De Passage Bijlagen bij toelichting Bijlage 11 Aanvullend soortgericht onderzoek
Tekst van het document
Aanvullend soortgericht onderzoek De Passage in Waddinxveen
In opdracht van Ingenieursbureau Land
Colofon Aanvullend soortgericht onderzoek De Passage in Waddinxveen Opdrachtgever Contactpersoon
Ingenieursbureau Land Mevrouw E. van Stempvoort
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer 2790 Projectnummer 5233 Auteur Ing. R. Top Controle Drs. L.M.A. Witjes Status Definitief Publicatiedatum: 6 november 2024 Foto voorblad Supermarkt (voorgrond) en flatgebouw (achtergrond) in het plangebied (foto: Google Maps)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 1 1
2
3
4
5
6
Inleiding en doel........................................................................................................... 2 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 2
1.2
Doel ...................................................................................................................... 2
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 3 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 3
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 3
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 3
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 3
Methodiek aanvullend onderzoek................................................................................. 5 3.1
Huismus ............................................................................................................... 5
3.2
Vleermuizen.......................................................................................................... 6
3.3
Gierzwaluw ........................................................................................................... 7
3.4
Steenmarter .......................................................................................................... 8
Resultaten aanvullend onderzoek ................................................................................ 9 4.1
Huismus ............................................................................................................... 9
4.2
Vleermuizen.......................................................................................................... 9
4.3
Gierzwaluw ......................................................................................................... 15
4.4
Steenmarter ........................................................................................................ 16
4.5
Overige soorten .................................................................................................. 17
Toetsing aan de Omgevingswet ................................................................................. 18 5.1
Omgevingswet .................................................................................................... 18
5.2
Huismus ............................................................................................................. 18
5.3
Vleermuizen........................................................................................................ 18
5.4
Gierzwaluw ......................................................................................................... 20
5.5
Steenmarter ........................................................................................................ 21
Conclusie ................................................................................................................... 22
Samenvatting Uit gericht onderzoek blijkt dat voor de geplande flora- en fauna-activiteit, bestaande de sloop van een voormalige supermarkt, het dempen van een watergang en de realisering van nieuwbouw langs De Passage in Waddinxveen, mogelijk sprake is van een negatief effect op vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis (zomerverblijfplaats) en de ruige dwergvleermuis (paarverblijfplaats), inclusief de aan deze verblijfplaatsen verbonden essentiele vliegroutes en foergeergebied. Indien negatieve effecten op deze verblijfplaatsen en de functionaliteit ervan niet kunnen worden voorkomen, is het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de Omgevingswet en het opstellen van een projectplan noodzakelijk. Voor overige beschermde soort(groep)en is het aanvragen van een omgevingsvergunning in het kader van de Omgevingswet niet noodzakelijk, aangezien er geen overtredingen van de Omgevingswet optreden. Verstoring van (overige) broedvogels moet voorkomen worden. Daarvoor moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (dat globaal loopt van 15 maart tot 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen.
Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om een terrein rond De Passage in Waddinxveen opnieuw in te richten. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Omgevingswet. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Ingenieursbureau Land.
Pagina 1
1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Omgevingswet een initiatiefnemer oplegt. Er zijn plannen om het gebied rond De Passage in Waddinxveen opnieuw in te richten. Hiervoor is daarom eerder een natuurtoets uitgevoerd door Royal Haskoning DHV (kenmerk BH9789-RHD-XX-XX-RP-EO-0001). De conclusie uit dit onderzoek is dat aanvullend soortgericht onderzoek noodzakelijk is naar nesten van de gierzwaluw, nesten en leefgebied van de huismus en naar vaste verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Mevrouw Van Stempvoort van Ingenieursbureau Land is betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies opdracht gegeven voor dit aanvullende onderzoek.
1.2 Doel Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Omgevingswet, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande flora- en fauna-activiteit sprake is van aantasting van (de functionaliteit van) vaste verblijfplaatsen van gierzwaluw, huismus en gebouwbewonende vleermuizen. Voor overige beschermde soorten zijn negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, of zijn te voorkomen door rekening te houden met gevoelige perioden, zoals het broedseizoen van vogels.
Pagina 2
2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
De Passage Waddinxveen Waddinxveen Zuid-Holland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in de woonkern Waddinxveen (zie figuur 1). Het betreft een gebied met een flatgebouw en aangrenzende voormalige supermarkt. Enkele vleermuiskasten in bomen maken ook onderdeel uit van het plangebied (zie figuur 1 en 2).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande activiteiten op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied bestaat uit een woonwijk met flatgebouwen, woonhuizen, winkels, kerk en parkeerplaatsen. Ten noorden wordt het onderzoeksgebied begrensd door een watergang. Ten oosten wordt het onderzoeksgebied begrensd door de Juliana Van Stolberglaan. Ten zuiden ligt de grens bij de Stationsstraat en westelijk bij het Stationsplein en de Prinses Beatrixlaan. Door het onderzoeksgebied lopen verschillende groenstructuren. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door gazon, openbaar groen, verharding en bebouwing (zie figuur 2).
2.4 Geplande werkzaamheden Men is voornemens het terrein rond de Passage opnieuw in te richten. Op diverse plaatsen is nieuwbouw van woningen gepland, waaronder de locatie van een voormalige supermarkt. Deze supermarkt vormt een geheel met een appartementencomplex dat uit een hoog deel en een laag deel bestaat. Dit gebouw (appartementencomplex en voormalige supermarkt) vormt het plangebied. Van het appartementencomplex (zowel het hoge deel als het lage deel) wordt alleen de begane grond gerenoveerd (zie Bijlage 1). Een deel van de nieuwbouw is gepland om direct aan te sluiten op de zuidoostelijke gevel van het lage deel van het appartementencomplex. De watergangen in het noordelijke deel van het terrein worden deels verlegd. Er worden diverse bomen gekapt om deze verlegging mogelijk te maken. In drie bomen hangen tijdelijke vleermuiskasten, die ook onderdeel uitmaken van het plangebied.
Pagina 3
Waddinxveen
Figuur 1. Globale ligging van het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2023).
Figuur 2. Luchtfoto van het terrein dat opnieuw wordt ingericht (geel) en het plangebied (rood vierkant is bebouwing, rode ovaal betreft bomen met vleermuiskasten). Bron: PDOK (2024).
Pagina 4
3 Methodiek aanvullend onderzoek Het document ‘Soortinventarisatie-protocollen’ van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) en het Vleermuisprotocol (versie 2021), opgesteld door de Zoogdiervereniging VZZ, in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur, geven richtlijnen voor onderzoeksinspanningen, effectbeoordelingen en mitigerende maatregelen. Soms zijn deze richtlijnen concreet en bewezen effectief. Er zijn ook onderdelen die minder eenduidig zijn, ruime marges hanteren of door voortschrijdend inzicht inmiddels achterhaald zijn. Om ongewenste onduidelijkheid te voorkomen over de beoordeling van een soortenaanvraag, heeft de provincie Zuid-Holland een document opgesteld met een nadere toelichting en nuancering op deze richtlijnen. Bij het bepalen van de methode van aanvullend onderzoek is gekozen voor de eisen van de richtlijnen uit de toepasselijk en meest recente versies van de Kennisdocumenten van BIJ12, de ‘Soortinventarisatieprotocollen’ van het Netwerk Groene Bureaus (NGB), het Vleermuisprotocol (versie 2021) én de nadere toelichting en nuancering op deze richtlijnen uit het document ‘Richtlijn ontheffing soortbescherming’ van de provincie Zuid-Holland (versie 1, juli 2020).
3.1 Huismus Voor het onderzoek naar de huismus zijn de Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland, het Kennisdocument Huismus (versie 2.1 februari 2023 van BIJ12) en de Soortinventarisatieprotocollen Netwerk Groene Bureaus (vesie nov 2023)richtinggevend. De huismus is een gebouwbewonende soort waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze soort kan het beste tijdens de ochtend geïnventariseerd worden. Dan is de zangactiviteit van mannetjes het hoogst. Er is geïnventariseerd op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal etc. Zo zijn de nestlocaties vastgesteld. Volgens de richtlijnen van SOVON Vogelonderzoek Nederland zijn hiervoor 2 ochtendbezoeken uitgevoerd in de periode 1 april – 20 juni (zie tabel 1). Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door huismussen.
Pagina 5
Onderzoeker
Ronde
Datum
Begintijd
Eindtijd
S. van der Steeg
1
29-4-2024
9:45 uur
11:15 uur
R. Top
2
10-5-2023
10.15 uur
12.00 uur
Weersomstandigheden Half bewolkt, droog, 13°C, wind 3 Bft Half bewolkt, droog, 17°C, wind 2 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek huismus.
3.2 Vleermuizen De te slopen voormalige supermarkt is potentieel geschikt als kraam-, zomer- en paarverblijfplaats voor gebouwbewonende soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Het aangrenzende flatgebouw is potentieel geschikt als (massa)winterverblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis. Het vleermuisprotocol (2021) adviseert om bij het vermoeden op vaste rust- en verblijfplaatsen van de te verwachten soorten gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 3 avond- of ochtendronden in de periode 15 mei-1 augustus, waarvan minimaal twee avondbezoeken in de periode 15 mei15 juli en één avondbezoek in juni, en 3 avondronden in de periode 1 augustus-1 oktober, waarvan twee avond/nachtbezoeken in de periode 1 augustus-10 september (zie tabel 2). Het tweede avondbezoek in de zomer is rond 25 juni uitgevoerd, specifiek voor de meervleermuis waarvan de kraamverblijven vaak al voor 15 juli uit elkaar vallen. Eén van de bezoeken in het najaar is, specifiek voor de ruige dwergvleermuis, rond middennacht uitgevoerd. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een bat detector (Pettersson D240x) en een batlogger (Elekon Batlogger M2). Geluidsopnames van het onderzoek zijn geanalyseerd in het softwareprogramma ‘Batexplorer versie 2.1’.
Bij het bepalen van het aantal personen dat het plangebied onderzoekt is als uitgangspunt gehanteerd dat bij elke ronde 75% van het plangebied te allen tijde te overzien is. Voor dit project is per veldbezoek voldoende dekking bereikt door de inzet van: ➢ Kraam- en zomerverblijfplaatsen: per veldbezoek 2 ecologen. ➢ Massawinterverblijfplaats gewone dwergvleermuis: 1 ecoloog. ➢ Paarverblijfplaatsen: 1 ecoloog. Naast de bebouwing in het plangebied is ook de bezetting van enkele vleermuiskasten in bomen onderzocht. Dit betreft in totaal 3 kasten, welke zijn onderzocht met behulp van een sterke zaklamp. Bij alle vleermuisbezoeken (zie tabel 2) zijn deze vleermuiskasten voorafgaand aan het bezoek, dus voor zonsondergang, gecontroleerd op de aanwezigheid van vleermuizen. De bezoeken zijn allen te voet uitgevoerd. Het plangebied is door de aanwezigheid van direct aangrenzende verharding en parkeerterreinen vrij overzichtelijk. Door de
Pagina 6
onderzoeksintensiteit en toegankelijkheid van het plangebied, en de direct aangrenzende verharding, is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door vleermuizen.
Ronde
Functie
Datum
Begintijd
Eindtijd
1
Zomerverblijfplaats
28-05-2024
02:30 uur
05:35 uur
2
Zomer- en kraamverblijfplaats
04-06-2024
21:55 uur
00:25 uur
3
Zomer- en kraamverblijfplaats
26-06-2024
22:00 uur
00:35 uur
4
Massawinterverblijfplaats
07-08-2024
00:00 uur
02:00 uur
5
Massawinterverblijfplaats+ Paarverblijfplaats
20-08-2024
20:53 uur
02:00 uur
6
Paarverblijfplaats
16-09-2024
19:45 uur
22:50 uur
Weersomstandigheden Half bewolkt, droog, 1411°C, wind 1-2 Bft Bewolkt, droog, 16-14°C, wind 2-3 Bft Onbewolkt, droog, 23-18°C, wind 2 Bft Bewolkt, droog, 18°C, wind 2 Bft Bewolkt, droog, 18°C, wind 2 Bft Half bewolkt, droog, 14°C, wind 2 Bft
Tabel 2. Veldonderzoek vleermuizen.
3.3 Gierzwaluw Voor het onderzoek naar gierzwaluw zijn de Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland, het Kennisdocument Gierzwaluw (versie 2.0 juli 2023 van BIJ12) en de Soortinventarisatieprotocollen Netwerk Groene Bureaus (versie nov 2023) richtinggevend. De nesten van de gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Er zijn 3 bezoeken met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen uitgevoerd van 1,5 uur voor zonsondergang tot 0,5 uur na zonsondergang in de periode 1 juni t/m 15 juli (zie tabel 3). Dit onderzoek is deels gecombineerd met het vleermuisonderzoek in de avonduren. Er is zoveel mogelijk gepost vanaf strategisch gekozen punten waarbij zoveel mogelijk alle laag vliegende (tot 20 meter boven de gebouwen of lager) gierzwaluwen worden genoteerd. Deze losse exemplaren of groep zijn vervolgens gevolgd waarbij er speciaal wordt gelet op gedrag (bezoek aan waarschijnlijke nestplaats en vluchtgedrag). Was de vlucht herhaaldelijk over een bepaald dak/gebouw dan is er gepost bij de zijde van het gebouw waar de gierzwaluwen op aanvliegen. Werd er herhaaldelijk geroepen bij het langsvliegen op eenzelfde locatie dan is daar gepost. Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door gierzwaluwen. Ronde
Datum
Begintijd
Eindtijd
Weersomstandigheden
1
4-6-2023
20.25 uur
0.25 uur
Bewolkt, droog, 20°C, wind 2 Bft
2
26-6-2024
20.30 uur
0.00 uur
Onbewolkt, droog, 25°C, wind 2 Bft
3
11-7-2024
20.25 uur
22:25 uur
Half bewolkt, 16°C, wind 2 Bft
Tabel 3. Veldonderzoek gierzwaluw.
Pagina 7
3.4 Steenmarter Het is niet uit te sluiten dat er het plangebied een vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter aanwezig is. Om vast te stellen of er sprake is van een vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter is uitgebreid sporenonderzoek tijdens de voortplantingsperiode (april – juli) uitgevoerd, maar ook in augustus en september is specifiek gezocht naar sporen en activiteit van de steenmarter. Onderzoek naar de steenmarter is gecombineerd met het veldonderzoek naar de huismus, vleermuizen en gierzwaluw. Bij daglicht is gezocht naar sporen van de steenmarter (tijdens onderzoek naar huismus en gierzwaluw) en ’s nachts (tijdens het onderzoek naar vleermuizen) is gelet op activiteiten van de steenmarter. Bij de nachtelijke onderzoeken is gebruik gemaakt van een warmtebeeldcamera.
Pagina 8
4 Resultaten aanvullend onderzoek In deze paragraaf worden de resultaten van het gericht veldonderzoek naar nesten en leefgebied van de huismus en gierzwaluw en de vaste verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en de steenmarter besproken.
4.1 Huismus Tijdens het veldonderzoek zijn geen huismussen of verblijfplaatsen van huismussen aangetroffen in het plangebied of in het onderzoeksgebied. Er zijn wel huismussen aangetroffen op korte afstand van het plangebied. Bij het eerste veldbezoek zijn langs de Stationsstraat zingende mannetjes waargenomen bij huisnummer 14 en in de voortuin van huisnummer 7. Daar was ook een groepje van circa vijf huismussen in de dichte heggen aanwezig. In de heggen bij de parkeerplaats ten noorden van het appartementencomplex bij de Prins Bernhardlaan zijn drie losse foeragerende mannetjes waargenomen. Deze vogels vlogen na 10 minuten weer naar noord, waar geschikte broedlocaties aanwezig kunnen zijn in de woonwijk aldaar, op ruime afstand van het plangebied. Bij het tweede veldbezoek zijn alleen enkele zingende huismussen waargenomen in de Stationsstraat. Er zijn geen huismussen waargenomen in het plangebied of in het onderzoeksgebied.
4.2 Vleermuizen In de drie vleermuiskasten die in de bomen hangen zijn geen vleermuizen of sporen van vleermuizen aangetroffen. In één van de vleermuiskasten die aan het gebouw aan de Prins Bernhardlaan hangen is wel eenmaal een ruige dwergvleermuis aangetroffen. Tijdens het veldonderzoek conform Vleermuisprotocol 2021 zijn de volgende vleermuissoorten aangetroffen in het onderzoeksgebied: • • •
4.2.1
Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Ruige dwergvleermuis
Gewone dwergvleermuis
Zomerverblijfplaats Tijdens het ochtendbezoek op 28 mei 2024 (onderzoek zomerverblijfplaats) zijn aan de noordzijde van het hoge flatgebouw 2 invliegende gewone dwergvleermuizen vastgesteld. Deze exemplaren vlogen op verschillende plaatsen naar binnen aan de onderzijde van de betonnen randen (zie foto 1 en figuur 3).
Pagina 9
Tijdens het tweede paarverblijfplaatsenonderzoek op 16 september is een invliegende gewone dwergvleermuis waargenomen op de zuidoosthoek van het pand (zie foto 1 en figuur 3). Deze gewone dwergvleermuis vertoonde geen baltsgedrag, waardoor niet kon worden vastgesteld of het hier een paarverblijfplaats of een zomerverblijfplaats betreft. Aangenomen wordt daarom dat het gaat om een zomerverblijfplaats. Bij de overige bezoeken zijn geen aanwijzingen vastgesteld die duiden op de aanwezigheid van een zomerverblijfplaats in het flatgebouw.
Foto 1. De zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis bevinden zich aan de onderzijde van de witte betonbanden (foto: google.com/maps).
Kraamverblijfplaats Tijdens het onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in het pand in het plangebied. Wel zijn tijdens het avondbezoek op 26 juni 2024 in het plangebied meerdere gewone dwergvleermuizen waargenomen die kwamen vanuit zuidelijke richting. Mogelijk wijzen deze waarnemingen op de aanwezigheid van een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis op een locatie zuidelijk van het plangebied, bijvoorbeeld in de Stationsstraat.
Pagina 10
Foto 2. Locatie zomerverblijfplaats gewone dwergvleermuis en paarverblijfplaats ruige dwergvleermuis(foto: D. Heintz, NOC24).
Pagina 11
Massawinterverblijfplaats Er zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van een massewinterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Tijdens beide nachtbezoeken op 7 en 20 augustus is geen zwermgedrag van gewone dwergvleermuizen waargenomen in het planmgebied. Er zijn ook geen waarnemingen gedaan die wijzen op massawinterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de omgeving van het plangebied. Baltsverblijfplaats Tijdens de eerste ronde voor baltsverblijfplaatsen is een baltsende gewone dwergvleermuis aangetroffen bij de noordelijke gevel van de hoge flat in het plangebied. Dit betreft waarschijnlijk één van de gewone dwergvleermuizen waarvan tijdens de ochtendronde reeds een zomerverblijfplaats werd vastgesteld. Deze zomerverblijfplaats is dan ook in gebruik als paarverblijfplaats. In het onderzoeksgebied werden nog enkele gewone dwergvleermuizen waargenomen die geen binding vertoonden met het plangebied. Tijdens de tweede baltsronde op 16 september is een invliegende gewone dwergvleermuis waargenomen (zie ook de alinea “Zomerverblijfplaats” onder paragraaf 4.2.1). Van deze gewone dwergvleermuis is geen baltsgedrag waargenomen, maar het kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats (mede) functioneert als paarverblijfplaats. Het is echter ook mogelijk dat alleen sprake is van een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.
Foerageergebied Tijdens de ochtendronde op 28 mei is vanaf het begin van het onderzoek een foeragerende dwergvleermuis waargenomen boven de doodlopende arm van de watergangen ten noorden van het plangebied (zie figuur 3). Deze vleermuis bleef boven deze waterpartij foerageren tot aan het einde van de nacht en vond vervolgens een verblijfplaats in de noordgevel van de hoge flat in het plangebied. Het is niet uitgesloten dat het foerageergebied ten noorden van het flatgebouw essentieel is voor het functioneren van deze verblijfplaats. Dit houdt in dat de betreffende gewone dwergvleermuis deze verblijfplaats onder meer heeft ingenomen omdat er zich op zeer korte afstand een goed foerageergebied bevindt. Wanneer vleermuizen dicht bij hun verblijfplaats kunnen foerageren hebben zij meer tijd en energie voor zaken als voortplanting en zodoende kan de combinatie van een verblijfplaats met een foerageergebied zeer sterk samenhangen en is het mogelijk dat deze onderdelen niet zonder elkaar kunnen functioneren. Daarom wordt de sloot verondersteld onderdeel uit te maken van een essentieel foerageergebied.
Pagina 12
Figuur 3. Plangebied (rood) met vastgestelde verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen (blauwe sterren), essentieel foerageergebied (geel) en vliegroutes (gele pijl voor noordelijke verblijfplaatsen, rode pijl voor zuidoostelijke verblijfplaats en groene pijl voor mogelijke kraamverblijfplaats buiten het plangebied) voor de gewone dwergvleermuis.
De overige delen van het onderzoeksgebied bestaan voornamelijk uit verharding en gazons, waar wel gefoerageerd kan worden door de gewone dwergvleermuis, maar wat geen essentiele functie vervult omdat de specifieke kenmerken van dit habitat ruimschoots voorhanden zijn in de directe omgeving. Derhalve is er voldoende uitwijkmogelijkheid voor vleermuizen als dit gebied (verharding en gazons) verloren gaat. Vliegroute De verbinding tussen de verblijfplaatsen in de noordelijke gevel en het essentiele foerageergebied is essentieel voor het functioneren van deze onderdelen van het leefgebied van de gewone dwergvleermuis. De bomen die bij de parkeerplaats staan aan de noordzijde van dit gebouw maken onderdeel uit van de essentiele verbinding. De verblijfplaats in de zuidoostelijke hoek van het plangebied kan alleen functioneren als vleermuizen deze plek kunnen bereiken via een geschikte route. Aannemelijk is dat de
Pagina 13
route naar het noorden het meest geschikt is, aangezien de route naar andere richtingen altijd het verlichte fietspad volgen of kruisen. Op foto 2 is dit duidelijk zichtbaar, de route richting het noorden (rechts op de foto) is donkerder dan de andere richtingen. Derhalve moet worden aangenomen dat de vliegroute richting noord vanaf deze verblijfplaats essentieel is voor het functioneren van deze verblijfplaats. In het plangebied worden geen andere essentiele vliegroutes verwacht. Mogelijk is er wel sprake van een essentiele vliegroute vanuit zuidelijke richting door het plangebied richting het noorden. Hier is namelijk tijdens het vleermuisonderzoek op 26 juni een aantal overvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen, die mogelijk bij een kraamverblijfplaats ten zuiden van het plangebied vandaan kwamen.
4.2.2
Laatvlieger
Tijdens het onderzoek is een enkele langs-/overvliegende laatvlieger waargenomen. Er zijn geen aanwijzingen als in- en uitvliegende of rondzwermende exemplaren vastgesteld die de aanwezigheid van een verblijfplaats aannemelijk maken. De langs-/overvliegende laatvliegers hebben elders in de omgeving, op ruime afstand van het plangebied, hun verblijfplaats.
4.2.3
Ruige dwegvleermuis
Tijdens de zomerronden zijn geen ruige dwergvleermuizen waargenomen. Kraamverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis zijn derhalve uitgesloten. Tijdens de eerste ronde voor baltsverblijfplaatsen is een baltsende ruige dwergvleermuis aangetroffen. Deze ruige dwergvleermuis is uitsluitend baltsend gehoord en is niet vliegend waargenomen. Wel kon de verblijfplaats worden vastgesteld met behulp van een warmtebeeldcamera, zie foto 2 en figuur 4. Deze verblijfplaats bevindt zich waarschijnlijk op dezelfde plek als de zuidoostelijke zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis, maar de exacte locatie van die zomerverblijfplaats kan ook op een locatie dicht in de buurt hiervan zijn. De paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis in de zuidoostelijke hoek van het plangebied kan alleen functioneren als vleermuizen deze plek kunnen bereiken via een geschikte route. Aannemelijk is dat de route naar het noorden het meest geschikt is, aangezien de route naar andere richtingen altijd het verlichte fietspad volgen of kruisen. Op foto 2 is dit duidelijk zichtbaar, de route richting het noorden (rechts op de foto) is donkerder dan de andere richtingen. Derhalve moet worden aangenomen dat de vliegroute richting noord vanaf deze verblijfplaats essentieel is voor het functioneren van deze paarverblijfplaats.
Pagina 14
Figuur 4. Plangebied (rood) met vastgestelde paarverblijfplaats van ruige dwergvleermuis (gele ster) en essentiele vliegroute (rode pijl) voor de ruige dwergvleermuis.
4.3 Gierzwaluw Tijdens het veldonderzoek naar gierzwaluwen zijn op meerdere momenten aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van gierzwaluwnesten in het plangebied. Tijdens de ochtendronde voor vleermuizen op 28 mei zijn rond zonsopkomst roepende gierzwaluwen gehoord vanuit de noordelijke gevel. Op dat moment zijn geen uitvliegende gierzwaluwen gezien dus de exacte locatie van de nesten kon niet worden vastgesteld. Tijdens de eerste ronde voor gierzwaluwen op 4 juni is een groepje van 6 gierzwalkuwen waargenomen die nestindicerend gedrag vertoonden bij de noordelijke en westelijke gevel van het hoge flatgedeelte in het plangebied. Deze gierzwaluwen vlogen laag gierend langs het gebouw, maar er zijn geen invliegende exemplaren waargenomen. Bij de tweede onderzoeksronde voor gierzwaluwen werden vanaf het begin van het onderzoek gierzwaluwen bij de flat waargenomen. Uiteindelijk zijn 4 gierzwaluwen ingevlogen op twee verschillende locaties in de westelijke gevel in de flat. Op deze twee locaties waren ook duidelijke poepsporen te zien. Deze locaties betreffende nesten van de gierzwaluw.
Pagina 15
Tijdens de derde ronde voor gierzwaluwen werden aanvankelijk 4 gierzwaluwen langs het plangebied waargenomen, later werden dat er 6. Van een deel van deze gierzwaluwen is waargenomen dat deze zijn ingevlogen. Geconcludeerd kan worden dat zich twee nesten van gierzwaluwen bevinden in de westelijke gevel van het hogere flatgebouw in het plangebied, en één nest van de gierzwaluw in de noordelijke gevel van dit gebouw (zie figuur 5).
Figuur 5. Plangebied (rood) met vastgestelde nestlocaties van de gierzwaluw in de gevels die met geel zijn aangeduid.
4.4 Steenmarter Tijdens het veldonderzoek zijn geen steenmarters of verblijfplaatsen van steenmarters aangetroffen in het plangebied of in het onderzoeksgebied. Tijdens geen van de onderzoeksronden voor huismus, vleermuizen en gierzwaluw zijn sporen aangetroffen van de steenmarter. Er zijn evenmin steenmarters waargenomen tijdens de nachtelijke onderzoeken, waarbij steeds gebruik is gemaakt van warmebeeldcamera’s. Derhalve kan worden uitgesloten dat zich in het plangebied verblijfplaatsen van de steenmarter bevinden.
Pagina 16
4.5 Overige soorten Tijdens het veldonderzoek is enkele malen een foeragerende egel aangetroffen in de buurt van het plangebied. Deze egels hebben hun verblijfplaatsen naar alle waarschijnlijkheid in dichte bosschages buiten het plangebied. Er zijn geen andere beschermde soorten waargenomen in of direct rond het plangebied.
Pagina 17
5 Toetsing aan de Omgevingswet 5.1 Omgevingswet Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) van kracht. Deze wet vervangt de Wet natuurbescherming die gold sinds 2017. Beide wetten volgen in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden zijn terug te vinden in het Bal (besluit activiteiten leefomgeving): • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) (art. 11.1 Bal). Soortenlijst beschermde planten en dieren (art. 11.37, 11,46 en 11.54 Bal). Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 7.7 Bkl) Algemene en specifieke zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (resp. art. 1.6 Ow en art 11.27 Bal) Actieve soortenbescherming (art. 11.2 Bal): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Van vleermuizen zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. De effecten op vleermuizen, en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden en de relevante verbodsbepalingen uit de Omgevingswet (Ow) en het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal).
5.2 Huismus Tijdens het gericht veldonderzoek zijn geen nesten of andere essentiele functies van het leefgebied van de huismus aangetroffen in het plangebied. Negatieve invloeden van de werkzaamheden op de huismus zijn daarom uitgesloten. Verdere maatregelen of het aanvragen van een Omgevingsvergunning zijn voor de huismus niet nodig.
5.3 Vleermuizen Gewone dwergvleermuis Tijdens het gericht veldonderzoek zijn drie zomerverblijfplaatsen, een essentieel foerageergebied en enkele essentiele vliegroutes van de gewone dwergvleermuis aangetroffen in het plangebied. Zomerverblijfplaatsen noordelijke gevel Twee van deze verblijfplaatsen bevinden zich in de noordgevel van het hoge flatgebouw in het plangebied. Het foerageergebied en de route naar het foerageergebied zijn essentieel voor het functioneren van deze verblijfplaatsen. In dit deel van het appartementencomplex is alleen sprake van renovatiewerkzaamheden op de begane grond (zie Bijlage 1, blauw en
Pagina 18
geel). Er zijn geen werkzaamheden gepland aan de gevels van de overige woonlagen van de flat. Aangezien de vastgestelde verblijfplaatsen zich bevinden op de hogere verdiepingen van het appartementencomplex, is van fysieke aantasting van de verblijfplaatsen geen sprake. Er zijn wel werkzaamheden gepland in de omgeving van de flat, waaronder ook aan de noordzijde. Indien bij de herinrichting van dit gebied kan worden gewaarborgd dat het foerageergebied te allen tijde beschikbaar en bereikbaar blijft voor de gewone dwergvleermuis, kunnen negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Het is daarbij niet noodzakelijk dat het huidige foerageergebied boven de sloot beschikbaar blijft, maar er moet wel altijd een gelijkwaardig alternatief in dezelfde richting op ongeveer gelijke afstand beschikbaar en bereikbaar zijn. Dit betekent in ieder geval dat er in het foerageergebied geen extra verlichting mag worden gebruikt tussen zonsondergang en zonsopgang. Alleen indien aan bovengenoemde voorwaarden wordt voldaan zijn negatieve effecten op de noordelijke verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis op voorhand uit te sluiten en is het aanvragen van een Omgevingsvergunning niet noodzakelijk voor de noordelijke verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis.
Indien voor deze optie wordt gekozen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden uit te voeren aan de hand van een ecologisch werkprotocol en onder begeleiding van een ecoloog die deskundig is op het gebied van vleermuizen. Indien de functionaliteit van de verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de noordelijke gevel niet kan worden gewaarborgd, is het aanvragen van een Omgevingsvergunning voor een Flora- en fauna-activiteit noodzakelijk voor deze verblijfplaatsen. Zuidoostelijke zomer- of paarverblijfplaats Er bevindt zich één verblijfplaats van één gewone dwergvleermuis in de zuidoostelijke hoek van de lage flat in het plangebied. De route vanaf deze verblijfplaats richting het noorden is essentieel voor het functioneren van deze verblijfplaats. Volgens het inrichtingsplan komt er een nieuwbouwcomplex op korte afstand of tegen de oostelijke gevel van de lage flat in het plangebied (zie Bijlage 1: oranje). De functionaliteit van de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de zuidoostelijke hoek van de gevel gaat verloren als hier een gebouw tegen of op korte afstand wordt geplaatst. Indien de functionaliteit van de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de zuidoostelijke hoek van het plangebied verloren gaat, is het aanvragen van een Omgevingsvergunning voor een Flora- en fauna-activiteit noodzakelijk voor deze verblijfplaats.
Vliegroute ten oosten van het plangebied Er is sprake van een essentiële vliegroute vanaf een onbekende verblijfplaatslocatie ten zuiden van het plangebied richting het noorden. Deze vliegroute kruist De Passage ten oosten van het onderzochte plangebied. In het ontwerp voor de herinrichting is een
Pagina 19
geschikte route beschikbaar voor vleermuizen tussen de te realiseren gebouwen door. Indien er gedurende de geplande werkzaamheden en na afloop van de herinrichting altijd een geschikte (donkere) route is van zuid naar noord in het gebied tussen de flat in het plangebied en de Juliana van Stolberglaan, dan worden geen negatieve effecten verwacht op deze essentiele vliegroute en is het aanvragen van een Omgevingsvergunning niet noodzakelijk voor deze essentiele vliegroute van de gewone dwergvleermuis. Indien de functionaliteit van deze vliegroute van de gewone dwergvleermuis niet te allen tijde kan worden gewaarborgd, is het aanvragen van een Omgevingsvergunning voor een Flora- en fauna-activiteit noodzakelijk voor deze vliegroute. Ruige dwergvleermuis Tijdens het gericht veldonderzoek is één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis aangetroffen in het plangebied. Deze verblijfplaats bevindt zich waarschijnlijk op dezelfde locatie als de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de zuidoostelijk hoek van het plangebied. Daarom is onderstaande tekst grotendeels gelijk aan de tekst bij de verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de zuidoostelijk hoek van het plangebied. De verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis op dezelfde locatie moeten worden gezien als twee afzonderlijke verblijfplaatsen.
Er bevindt zich één paarverblijfplaats van één ruige dwergvleermuis in de zuidoostelijke hoek van de lage flat in het plangebied. De route vanaf deze verblijfplaats richting het noorden is essentieel voor het functioneren van deze verblijfplaats. Volgens het inrichtingsplan komt er een nieuwbouwcomplex op korte afstand of tegen de oostelijke gevel van de lage flat in het plangebied (zie Bijlage 1: oranje). De functionaliteit van de paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis in de zuidoostelijke hoek van de gevel gaat verloren als hier een gebouw tegen of op korte afstand wordt geplaatst. Indien de functionaliteit van de paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis in de zuidoostelijke hoek van het plangebied verloren gaat, is het aanvragen van een Omgevingsvergunning voor een Flora- en fauna-activiteit noodzakelijk voor deze verblijfplaats. Overige vleermuissoorten Tijdens het gericht veldonderzoek zijn geen essentiele functies van andere vleermuissoorten aangetroffen in het plangebied. Negatieve effecten op andere vleermuissoorten dan de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis zijn uitgesloten in het plangebied en het aanvragen van een Omgevingsvergunning is niet noodzakelijk voor overige vleermuissoorten.
5.4 Gierzwaluw Tijdens het gericht veldonderzoek zijn van de gierzwaluw twee nesten aangetroffen in de westgevel en één nest van de gierzwaluw in de noordgevel. Aan deze gevels zijn geen
Pagina 20
werkzaamheden voorzien. De overige werkzaamheden in de omgeving van het pand hebben ook geen negatieve invloed op de functionaliteit van de gierzwaluw, aangezien de gierzwaluw geen binding heeft met het habitat rond de nestlocatie. Zolang er voldoende aanvliegruimte is zijn negatieve effecten op de nesten van de gierzwaluw niet te verwachten. Verdere maatregelen of het aanvragen van een Omgevingsvergunning zijn voor de gierzwaluw niet nodig.
5.5 Steenmarter Tijdens het gericht veldonderzoek zijn geen steenmarters of sporen van steenmarters aangetroffen in het plangebied. Negatieve invloeden van de werkzaamheden op de steenmarter zijn daarom uitgesloten. Verdere maatregelen of het aanvragen van een Omgevingsvergunning zijn voor de steenmarter niet nodig.
Pagina 21
6 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Omgevingswet kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Er zijn drie zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis en één paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis vastgesteld in het plangebied. Vlak buiten het plangebied is een essentiele vliegroute van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Een deel van de verblijfplaatsen kan worden behouden tijdens en na de herinrichting van het plangebied, maar indien er in de zuidoostelijke hoek een gebouw wordt geplaatst tegen het bestaande appartementencomplex dan gaan een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en een paarverblijfplaats van een ruige dwergvleermuis verloren. Indien deze verblijfplaatsen verloren gaan, is er sprake van een Flora- en fauna-activiteit en is het aanvragen van een Omgevingsvergunning noodzakelijk. Er zijn geen essentiele functies van het leefgebied van de huismus en steenmarter aangetroffen in het plangebied. Er zijn wel drie nesten van de gierzwaluw vastgesteld in het plangebied, maar deze nesten bevinden zich buiten de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden. Negatieve effecten op de huismus, gierzwaluw en steenmarter kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten en het aanvragen van een Omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is daarom niet noodzakelijk.
Bij de geplande ontwikkelingen en werkzaamheden moet rekening gehouden worden met het voorkomen van broedvogels in het plangebied. Dit houdt onder meer in dat verstoring van (overige) broedvogels moet worden voorkomen. Daarvoor moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (het broedseizoen loopt globaal van 1 maart tot 1 augustus) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Verder moet op basis van de zorgplicht rekening gehouden worden met egels en amfibieen bij werkzaamheden in groenstructuren.
Pagina 22
Bijlagen 1
Impressie geplande werkzaamheden
Pagina 23
Bijlage 1 Impressie geplande werkzaamheden
Pagina 24
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl
Pagina 25