De Passage Toelichting
Tekst van het document
In het groenstructuur en groenbeleidsplan worden de hoofd- en wijkgroenstructuren van het gemeentelijke groen vastgelegd. Tevens worden praktische beleidskaders voor het openbaar groen verwoord. Dit om duidelijkheid en toegankelijkheid naar een brede doelgroep te bieden. Dit wordt versterkt met kaartmateriaal dat onderscheid maakt tussen hoofd- en wijkgroenstructuur. Het beleid rond de hoofdgroenstructuur geeft prioriteit aan het behouden en versterken van het groen, er is weinig mogelijk door een streng beschermingsregime. Voor wijkgroen geldt een milder beschermingsregime, voor overige groen is meer mogelijk. Voor alle categorieën geldt dat bij een ingreep/ontwikkeling groen gecompenseerd wordt. De groenstructuur en het groenbeleidsplan biedt ruimte voor een praktische afweging bij het kappen van bomen. 4.4.11 Afweging en conclusie gemeentelijk beleid Onderhavig planvoornemen geeft invulling aan de omgevingsvisie Waddinxveen door nieuwe woningen mogelijk te maken in het Sleutelkwartier en door een prettige omgeving te creëren om in te wonen, te werken en vrije tijd in door te brengen. In het plan is de langzaamverkeersroute van west naar oost de belangrijkste route door het plangebied, daardoor wordt de fietsinfrastructuur verder ondersteund.
In de ontwikkelvisie Station tot Brug-gebied zijn tien ontwikkellocaties (later Sleutelkwartier genoemd) aangewezen die moeten bijdragen aan een kwaliteitsimpuls van dit gebied. De Passage behelst drie van deze ontwikkellocaties. In de ontwikkelvisie zijn kaders en uitgangspunten gegeven die zoveel mogelijk gevolgd worden in dit planvoornemen. Zo worden er woningen en maatschappelijke voorzieningen toegevoegd aan dit gebied. Bij het ontwerp is rekening gehouden met het toepassen van een begeleidende bomenstructuur. In het plan wordt geen open water teruggebracht in het gebied. Deze opgave is ingevuld middels een watertuin. De kaders en uitgangspunten van de ontwikkelvisie zijn verwerkt in het ambitiedocument Gebiedsontwikkeling de Passage. De zeven leidmotieven uit dat ambitiedocument zijn gevolgd in het stedenbouwkundig ontwerp. Het plan voldoet aan de woonzorgvisie, het woningbouwprogramma en de verordening middenhuurwoningen Waddinxveen. De woningen voorzien in een duurzame huisvesting en de vraag en het aanbod aan woningen wordt zo dicht mogelijk bij elkaar gebracht, zo is er extra aandacht voor huurwoningen en worden er voldoende woningen gebouwd voor doorstromers. In het kader van duurzaamheid, klimaatadaptatie en biodiversiteit kan middels een bestemmingsplan alleen concreet invulling gegeven worden aan klimaatadaptatie.
In dit bestemmingsplan is ruimte voor groen en water opgenomen. Compensatie van de wateropgave is geregeld in de nabijheid van het plangebied (zie paragraaf 5.9). In dit plan is geregeld dat tuinen niet volledig verhard mogen worden in het kader van klimaatadaptatie (zie leden 3.4.3 en 8.5.3 van de planregels). Dit plan biedt ruimte voor de
Toelichting
31
bestemmingsplan De Passage
energietransitie-opgaven, bijvoorbeeld door extra bouwhoogte te bieden om zonnepanelen op daken mogelijk te maken. Het plan belemmert de opgaven in het kader van biodiversiteit en circulaire economie niet. In het beeldkwaliteitsplan worden de volgende regels gesteld aan duurzaam, energiezuinig en natuurinclusief bouwen: Daken worden benut voor energieopwekking en als waterbuffer middels groene daken en zonnepanelen. Deze worden integraal mee ontworpen. Zonnepanelen zijn niet zichtbaar vanaf de straat. Bij kavel 7 wordt de balans tussen groene daken en zonnepanelen zorgvuldig ontworpen, in relatie tot het maken van een aantrekkelijk daklandschap voor de hoger gelegen woningen. Groene daken worden voorzien van nestmogelijkheden voor insecten en kleine vogels. Het opgevangen water van de daken wordt gebufferd en kan worden gebruikt om in droge perioden het groen op de Passage te besproeien. In het gevelbeeld worden het gebruik van groen en voorzieningen voor biodiversiteit integraal mee ontworpen. Bij tuinen op een dek of terras wordt een leeflaag van ten minste 50 centimeter mee ontworpen. Door de ligging nabij het station kan optimaal gebruik gemaakt worden van het openbaar vervoer. Fietsverkeer wordt in het plan gestimuleerd. Dit tezamen maakt dat volstaan kan worden met een lagere parkeernorm. In paragraaf 5.4 wordt nader ingegaan op het afwijken van standaard parkeernormen.
Hiermee wordt er voldaan aan het mobiliteitsplan en het parkeerbeleid. In het plan is aandacht voor de groenstructuur. De aan te leggen nieuwe groenstructuur zullen een hoge kwaliteit hebben. Hiermee voldoet dit bestemmingsplan aan het groenstructuur en groenbeleidsplan. Hiermee kan gesteld worden dat het bestemmingsplan over het algemeen voldoet aan het gemeentelijk beleid en op kleine onderdelen gemotiveerd daarvan afwijkt.
32
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.)
Wettelijk kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor, of een besluit neemt over, projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen (gesloten spoor). Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'C-lijst') geeft de aard en omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben (m.e.r.-beoordeling). Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r. (de 'D-lijst'). Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen zodra een project één of meer van de beschreven activiteiten in Onderdeel D bevat, ongeacht de omvang van deze activiteiten. Deze toets, de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling, dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect.
Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn. Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. In afbeelding 5.1 zijn bovenstaande regels schematisch weergegeven:
Afbeelding 5.1: Schematische weergave m.e.r.-(beoordelings)plicht Op basis van artikel 7.6 van de Wet milieubeheer kunnen Provinciale Staten als aanvulling op de 'C-lijst' uit het Besluit m.e.r. in de provinciale milieuverordening (of provinciale omgevingsverordening) extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aanwijzen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben en dus m.e.r.-plichtig zijn. Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben in de Omgevingsverordening geen extra activiteiten met gevallen, plannen en besluiten aangewezen die m.e.r.-plichtig zijn. In aanvulling op het voorgaande is er nog een zijspoor, het open spoor, waardoor een plan m.e.r.-plicht kan gelden. Dit is het geval wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Dan geldt de verplichting tot uitvoeren van een Passende Beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming en daarmee de verplichting tot het uitvoeren van een plan m.e.r. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden (artikel 2, lid 5 onder b). Op grond van deze aanpassing is een vormvrije m.e.r.-beoordeling door het bevoegd gezag nodig voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar die beneden de drempelwaarden vallen.
Dit betekent dat voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie moet worden opgesteld. Onderzoek
Toelichting
33
bestemmingsplan De Passage
Voor dit bestemmingsplan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling (Aanmeldnotitie Passage Waddinxveen, Royal HaskoningDHV, 6 september 2023 Haskoning, 7 april 2026, Bijlage 2) uitgevoerd en m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen (Bijlage 3). In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D 11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. De drempelwaarde van deze activiteit is bepaald op: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Dit bestemmingsplan maakt mogelijk dat op een oppervlakte van 3,6 hectare, circa 150 woningen worden toegevoegd en circa 1.100 m2 commerciële ruimte (dienstverlening/horeca) verplaatst binnen het plangebied. Daarmee is het bestemmingsplan niet rechtstreeks planm.e.r.-, projectm.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplichtig. De ontwikkeling van de Passage heeft geen belangrijke uitstraling van milieueffecten naar de omgeving. Te verwachten effecten hangen samen met ecologie, veranderingen in de waterhuishouding, bodem, archeologie en geluid en bezonning. Hiertoe bestaan toereikende compensatie- en mitigerende maatregelen, dan wel volstaat aanvullend onderzoek. In het geval van bezonning worden geen maatregelen getroffen, omdat daarmee de woontoren geschrapt zal moeten worden.
Omdat deze toren stedenbouwkundig wenselijk en passend is, de woontoren voorziet in een grote woningbehoefte en omdat de lichte TNO-norm in de belangrijkste maanden wel wordt gehaald, weegt het algemeen belang van de woontoren zwaarder dan het individuele belang. Het bereik van het effect van een woningbouwlocatie is lokaal en heeft geen grensoverschrijdend karakter. Significante effecten op het milieu zijn niet te verwachten. De kenmerken van de effecten van het project noodzaken niet tot het volgen van een volledige m.e.r.-procedure. Conclusie De kenmerken van de effecten van het project noodzaken niet tot het volgen van een volledige m.e.r.-procedure. In onderstaande paragrafen wordt specifieker ingegaan op de diverse milieuaspecten.
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Wettelijk kader In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Doel van deze ladder is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de 'behoefte' en het 'bestaande stedelijk gebied'. Tevens is het van belang om te bepalen of de ladder van toepassing is, door te bepalen of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’ in de zin van het Bro. Toetsing Stedelijke ontwikkeling Een stedelijke ontwikkeling is een ruimtelijke ontwikkeling van bijvoorbeeld woningbouwlocaties. Toepassing van de ladder is verplicht voor opgaven die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk moeten maken. Het plangebied bevat reeds woonbebouwing en bevindt zich in het hart van Waddinxveen. In de
34
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
provinciale structuurvisie valt het plangebied de Passage onder het “bestaand stads- en dorpsgebied 2018”. Zodoende kan zonder meer worden aangenomen dat het 'bestaand stedelijk gebied' betreft. Of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, hangt af van de omvang en de gebruiksmogelijkheden. Jurisprudentie hierover is zeer casuïstisch. De Raad van State lijkt een woningbouwontwikkeling vanaf 10-14 woningen of andere stedelijke functies met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 te zien als een stedelijke ontwikkeling. Voorliggend bestemmingsplan biedt de planologische kaders voor de toevoeging van meer dan 14 woningen en is hiermee aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit betekent dat een toets aan de ladder noodzakelijk is. Wonen Kwantitatieve behoefte Uit de provinciale woningbehoefteraming WBR 2021 blijkt dat in de periode 2021-2030 in de regio behoefte is aan 14.500 woningen. De nieuwe raming komt hoger uit dan die uit 2019, wat betekent dat er in de gemeente Waddinxveen ook meer woningen nodig zijn. Bovendien is een deel van de behoefte nog niet toegedeeld aan regio's, waardoor de opgave nog hoger kan uitvallen. Tabel 5.1 Woningbehoefteraming 2019 en 2021 (Bron: Provincie Zuid-Holland)
Waddinxveen wil in de behoefte voorzien en daarnaast bouwen voor de regionale groei en gaat daarom uit van een programma van circa 4.250 woningen tot 2030. Dit betekent dat gemiddeld ruim 200 woningen per jaar worden gerealiseerd. Om de druk op de woningmarkt te verminderen, hebben provincie Zuid-Holland en het Rijk in oktober
Toelichting
35
bestemmingsplan De Passage
2022 samenwerkingsafspraken gemaakt over het bouwen van 235.000 woningen in provincie Zuid-Holland in de periode 2022 t/m 2030. In de Regionale Realisatieagenda Midden-Holland zijn afspraken gemaakt over de doelstellingen die gelden voor de regio Midden-Holland. Daarin is opgenomen dat in de periode 2022 t/m 2030 circa 20.000 nieuwbouwwoningen moeten worden toegevoegd. Regionaal Projectenlijst Woningbouw Als uitwerking van de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland geeft de Regionale Projectenlijst Woningbouw (RPW) inzicht in de actuele woningbouwplannen met 10 en meer nieuwbouwwoningen van de gemeenten in de regio Midden-Holland. In de regio heeft afstemming plaatsgevonden over de woningbouwaantallen in het project Sleutelkwartier, waar de Passage onderdeel van uitmaakt. In de recente RPW 2023 gaat het in het Sleutelkwartier om 286 woningen. De Passage maakt hier onderdeel van uit met 147 woningen. De regio-gemeenten hebben ingestemd met de woningaantallen genoemd in de RPW 2023 die ook is aangeboden aan de provincie Zuid-Holland. De provincie Zuid-Holland is met de RPW 2023 akkoord gegaan. Na akkoord is voor de plannen de eerste stap van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking doorlopen. Eind 2023 zal de nieuwe, geactualiseerde RPW 2024 worden aangeboden aan de provincie Zuid-Holland, met het verzoek om aanvaarding.
De ophoging van de woningbouwaantallen binnen de Passage naar maximaal 152 woningen, wordt hierin mee genomen. Regionale afstemming De woningbehoefte en het woningbouwprogramma is in regionaal verband afgestemd binnen de Regionale Agenda Wonen Midden-Holland 2019. De bouwplannen binnen het Sleutelkwartier zijn regionaal afgestemd met de werkgroep RAW. Kwalitatieve behoefte De kwalitatieve woningbehoefte is in de gemeentelijke woonzorgvisie beschreven, zie paragraaf 4.4.4. Deze ontwikkeling levert een bijdrage aan het woningbouwprogramma door de realisatie van een mix aan woningen: koop, middenhuur en sociale huur. Andere stedelijke functies Het aantal andere toegestane stedelijke functies, zoals detailhandel en horeca wordt wegbestemd respectievelijk verminderd ten gunste van de woningen. Derhalve worden deze functies niet onderzocht in het kader van de laddertoets. Conclusie De ontwikkeling is een stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied. Er is in Waddinxveen een grote woningbehoefte. Het project draagt bij aan de verwezenlijking van deze woningvraag door de realisatie van koop- en huurwoningen (middenhuur en sociale huur).
5.3
Bedrijven en milieuzonering
Beleidsmatig kader Bedrijfsactiviteiten kunnen hinder voor de (woon-)omgeving veroorzaken door lawaai, onaangename geuren, stof, trillingen, verkeers- en parkeeroverlast. Daarom is het nodig om bedrijfsactiviteiten (of andere functies die het leefmilieu belasten) op een aanvaardbare afstand van woningen of andere hindergevoelige functies te situeren, al dan niet gecombineerd met het treffen van speciale maatregelen. Voor de milieuzonering in dit plan is gebruik gemaakt van de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009). Methodiek
36
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
In de publicatie worden bedrijfsactiviteiten op een bedrijventerrein of industrieterrein ingedeeld in zes categorieën, variërend van lichte tot zeer zware milieuhinder. Per milieucategorie zijn richtafstanden tot hindergevoelige functies opgenomen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstypen: een rustige woonwijk en een gebied met een menging van functies. In tabel 5.2 zijn deze richtafstanden weergegeven. Deze afstanden zijn gebaseerd op de mate van verspreiding van geluid, stof, gevaar en geur. Tabel 5.2: Richtafstanden per milieucategorie MilieuRichtafstanden in 'rustige woonwijk' categorie 1 10 meter 2 30 meter 3 50-100 meter 4 200-300 meter 5 500-1.000 meter 6 1.500 meter
Richtafstanden in 'gemengd gebied' 0 meter 10 meter 30-50 meter 100-200 meter 300-700 meter 1.000 meter
In de handreiking wordt een specifieke lijst van bedrijfsactiviteiten gehanteerd voor afstanden tussen een bedrijventerrein of bedrijfslocaties en gebieden met een variatie aan functies (zoals wonen, horeca en kleine bedrijvigheid). Met deze laatste lijst wordt aangegeven welke functies binnen een gebied met functiemenging onder welke voorwaarden toelaatbaar zijn. Binnen de lijst voor functiemenging is gekozen voor een andere categorieaanduiding dan in de algemene lijst. Deze activiteiten bestaan uit categorieën A, B of C, met de volgende betekenis voor de toelaatbaarheid: Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen - in gebieden met functiemenging - kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. De VNG-publicatie is geen wet, maar wel een algemeen aanvaarde richtlijn voor de toepassing van milieuzonering in een ruimtelijk plan.
Niettemin gaat de publicatie uit van richtafstanden, die in algemene zin bepaald zijn op basis van gemiddelde productieprocessen. Dat betekent dat bij de toepassing van de publicatie altijd ook de feitelijke situatie ter plaatse in ogenschouw moet worden genomen. Onderzoek Dit bestemmingsplan maakt ten aanzien van een aantal kavels bedrijven in een lichte milieucategorie (maximaal categorie B) mogelijk. Dit betreffen bedrijven die vallen onder de VNG categorieindeling "functiemenging". Dit betekent dat op gebouwniveau meerdere functies gecombineerd zijn, zoals wonen boven winkels. In dit bestemmingsplan zijn kantoren, dienstverlening, maatschappelijke dienstverlening (met uitzondering van peuterspeelzalen en/of kinderdagverbijven) en horeca toegestaan. Deze functies zijn
Toelichting
37
bestemmingsplan De Passage
maar in beperkte mate toegestaan binnen de bestemming 'Gemengd': alleen op de begane grond, de oppervlakte is beperkt en er is maar één horecavestiging van maximaal horecacategorie 1 toegestaan. Kantoren: Kantoren vallen binnen milieucategorie A en passen daarmee in een gebied met functiemenging en kan aanpandig aan woningen worden gerealiseerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Omdat het nieuwbouw betreft dient de bebouwing per definitie te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit/ (per 1 januari 2024) Besluit bouwwerken leefomgeving. Dienstverlening: Onder dienstverlening valt het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waaronder mede begrepen publieksgerichte dienstverlening, al of niet met baliefunctie, op administratief, medisch, juridisch, therapeutisch of cosmetisch gebied, zoals zonnebanken, kleinschalige kantoren, fotostudio's, uitzendbureaus, reisbureaus, belwinkels, internetcafé, en kapsalons. Deze functies behoren tot maximaal milieucategorie A en passen daarmee dus in een gebied met functiemenging en kunnen aanpandig aan woningen worden gerealiseerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Omdat het nieuwbouw betreft dient de bebouwing per definitie te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit/ (per 1 januari 2024) Besluit bouwwerken leefomgeving.
Maatschappelijke dienstverlening: Onder maatschappelijke dienstverlening vallen onder andere educatieve, (para-)medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, alsmede voorzieningen ten behoeve van sportieve recreatie en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening. Deze functies behoren maximaal tot milieucategorie B. Zij passen goed in een gebied met functiemenging. Deze functies dienen bouwkundig afgescheiden te zijn van woningen en andere gevoelige functies. De nieuw te bouwen gebouwen dienen in ieder geval te voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit. Daarnaast dienen bouwkundige voorzieningen getroffen te worden die vergelijkbaar zijn met een bouwkundige afscheiding om milieubelasting te voorkomen. Horeca categorie 1: Voor deze vorm van horeca geldt milieucategorie A. Deze horeca past in een gebied met functiemenging en mag aanpandig aan woningen worden gerealiseerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. Omdat het nieuwbouw betreft dient de bebouwing per definitie te voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit/ (per 1 januari 2024) Besluit bouwwerken leefomgeving. De toegestane functies zijn vanwege hun aard en omvang verenigbaar met de aanwezige woonfuncties in dit gebied met functiemenging.
Conclusie Het bestemmingsplan is aanvaardbaar ten aanzien van het aspect bedrijven en milieuzonering.
5.4
Verkeer
Inleiding In het belang van een goede ruimtelijke ordening moet sprake zijn van een aanvaardbare afwikkeling van alle soorten verkeer. Bij ruimtelijke planning dienen verkeerskundige aspecten afgewogen te worden, omdat deze van grote invloed zijn op het doelmatig functioneren van verschillende functies. Wanneer nieuwe ontwikkelingen worden gepland, is het van belang te onderzoeken welke effecten dit heeft op de verkeerskundige situatie om zo nodig passende maatregelen te kunnen nemen. Onderzoek Ten behoeve van de ontwikkeling van de Passage is een parkeer- en verkeersstromenonderzoek uitgevoerd (Parkeren en verkeersstromen Passagegebied, Haskoning, Royal HaskoningDHV, 22 januari 2025, Bijlage 4 Haskoning, 6 mei 2026, Bijlage 4). In dit onderzoek wordt uitgegaan van de realisatie van maximaal 150 nieuwe woningen. Met dit bestemmingsplan worden maximaal 152 woningen
38
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
toegestaan. Het verkeerseffect van deze twee extra woningen is minimaal en past binnen de marges van het onderzoek. Ten aanzien van parkeren worden ruim voldoende parkeerplekken gerealiseerd, zodat de parkeerbehoefte van twee extra woningen kan worden opgevangen. Wijzigingen verkeer- en parkeerstructuur Met de ontwikkeling van de Passage wordt de openbare ruimte opnieuw ingericht en verandert de parkeerbehoefte. Daarmee verandert dus ook de bestaande parkeersituatie. Er zijn parkeerplaatsen op maaiveld en in twee parkeergarages voorzien. Ten opzichte van de huidige parkeersituatie zijn er diverse wijzigingen: De bestaande parkeerkoffers op kavel 8 die ontsluiten op de Passage (nabij de spoorwegovergang) komen te vervallen. Er komt een parkeergarage voor de bewoners van kavel 7 onder kavel 7 die aansluit op het parkeerterrein aan de noordzijde en dezelfde ontsluiting gebruikt op de Prinses Beatrixlaan. De ligging van het parkeerterrein (kavel 8) dat ontsluit op de Stationsstraat wijzigt en wordt vergroot. De ontsluiting wijzigt niet. Onder kavel 9 komt een parkeergarage voor bewoners. Deze ontsluit via een bestaande aansluiting op de Stationsstraat. Het parkeerterrein aan de noordzijde van het plangebied wordt anders vormgegeven. Deze parkeerplaatsen ontsluiten op de Prinses Beatrixlaan en niet meer op de Juliana van Stolberglaan.
Aan de oostzijde van dit parkeerterrein zijn parkeerplekken beschikbaar voor korte bezoeken aan de Passage. Deze parkeerplekken worden voorzien van een passend regime (bijvoorbeeld een parkeerschijfzone, dus met een beperkte maximale parkeertijd). Er resteert een kleine parkeerkoffer op maaiveld op kavel 7 die ontsluit via de bestaande aansluiting op de Juliana van Stolberglaan. Deze is bedoeld voor korte bezoeken aan de Passage en wordt voorzien van een passend regime (bijvoorbeeld een parkeerschijfzone). Verkeersgeneratie Doordat de aansluiting op de Juliana van Stolberglaan komt te vervallen wordt het veel minder druk op de Juliana van Stolberglaan. Dit betekent ook een forse afname van afslaand en stilstaand verkeer direct ten noorden van de rotonde. In de huidige situatie zijn hier 900 910 voertuigbewegingen per dag. Doordat deze voertuigbewegingen bijna volledig vervallen verbetert de doorstroming, de overzichtelijkheid en de verkeersveiligheid op deze locatie. Dit soort aansluitingen zijn in zijn algemeenheid ook minder gewenst op gebiedsontsluitingswegen, zoals de Juliana van Stolberglaan. Ook in verband met de nabijheid van de rotonde bij deze aansluiting is door de wijziging een verbetering te verwachten qua opstoppingen en verkeersveiligheid. In de toekomstige situatie veroorzaakt de Passage een verkeersgeneratie van 1.960 ritten.
Deze zijn afkomstig van de bestaande functies (1.290) en de nieuwe ontwikkelingen (670). Deze ritten verdelen zich over de vijf aansluitingen: twee nieuwe op de Prinses Beatrixlaan, de twee reeds bestaande op de Stationsstraat en één afgewaardeerde op de Juliana van Stolberglaan. Verkeersstromen rondom de Passage De ontwikkelingen en de veranderingen in de grootte en ontsluiting van parkeervoorzieningen zorgen voor meer verkeer en andere verkeersstromen rond de Passage. Om te beoordelen of de wegen rond de Passage de toekomstige hoeveelheid verkeer kunnen afwikkelen, zijn verkeerstellingen gedaan gedurende twee aaneengesloten weken tussen 2 en 16 oktober 2021 en opnieuw tussen 1 en 14 juni 2024. Deze tellingen geven een objectief beeld van de huidige hoeveelheid verkeer. Samen met de toekomstige hoeveelheid verkeer bij de vijf aansluitingen en de verwachte routes van dit verkeer worden de totaal te verwachten toekomstige verkeersstromen inzichtelijk. De beoordeling laat zien dat de te verwachten toekomstige hoeveelheid verkeer zonder knelpunten afgewikkeld kan worden op de omliggende 30 km/u-wegen. Enig aandachtspunt vormt de aansluiting van de Prins Bernardlaan op de Juliana van de Stolberglaan, waar de wachttijden in spitsperioden hoog (kunnen) zijn. In het Omgevingsprogramma Mobiliteit en Verkeer, dat momenteel binnen de gemeente in
Toelichting
39
bestemmingsplan De Passage
ontwikkeling is, is extra aandacht voor deze locatie en mogelijke maatregelen. Het effect op de 50 km/u-wegen is minder groot dan in de bestaande situatie omdat het parkeerterrein in het noorden in de toekomstige situatie niet meer ontsloten wordt op de Juliana van Stolberglaan, maar op de Prinses Beatrixlaan. De 670 nieuwe ritten zullen zich grotendeels verdelen over de Kerkweg-West, Kerkweg-Oost, Kanaaldijk en Juliana van Stolberglaan. Omdat dit drukkere wegen zijn, zijn hier de toenames relatief klein. Voor alle wegen geldt dat de verkeersintensiteit binnen de normen van de soort weg blijft. Parkeren De nieuwe ontwikkelingen in de Passage zorgen voor een toename in de vraag naar parkeerplaatsen. In de huidige situatie is er een aantal parkeerterreinen in het Passagegebied dat op verschillende locaties aansluit op het omliggende wegennet. Met de herontwikkeling verandert de omvang en de ontsluiting van de parkeerterreinen. De huidige functies en de nieuwe ontwikkelingen in de Passage vragen om een hoeveelheid parkeerplaatsen. De parkeervraag voor de huidige situatie (tabel 5.3) is in beeld gebracht met parkeeronderzoek. De parkeervraag voor de nieuwe ontwikkelingen (tabel 5.4) is bepaald op basis van richtlijnen voor parkeernormen (CROW publicatie 477).
Daarbij is uitgegaan van een sterk stedelijke stedelijkheidsgraad en een centrum zone en is een bandbreedte gehanteerd tussen de lage en gemiddelde norm in (zie voor een nadere onderbouwing Bijlage 4). De maatgevende periode (het moment op de dag met de hoogste parkeervraag) is de werkdagnacht. Om te bepalen hoeveel parkeerplaatsen er op welk moment van de dag nodig zijn, is een parkeerbalans opgesteld. Gezien de nog aanwezige flexibiliteit in de planologische invulling van kavel 7,kavel 8 en kavel 9 zijn verschillende opties opgesteld, om daarmee de planologische invulling met de hoogste parkeervraag te bepalen. Voor een uitgebreidere beschrijving wordt verwezen naar Bijlage 4 Onderzoek parkeren en verkeersstromen. De periode waarop de meeste parkeerplaatsen nodig zijn is de maatgevende periode. Een deel van de bewoners van kavel 7 en kavel 9 dient in de nog te bouwen parkeergarage te parkeren. Tabel 5.3 Huidige parkeervraag
Tabel 5.4 Parkeervraag voor de nieuwe ontwikkelingen, voor opties met verschillende planologische invulling
De totale parkeervraag (inclusief bezoekersparkeren) is weergegeven in tabel 5.5 en bestaat uit de parkeervraag van de huidige functies plus de parkeervraag van de nieuwe ontwikkelingen. Ook voor de parkeervraag van de bestaande functies is uitgegaan van een maximaal acceptabele bezettingsgraad van 90%. Combinatie van de gegevens uit tabel 5.3 en tabel 5.4 laat zien dat optie 3 de hoogste totale
40
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
parkeervraag geeft en daarmee de maatgevende planologische invulling is. Voor de huidige parkeervraag is de hoogst waargenomen parkeervraag per periode weergegeven. Dit kan gezien worden als een worst-case benadering. Uit tabel 5.5 blijkt dat de zondagochtend de maatgevende periode is. De huidige functies en de nieuwe ontwikkelingen vragen dan opgeteld de meeste parkeerplaatsen: 250. Gezien de lage frequentie van het kerkbezoek wordt het plausibel geacht om de kerkbezoekers ook op het parkeerterrein bij het gemeentehuis te laten parkeren. De maatgevende periode voor de parkeervraag wordt daarmee de werkdagnacht periode. Dan zijn er in totaal 238 parkeerplaatsen nodig. Tabel 5.5 Totale parkeervraag de Passage (afgerond naar boven)
In tabel 5.5 is te zien dat de zondagochtend de maatgevende periode is, mede in verband met het kerkbezoek. Dan zijn er in totaal 252 parkeerplaatsen nodig. In de nieuwe situatie zijn ten minste 238 parkeerplaatsen nodig. In dit geval zijn er parkeerplaatsen voorzien in parkeergarages (niet openbaar, voor bewoners) en openbare parkeerplaatsen op maaiveld (voor bewoners en bezoekers). In het stedenbouwkundig plan is parkeerruimte voor 257 parkeerplaatsen geschetst. Daarmee wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen. In het inrichtingsplan zijn 251 parkeerplaatsen voorzien. Geconcludeerd kan worden dat het totale parkeeraanbod voldoet aan de toekomstige totale parkeervraag voor alle periodes met uitzondering van de zondagochtend. Voor de zondagochtend is voor bezoekers van de Kruiskerk op korte loopafstand alternatieve parkeercapaciteit beschikbaar op de Beukenhof (ca. 300-350 meter) of in parkeergarage Gouweplein. Daarmee wordt voor alle situaties in voldoende parkeerplaatsen voorzien. In de verdere uitwerking van de plannen, wordt gekeken hoeveel en welke parkeerplaatsen worden voorzien van een laadpaal ten behoeve van het laden van elektrische voertuigen. Omdat er in het gebied publieke functies aanwezig zijn, dient er een aantal gehandicaptenparkeerplaatsen aanwezig te zijn.
De hoeveelheid en locatie van deze gehandicaptenparkeerplaatsen worden in een nadere uitwerking bepaald. Het nieuwe parkeerbeleid van de gemeente, dat wordt is opgenomen in het Omgevingsprogramma Duurzame Leefomgeving, geeft maximale loopafstanden tussen parkeerplaats en functie. De gemeente sluit hierbij aan op de actuele CROW-normen (publicatie: Inzicht in acceptabele loopafstanden). Voor woningen bedraagt de acceptabele loopafstand 100-200 75-100, voor een supermarkt of fysiotherapiepraktijk is dat 100-250 meter, voor bezoek (waaronder kerkbezoek) is dat tot 500 meter. meter en bij alle overige functies is dat 200 meter. Met de planvorming wordt voldaan aan deze maximale loopafstanden. Voldoende logische voetgangersverbindingen worden verzekerd in de nadere uitwerking.
Toelichting
41
bestemmingsplan De Passage
Naast parkeervoorzieningen voor motorvoertuigen, zijn er ook voldoende en kwalitatief hoogwaardige openbare fietsparkeervoorzieningen nodig. Hiermee wordt onder andere het gebruik van de fiets gestimuleerd. In de verdere uitwerking worden aantallen en locaties bepaald. Het aanbieden van deelmobiliteit kan zorgen voor een lager autobezit en daarmee een lagere vraag naar parkeerplaatsen. De mogelijkheden hiervoor worden gemeentebreed verkend. Conclusie Het plan veroorzaakt een verkeersgeneratie van 1.960 ritten, dat is een toename van 670 ritten ten opzichte van de huidige situatie. De beoordeling laat zien dat de te verwachten toekomstige hoeveelheid verkeer ook met de nieuwe ontsluiting op de Prinses Beatrixlaan zonder knelpunten afgewikkeld kan worden op de omliggende wegen. Het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen voor de planontwikkeling. Deze parkeerplaatsen liggen allemaal binnen de maximale loopafstand. Indien nodig draagt de gemeente er met parkeerregulering zorg voor dat de parkeerplaatsen benut worden voor de functie waar ze bij horen. Op basis van deze bevindingen kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is ten aanzien van het aspect verkeer.
5.5
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader De Wet milieubeheer (Wm) biedt de volgende grondslagen voor de onderbouwing dat een plan voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit: het project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden (art. 5.16 lid 1 sub a); het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub c); er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van het project is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 lid 1 sub b onder 1); er worden grenswaarden overschreden, maar ten gevolge van een door het project optredend effect of een met het plan samenhangende maatregel is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk (art. 5.16 lid 1 sub b onder 2); het project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (art. 5.16 lid 1 sub d). Wanneer een plan voldoet aan één van bovenstaande grondslagen, kan het wat luchtkwaliteit betreft doorgang vinden. Advieswaarden WHO Als aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan, is er nog steeds kans op gezondheidsschade door luchtverontreiniging.
De WHO hanteert daarom advieswaarden voor fijn stof (PM10 en PM2,5) die lager zijn dan de wettelijke grenswaarden. De WHO advieswaarden zijn 20 µg/m3 voor PM10 en 10 µg/m3 voor PM2,5. Onderzoek Het onderhavige plan omvat een herontwikkeling van een plangebied met nieuwe woningen en een beperkte ontwikkeling van commerciële en horecafuncties. Een dergelijke ontwikkeling is niet in de lijst uit de Regeling NIBM opgenomen. Daarom kan hier niet worden volstaan met de aanname dat de ontwikkeling van geringe omvang is en dat de luchtkwaliteit als gevolg hiervan “niet in betekende mate” (NIBM) zal verslechteren. Een nadere motivering is daarom vereist.
42
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft kaarten gepubliceerd die de bestaande jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergeven: het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Hieruit blijkt dat de bestaande jaargemiddelde concentraties nabij het plangebied als volgt zijn: Tabel 5.6: bestaande jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 nabij het plangebied Juliana van Kanaalstraat Kerkweg-Oost Kerkweg-Oost Grenswaarde Stolberglaan (westzijde) (noordzijde) (zuidzijde) (westzijde) NO2 (µg/m3) 18,00 17,15 18,62 19,51 40 3 PM10 (µg/m ) 17,60 17,26 17,46 17,65 40 PM2,5 (µg/m3) 9,82 9,59 9,66 9,72 25 Voor kleinere ruimtelijke en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft het toenmalige Ministerie van VROM in samenwerking met InfoMil een specifieke rekentool ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt (NIBM) aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. Het grote voordeel van deze NIBM-rekentool is dat slechts een beperkt aantal invoergegevens nodig is. Alleen het extra aantal voertuigbewegingen en het aandeel vrachtverkeer worden ingevoerd. Voor de overige invoergegevens is in de tool uitgegaan van worst-case. Met beperkte invoergegevens kan dus worden vastgesteld of een plan NIBM is.
Tabel 5.7: Berekening bijdrage op de luchtkwaliteit (bron: NSL-Monitoringstool)
Uit de NSL-Monitoringstool (tabel 5.7) blijkt dat de jaargemiddelde concentraties rond het plangebied ruim onder de grenswaarden uit de Wm liggen en dat de concentraties, onder invloed van dalende achtergrondconcentraties en emissiefactoren, in de toekomst verder zullen dalen. De bijdrage van het extra verkeer als gevolg van de ontwikkeling in het plangebied is bepaald op basis van worst case uitgangspunten. Wanneer de berekende jaargemiddelde concentraties worden opgeteld bij de jaargemiddelde concentraties genoemd in tabel 5.7 blijkt dat de toekomstige jaargemiddelde concentraties ver onder de grenswaarden blijven. Er is een aanzienlijke ruimte tussen de heersende concentraties en de grenswaarden uit de Wm. Met de berekende worst case toenames van de concentraties, zal de herontwikkeling van de Passage niet leiden tot een benadering of overschrijding
Toelichting
43
bestemmingsplan De Passage
van de grenswaarden uit de Wm. Hierdoor is aannemelijk gemaakt dat de ontwikkeling van de Passage op grond van art 5.16, lid 1 sub a voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. Uit de berekening blijkt dat de jaargemiddelde concentratie net boven de WHO advieswaarde voor PM10 ligt (15 µg/m3). Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. Daarmee wordt het bestemmingsplan uitvoerbaar geacht ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit.
5.6
Geluidhinder
Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) biedt een toetsingskader voor het geluidniveau op de gevels van geluidgevoelige bestemmingen, zoals woningen en scholen. De wet kent een ondergrens, de zogenaamde voorkeursgrenswaarde. Wanneer de geluidbelasting lager is dan deze waarde, zijn de voorwaarden die de Wet geluidhinder stelt aan het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen niet van toepassing. Daarnaast is er in de wet een bovengrens opgenomen, de maximaal toelaatbare geluidbelasting. Indien de geluidbelasting hoger is dan deze waarde, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in principe niet mogelijk. Wanneer de geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximaal toelaatbare geluidbelasting ligt, is het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen aan beperkingen gebonden en alleen onder voorwaarden mogelijk. Dit wordt een 'hogere waarde' genoemd ('hoger' in de zin van hoger dan de voorkeursgrenswaarde) en wordt via een formele procedure vastgelegd. Wegverkeerslawaai Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) artikel 74 hebben alle wegen een geluidzone. Uitzondering hierop zijn woonerven en straten met een maximumsnelheid van 30 km/u. De zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en of een weg binnen of buitenstedelijk is gelegen.
Voor de bepaling van de maximale vast te stellen geluidbelasting houdt de Wet geluidhinder rekening met de ligging van de geluidgevoelige bestemmingen en wordt onderscheid gemaakt tussen stedelijk en buitenstedelijk gebied. Binnen stedelijk gebied gelden over het algemeen minder strenge normen. In het kort komt het er op neer dat het gebied binnen de bebouwde kom behoort tot het stedelijke gebied, met uitzondering van het gebied binnen de bebouwde kom, dat gelegen is binnen de zone van een autoweg of autosnelweg. In het laatste geval en voor de situatie buiten de bebouwde kom gelden de normen die van toepassing zijn op het buitenstedelijke gebied. Een hoofdweg is, conform deze definitiebepaling van de Wet geluidhinder, altijd gelegen in buitenstedelijk gebied. Indien de geluidbelasting hoger is dan de voorkeurgrenswaarde en maatregelen gericht op reductie van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of als deze overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard ontmoeten, zijn burgemeester en wethouders van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de geluidbelasting. De gevels van geluidgevoelige bestemmingen kunnen ook worden uitgevoerd als een blinde of dove gevel (conform artikel 1b lid 5 van de Wgh).
Hiermee vervalt de verplichting om te voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij een kanttekening wordt geplaatst dat de geluidwering van deze gevels ten minste gelijk dient te zijn aan de hoogte van de geluidbelasting minus de maximale binnenwaarde. Ter anticipatie op het steeds stiller worden van motorvoertuigen mag alvorens te toetsen aan de geldende grenswaarden een aftrek worden toegepast op de berekende geluidbelasting. Deze aftrek bedraagt: 2 dB voor wegen waar de maximumsnelheid gelijk is aan of hoger is dan 70 km/uur;
44
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
5 dB voor overige wegen. Industrielawaai Het aspect industrielawaai is niet relevant voor dit planvoornemen omdat er zich in de directe nabijheid van het plangebied geen industrieterrein bevindt. Onderzoek Om te bepalen of op de nieuw te realiseren en op de bestaande woningen/gevoelige functies wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Nieuwbouwplan De Passage te Waddinxveen Akoestisch onderzoek wegverkeer, Royal HaskoningDHV, 11 september 2023, Bijlage 5). Geluidbelasting van de zoneplichtige wegen in het kader van de Wgh De nieuwbouw bevindt zich conform de Wet geluidhinder (voor een deel) binnen de geluidzone van de wegen Juliana van Stolberglaan/Kerkweg-Oost, Kanaalstraat en Kerkweg-West. Voor de Kerkweg-West wordt voldaan aan de voorkeurswaarde en worden vanuit de Wet geluidhinder verder geen eisen gesteld. Bij de Juliana van Stolberglaan/Kerkweg-Oost en de Kanaalstraat is sprake van een overschrijding van de voorkeurswaarde van 48 dB ten gevolge van het wegverkeer. De maximaal toelaatbare geluidbelasting van 63 dB wordt niet overschreden. Bronmaatregelen bij de kruising in dit gebied zijn niet doelmatig. Schermen langs het bouwplan zijn vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet inpasbaar of gewenst.
Aangezien er geen maatregelen kunnen worden getroffen die de geluidbelasting reduceren tot de voorkeurswaarde, zijn hogere waarden vastgesteld conform tabel 5.8. Tabel 5.8: Overzicht vast te stellen hogere waarden De Passage
Gezien de hoogte van de geluidbelasting is het van belang dat bij de nadere invulling van het plan rekening wordt gehouden met de oriëntatie en indeling van de woningen/appartementen, zodat deze ten minste voldoen aan de voorwaarden uit het gemeentelijk beleid (met name geluidluwe gevel en buitenruimtes). Geluidbelasting van de zoneplichtige spoorwegen in het kader van de Wgh/Bg De nieuwbouw bevindt zich conform de Wet geluidhinder voor een deel binnen de geluidzone van de spoorlijn Gouda – Alphen aan den Rijn. Ten gevolge van de spoorlijn wordt de voorkeurswaarde van 55 dB niet overschreden. De geluidbelasting is ten hoogste 51 dB. Vanuit de wetgeving worden geen verdere eisen gesteld. Geluidbelasting 30 km/uur wegen in het kader van een goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de geluidbelasting van de 30 km/uur wegen beoordeeld. Ten gevolge van deze wegen is de geluidbelasting niet hoger dan 55 dB. In het kader van een goede ruimtelijk ordening wordt dit beoordeeld als “redelijk”. Geluidseffecten op bestaande woningen Ten gevolge van de verkeersgeneratie van de nieuwbouw en reflecties naar de omgeving is er bij de meeste bestaande woningen rondom het plangebied geen sprake van een geluidseffect van 1,5 dB of
Toelichting
45
bestemmingsplan De Passage
meer. Alleen ter hoogte van De Passage (woningen op de hoek Passage - Prinses Beatrixlaan) ligt de toename op 1,8 dB. Bij nadere uitwerking van het plan dient te worden gekeken of de toegang tot het parkeerterrein zo gesitueerd kan worden dat dit niet aan de geluidluwe zijde van de bestaande woningen wordt gesitueerd. Cumulatieve waarden De milieukwaliteit van het plan kan omschreven worden als ‘goed’ tot ‘tamelijk slecht’. De gecumuleerde geluidbelasting Lcum bij de nieuwe woningen is maximaal 66. Gesteld kan worden dat de gecumuleerde geluidbelasting op zich niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat als ook rekening wordt gehouden met de eisen uit het geluidbeleid. WHO-normen Er is sprake van een overschrijding van de WHO-normen voor wegverkeer voor een deel van het plangebied. De maximale geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer (cumulatief) is excl. art. 110g Wgh 65 dB. Echter, conform het gemeentelijke beleid dient elke woning te zijn voorzien van een geluidluwe zijde (= gelijk aan WHO-advieswaarde), verzekerd in artikel 3.2.6 onder b en 8.2.6 onder b. Geadviseerd wordt, vanuit slaapverstoring, slaapkamers zoveel mogelijk aan deze geluidluwe zijde te situeren.
Daarbij is een aandachtspunt om ook factoren te beperken die het positieve effect van een geluidluwe zijde teniet kunnen doen, zoals geluid van andere bronnen dan verkeer (bijvoorbeeld airco’s, warmtepompen, laden en lossen vrachtwagens, parkeren, sport- en speelvelden). Trillingshinder als gevolg van spoorweglawaai Het plangebied is deels naast het spoor gelegen en er is kans dat trillingshinder optreedt voor de toekomstige bewoners en gebruikers van de nieuwe woningen op kavel 8, die het bestemmingsplan mogelijk maakt. De SBP-richtlijn hanteert streefwaarden die afhangen van de toekomstige gebouwfunctie. Bij de nieuwbouw zal rekening moeten worden gehouden met deze streefwaarden. Wanneer uit onderzoek blijkt dat het trillingsniveau hoger is dan de streefwaarde, zijn bouwkundige maatregelen of overdrachtsmaatregelen mogelijk, zoals het aanbrengen van een stijve(re) fundering, een trillingsarm gebouwontwerp of een ingreep in de bodem tussen het spoor en het betreffende gebouw. Deze zaken dienen in de vergunningsfase te worden beoordeeld. Zodoende is in de regels van het bestemmingsplan de verplichting opgenomen dat de nieuwbouw dient te voldoen aan de SBR-richtlijn. Om dit aan te tonen zal een trillingsonderzoek nodig zijn en daaruit volgend zijn eventueel bouwkundige maatregelen nodig.
In verband hiermede is in artikel 8.4.1 een nadere eis opgenomen dat het bevoegd gezag een onderzoek naar trillingshinder kan eisen. Conclusie Met het verlenen van hogere waarden voor een aantal woningen op kavel 7 en bij nadere uitwerking van het plan rekening te houden met de situering van uitritten, gevels en gebruiksruimtes kan gesteld worden dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is ten aanzien van het aspect geluid.
5.7
Externe veiligheid
Wettelijk kader Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's voor de omgeving vanwege het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het geval van een verandering bij de risicobron, of in de omgeving daarvan, dient een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheidssituatie (Wm, Wro, Wabo) Voor dit bestemmingsplan dienen risicobronnen in het plangebied en in de omgeving ervan in kaart gebracht te worden en getoetst te worden aan de risicomaten plaatsgebonden risico en groepsrisico. In de volgende AMvB's en circulaires zijn risiconormen opgenomen die relevant zijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid bij het vaststellen van een ruimtelijk besluit: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In dit besluit zijn de risiconormen voor risicovolle inrichtingen weergegeven ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
46
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In dit besluit zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en binnenwater opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). In het Bevb zijn de risiconormen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen opgenomen ten aanzien van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Vuurwerkbesluit. In dit besluit zijn voor de opslag van consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk veiligheidsafstanden vastgesteld. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. In deze circulaire zijn veiligheidszones (A-, B- of C-zone) vastgesteld voor de opslag van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. Binnen deze veiligheidszones worden de aanwezigheid van activiteiten en/ of objecten uitgesloten. Het Activiteitenbesluit milieubeheer: In dit besluit zijn veiligheidsafstanden en risiconormen opgenomen die moeten worden aangehouden ten opzichte van (beperkt) kwetsbare objecten. Veiligheidsafstanden zijn vastgesteld voor onder andere opslagtanks met propaan/propeen, aardgastankstations, en gasdrukmeet- en regelstations. Voor windturbines geldt het plaatsgebonden risico als risiconorm.
Onderzoek Er is een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd (Externe veiligheid De Passage Waddinxveen Onderzoek ten behoeve van bestemmingsplan, Royal HaskoningDHV, 19 mei 2023, Bijlage 6). Conform het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen als kwetsbare objecten te beschouwen en de betreffende objecten met een commerciële functie als (beperkt) kwetsbaar objecten. Rond het plangebied liggen enkele risicobronnen die invloed hebben op het planvoornemen. Dit onderzoek beschrijft de gevolgen voor het milieuaspect externe veiligheid ten gevolge van het planvoornemen. Om te onderzoeken welke invloed het milieuaspect externe veiligheid heeft zijn het planvoornemen en de omliggende risicobronnen beoordeeld middels de relevante wetgeving. In het plangebied liggen geen risicobronnen. In de omgeving van het plangebied liggen de volgende relevante risicobronnen: Hogedrukaardgasleiding W-517-01 Autosnelweg A12 (afrit 9 (Zevenhuizen) tot knooppunt Gouwe) Autoweg N207 Als gevolg van deze risicobronnen liggen er geen plaatsgebonden risicocontouren over het plangebied. Het groepsrisico van de buisleiding ter hoogte van het plangebied blijft in de toekomstige situatie gelijk aan de huidige situatie. Als gevolg van een (ernstige) beschadiging van de buisleiding kan een fakkelbrand (volledige breuk van de aardgastransportleiding) optreden.
Bijvoorbeeld als gevolg van graafwerkzaamheden, uitgevoerd door derden in de directe omgeving van de aardgastransportleiding. Indien de aardgastransportleiding ineens breekt, komt een grote hoeveelheid aardgas vrij. Dit aardgas zal in de meeste gevallen direct ontsteken, wat een (verticale) fakkel tot gevolg heeft. De fakkel kan afhankelijk van de eigenschappen van de aardgastransportleiding tot een hoogte van enkele honderden meters reiken. Binnen de 1% letaliteitsafstand (in dit geval 140 meter) kan een fakkelbrand leiden tot slachtoffers, schade en brand in de omgeving van de buisleiding. Binnen de 100% letaliteitsafstand van de buisleiding (in dit geval 70 meter) is er een grote kans op overlijden. Het plangebied ligt voor een klein gedeelte binnen de 1% letaliteitsafstand. Bepaling van het groepsrisico als gevolg van de autosnelweg A12 en autoweg N207 is niet relevant. Daarmee vormt ook het groepsrisico geen belemmering voor de planontwikkeling. Het risico betreft hier een gifwolk. Een giftige plas ontstaat doordat de tank van een tankwagen openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van de acrylnitril (zwaarste stof) in korte tijd uit. De acrylnitril verspreidt zich over de grond, dampt uit en vormt een giftige wolk. De wolk verspreidt zich snel met de wind mee. Het plangebied ligt buiten de effectafstanden voor deze gifwolk.
Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van beide wegen.
Toelichting
47
bestemmingsplan De Passage
Conform het Bevt en het Bevb is in het kader van rampenbestrijding en zelfredzaamheid advies gevraagd aan de veiligheidsregio Hollands Midden. Beperkte verantwoording groepsrisico Op 7 juni 2023 heeft de veiligheidsregio Hollands Midden haar advies uitgebracht op het onderdeel externe veiligheid. Onderstaande analyse op basis van het Kenmerkenschema van het Instituut Fysieke Veiligheid schetst een beeld van de toekomstige ontwikkeling. De verschillende kenmerken kennen onderling ook een bepaalde mate van samenhang waardoor de kenmerken niet onafhankelijk van elkaar bekeken moeten worden maar juist in gezamenlijkheid. Menskenmerken Bewoners en bezoekers (zelfredzaam) De aanwezige personen in de woningen en winkels zijn over het algemeen zelfredzaam. Aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Mensen kunnen zowel wakend als slapend in de woningen aanwezig zijn. Het risico niet tijdig te kunnen vluchten is groter wanneer mensen slapend aanwezig zijn vanwege de lagere mate van opmerkzaamheid (alertheid). De reactietijd voor ontvluchting is hierbij dan ook groter. Er wordt wel vanuit gegaan dat de aanwezigen over het algemeen bekend zijn met de inrichting van het gebouw en daarmee ook met de vluchtroutes.
De woningen zijn niet bestemd voor zorggerelateerde woondoeleinden. Gebouw- en plangebiedkenmerken Het plangebied is in de huidige situatie slechts beperkt in gebruik als woongebied. In de toekomstige situatie zullen er circa 150 woningen extra gerealiseerd worden. Ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden op de Juliana van Stolberglaan en de Prinses Beatrixlaan. Incidentkenmerken Gebouwbrand Voor dit plangebied is een gebouwbrand een relevant scenario. Voor de nieuwbouw zal een brand zich op basis van de bouweisen niet snel naar andere woningen uitbreiden. De woningen zullen voorzien moeten worden van rookmelders waarmee een snelle alarmering van aanwezige personen wordt versneld. Voor bestaande woningen geldt dat vanuit de wetgeving vanaf 1 juli 2022 ook rookmelders vereist zijn. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de bewoners om te voorzien in rookmelders ten behoeve van een snelle alarmering. Het handelingsperspectief van de aanwezigen personen is bij een gebouwbrand vanuit ruimtelijke ordeningsoogpunt goed. De ontvluchting vanuit het plangebied naar de openbare weg is voldoende mogelijk. Voor het bestemmingsplan zijn geen bezwaren. Het veilig ontvluchten vanuit de woningen als ook de overige brandveiligheidsonderdelen binnen de percelen komen in de aanvraag omgevingsvergunning activiteit bouwen naar voren.
Fakkelbrand en toxische wolk Zoals hiervoor beschreven kan een fakkelbrand als gevolg van de westelijk gelegen hogedrukaardgasleiding effect hebben op het plangebied. Vanuit de berekeningen blijkt dat het groepsrisico door de nieuwe ontwikkeling niet toeneemt. Daarbij blijft het vluchten direct van de buisleiding ook in de nieuwe situatie mogelijk. De fakkelbrand heeft een snelle ontwikkeltijd. Hierdoor zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding
48
Toelichting
bestemmingsplan De Passage
en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding is gericht op het afschermen van de omgeving, op het bestrijden van secundaire branden en het redden van personen die tussen brokstukken liggen. Bij een toxische wolk wordt door de brandweer en andere hulpdiensten voornamelijk vanaf het bovenwinds gebied opgetreden. Vanaf het benedenwinds gebied kan maar in beperkte mate worden opgetreden. Bij het optreden is bronbestrijding moeilijk. De hulpdiensten kunnen zich voornamelijk richten op het redden van mensen, het verlenen van eerste hulp aan gewonden en het verdunnen van de toxische wolk met behulp van water. Het handelingsperspectief van de aanwezigen personen is bij een toxische wolk en een brand in de omgeving wordt geborgd door het afschakelen van de mechanische ventilatie verplicht te stellen (3.2.6 onder a en 8.2.6 onder a). Omgevingskenmerken Bereikbaarheid Voor hulpdiensten is het goed kunnen bereiken en verlaten van een incident met eigen materieel en eigen personeel van cruciaal belang. Hiervoor is het van belang dat wegen zo veel mogelijk een onbelemmerde doorgang bieden. De planlocatie bevindt zich in het centrum van Waddinxveen en is gesitueerd aan de doorgaande wegen Juliana van Stolberglaan en de Prinses Beatrixlaan. De locatie is over de openbare weg goed bereikbaar en de wegafmetingen zijn voldoende.
De ontsluiting van de kavels binnen het plangebied zullen nog nadere uitwerking moeten krijgen. Hiervoor wordt verwezen naar het regionale beleid Bluswatervoorziening en bereikbaarheid VRHM. In het bijzonder is hierbij aandacht benodigd voor eventuele doodlopende einden voor autoverkeer. Alarmering bevolking Voor alarmering van de bevolking bij calamiteiten buiten het bouwwerk wordt gebruik gemaakt van de waarschuwings-alarmeringssirene (WAS-paal). In de nabijheid van het plangebied is een WAS-paal aanwezig. Daarnaast speelt ook het NL-alertsysteem een steeds belangrijkere rol bij het alarmeren van de bevolking. Interventiekenmerken Een adequate bluswatervoorziening, bestaande uit offensief en defensief bluswater, en een goede bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorzieningen als de incidentlocatie, zijn randvoorwaarden voor een effectieve en efficiënte incidentbestrijding door de brandweer. Offensieve bluswatervoorziening In de bestaande situatie is nabij het plangebied een brandkraan aanwezig die dienst kan doen als offensieve bluswatervoorziening ten behoeve van de brandweer. Voor de nieuwbouw zal nog wel afstemming tussen opstelplaats, brandweeringang en locatie van de brandkraan benodigd zijn.
Defensieve bluswatervoorziening De benodigde defensieve bluswatervoorziening is toereikend, de waterwinplaatsen voldoen aan de minimaal benodigde waterlevering en zijn in de directe nabijheid rondom het plangebied gesitueerd. Opkomsttijd In 2022 is het Regionale dekkingsplan opnieuw vastgesteld. In de nieuwe uitwerking voor opkomsttijden van de brandweer is opgenomen dat brandveiligheid uiteindelijk altijd een ketenresultaat is. De brandveiligheidsvoorzieningen op locatie zijn minstens zo belangrijk als de snelheid waarmee de brandweer op het plaats incident is. In de uitwerking van het dekkingsplan is rekening gehouden met de indeling van het verzorgingsgebied op basis van de CBS-wijk en buurtindeling en de leeftijd van
Toelichting
49
bestemmingsplan De Passage
gebouwen. Ook aan gebouwen waar de ontvluchting niet vanzelfsprekend is wordt extra aandacht besteed. Dit worden aandachtsobjecten genoemd, denk hierbij aan niet-zelfredzame personen, enkelzijdige ontvluchting (portieken) en hoge gebouwen. Het plangebied is vanuit het Regionale dekkingsplan gelegen in een buurt met de classificatie 'Categorie 2' met het overheersende kenmerk 'Woningen' en 'Gebouwen voor zelfredzame personen'. De nieuwe ontwikkeling past binnen het profiel van de vastgestelde categorie. De referentiewaarde voor deze categorie is 10 minuten. De berekende opkomsttijd valt binnen deze tijd en scoort daarmee 'goed'. Er zijn geen aanvullende voorzieningen benodigd, de te verwachten preventieve voorzieningen en opkomsttijd voldoen aan de uitgangspunten van het Dekkingsplan. Conclusie In het plangebied liggen geen risicobronnen. In de omgeving van het plangebied liggen de volgende relevante risicobronnen: Hogedrukaardgasleiding W-517-01 Autosnelweg A12 (afrit 9 (Zevenhuizen) tot knooppunt Gouwe) Autoweg N207 Als gevolg van deze risicobronnen liggen er geen plaatsgebonden risicocontouren over het plangebied. Het groepsrisico van de buisleiding ter hoogte van het plangebied is alleen relevant voor deze ontwikkeling. Dit groepsrisico blijft in de toekomstige situatie gelijk aan de huidige situatie.