gebouwen (woonhuizen, kerk en winkels) aanwezig binnen het onderzoeksgebied. Binnen het onderzoeksgebied staan veelal vrijstaande bomen, daarnaast is een klein bosschage gesitueerd aan de westkant van het onderzoeksgebied langs het Spoorpad. Ook is er een knotwilgenrij aanwezig langs de watergang. Door het onderzoeksgebied loopt van oost naar west een fietspad: de Passage. Tevens worden de parkeerterreinen ontsloten op de Juliana van Stolberglaan en de Prinses Beatrixlaan.
2
In deze natuurtoets is een onderzoeksgebied beschouwd dat groter is dan het plangebied dat in het bestemmingsplan is betrokken. Het onderzoeksgebied omvat wel het hele plangebied, maar gaat dus ook in op gebieden en gebouwen die buiten het plangebied zijn gelegen.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
4
Projectgerelateerd
Figuur 3-2 Een impressie van verschillende elementen binnen het onderzoeksgebied. Foto’s RHDHV 2022. Linksboven: te kappen bomenrij. Rechtsboven, midden en rechtsonder: Locatie nieuwbouw. Linksonder: bestaande watergang.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
5
Projectgerelateerd
3.2
Voorgenomen ingreep
De voorgenomen ingreep betreft de herontwikkeling van het onderzoeksgebied met nieuwe woningen (zie Figuur 3-3). Hiervoor dient er een watergang deels te worden gedempt en dienen er bomen te worden gekapt. Daarnaast wordt het terrein bouwrijp gemaakt. Om dit te realiseren wordt er gebruik gemaakt van groot materieel.
Figuur 3-3 Een weergave van de beoogde eindsituatie (De Zwarte Hond)
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
6
Projectgerelateerd
4
Toetsing wettelijk beschermde gebieden
In dit hoofdstuk is beschreven of in de nabijheid van het onderzoeksgebied wettelijk beschermde gebieden (Natura 2000-gebieden) zijn gelegen en wordt beoordeeld of storingsfactoren kunnen optreden (voortoets). Daarnaast zijn de benodigde vervolgstappen beschreven.
4.1
Werkwijze onderzoek naar wettelijk beschermde gebieden
Om na te gaan welke wettelijke beschermde Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebed zijn gelegen, is de Atlas Leefomgeving van de Rijksoverheid geraadpleegd (Ministerie van LNV, 2022a). Vervolgens is op basis van expert judgement een inschatting gemaakt van de effecten van de geplande ingreep in relatie tot de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit is beoordeeld aan de hand van de storingsfactoren zoals geformuleerd in de zogenoemde Effectenindicator (Ministerie van LNV, 2022b). Vervolgens is nagegaan of en in hoeverre enige relatie te verwachten is tussen de effecten vanuit de voorgenomen ingreep en de onder de Wnb geformuleerde instandhoudingsdoelen van in deze omgeving liggende Natura 2000-gebieden.
4.2
Ligging ten opzichte van Natura 2000-gebieden
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein en ligt op ongeveer 6 kilometer afstand van het onderzoeksgebied (zie Figuur 4-1). Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein is aangewezen als Vogelrichtlijn- (VR) en Habitatrichtlijngebied (HR). Andere Natura 2000-gebieden liggen op meer dan 9 kilometer afstand van het onderzoeksgebied (zie Figuur 4-1).
Figuur 4-1 Ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van de beschermde Natura 2000-gebieden (Ministerie van LNV, 2021).
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
7
Projectgerelateerd
4.3
Storingsfactoren en effectenbeoordeling
De Effectenindicator zoals aangereikt door het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit geeft een negentiental mogelijke effecten, de zogenoemde storingsfactoren, waarmee in ieder geval rekening moet worden gehouden ten aanzien van in Natura 2000-gebieden beschermde waarden. Op basis van deze storingsfactoren worden de effecten op de Natura 2000-gebieden in de omgeving beoordeeld. Analyse van relevante storingsfactoren (scoping) De voorgenomen activiteit leidt niet tot aanvullend ruimtebeslag in en rond Natura 2000-gebieden en grijpt niet in op het regionale grondwater of watersystemen waar enig Natura 2000-gebied onderdeel van is. Hierdoor is geen sprake van storingsfactoren als verdroging of vernatting. Ook is geen sprake van permanente aanpassingen aan de ruimtelijke inrichting van het onderzoeksgebied. Er doen zich daarom geen storingsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering voor. Ook storingsfactoren als veranderingen door populatiedynamiek en bewuste soortensamenstelling doen zich niet voor. De afstand van de Natura 2000-gebieden tot het onderzoeksgebied is dusdanig groot dat indirect negatieve effecten door geluid, licht, trillingen en optische verstoring op voorhand uitgesloten kunnen worden.
Dit als gevolg van het gegeven dat emissies van geluid, licht en trillingen, door tussenliggend landgebruik als snelwegen en woonkernen, in combinatie met de afstand, ter plaatse van geen enkele Natura 2000-gebied nog waarneembaar zijn. Daarmee blijven alleen nog storingsfactoren verzuring en vermesting door atmosferische stikstofdepositie over, waarvoor geldt dat significant negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden. Deze worden in de volgende paragraaf nader beoordeeld. In Tabel 4-1 is de scoping van de bovengenoemde storingsfactoren samenvattend weergegeven. Met rood is aangegeven of de storingsfactoren mogelijk van toepassing zijn bij de voorgenomen ingreep. Tabel 4-1 Potentiële storingsfactoren in Natura 2000-gebieden. De storingsfactoren die mogelijk van toepassing zijn met rood gemarkeerd. Storingsfactoren Oppervlakteverlies
Verzilting
Verandering overstromingsfrequentie
Optische verstoring
Versnippering
Verontreiniging
Verandering dynamiek substraat
Verstoring door mechanische effecten
Verzuring door stikstofdepositie uit de lucht
Verdroging
Verstoring door geluid
Verandering door populatiedynamiek
Vermesting door stikstofdepositie uit de lucht
Vernatting
Verstoring door licht
Bewuste verandering soortensamenstelling
Verzoeting
Verandering stroomsnelheid
Verstoring door trilling
Verzuring en vermesting door stikstofdepositie De inzet van werktuigen (met verbrandingsmotoren) tijdens werkzaamheden leidt mogelijk tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie in de omgeving van het onderzoeksgebied. De gebruiksfase leidt eveneens mogelijk tot een toename in stikstofdepositie, omdat er een toename van verkeer (met verbrandingsmotoren) is door de toename van woningen binnen het onderzoeksgebied. In de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het onderzoeksgebied zijn diverse stikstofgevoelige habitattypen aanwezig. Een toename van stikstofdepositie in deze gebieden kan leiden tot verzuring en vermesting. Door verzuring kunnen daarvoor gevoelige plantensoorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verslechtering van de kwaliteit van een habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
8
Projectgerelateerd
(dier)soorten. Door vermesting kan een beperkt aantal plantensoorten sterk toenemen ten koste van andere (zeldzame) plantensoorten die vaak gebaad zijn bij weinig stikstof. Dit heeft effect op diersoorten doordat hierdoor verandering van het leefgebied optreedt. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, als gevolg van verzuring en vermesting door stikstofdepositie uit de lucht zijn niet op voorhand uit te sluiten. Voor de aanlegwerkzaamheden en de gebruiksfase dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Indien sprake is van een toename van 0,01 N mol/ha/j of meer op een habitattype of leefgebied waarop een (naderende) overschrijding is van de kritische depositie waarde (KDW), dan zijn vervolgstappen nodig zoals een ecologische beoordeling of intern/extern salderen en is mogelijk sprake van een vergunningsplicht.
4.4
Conclusie wettelijk beschermde gebieden
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein en ligt op ongeveer 6 kilometer afstand van het onderzoeksgebied. Vanuit het voornemen zijn negatieve effecten verzuring en vermesting niet op voorhand uitgesloten. Voor de aanlegwerkzaamheden en gebruiksfase dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
9
Projectgerelateerd
5
Toetsing wettelijk beschermde soorten
In dit hoofdstuk wordt de (mogelijke) aanwezigheid van onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten beschreven en wordt voor de aanwezige habitats beoordeeld of ze geschikt zijn voor onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Tevens is per (mogelijk) voorkomende soort(groep) een effectbeoordeling opgenomen en worden eventuele vervolgstappen beschreven.
5.1
Werkwijze onderzoek naar beschermde soorten
Om na te gaan wat het belang is van het onderzoeksgebied voor de wettelijk beschermde soorten die in of nabij het onderzoeksgebied voorkomen, zijn op 25 juli de verspreidingsgegevens van beschermde soorten opgevraagd uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) voor het onderzoeksgebied en de omgeving (<1,5 km) van het onderzoeksgebied (NDFF, 2022). Daarnaast zijn verspreidingsatlassen van verschillende soortgroepen geraadpleegd om inzicht te krijgen in de regionale verspreiding van soorten (Verspreidingsatlas, 2022). Door deze bestaande verspreidingsgegevens te raadplegen, is inzicht verkregen in de aanwezige beschermde soorten in of in de directe omgeving van het projectgebied. Op 26 juli 2022 is een verkennend veldbezoek uitgevoerd bij droge bewolkte dag door een deskundig ecoloog werkzaam bij Royal HaskoningDHV. Aan de hand van de verspreidingsgegevens en de veldbezoeken is beoordeeld voor welke beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is in het onderzoeksgebied. Dit is beschreven in paragraaf 5.2. Indien de onderzoeksresultaten voldoende zekerheid geven over het voorkomen van beschermde soorten, worden de mogelijke (negatieve) effecten van de voorgenomen ingreep op deze soorten bepaald.
In het geval dit op basis van de verkregen onderzoeksgegevens niet mogelijk is, wordt aangegeven welke vervolgstappen, zoals het uitvoeren van nader soortgericht onderzoek, moeten plaatsvinden. Dit is beschreven in paragraaf 5.3.
5.2
Aanwezige of te verwachten wettelijk beschermde soorten
Vaatplanten Tijdens het veldbezoek zijn grote kattenstaart, riet, akkerdistel, haagwinde, brandnetel, wilg, fluitenkruid en akkerkool waargenomen. Deze soorten duiden op een voedselrijke bodem. Vrijwel alle beschermde vaatplanten zijn gebonden aan natuurgebieden, schrale gronden of extensief beheerde gronden. Op basis van de verspreidingsgegevens van de NDFF komt kruiptijm voor ten noorden van Waddinxveen. Het betreft zeer waarschijnlijk een verwilderd exemplaar. Kruiptijm staat op zonnige, droge, warme, uitgesproken stikstof- en voedselarme gronden, kalksteen en soms op duinzand. De plant is zeer zeldzaam en wordt vrijwel alleen aangetroffen op de steile krijthellingen bij Gulpen (Verspreidingsatlas, 2022). Dergelijk habitat is niet aanwezig in de directe omgeving van het onderzoeksgebied. Op basis van verspreidingsgegevens en/of de habitatanalyse kan het voorkomen van beschermde vaatplanten redelijkerwijs worden uitgesloten. Vleermuizen De verspreidingsgegevens van de NDFF wijzen op het voorkomen van de gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis in de omgeving van het onderzoeksgebied. Vleermuizen worden in vrijwel het gehele land waargenomen. Ze maken gedurende een jaar gebruik van meerdere type verblijfplaatsen (zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen).
Vleermuizen kunnen globaal opgedeeld worden in boombewonende soorten (zoals rosse vleermuis) en gebouwbewonende soorten (zoals laatvlieger en gewone dwergvleermuis). Een aantal soorten maken zowel van gebouwen als van bomen gebruik als verblijfplaats (bijvoorbeeld ruige dwergvleermuis). Vleermuizen foerageren over het 19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
10
Projectgerelateerd
algemeen op relatief windluwe plaatsen, zoals tuinen en langs bosranden. Om van de verblijfplaats naar foerageergebied te komen (en andersom) wordt gebruikt gemaakt van zogenaamde vliegroutes, die bestaan uit lijnvormige elementen zoals bomenrijen en watergangen. Deze lijnvormige elementen kunnen tevens dienen als migratieroute van soorten die buiten Nederland overwinteren. Verblijfplaatsen (zomer-kraam-paar-winter-) Binnen en nabij het onderzoeksgebied zijn verschillende mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Er zijn bomen aanwezig met vleermuiskasten, en de gebouwen binnen het onderzoeksgebied hebben spouwmuren en dakpanranden welke geschikt zijn voor verblijfplaatsen. Hierdoor zijn verblijfplaatsen van vleermuizen niet op voorhand uit te sluiten.
Figuur 5-1: Locaties vleermuiskasten (blauwe ster) en mogelijke verblijfplaatsen (groene driehoek) en te slopen mogelijke verblijfplaatsen (oranje driehoek). Foto’s boven: RHDHV; Foto onder: Cylcomedia
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
11
Projectgerelateerd
Vliegroutes Binnen het onderzoeksgebied zijn verschillende lijnvormige elementen aanwezig. De bomenrij aan de noordkant van het onderzoeksgebied en de watergang aan de noordkant van het onderzoeksgebied kunnen dienen als vliegroute voor vleermuizen. Foerageergebied Binnen het onderzoeksgebied zijn door de hoge gebouwen veel windluwe plaatsen die geschikt zijn als foerageergebied. Daarnaast is het water ten noorden van het onderzoeksgebied eveneens geschikt als foerageergebied voor soorten als meervleermuis. Vogels Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat in of in de omgeving van het onderzoeksgebied waarnemingen bekend zijn van verschillende soorten broedvogels met zowel jaarrond als niet-jaarrond beschermde nesten. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten waargenomen: nijlgans, meerkoet, houtduif, putter, halsbandparkiet, ekster, merel, kauw en blauwe reiger. Vogels met jaarrond beschermde nesten De nesten van een aantal vogelsoorten zijn jaarrond beschermd. Deze nesten zijn beschermd omdat ze jaarrond worden gebruikt, of omdat een soort zeer honkvast is en er elk jaar naar terugkeert en moeilijk in staat is om een nieuw nest te maken. Dit kan zowel gaan om soorten die broeden in bebouwing als om soorten die broeden in bomen.
Van de volgende broedvogelsoorten met jaarrond beschermde nesten zijn vanuit de NDFF-waarnemingen in de omgeving van het onderzoeksgebied bekend: ransuil, buizerd, boomvalk en sperwer. Tijdens het veldbezoek zijn de bomen in de omgeving van het onderzoeksgebied geïnspecteerd op de aanwezigheid van grote nesten, deze zijn niet waargenomen. De aanwezigheid van potentieel jaarrond beschermde nesten van boom broedende soorten als: ransuil, buizerd, boomvalk en sperwer is daarom uitgesloten in de bomen nabij het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied zijn gebouwen aanwezig. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten die in gebouwen broeden, zoals huismus en gierzwaluw, is op voorhand niet uitgesloten. Het onderzoeksgebied biedt geschikte elementen voor deze vogelsoorten als: kieren onder de dakgoot, regenpijp of dakkapel en scheve dakpannen. In Figuur 5-2 zijn de mogelijke geschikte locaties aangegeven van de nesten van gierzwaluw en huismus.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
12
Projectgerelateerd
Figuur 5-2: Mogelijk geschikte nestlocaties huismus/gierzwaluw (blauwe cirkel), blijven alle bestaand.
Vogels zonder jaarrond beschermd nest In het onderzoeksgebied en de direct omgeving kunnen algemene broedvogels zoals merel, meerkoet, putter en houtduif voorkomen. In het onderzoeksgebied is geschikt leefgebied aanwezig voor deze vogelsoorten om tot broeden te komen gezien er watergangen en verschillende bomen en struiken aanwezig zijn. Het voorkomen van nesten algemene broedvogels is in het onderzoeksgebied niet uitgesloten. Amfibieën Op basis van de verspreidingsgegevens kan de rugstreeppad voorkomen. Verder kunnen meer algemeen beschermde amfibieën voorkomen zoals: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander. Rugstreeppad De rugstreeppad is een soort van open zandige locaties en/of gebieden met veel ondiep water, zoals poelen, greppels en poldersloten. Dit zijn vaak terreinen met een pioniermilieu of een dynamisch milieu zoals afgravingen, opgespoten terreinen, zandverstuivingen, industrieterreinen, braakliggende terreinen, militaire oefenterreinen, akkers, heideterreinen, duinen, etc. Voortplanting vindt plaats in ondiepe of droogvallende, niet of weinig begroeide wateren die snel opwarmen. Op het land houden de dieren zich verborgen in zelf gegraven holen (tot een diepte van 15-45cm), holen van knaagdieren, onder stenen en tussen muurspleten. De pad overwintert vaak in zelf gegraven holen in het zand (soms wel tot een meter diep).
De schuilplaatsen liggen vaak niet meer dan 20 meter van het voortplantingswater verwijderd. Rugstreeppadden kunnen daarnaast grote afstanden afleggen en goed nieuwe terreinen koloniseren (RAVON, 2022). Uit de verspreidingsgegevens van de NDFF is gebleken dat de rugstreeppad voorkomt rondom de woonwijken van Waddinxveen en 500 meter ten westen van het onderzoeksgebied. Binnen het onderzoeksgebied op het moment van het uitvoeren van het veldbezoek geen geschikt leefgebied
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
13
Projectgerelateerd
aanwezig. Wel kan er door de werkzaamheden geschikt leefgebied ontstaan voor de rugstreeppad. Dit betreft open vergraafbare grond en plassen en spoorvorming van zwaar materieel. Gezien het vermogen om grote afstanden af te leggen kunnen rugstreeppadden het onderzoeksgebied mogelijk betreden en tijdens de werkzaamheden op zoek gaan naar nieuw leefgebied.
5.3
Effectenbeschrijving- en beoordeling
Door middel van een beknopte analyse van het project in relatie tot de biotoopeisen van de beschermde soorten uit het onderzoeksgebied is beoordeeld welke negatieve effecten de voorgenomen werkzaamheden kunnen hebben op mogelijk in het onderzoeksgebied voorkomende beschermde soorten. Effecten op beschermde soorten zijn onder te verdelen in tijdelijke en permanente effecten. Tijdelijke effecten treden alleen op tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Het gaat bijvoorbeeld om extra geluid, licht en kans op het doodrijden van dieren door inzet van groot materieel. Permanente effecten kunnen een gevolg zijn van de uitvoering van de werkzaamheden en daarnaast ook van gebruik van het gebied na afronding. Het gaat dan bijvoorbeeld om het verdwijnen van leefgebied door ruimtebeslag. Algemeen voorkomende beschermde zoogdieren Tijdelijk Door de inzet van zwaar materieel en gebruik van verlichting in de omgeving van de gebouwen, bospercelen en bomenrijen in of nabij het onderzoeksgebied kunnen, algemeen voorkomende soorten als konijn en muizen, door de daarmee gepaard gaande effecten (geluids- en lichtproductie) worden verstoord. Het betreft echter mobiele soorten die tijdelijk kunnen vluchten naar nabijgelegen leefgebied. Dit leidt niet direct tot het overtreden van de verbodsbepalingen voor deze soorten.
Echter, indien de verstoring van langere duur is, kan dit leiden tot het (tijdelijk) verlaten van vaste voortplantings- of rustplaatsen. Dit is afhankelijk van de periode waarin werkzaamheden worden uitgevoerd. Bij werkzaamheden in de kraamperiode van voornoemde zoogdieren (veelal april t/m augustus) kunnen de jonge dieren sterven. In dat geval is alsnog sprake van het aantasten van een verblijfplaats, ondanks het feit dat deze niet direct wordt aangeroerd, hetgeen een overtreding is van artikel 3.10, lid 1a en 1b. Voor deze algemeen voorkomende beschermde soorten bestaat in de Provincie Zuid-Holland een algemene vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding van verbodsbepalingen. Om deze reden hoeft voor de -tijdelijk- optredende verstoring door het verwijderen van de ondergroei en/of het deels dempen van de watergang, geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om doding of verwonding zo veel mogelijk te voorkomen. De maatregelen komen overeen met de maatregelen om invulling te gegeven aan de algemene zorgverplichting, die te allen tijde van toepassing is (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming), voor zowel beschermde als vrijgestelde of niet-beschermde soorten. Vleermuizen Tijdelijk De effecten van de werkzaamheden zijn afhankelijk van het moment van uitvoering (periode in het jaar en op de dag).
Wanneer de werkzaamheden ’s nachts worden uitgevoerd in het actieve seizoen van vleermuizen (grofweg half maart t/m half november) en daarbij kunstverlichting wordt toegepast, is verstoring van langsvliegende en foeragerende vleermuizen niet uit te sluiten. Ook kunnen potentiële verblijfplaatsen in en direct langs het onderzoeksgebied ongeschikt worden omdat vleermuizen gevoelig zijn voor lichtverstoring. De werkzaamheden kunnen daardoor leiden tot een overtreding van artikel 3.5, lid 2 en 4, van de Wnb. Permanent De voorgenomen ontwikkeling heeft mogelijk effect op verblijfplaatsen en vliegroutes gezien geschikte locaties (gebouwen met spouwmuur: C1000 locatie en kavel 7) voor verblijfplaatsen binnen het onderzoeksgebied worden gesloopt. Hierbij kunnen vleermuizen incidenteel worden gedood. Daarnaast 19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
14
Projectgerelateerd
kunnen door kunstverlichting in de nieuwe situatie nabij gelegen vleermuizen die gebruik maken van verblijfplaatsen en vliegroutes binnen het onderzoeksgebied worden verstoord. De werkzaamheden kunnen daardoor leiden tot een overtreding van artikel 3.5, lid 1, 2 en 4 van de Wnb. Gezien het nieuwbouw betreft kan in de nieuwe situatie gebruik gemaakt worden van inbouwkasten voor vleermuizen. Hierdoor kunnen er in de nieuwe situatie weer extra vleermuisverblijfplaatsen worden gecreëerd. Door de omgeving groen (kruidenrijk voor meer insecten en beter foerageergebied) in te richten kan in combinatie met de vleermuiskasten weer (meer) geschikt alomvattend leefgebied worden gecreëerd. Vogels Tijdelijk Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd in het broedseizoen kunnen broedende vogels in het onderzoeksgebied en de directe omgeving worden verstoord. Wanneer broedende vogels voortijdig het nest verlaten, geldt dit als het opzettelijk vernietigen of beschadigen van nesten en eieren van vogels. Dit is een overtreding van artikel 3.1, lid 1, 2 en 4, van de Wnb. Het broedseizoen valt voor de meeste soorten tussen half maart en half augustus. Ook daarbuiten is het mogelijk dat broedende vogels worden aangetroffen, indachtig het risico van broedende “stadsduiven” in de periode september/oktober.
Permanent De kap van bomen kan leiden tot vernietiging van (jaarrond beschermde) nesten en verstoring en/of doding van broedvogels. De werkzaamheden leiden daardoor potentieel tot een overtreding van 3.1, lid 1, 2 en 4, van de Wnb. Gezien er nieuwbouw plaatsvindt kan in de nieuwe situatie gebruik gemaakt worden van inbouwkasten voor huismussen en gierzwaluwen. Hierdoor kunnen er in de nieuwe situatie weer extra broedplaatsen worden gecreëerd voor de huismus en gierzwaluw. Door de omgeving groen (met dichte struiken voor schuilplaatsen) in te richten kan in combinatie met de nestkasten weer (meer) geschikt alomvattend leefgebied worden gecreëerd. Amfibieën Tijdelijk Er wordt geen leefgebied aangetast van de rugstreeppad. Derhalve kunnen overtredingen van artikel 3.5 lid 4 op voorhand kunnen worden uitgesloten. Wel kan er door de werkzaamheden geschikt leefgebied (voortplantingsplaatsen en verblijfplaatsen) ontstaan voor de rugstreeppad in de vorm van open vergraafbare gronden, plassen en onder gedeponeerd materiaal. Rugstreeppadden kunnen het onderzoeksgebied betreden en tijdens de werkzaamheden door aanwezig materieel worden gedood en rust- en voorplantingsplaatsen worden vernield. Dat is een overtreding op artikel 3.5, lid 1, 2 en 4 van de Wnb.
Algemeen voorkomende beschermde amfibieën Tijdelijk Door de inzet van zwaar materieel en gebruik van verlichting in de omgeving van de gebouwen, bospercelen en bomenrijen binnen en aangrenzend aan het onderzoeksgebied kunnen algemeen voorkomende soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker door de daarmee gepaard gaande effecten (geluids- en lichtproductie) worden verwond of verstoord. Voor deze soorten bestaat in de Provincie Zuid- Holland een algemene vrijstelling voor het aanvragen van een ontheffing bij overtreding van verbodsbepalingen. Om deze reden hoeft voor de tijdelijk optredende verstoring door het verwijderen van de ondergroei en het deels dempen van de watergang, geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dienen mitigerende maatregelen genomen te worden om doding of verwonding zo veel mogelijk te voorkomen. De maatregelen komen overeen met de maatregelen om invulling te gegeven aan
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
15
Projectgerelateerd
de algemene zorgverplichting, die te allen tijde van toepassing is (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming), voor zowel beschermde als vrijgestelde of niet-beschermde soorten.
5.4
Voorzorgsmaatregelen en noodzaak vervolgstappen
In deze paragraaf zijn de te nemen vervolgstappen, zoals het uitvoeren van nader onderzoek en het nemen van voorzorgs- of mitigerende maatregelen, beschreven. Indien aanwezigheid van beschermde soorten op basis van het onderzoek is aangetoond, is bepaald of overtredingen van verbodsbepalingen te verwachten is, en of een ontheffing in het kader van de Wnb, noodzakelijk is. Dit is niet gedaan voor de soortgroepen waarvan overtreding van verbodsbepalingen vanuit de aard van de werkzaamheden of het afwezig zijn van beschermde exemplaren, op voorhand zijn uitgesloten. Vleermuizen Om het verstoren van foeragerende of langsvliegende vleermuizen, of vleermuizen in verblijfplaatsen in de omgeving van het onderzoeksgebied, het vernielen van verblijfplaatsen en het doden van individuen te voorkomen zijn de volgende maatregelen nodig: De aanlegwerkzaamheden bij daglicht uit te voeren van zonsopkomst tot zonsondergang of bij nachtelijke werkzaamheden aangepaste verlichting te gebruiken die gericht is op de bouwplaats en niet op het omringende landschap.
Bovenstaande maatregel is van toepassing indien gewerkt wordt in de actieve periode van vleermuizen, indien buiten de actieve periode van vleermuizen gewerkt wordt, dus in de winterrustperiode van half november t/m half maart, zijn geen aanvullende maatregelen nodig en kan regulier licht worden toegepast, met de aantekening dat het voorkomen van verstrooiing naar de omgeving ook in de winterperiode nodig blijft ten aanzien van leefgebieden van bijvoorbeeld zoogdieren en vogels. Voor het kappen van bomen en het slopen van gebouwen geldt dat voor het potentieel verstoren en doden van individuen en het potentieel vernietigen van rust- en verblijfplaatsen geen voorzorgsmaatregelen te treffen zijn. Een nader onderzoek moet uitwijzen of er daadwerkelijk individuen van de soorten in het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Op basis van de uitkomst van het nader onderzoek dient bepaald te worden of en zo ja, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn en of een ontheffingsaanvraag ingediend moet worden. Broedvogels zonder jaarrond beschermd nest: Ontheffing voor vernietiging van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het voorkomen van (langdurige) verstoring of vernietiging van broedgevallen noodzakelijk is. Het verstoren van broedgevallen van vogels met zowel jaarrond als niet jaarrond beschermde nesten is te voorkomen door de volgende maatregelen:
Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels. Deze periode loopt globaal van 15 maart t/m augustus.
Werkzaamheden tijdens het broedseizoen zijn alleen toegestaan door: De werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen en; Enkele dagen voor aanvang van de werkzaamheden te laten inspecteren door een ter zake kundig ecoloog. In de periode van november tot en met januari is dit niet nodig omdat de kans op broedgevallen dan nihil is.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
16
Projectgerelateerd
Broedvogels met jaarrond beschermd nest: De werkzaamheden hebben geen effect op boombroedende vogels met een jaarrond beschermd nest. Wel hebben de werkzaamheden mogelijk effect op gebouwbroedende soorten met een jaarrond beschermd nest als huismus en gierzwaluw. Er is een nader onderzoek noodzakelijk om het voorkomen van jaarrond beschermde nesten aan te tonen of uit te sluiten en het gebruik van het onderzoeksgebied door huismussen te bepalen (functionele leefgebied). Voor huismus geldt dat drie gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni waarvan minimaal één bezoek tussen 1 april - 15 mei heeft plaatsgevonden nodig zijn om het voorkomen uit te sluiten. Voor gierzwaluw betreft dat eveneens 3 veldbezoeken met één inventarisatie tussen 20 juni - 7 juli. Amfibieën Een overtreding van verbodsbepalingen kan voorkomen worden door in de winterrustperiode te werken of met een aantal preventieve maatregelen, zodat de rugstreeppad zich niet vestigt in het onderzoeksgebied: Goede afwatering hiermee kan plasvorming worden voorkomen Gebruik van rijplaten om spoorvorming te voorkomen Afschermen tijdelijke gronddepots Algemene zorgplicht Voor alle soorten, beschermd of niet, geldt te allen tijde de algemene zorgplicht.
Onderstaand wordt een aantal maatregelen beschreven om aan de algemene zorgplicht te voldoen: De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht; Na zonsondergang wordt het gebruik van kunstlicht zoveel mogelijk beperkt en uitstraling van licht naar de omgeving voorkomen; Indien er nabij vegetatie, of watergangen gewerkt moet worden, wordt er één richting opgewerkt, zodat kleine dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben om te vluchten; Voor de uitvoering van de werkzaamheden wordt enkel gebruik gemaakt van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten en beschadiging van hun leefgebied voorkomen; Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden (opnieuw) geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog. Voor de uitvoering van de demping zijn de volgende maatregelen van belang om aan de zorgplicht te voldoen: Werk zo veel mogelijk buiten de voortplantingsperiode van vissen.
Dit kan door te werken in de periode augustus tot en met februari. Er dient uitsluitend in één richting gewerkt te worden, stroomafwaarts van de betreffende watergang, of, indien dit niet mogelijk is, in de richting van ander geschikt water buiten de directe invloedsfeer van de maatregelen. Verder vinden werkzaamheden in en aan de watergang alleen plaats als de luchttemperatuur tussen nul en 25 graden ligt en de wateren ijsvrij zijn. Indien bij het dempen niet richting open water gewerkt kan worden, is het afvangen door een erkend ecoloog verplicht. De ecoloog loopt de op de kant uitgespreide bagger na op de vissen, salamanders, zoetwatermosselen, kikkers en waterinsecten na, spoelt de modder uit de kieuwen (om stikken te voorkomen) en verzamelt deze in de grote waterbak om ze dan op een plek waar niet gewerkt wordt weer uit te zetten.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
17
Projectgerelateerd
Ecologisch werkprotocol Voorgenoemde maatregelen en toepassen van preventieve dan wel mitigerende maatregelen dienen door een ecologisch deskundige te worden bewaakt. Hiertoe dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Dit ecologisch werkprotocol dient tijdens de werkzaamheden op locatie aanwezig te zijn.
5.5
Conclusie wettelijk beschermde soorten
Het onderstaande overzicht (tabel 5-1) geeft een samenvatting van de mogelijk voorkomende beschermde soorten in en rondom het onderzoeksgebied en de hierboven beschreven effecten. In deze samenvatting is ook beschreven of nader vervolgonderzoek noodzakelijk is en eventueel ontheffing noodzakelijk is. Tabel 5 1. Overzicht van voorkomende en niet uitgesloten soorten in het onderzoeksgebied, de mogelijk optredende negatieve tijdelijke en permanente effecten, en welk verbodsartikel van toepassing is. Er is ook aangegeven of vervolgonderzoek noodzakelijk is. Soortgroep
Vleermuizen
Soort of soorten
Verschillende soorten als: gewone dwergvleermuis, ruige dwergveermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis
Tijdelijke en/of permanente effecten? Verstoring van individuen en aantasten van verblijfplaatsen
Verbodsartikel Wnb
Vervolgstappen/voorzorgsmaatregelen noodzakelijk?
Artikel 3.5, lid 2 en 4
Bij sloop van bebouwing en/of kappen van bomen: - Nader onderzoek naar gebruik gebouwen Aanvullend: nemen van voorzorgsmaatregelen vermeld in paragraaf 5.4 In het kort: - Werken buiten kwetsbare periode; - Of werken met aangepaste verlichting.
Huismus en gierzwaluw
Broedvogels
Vernietiging van nesten, verstoring van broedende vogels en doden van individuen
Artikel 3.1, lid 1, 2 en 4.
Bij sloop van bebouwing: - Nader onderzoek naar gebruik gebouwen Nemen van voorzorgmaatregelen vermeld in paragraaf 5.4. In het kort:
Algemene broedvogels
- Werken buiten broedseizoen; - Of werken buiten de verstoringafstand. Nemen van voorzorgmaatregelen vermeld in paragraaf 5.4. Amfibieën
Rugstreeppad
Tijdelijk
Artikel 3.5 lid 1,2 en 4
In het kort: - Werken buiten de actieve periode - Voorkomen van vestiging binnen het onderzoeksgebied
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
18
Projectgerelateerd
6
Toetsing houtopstanden
In dit hoofdstuk is beoordeeld of een kapmelding nodig voor het kappen van de houtopstand zoals bedoeld in de Wnb.
6.1
Werkwijze onderzoek naar houtopstanden
Voor het onderdeel Houtopstanden is onderzocht of de bescherming van houtopstanden, zoals bedoeld in de APV, binnen het project van toepassing is. Hiervoor is gebruik gemaakt van de APV van Waddinxveen.
6.2
Voorgenomen kapomvang en beoordeling
De wettelijke bescherming van houtopstanden vanuit de APV betreft hakhout, een houtwal of één of meer bomen. De te kappen bomen vallen derhalve onder een houtopstand volgens de APV. Echter is het vellen zonder vergunning toegestaan voor bomen die buiten de lijst van bijzondere bomen en buiten de NNN vallen. De te kappen bomen vallen buiten de lijst van bijzondere bomen en de NNN. Derhalve is er geen vergunning nodig voor het kappen van de bomen.
6.3
Conclusie wettelijk beschermde houtopstanden
Er is sprake van de kap van houtopstanden, zoals bedoeld in de APV. De te kappen bomen vallen echter buiten de lijst van bijzondere bomen en de NNN. Derhalve kunnen de bomen vergunningsvrij worden gekapt.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
19
Projectgerelateerd
7
Toetsing planologisch beschermde gebieden
In dit hoofdstuk is beschreven of in de nabijheid van het onderzoeksgebied planologisch beschermde NNNzijn gelegen en wordt beoordeeld of er vervolgstappennodig zijn.
7.1
Werkwijze onderzoek naar planologisch beschermde gebieden
Het NNN-beleid is vastgelegd in de Omgevingsverordening, hierin zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen. Bij dit onderdeel is onderzocht of het onderzoeksgebied in of nabij het NNN ligt. Hiervoor is gebruik gemaakt van interactieve kaart van de provincie Zuid-Holland. Op grond van de aard van de ingreep en de afstand tot beschermde gebieden wordt bepaald of en welke vervolgstappen nodig zijn.
7.2
Ligging onderzoeksgebied ten opzichte van het Natuurnetwerk
Het dichtstbijzijnde NNN-gebied (Kruiden- en faunarijk grasland) ligt op 1,1 km afstand ten noordoosten van het onderzoeksgebied (zie Figuur 7-1).
Figuur 7-1. De Ligging van het onderzoeksgebied (weergegeven in rood) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (NNN)
7.3
Toetsing NNN
Er worden geen werkzaamheden uitgevoerd in gebieden die zijn aangewezen als NNN-gebied. Binnen de provincie Zuid-Holland is een toets van externe werking niet nodig. Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van omliggende NNN-gebieden zijn op voorhand uitgesloten. Er hoeven geen extra maatregelen getroffen te worden met betrekking tot het NNN.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
20
Projectgerelateerd
8
Conclusie en aanbevelingen
8.1
Gebiedsbescherming
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein en ligt op ongeveer 6 kilometer afstand van het onderzoeksgebied. Vanuit het voornemen zijn negatieve effecten verzuring en vermesting niet op voorhand uitgesloten. Voor de aanlegwerkzaamheden en gebruiksfase dient een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Indien sprake is van een toename van 0,01 N mol/ha/j of meer op een habitattype of leefgebied waarop een (naderende) overschrijving is van de kritische depositie waarde (KDW), dan zijn vervolgstappen nodig zoals een ecologische beoordeling of intern/extern salderen en is mogelijk sprake van een vergunningsplicht. De benodigde vervolgstappen zijn momenteel erg in beweging. De benodigde vervolgstappen dienen daarom besproken te worden met een ecologisch deskundige en Bevoegd Gezag.
8.2
Soortenbescherming
In het onderzoeksgebied aanwezige bebouwing vormt geschikt leefgebied voor verschillende vleermuissoorten, huismussen en gierzwaluwen. Algemene broedvogels kunnen in vrijwel het gehele onderzoeksgebied tot broed komen. Door het nemen van de maatregelen, zoals genoemd in paragraaf 5.4, kan overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor algemene broedvogels, vleermuizen en amfibieën worden voorkomen. Deze maatregelen dienen door (of ten minste onder begeleiding van) een ecologisch deskundige te worden uitgevoerd. Hiervoor dient een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. Voor de soorten huismus en gierzwaluw, geldt dat een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (verstoring) niet zondermeer voorkomen kan worden. Nader onderzoek moet uitwijzen welke functie het onderzoeksgebied voor deze soorten vervult. Indien nader onderzoek aanwezigheid van de soorten aantoont is het werken onder een ontheffing noodzakelijk. Gezien het nieuwbouw betreft kan in de nieuwe situatie gebruik gemaakt worden van inbouwkasten voor vleermuizen, huismus en gierzwaluw. Hierdoor kunnen er in de nieuwe situatie weer extra verblijfplaatsen/nesten worden gecreëerd. Door de omgeving groen (kruidenrijk met dichte struiken) in te richten kan in combinatie met de inbouwkasten weer (meer) geschikt alomvattend leefgebied worden gecreëerd.
8.3
Houtopstanden
Er is sprake van de kap van houtopstanden, zoals bedoeld in de APV. De te kappen bomen vallen echter buiten de lijst van bijzondere bomen en de NNN. Derhalve kunnen de bomen vergunningsvrij worden gekapt.
8.4
Natuurnetwerk Nederland
Significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van omliggende NNN-gebieden zijn op voorhand uitgesloten. Er hoeven geen extra maatregelen getroffen te worden met betrekking tot het NNN.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
21
Projectgerelateerd
9
Literatuur
Provincie Zuid-Holland, ruimtelijke verordening via: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR622914#d181671772e5131 Ministerie van Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit (2022a), informatie over de ligging en begrenzing van verschillende Natura 2000-gebieden via: https://www.natura2000.nl/ Ministerie van Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit (2022b), informatie mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden via: https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1 Ministerie van Landbouw, Natuur en voedselkwaliteit (2022c), Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering, via, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-140.html Nationale Databank Flora en Fauna, via: https://www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal. Omgevingsweb (2022), Wet en Besluit stikstofreductie en natuurverbetering: een verlichting voor de bouwsector. https://www.omgevingsweb.nl/nieuws/wet-en-besluit-stikstofreductie-en-natuurverbeteringeen-verlichting-voor-de-bouwsector/. RAVON (2022), algemene informatie over amfibieën en reptielen en verspreidingsgegevens via: https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie.
STOWA (2022), algemene informatie over amfibieën en reptielen en verspreidingsgegevens via http://soortprotocollenflora-enfaunawet.stowa.nl/documents/soortprotocollenflora-enfaunawet.pdf Verspreidingsatlas (2022), via: https://www.verspreidingsatlas.nl/. Vleermuiswerkgroep Nederland (2022), algemene informatie over verschillende soorten vleermuizen via: www.vleermuis.net. Vlinderstichting (2022), algemene informatie over de witsnuitlibel via: https://www.vlinderstichting.nl/libellen/overzicht-libellen/details-libel/gevlekte-witsnuitlibel. Vogelbescherming (2022), informatie over verschillende soorten vogels, via: https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels. Zoogdiervereniging (2022), informatie over de verspreiding en ecologie van zoogdiersoorten, via: https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten.
19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
22
Projectgerelateerd
Bijlage I: Juridisch- en Beleidskader Inleiding Wet natuurbescherming In Nederland is de bescherming van Natura 2000-gebieden en bepaalde soorten planten en dieren geregeld in de Wet natuurbescherming (hierna Wnb). De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Daarnaast bevat de wet onder meer bepalingen ten aanzien van de jacht en houtopstanden. Naast de bescherming van natuur en biodiversiteit voorziet de Wnb in de decentralisatie van taken en bevoegdheden en de vereenvoudiging van regelgeving. De Europese regelgeving, met name de Vogel- en Habitatrichtlijn, vormt het kader en het uitgangspunt van deze wet. Het instrumentarium van de Wnb sluit aan op het huidige omgevingsrecht en de toekomstige Omgevingswet. De uitwerking van de wet is vastgelegd in de regeling en het besluit natuurbescherming.
Natura 2000 (Wnb hoofdstuk 2) Het onderdeel Gebiedsbescherming (H2) van de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de Nederlandse Natura 2000-gebieden. Hoewel het de meest strikte vorm van juridische bescherming betreft, heeft deze wet daardoor vaak een beperkte reikwijdte, die zich beperkt tot de grenzen van een Natura 2000gebied en uitsluitend die natuurwaarden ten aanzien waarvan daarbinnen instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd. Voor elk van de in het kader van Natura 2000 aangewezen gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, nader uitgewerkt in een beheerplan, die gelden als toetsingskader. Uitgaande van die instandhoudingsdoelstellingen dient nagegaan te worden of sprake is van conflicten met het duurzaam behalen van geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen en zo ja, of de wezenlijke kenmerken en waarden van een Natura 2000-gebied in het geding zijn. Voorgaande geldt sinds 29 mei 2019 ook weer onverkort voor effecten ten gevolge van depositie van stikstof, gevat onder de storingsfactor “Verzuring en Vermesting door stikstof uit de lucht (3 & 4)”; de generieke Passende Beoordeling voor het PAS, waarin rekening werd gehouden met de verschillende bronen herstelmaatregelen, is niet langer bruikbaar als beoordelingskader. Bij de beoordeling van effecten op instandhoudingsdoelstellingen is ook zogenoemde externe werking van belang.
Dat wil zeggen dat ook beschouwd moet worden in hoeverre voorgenomen activiteiten buiten Natura 2000-gebieden negatieve effecten hebben op in deze gebieden geldende instandhoudingsdoelstellingen. In zoverre is de reikwijdte van de Wet natuurbescherming onbegrensd, zo volgt uit staande jurisprudentie. In geval van emissie en depositie van stikstof is dit bijvoorbeeld relevant. Vaak vindt de emissie plaats (ver) buiten de grenzen van een Natura 2000-gebied, maar daalt de stikstof neer in Natura 2000-gebieden waar deze negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen die daar gelden. Hoe werkt een beoordeling voor Natura 2000-gebieden? Voor projecten of plannen waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat deze, rekening houdend met externe werking en gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, negatieve effecten kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, dient in een oriënterende fase onderzocht te worden of het voornemen significante negatieve effecten kan hebben. Vaak heeft deze oriënterende fase de vorm van een zogenoemde Voortoets waarin ten minste voor elk van de storingsfactoren uit de Effectenindicator (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit 19 mei 2023
BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001
23
Projectgerelateerd
2020) wordt nagegaan óf deze relevant is (aan de orde is) en zo ja óf negatieve effecten op geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen op voorhand kunnen worden uitgesloten. Indien op grond van de Voortoets niet kan worden uitgesloten dat een voornemen uitgaande van de instandhoudingsdoelstellingen (significant) negatieve effecten kan hebben, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. De resultaten van dit onderzoek dienen te worden neergelegd in een Passende Beoordeling. In de Passende Beoordeling wordt de best beschikbare wetenschappelijke kennis gebruikt om in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen na te gaan welke effecten aan de orde zijn, waarbij mitigerende maatregelen (maatregelen die de effecten terugdringen) meegenomen mogen worden, om zo waar mogelijk het optreden van effecten uit te sluiten. Voor projecten of handelingen waarvan uit de Passende Beoordeling volgt dat ze afzonderlijk of in cumulatie kunnen leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken kan geen vergunning worden verleend, tenzij een zogenoemde ADC-toets (die formeel geen onderdeel is van de Passende Beoordeling) succesvol kan worden doorlopen. De stappen die volgordelijk allemaal succesvol moeten worden doorlopen zijn dan: Er zijn geen Alternatieve oplossingen met minder gevolgen voor het gebied.
Het project is nodig om Dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Overigens gelden als Dwingende redenen van groot openbaar belang alleen die gronden, die zijn vastgelegd in de Europese Habitat- of Vogelrichtlijn. De nodige Compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
Beschermde soorten (Wnb hoofdstuk 3) De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming nodig hebben. Voor alle in het wild levende planten en dieren (dus ook voor soorten die niet zijn opgenomen in de Wnb) geldt de algemene zorgplicht conform Wnb artikel 1.11. Deze plicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Veelal komt de zorgplicht erop neer dat tijdens werkzaamheden negatieve effecten op planten en dieren zoveel mogelijk worden voorkomen, en dat bij de inrichting aandacht wordt besteed aan de realisatie van geschikt habitat voor plant en dier. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als ontheffing of vrijstelling is verleend. De zorgplicht betekent niet dat geen effecten mogen optreden, maar wel dat dit, indien noodzakelijk, op zodanige wijze gebeurt dat de verstoring en eventueel lijden zo beperkt mogelijk is.